[Inhoud]

De Plaats der Straffen.

Hoewel het schijnt, dat niet een gedeelte van de Duat speciaal voor de slechten gereserveerd werd, werden dezen op voldoende wijze op allerlei manieren gekweld, om hun bestaan tot een bestraffing, voor eenige misdaden, gedurende hun leven begaan, te maken.

Aan een eind van deze streek bevonden zich vurige afgronden, waarbij afschuwelijke goden de wacht hielden, die de lichamen der gestorvenen lieten vernietigen en in stukken houwen, voordat zij verbrand werden. Hun bestraffing werd echter door de verschijning van Ra-Osiris, op zijn nachtelijke reis, verzacht, want, als hij verscheen, werden de folteringen tijdelijk gestaakt.

De goden, die over de veroordeelden straf uitoefenden, waren de vijanden van Osiris, personificaties van duisternis, nacht, mist, damp, storm, wind enz., en dezen werden overdag door de krachtige stralen van het licht vernietigd Dezen werden in menschelijke gedaante afgebeeld en ten onrechte vermoedt men, dat de afbeelding van hun vernietiging een voorstelling van het verbranden van de zielen der veroordeelden was.

Deze booze vijand werd met iederen omloop van de zon vernieuwd, zoodat het den schijn wekte, of een nieuwe slagorde van vijanden Ra iederen nacht en iederen morgen aanviel. Gedurende den tijd tusschen schemering en zonsopkomst werden zij verslagen en gestraft.

De zielen van de verdoemden waren op geen enkele wijze in staat, den voortgang van Ra te verhinderen, doch in later tijd werden zij tot op zekere hoogte met de vijanden van Ra geïdentificeerd, woonden met dezen en hielpen hen bij den aanval tegen den zonnegod. [133]

In den daarop volgenden strijd werden zij door de krachtige zonnestralen, als pijlen, of speren, voorgesteld, doorboord en de messen, welke hun lichamen in stukken hakten, waren de zinnebeeldige voorstelling van de vlammen, welke uit het lichaam van Ra te voorschijn kwamen. De meren en poelen van vuur, waarin zij ondergedompeld werden, stelden den aanblik van den Oostdijken hemel bij de opkomst van de zon voor.

Er is niets in den Egyptischen godsdienst, dat het geloof in een eeuwigdurende straf wettigt en zulk een gezichtspunt is met het materiaal van de teksten onvereenigbaar.

Er is inderdaad niets in de Egyptische godsdienstige voorstelling, dat met de Hel van de Joden, of het Vagevuur en de Hel van het Middeleeuwsch Europa parallel loopt.

De Egyptische idee over den dood sloot de opvatting over de wederopstanding van het physieke lichaam, in de onderwereld, niet in zich, doch men geloofde, dat, als het lichaam vernietigd was, de ka, of dubbelganger, de schaduw en geest van den mensch, eveneens te gronde moest gaan.

Het is intusschen vreemd, dat de Egyptische idee van tijdelijke straf, na den dood, aan de ouderwetsche opvatting over dien toestand, in Koptische bronnen, kleur gegeven schijnt te hebben. De Koptische Christenen, uit Egypte, schijnen de idee van bestraffing, in de Duat, bijna geheel van hun heidensche voorvaderen, of tijdgenooten, overgenomen te hebben.

Amélineau citeert een Koptisch werk, waarin een doode Egyptenaar vertelt, dat op het doodsuur straffende engelen, met messen en andere wapenen, welke zij door zijn lichaam staken, gewapend, zich rondom hem verzamelden. Andere geesten trokken zijn ziel uit zijn lichaam, bonden dezen op een zwart paard vast en galoppeerden met dezen naar Amentet weg. [134]

Daar aangekomen, werd hij eerst op een plaats, welke vol walgelijke slangen was, gefolterd en daarna werd hij naar buiten, in de duisternis, geworpen. Hij viel in een put, welke op zijn minst twee honderd voet diep was; hierin bevonden zich slangen van allerlei soort, elk van zeven koppen voorzien en werd hij aan een slang, welke tanden had, op ijzeren staven gelijkende, overgegeven.

Iedere week, van Maandag tot Vrijdag, knaagde dit monster aan den ongelukkige, alleen des Zaterdags en Zondags hield de foltering op.

Alleen wat het feit betreft, dat hier niet gesproken wordt van een altijddurende straf, verschilt deze plaats van bestraffing van gelijksoortige voorstellingen in andere mythologieën; de voorstelling van de uitgeoefende straf echter, het snijden met messen, het steken met speren, het brandende vuur en zoo voorts, is eigenlijk dezelfde voorstelling, als bij andere godsdiensten.

De voorstelling van de Egyptische onderaardsche streken gelijkt verder geheel en al op die in andere mythologische stelsels.

Men moet niet denken, dat de Egyptenaren, met hun nauwkeurig uitgewerkte voorzorgsmaatregelen voor de bewaring van het lichaam, na den dood, in een eeuwige straf gelooven konden. Waarschijnlijk kunnen zij geloofd hebben in de straf van ieder ander, maar het is hoogst onwaarschijnlijk, dat eenig Egyptenaar, die zich een tijd aan de bestudeering van het Boek der Dooden overgegeven had, geloofde, dat hij zelf verdoemd was. Zijn geheele toekomst hing, volgens dat boek, van de kennis der machtwoorden, daarin vervat, af en zeer zeker kon niemand, terwijl hij zoo betrekkelijk gemakkelijke middelen had, om aan het gevaar te ontsnappen, zoo dwaas zijn, dezen te veronachtzamen.