[Inhoud]

Osiris’ Reis.

Wij vinden nog andere beschrijvingen van de Duat in „Het Boek der Ingangen” en „Het Boek van Hem, die in de Duat is”; hierin wordt een schets gegeven van de reis, welke de zonnegod door de andere wereld maakt, nadat hij op aarde is ondergegaan.

Terstond na zijn ondergang neemt hij de gedaante van Osiris aan, welke een ram, met het hoofd van een man, voorstelt. Wanneer hij in de voorkamer van de Duat, in het Westen, aankomt, wordt zijn komst door een loflied, door de Aap-goden aangeheven, aangekondigd, terwijl slangen uit hun bek vlammen blazen en bij het licht van dezen sturen de goden, die als gids dienst doen zijn vaartuig. [126]

Alle deuren worden geopend en de dooden, door de aardsche lucht, welke Osiris met zich medebrengt, verkwikt, worden voor een kort uur weer tot het leven teruggeroepen. Alle wezens, in dat gedeelte van de Duat, worden, op bevel van den god, van spijs en drank voorzien.

De dooden, die hier wonen, zijn zij, die niet met goed gevolg het onderzoek, om tot het paleis toegelaten te worden, doorstaan hebben en alleen van het stoffelijk voordeel, dat hun door de dagelijksche passage van den god wordt verschaft, bestaan zij.

Wanneer de zon, welke in dezen vorm onder den naam Af Ra bekend is, den ingang van de tweede afdeeling van de Duat bereikt, welke Urnes genaamd is, verlaten de goden van de eerste streek hem en aanschouwen zijn gezicht niet voor den volgenden nacht. Op dit punt ontmoeten de booten van Osiris en zijn dienaren de boot van Af Ra en op deze plaats verlangt Osiris weer, dat de dooden voedsel, licht en lucht ontvangen. Hier worstelt hij met de slangen Hau en Neha-her, zooals vele zonnegoden, gedurende den tijd van de duisternis, doen en als hij hen overwonnen heeft, wordt hij naar de velden van de Graangoden geleid; hier rust hij een poos uit.

Hier luistert hij naar de gebeden van de levenden, ten behoeve van de dooden en beziet de offeranden door de eersten gebracht. Gedurende zijn reis trekt hij door de twaalf afdeelingen van de Duat. Hierbij komen wij streken tegen, welke waarschijnlijk geheel afgescheiden rijken der dooden waren, zooals het rijk van Seker een god, die waarschijnlijk veel ouder dan Osiris is.

Het wegen van het hart.

Het wegen van het hart.

Uit de Papyrus van Ani.

Reproductie met toestemming van den Directeur van het Britsch Museum.

Op deze plaats is zijn boot geheel en al overbodig, daar er in het duistere rijk van Seker geen enkele rivier is, iets, wat geheel en al in strijd met de idee over Osiris schijnt te zijn. Daarom zegt hij herhaaldelijk woorden op, welke een buitengewone kracht hebben en dezen dwingen den god van die plaats hem langs de onderaardsche streken [127]te geleiden; hieruit komt hij daarna in Amhet, waar zich een stroom van kokend water bevindt. Doch hij verlaat eerst het rijk van Seker, wanneer hij de zesde afdeeling bereikt, waar de gestorven koningen van Egypte en de Khu, of Geest-zielen, wonen.

Op dit punt van zijn reis wendt Af Ra zijn gelaat naar het Oosten en richt zijn koers naar het Gebergte van den zonsopgang. In de zevende afdeeling voegen Isis en andere godheden zich bij hem; hier wordt zijn weg door de listige slang Apep versperd, doch de goden, die hem bijstaan, steken hun zwaarden door diens lichaam.

Een gezelschap van goden loodst hem door de achtste afdeeling, maar zijn vaartuig gaat door eigen kracht door de 9e streek en in de 10e en 11e schijnt hij een aantal meren te passeeren, welke wellicht een voorstelling van de lagunen van de delta zijn. In de laatste afdeeling wordt zijn voortgang door een lichtschijf bevorderd, door een slang omringd, welke op den voorsteven van zijn boot rust.

De twaalfde streek bevat de groote massa hemelsche wateren, Nu genaamd en hier woont Nut, de personificatie van den morgen. Voor de boot duikt de groote slang Ankh-neteru op en twaalf goden, die de reeplijn vasthouden, trekken den god door het lichaam van het monster en brengen Af Ra uit diens mond te voorschijn, niet als Af Ra echter, want gedurende dien doortocht wordt hij in Khepera veranderd en in diens gestalte wordt hij door twaalf godinnen naar den hemel gesleept; dezen leiden hem voor Shu, den god van de atmospheer van de aardsche wereld.

Shu plaatst hem in de opening van den muur, welke het eind van de twaalfde afdeeling vormt en thans vertoont hij zich aan de oogen der stervelingen als een lichtschijf, terwijl hij zijn mummie-vorm, waarin hij door de Duat ging, heeft afgelegd.

Zijn voortgang wordt door de toejuichingen van de goden, die hem begeleiden, gevolgd; dezen overvallen [128]en vernietigen zijn vijanden en zingen lofliederen te zijner eere.

De Duat, in het Boek der Poorten beschreven, verschilt aanmerkelijk van die in „Het Boek van Hem, die in de Duat is”, doch ook deze laatste heeft twaalf afdeelingen en een ongeveer gelijke reis wordt daarin geschetst.

De voornaamste goden, die in het Boek der Dooden genoemd worden, zijn de volgende: Tem, of Atmu, Nu, Ra, Khepra, Ptah, Ptah-Seker, Khnemu, Shu, Set, Horus, Thoth, Nephthys, Anubis, Amen en Anu, inderdaad het grootste aantal van de voornaamste goden van Egypte.

Behalve dezen waren er nog verscheidene mindere goden en een groot gezelschap van geesten, demonen en andere bovennatuurlijke wezens. Vele van deze demonen waren zeer oude vormen van half vergeten goden. Men moet wel letten op het feit, dat Osiris feitelijk op ieder station van zijn reis een, of meer, van zijn goddelijke metgezellen achterlaat en men stelde voor, dat zij sindsdien de beheerschers, of satrapen van de streken werden, waarin hij hen achtergelaten had. Zoo placht een Pharaoh, op deze aarde, zijn hovelingen voor bewezen diensten te beloonen.

In den tijd van het Middenrijk nam de opvatting over Osiris, als rechter over de dooden, een vaste gestalte aan en werd algemeen erkend. In een van de hoofdstukken van het Boek der Dooden vinden wij hem in een ruime hal, waarvan de zoldering met vuur en symbolen der waarheid bedekt is, zitten. Voor hem bevinden zich het symbool van Anubis, de vier zonen van Horus, en de Vernietiger van het Westen, een monster, dat als zijn beschermer fungeert. Aan de achterzijde zitten de 42 doodenrechters.

De gestorvene verschijnt voor den god en zijn hart wordt in eene groote weegschaal gelegd om door Anubis gewogen te worden, terwijl Thoth, de schrijver van de [129]goden, er bij staat, om het resultaat op zijn plankjes te schrijven. Wanneer hij den uitslag aan Osiris heeft medegedeeld, wordt de doode man, indien hij tenminste waardig bevonden is, aan den god voorgesteld; voor dezen zegt hij dan een lang gebed op en hierin verklaart hij, dat hij geen enkel kwaad bedreven heeft.

Zij, die niet aan het onderzoek beantwoordden, werden weggejaagd en liepen gevaar, door een vreeselijk monster, Beby genaamd, dat buiten op hen loerde, verslonden te worden. Zij echter, die rechtvaardig bevonden waren, namen aan de levenswijze van Osiris en de andere goden, van welke men zich klaarblijkelijk voorstelde dat zij aan die van de Egyptische aristocratie gelijk waren, deel.

Zooals reeds opgemerkt is, mocht de gestorvene zichzelf veranderen in een dier-gestalte, welke hij zelf verkoos. Het leven van den doode, die rechtvaardig bevonden was, wordt juist geschetst in een inscriptie op het graf van Paheri, vorst van El Kab, welke als volgt luidt:

„Gij gaat in en uit, met een verheugd hart en met de belooningen van de goden … Gij wordt een levende ziel, gij hebt macht over brood, water en lucht. Gij verandert uzelf in een phoenix, een zwaluw, een sperwer, of een reiger, al naar gij verkiest.

Gij steekt over in de boot en wordt niet gehinderd. Gij zeilt over het water, wanneer een vloed opkomt. Gij leeft opnieuw en uw ziel heeft het lichaam niet verlaten.

Uw ziel is een god, tezamen met den verlichter en de uitstekende zielen spreken met U. Gij zijt onder hen en ontvangt, wat men op aarde geeft; gij bezit water, lucht en hebt overvloed van datgene, wat gij begeert. Uw oogen worden U gegeven, om te zien, Uw ooren om te hooren spreken, Uw mond spreekt, Uw beenen bewegen zich, Uw handen en armen spannen zich voor U in, Uw lichaam groeit, Uw aderen zijn in goeden toestand, en gij voelt Uzelf gezond in al Uw ledematen. Gij hebt Uw oprecht hart in Uw bezit en Uw vroeger hart behoort U. [130]Gij stijgt op ten hemel en wordt iederen dag opgeroepen tot de offertafel van Wennofre, gij ontvangt het goede, dat aan hem geofferd wordt en de gaven van den Heerscher van de necropolis.”

Het Boek der Dooden is oogenschijnlijk een allegorische voorstelling van den gang van de zon door de onderwereld. Het ondergaan van de zon, in den avond, deed natuurlijkerwijze bij den primitieven mensch de vraag opkomen, waar het licht, gedurende de uren der duisternis, bleef, want de zon was voor de oudste menschen een levend wezen.

Hij kon de beweging van de zon door de lucht waarnemen en andere weldaden, welke hij van haar ontving brachten hem er toe, haar als de bron van alle goed te beschouwen. Het scheen hem verder toe, dat haar dagelijksche loopbaan door den aanval van een of anderen vijand werd afgebroken en het logisch gevolg was natuurlijk de overtuiging, dat de macht, welke aan de zon vijandig was, een kwade gezindheid moest hebben. Deze macht werd als een slang, of draak, afgebeeld, welke tegen den nacht met het licht streed en het voor een poos overwon.

De goden van verschillende godsdienstige stelsels moeten naar de andere wereld afdalen, om met machten van dood en hel te strijden. Wij kennen een analoog geval in de Popol Vuh van Midden-Amerika, waarin twee heldgoden, de zonen en neven van de zon en de maan in den duisteren afgrond van den Maya Hades afdalen, zijn kracht vernielen en in triumf terugkeeren.

Men heeft vermoed, dat het Boek der Dooden niets meer, of minder, was dan het ritueel van een geheime broederschap en dat de verschillende hallen, welke hierin voorkomen, de symbolische voorstelling van de verschillende inwijdingsphases, welke de leden moesten doorloopen, zijn.

Nu is bet merkwaardig, dat T. Athol Joyce, van het [131]Britsch Museum, in zijn nieuw, interessant werk, getiteld: „Mexican Archaeology” vertelt, dat het hof van de onderaardsche Maya, waarop in de Popol Vuh gezinspeeld wordt, volgens het principe van een geheim genootschap geleid schijnt te zijn, met een bepaalden vorm van inwijding.

Het staat zoo goed als vast, dat de mysteriën van Eleusis en daaraan gelijke inwijdingsplechtigheden, met het leven in de onderwereld verbonden werden (en dit is speciaal het geval bij de geschiedenis van Demeter en Kore, of Ceres) en dat een theatrale voorstelling van het dwalen van de moeder, terwijl zij haar dochter zoekt, in den loop der plechtigheid gegeven werd.

Deze Grieksche goden waren, behalve van de dooden, goden van den landbouw en wel van het koren Goden van de onderwereld echter bevorderen dikwijls den groei van het graan, daar men geloofde, dat het koren, onder de aarde, door hun invloed gedijde.

Wij vinden b.v. in de Popol Vuh, dat Xquiq, de dochter van een van de heerschers der onderwereld, in staat was, in eenige minuten een maïsveld te oogsten, op een plaats, waar dit tevoren nooit geweest was.

Dit alles schijnt een aanwijzing te zijn voor de waarschijnlijkheid, dat, ook al bevatte het Boek der Dooden geen vroeg type van een inwijdingsplechtigheid, het toch een machtigen invloed op de plechtigheden heeft uitgeoefend, toen dezen ontstonden. De mysteriën van de Cabiri, om een voorbeeld te noemen, zijn, naar men vermoedt, van Egyptischen oorsprong.

Aan den anderen kant, is het waarschijnlijk, dat het Beek der Dooden het ceremonieel van een oudere prae-historische mysterie, welke door de Egyptenaren uit den tijd der dynastieën vergeten is, voorstelde. Onbeschaafde stammen, over de geheele wereld, bezitten zulke mysteriën. De Indianen van Noord-Amerika en de negers van Australië bezitten zeer uitvoerige inwijdingsceremonies [132]Op deze wijze is het waarschijnlijk, dat het Boek der Dooden het ritueel van Neolitische, onbeschaafde volken bewaarde, dat dezen duizenden jaren, voor de verbinding met den eeredienst van Osiris, uitoefenden.