Er bestonden drie uitgaven van het Boek der Dooden, n.1. die uit Heliopolis, de Thebaansche en de Saïtische. Die uit Heliopolis werd door de priesters van het College van Anu, of On, bij de Grieken als Heliopolis bekend, uitgegeven, en is op teksten gebaseerd, welke niet meer te ontdekken zijn.
De pyramiden van Unas, Teta en Pepi bevatten de oorspronkelijke teksten van deze recensie; deze vertegenwoordigt het theologisch systeem, door de priesters van [123]Ra ingevoerd. De hoofdbestanddeelen van den oorspronkelijken Egyptischen godsdienst worden hierin echter behouden, terwijl de eenige wijziging hierin de invoering van den zonnedienst van Ra is.
In later tijd echter werden de priesters van Ra genoodzaakt de suprematie van Osiris te erkennen en deze theologische nederlaag is in de moderne teksten zichtbaar. Tusschen de 6e en 11e dynastie gaven de priesters van On van tijd tot tijd een aantal nieuwe hoofdstukken uit.
De Thebaansche recensie was van de 18e tot de 22e dynastie zeer in zwang en werd gewoonlijk op papyri geschreven en in hieroglyphen, op doodkisten, geschreven.
De Saïtische recensie is zeker op een of ander tijdstip vóór de 26e dynastie gerangschikt en werd op lijkkisten en papyri geschreven, eveneens in hieratisch en demotisch schrift. Deze werd voortdurend tot het eind van het Ptolemaeïsch tijdperk gebruikt.
Zooals wij reeds hierboven opmerkten, stond het Boek der Dooden den mensch ten dienste vanaf het oogenblik, dat hij bewoner van de onderwereld werd, Magie was de hoofdbron voor het bestaan in die streken en tenzij een geest met de formules bekend was, welke de achting van de verschillende goden en demonen en zelfs van de onbezielde voorwerpen konden opwekken, was hij hulpeloos.
De oudste Egyptenaren noemden de streek, waarheen de gestorvenen verhuisden, Duat. Zij geloofden, dat deze uit het lichaam van Osiris gevormd was. Men dacht, dat deze donker en duister was, vurige afgronden en vreeselijke monsters bevatte en op haar beurt door een rivier en een hoogen bergrug omgeven was.
Het gedeelte, dat het dichtst bij Egypte was, stelde men zich als een woestijn, door bosschen afgewisseld, voor; door deze kon de ziel van den afgestorvene niet heenworstelen, zonder de hulp van een welwillenden geest, welke de paden door deze streek van wanhoop kende.
Een dichte duisternis bedekte alles en, onder bescherming [124]hiervan, oefenden de vreeselijke bewoners van deze plaats allerlei vijandelijkheden tegen den nieuw-aangekomene uit; alleen door het gebruik van bepaalde machtwoorden kon hij de overhand over deze wezens verkrijgen.
Er was echter één liefelijke plaats in deze verschrikkelijke streek,—de z.g. Sekhet Hetepet, de Elyseïsche velden, welke Sekhet Aaru, of de Rietvelden bevatten, waar god Osiris en zijn gezelschap woonden. In den beginne had hij over dit gedeelte van de Duat alleen de heerschappij, doch langzamerhand slaagde hij er in deze over het geheele doodenland uit te strekken en werd hij hierover de heerscher.
Wij vinden ook van een god van de Duat, Duati genaamd, melding gemaakt, doch deze schijnt meer een personificatie van de streek geweest te zijn.
Nu was de wensch van ieder goed mensch het koninkrijk van Osiris te betreden en met het oog hierop maakte hij een uitgebreide studie van de gebeden en den ritus van het Boek der Dooden, om gemakkelijker het rijk der gelukzaligheid te kunnen binnengaan.
Dit konden zij op twee manieren bereiken, n.1. te land, of over water. De weg over water was niets minder vreeselijk, dan die over land, daar de doortocht der ziel door stroomen vuur en kokend water versperd werd en de oevers van de rivieren, waarlangs men varen moest, door ontelbare booze geesten bevolkt waren.