Een inscriptie op den sarcophaag van koningin Khnem-nefert, de vrouw van Mentu-hetep, een koning der 11e dynastie (pl.m. 2500 jaar v.C.), vertelt ons, dat een zeker hoofdstuk van het Boek der Dooden onder de [120]regeering van Hesep-ti, den 5en koning der 1e dynastie, die pl.m. 4266 v.C. leefde, ontdekt werd.
Deze sarcophaag geeft ons twee copieën van bedoeld hoofdstuk, welke aan elkander aansluiten. Dat een hoofdstuk van het Boek der Dooden, van pl.m. 2500 v.C., tot een datum teruggebracht kon worden, welke 2000 jaar vroeger valt, is verbazingwekkend en wat te denken over een traditie, welke gedurende betrekkelijk ongeletterde eeuwen een godsdienstige formule bijna onverzwakt bewaard heeft!
Aldus werd 42 eeuwen voorheen een gedeelte van het Boek der Dooden als buitengewoon oud, mysterieus en moeilijk te begrijpen, beschouwd. Men moet ook goed op het feit letten, dat de inscriptie op het graf van koningin Khnem-nefert ons vertelt, dat ’t hoofdstuk in quaestie ongeveer 4266 v.C. ontdekt werd. Het was dus alleen op dat vroeger tijdstip ontdekt, hoe lang was echter het verloop tusschen dat tijdstip en den tijd, waarop het voor het eerst opgeschreven werd?
De inhoud van het hoofdstuk op den sarcophaag van de koningin vertelt: „dat dit hoofdstuk gevonden werd in de woningen beneden den Bewoner in de Hennu Boot, door den meesterknecht van de bouwers, in den tijd van den koning van het Zuiden en Noorden, Hesep-ti, wiens woord waar is” en de Nebseni Papyrus beweert, dat het hoofdstuk in de stad van Khemennu, of Hermopolis, gevonden werd, op een blad van albast, in letters van lapis-lazuli geschreven, onder den voet van den god.
Dit blijkt ook uit den Turijn-Papyrus, welke uit den tijd der 26e dynastie dateert en hieruit zien wij, dat de naam van den vinder Heru-ta-ta-f, den zoon van Cheops, was en dat deze op dat tijdstip een reis ondernam, om de tempels te inspecteeren.
Maspero betwijfelt het gewicht van de vermelding van bedoeld hoofdstuk, op het graf van koningin Khnem-nefert, [121]maar Naville beschouwt het hoofdstuk in quaestie als het oudste van het Boek der Dooden.
Een bas-relief uit de 2e dynastie draagt een inscriptie, welke aan de schim van een zeker priester duizend brooden en duizend kruiken bier enz. belooft, een belofte, welke later zoo algemeen voorkomt.
Wij zien dus, dat in het jaar 4000 v.C. het als een godsdienstplicht beschouwd werd, de dooden van offers, uit spijs en drank bestaande, te voorzien en het schijnt zeer waarschijnlijk, dat het in dezen tijd reeds een vaste gewoonte geworden was. Deze passage kan den tekst op den sarcophaag van de vrouw van Mentu-hetep wellicht bevestigen.
Eenige eeuwen later, ongeveer in den tijd van Seneferu (pl.m. 3766 v.C.), was de vereering der dooden, uit een architectonisch standpunt, aanmerkelijk uitgebreid en grootere en meer imponeerende graven werden voor hen gebouwd. Succesvolle oorlogen hadden aan Egypte grooten rijkdom gebracht en haar bewoners waren thans beter in staat de buitengewone uitgaven, welke de kostbaarste cultus, welke de godsdienstgeschiedenis kent, te bestrijden.
Onder de regeering van Men-kau-Ra schijnt men een herziening van eenige gedeelten van den tekst van het Boek der Dooden ter hand genomen te hebben De rubrieken, welke op sommige hoofdstukken betrekking hebben en van welke wij lezen, dat zij op een blad van albast geschreven waren, in letters van lapis-lazuli, in den tijd van dien vorst, zijn een bevestiging hiervan.
Wij vinden in de regeering van Unas (3333 v.C.) geen tekst, welke naar het Boek der Dooden, als één geheel, verwijst; de pyramide van dezen koning werd in 1851 door Maspero geopend. De muren hiervan waren met teksten bedekt, welke door hun archaistisch karakter en spelling buitengewoon moeilijk te ontcijferen waren, en hieronder bevonden zich vele uit het Boek der Dooden. [122]
Gedurende zijn opgravingen te Saqquarah, wist Maspero in de pyramiden van Teta (3300 v.C.) door te dringen en hierin ontdekte hij inscripties, waarvan sommige met die van de pyramide van Unas identisch waren, zoodat het bestaan van een volledig Boek der Dooden. gedurende den tijd van den eersten koning der 6e dynastie, bewezen was.
Teksten, welke de genoemden aanvulden, werden in het graf van Pepi I (3233 v.C.) gevonden. Hieruit zal men kunnen opmaken, dat vóór het einde van de 6e dynastie, waarschijnlijk vijf copieën van een reeks teksten, welke het Boek der Dooden in die periode vormden, bestonden en, zooals opgemerkt is, bestaat er een wezenlijk bewijs, dat het ceremonieel hiervan in de tweede en waarschijnlijk reeds in de 1e dynastie in zwang was. De teksten hiervan werden voortdurend gecopiëerd en gebruikt tot de 2e eeuw van de Christelijke jaartelling.
Het schijnt, dat ieder hoofdstuk van het Boek der Dooden uit een onafhankelijke bron stamt, en het is waarschijnlijk, dat hun opname in het werk over vele eeuwen verspreid was. Het is mogelijk, dat eenige teksten een verandering in de theologische opvatting weergeven, doch ieder hoofdstuk stond op zichzelf. Men kan echter in de opvolging der hoofdstukken een traditioneele methode ontdekken.