De godin Maāt gelijkt zeer veel op Thoth en wordt inderdaad als de tegenhangster van dien god beschouwd.
Maāt.
Zij was een van de oorspronkelijke godinnen, want toen de boot van Ra boven de wateren van den afgrond van Nu voor het eerst boven kwam, had zij haar plaats naast Thoth. Haar symbool is de struisvogelveer, welke zij of vasthoudt, of als versiering draagt.
Budge beweert, dat de reden voor de combinatie van de struisveer met Maāt, onbekend is, evenals de oorspronkelijke beteekenis van haar naam. Het is echter waarschijnlijk, dat de gelijkzijdigheid van de veer, haar verdeeling in halven, haar tot een passend symbool voor de balans, of het evenwicht, maakte. [118]
Onder de Maya van Midden-Amerika toont de veer het meervoudig getal aan. Het woord beteekent, naar men ons mededeelt, „dat wat recht is”. De naam Maāt nu beteekende bij de oude Egyptenaren iets, wat waar, echt, of werkelijk was. Aldus was de godin de personificatie van wet, orde en waarheid. Zij gaf de regelmaat aan, waarmede Ra in de lucht opkwam en daalde en, door Thoth bijgestaan, zijn dagelijkschen loop hem iederen dag voorschreef.
In deze kwaliteit wordt zij de dochter van Ra en het oog van Ra genoemd. Als de personificatie der rechtvaardigheid was haar moreele macht onmetelijk en onverbiddelijk. Zij werd langzamerhand als dat noodlot beschouwd, waarvan ieder man zijn verdiende loon ontvangt. Zij zat in een hal in de onderwereld, om de bekentenissen van de dooden aan te hooren, terwijl de deur door Anubis bewaakt werd. De gestorvenen moesten twee en veertig rechters in deze hal tevreden stellen, eerst daarna konden zij tot Osiris toegelaten worden, wien zij verzekerden, dat zij Maāt tevreden gesteld hadden en door haar van schuld gereinigd waren.