[Inhoud]

Anubis.

Anubis, of zooals de Egyptenaren hem noemen, An-pu, was, volgens eenigen, de zoon van Osiris en Nephthys en volgens anderen, de zoon van Set. Hij had den kop van een jakhals en het lichaam van een man en was klaarblijkelijk het symbool van dat dier, dat rondom de graven sluipt.

Zijn vereering gaat tot zeer oude tijden terug en misschien was hij eertijds een totem. Hij was de gids van de dooden in de onderwereld, op hun weg naar de woning van Osiris. In verschillende mythologieën is een hond de metgezel van de dooden in de onderwereld. In prae-historische graven heeft men de bewijzen hiervoor gevonden. Zoowel in Mexico, als in Peru, werden honden bij de begrafenis geofferd en dit gebruik was inderdaad wijd en zijd verspreid.

Set.

Set.

Het is nu juist onwaarschijnlijk, dat Anubis den prae-historischen jakhals, die half en half een huisdier was, typifieert, of een vroeger type van den hond, van welken men veronderstelde, dat hij de dooden door de onderwereld geleidde.

Plutarchus vertelt, dat de Egyptenaren meenden, dat er een zekere gelijkenis tusschen Anubis en den hond bestond.

Anubis werd in het bijzonder te Lycopolis, Abt en elders vereerd. Hij neemt een voorname plaats in het Boek der Dooden in en wel voornamelijk in die gedeelten, welke met de rechtvaardiging en de balseming der dooden verband houden.

Hij was het, die de balseming van Osiris verrichtte. Hij verleende inderdaad zeer groote hulp aan de treurende zusters en dit is wellicht een typisch voorbeeld van de zorgzame en behulpzame eigenschappen van den hond. [113]

Dit treft ons des te meer, indien men moet aannemen, dat hij de zoon van Set is en de geheele evolutie van de godheid kan wellicht beteekenen, dat de hond, toen hij nog in half wilden staat verkeerde en nog niet geheel en al huisdier, een wezen was, dat zich alleen ’s nachts vertoonde en een twijfelachtige waarde bezat, doch dat, toen hij eenmaal als huisgenoot was opgenomen, zijn goede eigenschappen eerst recht te voorschijn kwamen.

Het is waarschijnlijk dat, als men de onderzoekingen tot op een zeer ver verwijderd tijdstip kon voortzetten en er tevens schilderingen uit dien tijd over waren, wij zouden vinden, dat Anubis afgeschilderd werd als de trouwe hond, die de gestorvenen op hun reis naar de Duat voorgaat.

Later, toen iedere god door de hulp van het priesterlijk vernuft zijn speciale functie had gekregen en misschien in een tijdvak, waarin de jakhals, of hond, totemistisch waren, vinden wij nog steeds een gids, die de dooden door de duisternis geleidt, maar met het uiterlijk en de attributen van een volwassen godheid. Hoe hij het nu gebracht heeft tot mummie-maker van Osiris, schijnt zeer lastig te verklaren; misschien dat het verband, dat tusschen een begraafplaats en een jakhals bestaat, hier eenig licht kan aanbrengen. Hij was het symbool voor het graf.

Professor Petrie vermeldt in dit verband, dat de sporen van den jakhals de beste gidsen naar de Egyptische graven zijn. Een rede van Anubis in het Boek der Dooden, (hoofdstuk 102), spreekt voor zijn beschermend karakter. „Ik ben gekomen”, zegt hij daar, „om Osiris te beschermen”. In verscheidene landen wordt de hond met den gestorvene afgemaakt, om hem tegen verschillende, afzichtelijke vijanden, die hij op zijn weg naar den Hades zou kunnen ontmoeten, te beschermen en het is niet onwaarschijnlijk, dat Anubis in vroegere tijden een gelijke rol speelde. [114]

Het is de plicht van Anubis, toe te zien, dat de balans van de groote weegschaal, waarop het hart van de gestorvenen gewogen wordt, in behoorlijken toestand verkeert. Zooals Thoth voor de goden optreedt, zoo treedt Anubis voor den doode op, wien hij eveneens tegen den „Verteerder van de Dooden” beschermt.

De zielen van de afgestorvenen werden tevens door hem door de onderwereld geleid, terwijl hij hierbij door Up-uaut, een anderen god, in de gedaante van jakhals voorgesteld, werd bijgestaan; diens naam beteekent: „Hij, die de wegen opent”. Deze goden worden soms met elkaar verward, maar in sommige teksten worden zij afzonderlijk genoemd.

De naam van den lateren god is voor zijn waarschijnlijke, vroegere functie teekenend. Anubis opende, volgens Dr. Budge, de wegen van het Noorden en Up-uaut die van het Zuiden. Anubis was verder, volgens hem, de personificatie van den zomerzonnestilstand en Ap-unt (Up-uaut) van dien van den winter. Hij beweert verder dat, wanneer zij met de twee Utchats, of oogen van Ra, verschenen, zij de vier kwartieren van hemel en aarde en de vier jaargetijden symboliseeren. Plutarchus heeft eveneens een passage over de astronomische beteekenis van Anubis, doch deze is ver van duidelijk.

In Heliopolis werd Anubis eenigszins met Horus verward, zooals men uit zijn attributen kan opmaken en in zeker opzicht nam hij het karakter van de oude fusie tusschen Horus en Set aan, en was in deze opvatting de personificatie van den dood en het vergaan. In den „Gouden Ezel”, van Apuleius, vinden wij, dat Anubis vereerders had in Rome en hierbij is het opmerkelijk, dat men hem voorstelt met een hondenkop afgebeeld.