Plutarchus in zijn werk: „De Iside et Osiride” heeft een belangwekkende passage betreffende de gelijkenis tusschen den ezel en Set.
Hij zegt daar het volgende:
„Hierdoor is hun schandelijke behandeling van die personen te verklaren, van wie zij gelooven, dat zij door de roodheid van hun gelaat een gelijkenis met hem vertoonen, en hieruit is tevens de gewoonte van de Kopten ontstaan om een ezel in een afgrond te storten. Ja, de inwoners van Busiris en Lycopolis dreven hun afschuw voor dit dier zoo ver, dat zij nooit van trompetten gebruik maakten, daar het geluid van dezen eenige overeenkomst met het gebalk van een ezel vertoonde; in één woord, dat dier werd door hen als onrein beschouwd, alleen door de gelijkenis, welke het met Typho heeft. Hiermede is in overeenstemming te brengen, dat de koeken, welke zij gedurende de laatste 2 maanden Pauni en Phaophi offeren, de afbeelding van een ezel vertoonen, welke daarin is gestempeld.
Om dezelfde reden bevelen zij uitdrukkelijk, als zij aan de Zon offeren, dat allen, die naderen, om de godheid te aanbidden, noch goud dragen aan het lichaam, noch aan een ezel voeder geven.
Het is bovendien duidelijk, dat zelfs de Pythagoreërs Typho tot den rang der demonen rekenden, daar hij tot het even getal 56 behoort. Immers evenals de driehoek tot de natuur van Pluto, Bacchus en Mars behoort, de eigenschappen van het vierkant aan Rhea, Venus, Ceres, Vesta en Juno eigen zijn en die van den twaalfhoek aan Jupiter, op dezelfde wijze is de figuur van den 56-hoek aan de natuur van Typho eigen; daar al de bovengenoemden in het systeem van Pythagoras als even zoovele [111]genii of demonen beschouwd worden, moet de laatste op gelijke wijze opgevat worden.
Door het vermeende roode uiterlijk van Typho maakten de Egyptenaren bij hun offers van geen andere ossen gebruik, dan die, welke deze kleur hadden. Ja zoo ver gingen zij hierbij, dat, indien er ook maar één zwart, of wit haar op het dier voorkwam, dit voldoende was dit voor hun offer ongeschikt te verklaren. Het was hun meening, dat offers niet uit die dingen behooren te bestaan, welke aan de goden aangenaam en welgevallig zijn, doch integendeel eerder uit die schepsels, waarin de zielen van zondige en onrechtvaardige menschen in den loop der zielsverhuizing zijn opgesloten.
Hieruit ontsproot de gewoonte, welke door hen vroeger werd bewaard, een plechtige verwensching over het hoofd van het dier, dat geofferd moest worden, uit te spreken en later dit af te snijden en in de rivier den Nijl te werpen, hoewel zij dit nu aan vreemdelingen overlaten.
Het was daarom niet geoorloofd een os aan de goden te offeren, indien niet het stempel van de z.g. Sphragistae op dezen gestempeld was; deze priesters waren speciaal voor dit doel aangewezen en van hun dienstverrichting was ook hun naam afgeleid.
Dit stempel vertoont een man, op zijn knieën liggend, met de handen op den rug gebonden, terwijl de punt van een zwaard op zijn keel is gericht.
Niet door de kleur alleen meenen zij, dat er een zekere gelijkenis tusschen den ezel en Typho bestaat, doch tevens door zijn dommen en zinnelijken aard. Met deze opmerking stemt het feit overeen, dat zij aan Ochus, dien zij van alle Perzische heerschers het meest haatten, den scheldnaam „Ezel” gaven en dit gaf aanleiding tot het volgende antwoord van dien vorst, dat ons door Dino verhaald wordt: „Maar deze ezel zal van jullie os eten”, en daarom doodde hij den Apis. In sommige gedeelten van zijn mythe wordt Set in de gedaante van een zwart zwijn voorgesteld. [112]Voornamelijk is dat het geval, als hij door Ra aan Horus getoond wordt en hij het oog van den laatsten uit diens hoofd rukt.