Daar was een koning in Egypte, Thothmes genaamd een machtig vorst, zeer ervaren in den oorlog en de jacht. [93]Hij had een aangenaam uiterlijk, bezat een schoonheid, welke bijna gelijk was aan die van Horus, dien Isis in het Noordelijke Marshes voortbracht en was zeer geliefd bij goden en menschen.
Hij was gewoon op jacht te gaan in de gloeiende heete woestijn, alleen, of slechts door eenige begeleiders vergezeld en men vertelt het volgende over zijn jachtavonturen.
Op zekeren dag, het was nog voor den tijd, waarop hij den Egyptischen troon besteeg, was hij zonder gevolg in de woestijn aan het jagen. Het liep tegen den middag en de zon stak zoo vreeselijk, dat hij genoodzaakt was de schaduw van den machtigen Harmachis, den Sphinx, op te zoeken. De god was groot en machtig, en zijn beeld was zeer majestueus, met het gezicht van een man en het lichaam van een leeuw, met een adder boven zijn wenkbrauwen. In verscheidene tempels bracht men hem offers en in vele steden vereerde men hem.
Thothmes legde zich nu in de koele schaduw neer om te rusten en sliep spoedig in. Terwijl hij sliep, droomde hij en zie, daar opende de Sphinx zijn lippen en sprak tot hem; het was thans niet meer de stomme rots, maar de god zelf, de groote Harmachis. Aldus sprak hij tot den droomende:
„Zie mij aan, Thothmes, want ik ben de zonnegod, de heerscher over alle volken. Harmachis is mijn naam en Ra en Khepera en Tem. Ik ben uw vader en gij zijt mijn zoon en door mij zal al het goede over U komen, indien gij naar mijn woorden wilt luisteren. Het Egyptische land zal het uwe zijn, zoowel het Noorden, als het Zuiden. In voorspoed en geluk zult gij gedurende vele jaren heerschen”.
Hier hield de god op en het scheen Thothmes toe, of de god zich inspande, zich uit het hem overstelpende zand te bevrijden, want alleen zijn hoofd was zichtbaar.
„Het is, zooals ge ziet”, aldus hernam Harmachis, [94]„het woestijnzand bedekt mij. Volbreng snel, wat ik U opdraag, mijn zoon Thothmes”.
Voordat Thothmes nog kon antwoorden, verdween het visioen en ontwaakte hij. De levend geworden god was verdwenen en in zijn plaats stond weer het machtige beeld, uit stevige rotsblokken gehouwen, voor hem.
En hier moet de geschiedenis noodzakelijkerwijs eindigen. Zij is op een zuil gegrift, in den kleinen tempel, welke zich tusschen de klauwen van den Sphinx bevindt en het overige van de inscriptie is zoozeer uitgewischt, dat het niet te ontcijferen is.
Zuil van Horus.