[Inhoud]

S.

Saa. God van het gevoel en de aanraking, verschijnt in de boot van Ra, 194;
zoon van Geb; personificatie van menschelijk en goddelijk vernuft, 194.

Sabaoth. Aartsengel; vermeld met Osiris en de Grieksche goden, 330.

Sackville, Margaret. Vermelding van verzen, geschreven door, 348.

Safekht. De godin van het leeren; het palmblad symbool van, 319;
de heilige boom in de Groote Hal van Heliopolis en, 319.

Sahal. Eiland, 115;
vereering van Anqet geconcentreerd te, 168.

Sahara. Vermelding van, 38.

Sahra. Een van de drie kinderen van Rud-didet, 219;
naam van den tweeden koning der 5e dynastie en, 220.

Saïs. Vermelding van, door Herodotus, 62;
middelpunt van Amen-Ra te, 153;
Heerscheres van, Neith, godin van, 264.

Saïtische. 1. Recensie; hoofdstuk uit het Boek der Dooden moet opgezegd worden bij bijzondere gelegenheden, 63;
vermelding van, 123;
datum van, 123;
geschreven op kisten en papyri, 123;
2. Periode vermelding van, 163, 197;
de laatste der Egyptische kunst, 342, 343;
invallen der Perzen, Grieken en Romeinen gedurende de, 341;
Egyptische kunstenaars der, 341;
gebouwen van den pronaos van Komombos, den tempel van Isis te Philae, de kiosk van Nectanebu, de Mammisi en tempel van Horus te Edfu, 341342;
bouwwerken beïnvloed door ideeën uit den vreemde, 342;
schilderwerken uit, 342.

Sakhebu. Heer van, 217.

Sakkara. Andere naam voor Saqqara, 42;
Maspero te, 122.

Salcamayhua. Indische schrijver; ontstaan van de stammen en, 11.

Samenzwering. Een, van toovenaars door Hui, tegen Ramses III, 280, 281.

Samotracische Mysteriën; Hecate en de, 188.

Saneha. Geschiedenis van, 204, 205.

Saqqara. Pyramidenbouw gecopieerd te, 28;
pyramide van Menkaura te, 30;
Assa vermeld op een tablet te, 30;
andere naam voor Sakkara, 42;
Seker, god van den dood, te, 63.

Serapis. Ontstaan uit Osiris-Apis, 307;
in Egypte en Griekenland [382]beschouwd als de tegenhanger van Osiris, 307;
de vereering van in Engeland, 308;
aan de Egyptenaren als Asar-Hapi bekend, 327;
vereerd door Grieken en Egyptenaren als Asar-Hapi bekend, 327;
in de oogen der Grieken nam de gestorven stier den vorm aan van, 327;
Ptolemaeus Soter en de legende van, 327;
een andere lezing der legende, 328;
Soteles en Dionysius naar Alexandrië om het beeld te verwijderen van, 328;
het volk van Sinope en het beeld van, 328;
beeld gebracht naar Egypte, 328;
Pluto en het beeld van, 328.

Sa Ren-put I. De zuilengang van, 339.

Satet. God, vereerd te Elephantine, 163;
tegenhangster van Khnemu, 164;
andere naam voor Setet, god der overstrooming, 167;
komt voor in het Boek der Dooden als een vorm van Isis en tegenhangster van Osiris, 167.

Sati. Een kracht, welke de overstrooming deed afnemen; Isis als, 91.

Sati-temui. De verschrikkelijke slang, 125;
loert op de dooden, 125.

Saturnus. Benaming van Horus (stier des hemels), 194.

Scandinavische, Mythe, vermelding van, 142.

Scarabaeën. Geplaatst op lijkkisten der dooden, 323.

Scheppingsmythen. Vermelding van, 14.

Schilderkunst. Van Japan, ontleend aan China, 332;
in Engeland, Schotland, Duitschland, Frankrijk ontleend aan die der Lage Landen, 333;
schildersmateriaal, 337;
de Saïtische periode, 341;
Fransche, 343.

Schoonheid van Ra. Naam gegegeven aan de vrouw van Ramses, 189.

Schorpioenen. Selk, godin der, 264;
geheiligd aan Isis, 316.

Schot. Het karakter van den, vergeleken met dat van den Egyptenaar, 56.

Sculptuur. Beeld ten voeten uit van den Sheikh-el-Beled (eigenlijke naam was Ka-aper), 336;
gedurende het Nieuwe Rijk, 339;
gedurende de Saïtische periode, 341;
vermelding van werken van Chinard en Houdon, 344.

Sebek. De krokodil, de incarnatie van den god, 13, 310;
toespeling op, in de Pyramidenteksten, 25, 311;
andere naam Sobk, 61;
gezicht hersteld door, 310;
helper van Horus het Kind, 310;
voorstelling in godsdienstige kunst, 311.

Sef en Dua. Andere namen voor „Gisteren” en „Morgen”; twee leeuwenbewakers, 312.

Seker. Heiligdom van, 63;
rijk van, 85, 127;
oudheid van, 128;
geïdentificeerd met de nachtelijke zon, 156;
soms verward met Sept en Geb, 156;
heerschte over een deel der onderwereld, 156;
attributen van, overgenomen door Ptah, 157;
tempel van, te Memphis, 156;
groepen van Zeven Hathors vermeld in litanieën van, 181.

Sekerboot. Ceremonieën verbonden met, typisch voorbeeld van den loop der zon, 157;
bekend als Henu, vermeld in het Boek der Dooden, 157;
beschrijving van de; lijk van Osiris en, 157;
waarschijnlijke vorm van Mesektet-boot, 157.

Seker-Osiris. Zielen der gestorvenen onder de volgelingen van, 225.

Sekhet-Aaru. Andere naam voor de Rietvelden, aangename verblijfplaats in de Duat, 125;
middelpunt van Osiris’ rijk, 125;
zielen staan hier onder de heerschappij van Ra-Heru-Khuti, 125.

Sekhet Hetepet. Aangenaam gedeelte van de Duat, 124.

Sekhmet-Bast-Ra. Tempel van, te Memphis, 158;
tegenhangster van Ptah; geïdentificeerd met Hathor, personificatie van de vernietigende kracht der zon, 158;
andere naam Nesert; attributen der Zeven Wijzen en, 158;
Bast vereenigd met, 159;
vermelding van, 161;
genoemd in de mythe van Ra en Hathor, 179. [383]

Semitisch (E). Woordenschat, gegeven aan de bevolking van het Nijldal, 39;
Egyptenaren onder de dynastieën levende, hadden elementen van het proto-, 40;
Egyptenaren verwant met de Semieten, 195;
gelijkenis tusschen Koptisch en, 196.

Semitische Adonai. De Grieksche Adonis; Aten en, 172.

Semitische Invloed. Afrikaansche en, op Egyptische ideeën, 300.

Seneferu. De cultus der dooden, ten tijde van, 121;
tooververhaal uit de dagen van koning, 213215.

Senegambië. Bijgeloof onder stammen van, aangaande den nieuwen naam, gegeven bij inwijdingsplechtigheden, 276.

Sennacherib. Koning van Assyrië, verslagen door Setnau, 235236.

Sen-u-sert. Pyramide van, 30;
andere naam Usertsen, 144, 205;
geschiedenis van Saneha en, 205.

Se-osiris. De zoon van Setne, bekend om zijn wijsheid, 223;
verhaalt over de magische boeken aan Setne, 224;
leidt Setne naar onbekende plaatsen in de bergen van Memphis, 224;
laat Setne een visioen van Amenti zien, 224;
geen schrijver of toovenaar is zijns gelijke, 228;
leest den verzegelden brief voor aan Pharaoh Ousimares, 227;
zijn vroegere gestalte als oppertoovenaar van Pharaoh Manakhpre, 234;
verdwijnt plotseling, 234.

Sept. Astronomisch symbool van Isis, 90;
Seker en, 156;
godin Bast genaamd de meesteres van Sept, 159;
andere naam Sothis, 159;
Hathor geïdentificeerd met, 181.

Septah Meneptah. Beeltenis van, voorbeeld van een basrelief gedurende de Saïtische periode, 339.

Serapeum. Het beroemde; ontdekt door Mariette, 210;
beelden en stelae gevonden in de kapellen van, 310.

Serbonische Meer. Tempel van Ashtoreth, aan de oevers van het, 301.

Sergi, Professor. Vermelding van, 40.

Set. Een van de groote goden van Heliopolis, 20;
geboorte van, 72;
vijand van zijn broer Osiris, 73;
andere naam voor den Griek Typhon, 73;
veroorzaakt den dood van Osiris, 74;
ontdekt de kist van Osiris, 77;
Horus strijdt met, 76;
wordt, toen hij gevangen genomen was, door Isis in vrijheid gesteld, 76;
het zwijn is waarschijnlijk zijn symbool, 81;
Isis gevangen door, 90;
stelt de aanblik van den nachtelijken hemel voor, 92;
nogmaals vermelding van Horus’ strijd, 94, 95, 96;
intrigeert tegen Horus, 97, 105;
Horus neemt iemand gevangen, in de meening, dat het Set is, 98;
einde van, 100, 102;
symbool der duisternis, 101;
vermelding van, 20, 99, 107, 112, 113, 114;
neemt de gestalte van een zwart zwijn aan, 104, 105;
maakt Horus tijdelijk blind, 105;
Nephthys, zuster en vrouw van, 106;
cultus van, 107;
vriend der dooden; hielp Osiris den hemel te bereiken; vijand van Horus den Oudere, 108;
afleiding van den naam, 108;
god van zonde en boosheid, storm, aardbevingen, eclipsen enz., 108;
dieren beschouwd als kinderen van, 109;
de Groote Beer woonplaats van, 109;
godin Reret en, 109;
verval van de vereering van, 109;
Plutarchus’ ezel, 110;
toespeling op, in het Boek der Dooden, 128;
helpt Osiris den hemel te bereiken, 138;
vermelding der geboorte van, 186;
geïdentificeerd met Mercurius, 194;
naam van Baal in de plaats gesteld van dien van, in de teksten van Edfu, 296;
Kh, de gewone aanduiding van den naam Set, 300;
de booze, die op iederen „Osiris” loert, 310;
veranderde opvatting aangaande, 321;
broer van Isis en Osiris, 321;
verward met de slang Apep, 321;
geïdentificeerd met Typhon, door Herodotus, 324, 327.

Setem. God van het gehoor, 194.

Seti I. Vermelding van het basrelief [384]te Abydus, dat het beeld vertoont van, 339.

Setnau. Een priester van Vulcanus, 234;
verslaat de Assyriërs onder Sennacherib, 235.

Setne. Oude geschiedenis over hem en zijn zoon Se-Osiris, 221223;
Se-Osiris leest voor uit een tooverboek, 223;
door Se-Osiris naar een onbekende plaats in de bergen van Memphis geleid, 224;
Se-Osiris laat een visioen zien van de goden van Amenti aan, 225, 226;
zoon van Pharaoh Ousimares, 227;
Mahitouaskhit vrouw van, 227;
Se-Osiris, zoon van, 223;
Se-Osiris verdwijnt als een schaduw voor, 234;
Ousi-manthor, zoon van, 234;
een verhaal van, verteld in een papyrus uit den Ptolemaeëntijd, 284286;
zijn studie in de handschriften in de Bibliotheek der Tooverboeken, 284;
zijn aanbod aan de wijze mannen van den koning aangaande het boek door Thoth geschreven, 284;
Ahura, vrouw van Nefer-ka-Ptah en, 285;
speelt dam met Nefer-ka-Ptah, 286;
Ahura’s profetie aangaande, 287;
door Pharaoh bevolen het tooverboek aan Nefer-ka-Ptah terug te geven, 287.

Setne En Zijn Zoon Se-osiris. De ware geschiedenis van, 221234.

Setne En De Mummies. Vermelding van de geschiedenis van, 221.

Sety II. Zie Sety Merenptah, 240.

Sety Merenptah (Sety II). Eigenaar van den oorspronkelijken d’Orbiney-papyrus, 240.

Shaïs. Strijd van Horus bij, 98.

Sheik-el-Beled (Ka-Aper). Zie Beeldhouwkunst.

Shemshu-heru. God van den hemel, volgeling van Horus, 135.

Shepses-kaf. Begraven in de pyramide genaamd de Koele, 29.

Sheshonk. Een Libysch gouverneur; hoofdstad te Bubastis, Bast de plaatselijke godin van, 321.

Shomou. Berg, 248.

Shu. Kind van Nu, 16;
gevolgd door het oog van Nu, 16;
uit hem worden verschillende goden geboren, 17;
vertegenwoordigt het licht van den dag, 16;
een van de eerste gezelschappen der goden, 20;
god van de atmosfeer; Af Ra, en, 127;
genoemd in het Boek der Dooden, 128;
vermelding van, 165, 166, 169, 178, 177, 189;
god aan het hof van Amen-Ra, 263;
mummie-magie en de goden Geb en, 292.

Silene. De maangodin; haar spel met Thoth, 71.

Sinaï. Vermelding van den berg, 11.

Sinaï. Schiereiland; Onderzoekingen op het, 49;
Hathor van het, 181.

Sinope. Volk van en het Serapis-standbeeld, 328.

Sirius. Overstrooming van den Nijl, aangekondigd door het opkomen van de ster, 54;
andere naam Sothis, 181.

Siut. Staf van priesters te, 61.

Slaap. Verschijnsel van den, een raadsel voor den Palaeolithischen mensch, 272;
Egyptenaren verlangden opheldering in allerlei zaken door droomen en den, 292.

Smendes. Vorst van; Ounamounou en, 251.

Smith, Dr. Elliot. Vermelding van, 56.

Sobk van het Eiland. Tempel van, 61;
andere naam Sebek, 61;
genoemd door de Grieken Soknopaios, 61.

Soknopaios. Grieksche naam voor den tempel van Sobk, 61.

Somali’s. Volk op de Zuidelijke kusten der Middellandsche Zee, 39.

Sothis. Andere naam Sirius, 54;
vermelding van, 159, 181.

Soteles. Het Serapis-beeld en, 328.

Spanjaard. Karakter van den, vergeleken met dat van den Egyptenaar, 56.

Sphinx. Harmachis de, 93, 94;
de Grieksche naam voor de beelden van leeuwen; karakteristiek van het Egyptische leeuwenbeeld verschillend van die der Grieken, 312;
bij Gizeh, symbool van den zonnegod Ra, 312;
de Pyramiden en de, 335;
[385]de Monna Lisa van Leonardo da Vinci en de Elgin marmergroepen van Phidias opgeroepen door de, 335;
de beroemde laan van, te Karnak, 339.

Sphragistae. Een priesterorde, 115.

Spiritisme, Animisme, de moeder van het, 273.

Spook. Het Egyptische; tooverspreuken tegen, 291.

Squire. Vermelding van zijn vertaling van Plutarchus’ „De Iside et Osiride”, 110.

St. George. Vermelding van, 94.

Steenen. Boomen en, beschouwd als belichaming van een godheid, 100.

Stier van Meroë, de; een van Amen’s namen, 230.

Stier, Den, Vereering van 304309;
Amasis en de, 322.

Stilte. De demon der; Tehuti-nekht dreigt den sekhti te zenden naar, 223.

Strabo. Oudste Grieksche reiziger in Egypte, 60;
zijn verhaal over den krokodil, 310;
zijn bewering aangaande de beelden der heilige dieren, 327.

Sumatra. De Batakkers van, en de ziel, 37.

Syrië. Onderzoekingen in, 43, 49;
buit uit het veroverde, verrijkte den tempel van Amen, 149;
Egyptische godsdienst en, 171;
Egyptisch schriftsysteem, in, 198;
koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over, 263;
Thoutii de vorst van een stad in, 266;
oorsprong woorden en uitdrukkingen van, in tooverspreuken, 285;
cultus van Anthat in, 297.