Qeb. Een van de eerste gezelschappen der goden, 20.
Qebh-sennuf. De valk; voorgesteld op de z.g. Canopische Kruiken, 33.
Qetesh. Een Egyptische godin, ontleend aan Semitisch Azië, 296;
in Syrië, vereerd als een natuurgodin, 298;
in Egypte geïdentificeerd met een van de gedaanten van Hathor, 298;
door sommige schrijvers beschouwd als een aspect van Asthoreth, 298;
een andere benaming „het oog van Ra”, 299;
men bad tot haar om giften voor het leven en de gezondheid, 299;
vereenigd als een der drieëenheid met Amsuof Min en den god Reshpu, 299.
Quebui. Noordenwind, genaamd, 193. [379]
Querti. Hol, waaruit de Nijlvloed te voorschijn kwam, 166.
Quetzal-coatl. Vermelding van den Mexicaanschen god, 139.