[Inhoud]

P.

Paarden, Gebruik van, in den oorlog, door Egyptenaren, 298.

Pachons. Maand; offers van Set, gedurende, 109.

Paheri. Vorst van El Kab, 130.

Pakrourou. Bondgenoot van Ierharerou, priesterkoning van Heliopolis, 257;
ontmoet Moutoubaal, een Syrisch vorst, 261.

Palaeolitischen Mensch. Slaap een raadsel voor den, 273.

Palermo-steen. Inscriptie genoemd de, 21.

Palestina. Theorie, dat een ras, hetwelk zich met steenbewerking bezighield in Egypte kwam uit, 39;
onderzoekingen tot, 43;
buit van overwonnenen, vulde den tempel van Amen, 149;
vermelding van 205, 208;
Joppe, een stad in, Thoutii en, 266.

Pallas Athene. Vermelding van, 23.

Pamilia. Feest der, 72.

Pamyles. Hoorde stemmen bij de geboorte van Osiris, 72;
opvoeding van Osiris toevertrouwd aan, 72.

Pan. Vereerd te Mendes, volgens Herodotus, 308.

Panopolis. Een van de middelpunten van Amen-Ra te, 153.

Pantheon. Egyptisch. Vreemde goden, opgenomen in het, 294;
Sebek en de ritus van alle andere goden in het, 310;
Taurt, de hippopotamus-godin, geïdentificeerd met iedere godin in het, 315.

Papyri. Medische, inhoudende formules om gebruikt te worden tegen de demonen der ziekten, 289.

Papyrus. Vermelding van, van Ani, 8, 62;
de Nebsini, 120;
de Turijnsche, 120;
van Setne, 284;
de Harris, 265, 280;
de d’Orbiney-, in het Britsch Museum, 240;

„Hoe Thoutii de stad Joppe innam, beschreven in den Harris-, 265269;
een verhaal van Setne, verteld in een, uit den Ptolemaeëntijd, 284287;
koningin Matkare, 343, 347.

Paradijs. Materieele genietingen van het, 138;
gedaanteverwisseling in het, 139.

Parijs. Isis-dienst heden ten dage uitgeoefend in, 87.

Passiespelen. Plechtigheid in de hal der Mystae in den vorm van, 64.

Paüni. Offers in de maand, 110.

PÉ. Stad, door Ra aan Horus geschonken, 105.

Pelusium. De voornaamste toegangsweg naar Egypte; Setuan en zijn leger kampeerden daar, 235.

Pepi. Beschrijving der eerbewijzen [376]aan de godheid in den tekst van bewezen, 18;
materiaal voor de bestudeering van het Egyptisch pantheon bij Pepi I, 22;
teksten gevonden in de graftombe van, 122;
de Pyramide van, 122.

Periode. Godsdienst der latere, 320327;
de Ptolemaeïsche, 325;
van reactie, 321;
de Libysche, 320;
de Hellenistische, 327;
de Thinitische, de eerste groote der Egyptische kunst, 333;
de Memphitische, 335;
het Nieuwe Rijk, 339;
de Saïtische, 341.

Persephone. Andere naam voor Kore, 64;
vermelding van, 84.

Perzen. 1. Geschiedenis der, verbonden met die van Egypte, 42;
2. Verovering door, 40;
munten onbekend in Egypte voor de komst der, 51;
overheersching der, godsdienst onder, 325.

Peru. Geboorteplaatsen in, 11;
gier, typische voorstelling van den dagelijkschen loop der zon in oud-, 140;
scheppingsmythen van, 143;
zonnevereering in, 144;
mummificatie toegepast door de inwoners van, 33;
heilige honden in begraafplaatsen, 112;
vorm van vereering der inwoners van, 143.

Pesedt. Gezelschap der goden, 19;
vreemde goden opgenomen onder de goden van de, 19;
geen naam is gegeven aan de derde, 20;
geheel en al in Amen vereenigd, 152.

Pet. Egyptische naam voor den hemel, 135.

Petekhousou. Broeder van Pimoni; overwint Anoukhoron, 261.

Petrie, Professor Flinders. Gezaghebbende stem op het gebied der Egyptologie, 40;
onderschrijft de theorie van Manetho, 40;
dateering der Egyptische geschiedenis volgens, 41;
onderzoek op het gebied der kunst onder, 44;
Egyptische graven en, 113;
monumenten en tempels ter eere van Aten opgericht, ontdekt door, 172.

Petrograd. Egyptisch verhaal, bewaard in de Hermitage Collectie te, 205.

Petubastis. Een portret van, in de Saïtische beeldhouwkunst, 341.

Peun. Hoveling; koning Amasis en, 211.

Phanemoth. Maand, 81.

Phaophi. Offers gedurende de maand, 110.

Pharaoh(S). Begraafplaats, 26;
vrouwen, bedienden en honden geslacht op het graf van, 26;
geïdentificeerd met Osiris, 31;
hoofd van een feodaal systeem, 51;
kleeding der, 55;
kerkelijke partij en, 58;
lotus en papyrus als embleem der eenheid, op den troon der, 182;
vermelding van, 206, 208, 209, 216, 222, 227;
verleidt Bitou’s vrouw, 242;
doodt Bitou in de gedaante van Apis en in die van boomen, 243;
stelt Bitou tot zijn opvolger aan, 244;
zonen der en de hoogere ambten der kheri-heb priesters, 279;
gaf rijkelijk geschenken aan den Apisdienst, 306;
verval van den ouden godsdienst der, 330;
vreemde godsdiensten dringen het land der binnen, 330;
het Christendom overwint ten slotte in het land der, 330.

Pharaoh Manakhphrêsiamon. Vermelding van, in een verzegelden brief, door Se-Osiris opgelezen, 220234.

Pharaoh Mycerinus. Een werk in het Caïro-museum toont zittend, 335.

Pharoah-ousimares. De verzegelde brief en, 226229;
Se-Osiris leest den verzegelden brief voor aan, 229234;
Setne, zoon van, 227.

Pharaoh Petoubastis. Burgeroorlog in Egypte, gedurende de regeering van, 256262.

Phidias. Vermelding van het Elgin-marmer van, 335;
overblijfselen der Egyptische kunst staan lager dan de overblijfselen der Grieksche kunst van, 346.

Philadelphus. Zie Ptolemaeus II.

Philae. Tempels te, 49;
groote tempel van Isis te, 77, 79;
heiligdom van Heru te, 94;
tempel van I-em-hetep te, 162;
heiligdom van Anqet te, 168. [377]

Phoenicië. Vermelding van, 208.

Phoeniciërs. Egypte en de, 51;
hun alphabet ontnomen aan het Egyptische hieratische schrift, 198;
Reshpu komt met een god overeen, bekend aan de, 299.

Phoenix, De, mythische vogel; de bennu gaf het aanzien aan, 317;
fabels van, verteld door Herodotus en Plinius, 317;
kwam te voorschijn uit den heiligen boom in de Groote Hal te Heliopolis, 318.

Phara-harmakhis. God, die Anapou en Bitou scheidt, 241.

Pimoni, Vorst. Andere naam Pimoni met den sterken vuist, opvolger van Ierharerou, den koningpriester van Heliopolis, 257;
Petekhousou broer van, 261.

Plaatselijke Goden. Vereeniging van, 2;
onderscheidingen van, 2.

Plannenkamer. Kamer in Heliopolis, teekeningen van het huis van Thoth in de, 216.

Plinius. Bewering van, aangaande de ziel van Aristeas, 7;
de profetieën bij den Apis-optocht en, 306;
fabels over den phoenix verteld door, 317.

Plutarchus. Godsdienstige verhalen van, 5;
voornaamste bron voor de Osiris-legende, 5;
aanhaling uit zijn werk „De Iside et Osiride”, 71;
geeft bijzonderheden over het graf van Osiris, 79;
aanhaling van, 81;
geeft licht aangaande de mythe van Nephthys, 106;
aanhaling van, aangaande Set en den Ezel, 110;
bewering aangaande Anubis, 112;
geeft de astronomische beteekenis van Anubis aan, 114;
zijn bewering aangaande de gedaante, onder welke Isis den dood van Osiris bejammerde, 317;
legende van Serapis en, 327.

Pluto. Een van de hoofdfiguren in de Eleusinische mysteriën, 64;
echtgenoot van Persephone, godin van het graan en de groeikracht, 84;
vermelding van, 110.

Popol Vuh. Scheppingsverhaal vermeld in de, 15;
vermelding van 64, 144;
boek van bewoners uit Midden-Amerika, gelijkende op het Boek der Dooden, 131;
geschiedenis van ’t wonderlijke maïsveld, 131.

Polytheïstische Vereering. Een nationale neiging bij de Egyptenaren, 295.

Porcelein van ’t Middeleeuwsch-China, 332.

Powhatans. Hun geloof aangaande de ziel van hun opperhoofd na diens dood, 9.

Priesters. De „kheri-heb”, de erkende vertegenwoordigers der magie in Egypte, 279;
de hoogere ambten bekleed door zonen der Pharaohs, 279;
nieuwe orde bekend als „de priesterschap der genadige goden”, 326;
de Thebaansche, als wijs bekend staande, 336;
vermelding der, uit het oude Rijk, 326.

Priesteressen. In Thebe, gewijd aan den dienst van Amen, 326.

Prins, Den vervloekten. Geschiedenis van den, 244248;
veroordeeld tot drie kwaden, te sterven door een krokodil, een slang en een hond, 244.

Proconnesus. Aristeas van, 7.

Profeet, Eerste. Van Amen, titel van een priester te Thebe, 59.

Profetiën. Het Apis-orakel en, 306.

Pruisen. Vermelding van de expeditie naar Egypte, Nubië, Syrië en Palestina gezonden door, 43.

Psammetichus I. Stichtte de stad Naucratis, 52;
geschiedenis uit den tijd van, 211.

Ptah. Een gedaante van den zonnegod, 25;
tempel van, 59;
Boek der Dooden en, 128;
grootste van de goden van Memphis, 155;
afleiding van den naam onzeker, 155;
toespeling op, in de Pyramiden-teksten, 155;
een architect en vervaardiger van alles in het heelal, 156;
deelt in de natuur van Thoth en eveneens in die van Shu, 156;
vertegenwoordigt als Ptah-seker de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos of de duisternis, 156;
neemt de attributen van Seker aan, eveneens met [378]Tenen vereenigd, 156;
had varianten, die de attributen aannamen van Min, Amsu en Khepera, 157;
voorgesteld als de god van de wederopstanding, 158;
middelpunt van vereering te Memphis, 158;
tegenhangster van Sekhmet, 158;
Zeven Wijzen en, 158;
vermelding van, 161, 165, 184, 222;
Pharaoh Manakhprê-Siamon zweert bij, 231;
het Apis-orakel in den tempel van, 306;
Apis, de stier van den tempel van, 323.

Ptah-ankh. Een van de beeldhouwers uit den Pyramidentijd, 337.

Ptah-hotep. Spreukenboeken, of andere onderrichtingen toegeschreven aan, 201.

Ptah van Ankh’taui. Tempel van, 212.

Ptah-seker. Een van de goden genoemd in het Boek der Dooden, 128;
stelt de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos of duisternis voor, 155.

Path-seker-asar. Andere naam voor Ptah-Seker-Osiris, 157.

Ptah-seker-osiris. Zie Ptah-Seker-Asar.

Ptolemaeus. Dood van koning, voorspeld door het orakel van Sebek, 311.

Ptolemaeïsche Periode. Handelsrechtbanken ingesteld in de, 53;
Saïtische lezing gebruikt tot het einde der, 123;
kleine beelden van Amen-Ra vervaardigd ten tijde der, 152;
vermelding van, 163, 199, 210.

Ptolemaeën. Verwijzing naar den tekst der, 162.

Ptolemaeus II, Philadelphus. Tempel van Mendes hersteld door, 309;
Apis en Mnevis verzorgd door, 326.

Ptolemaeus III. Decreet van Canopu, behoorende aan, 199.

Ptolemaeus Soter. Identificeering van Serapis met Pluto, door de overlevering toegewezen aan de regeering van, 327.

Punt. Koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over het land, 263.

Pyramidentijd. Tijd van het z.g. Oude Rijk, 26.

Pyramidion, Huis van het. Tempel gebouwd ter eere van zijn god door Amen-hetep, 170.

Pyramiden. Godsdienstige teksten en tooverspreuken geschreven in de, 196;
de Sphinx en de; monumenten uit het Oude Egypte, 335;
de Mona Lisa van Leonardo da Vinci en de Elgin-marmerbeelden van Phidias vergeleken bij de, 335;
tijd, beeldhouwers; Ptah-Ankh, een der, uit de, 337;
dagen; schilderkunst op klei in de zon gedroogd, gedurende de, 337.

Pyramiden-teksten. Toespeling op, 14;
vermelding van goden in de, 14;
een dubbele groep van, 19;
goden, vermeld in de, 18;
inscripties, dateerende voor de, 22;
materiaal voor de bestudeering van het Egyptisch pantheon gevonden in de, 22;
Set vermeld in de, 107;
vermelding van de, 69, 119;
Ptah vermeld in de, 155;
Bast vermeld in de, 159;
Sebek vermeld in de, 310;
herleving der, 322.

Pythagoreërs. Typho en de, 110.