[Inhoud]

N.

Nahairana. Eerbewijs voor koning Rameses te, 189;
de vervloekte prins en het hoofd van, 245.

Napoleon. Militaire expeditie van, naar Egypte, 42, 343.

Narmer. Staf van, 69.

Natchura. Gezellin van Hapi, 183.

Naucratis. Middelpunt van Griekschen handel in Egypte, 52.

Naville. Meening van, aangaande het Boek der Dooden, 121.

Nebhat. Godin, 217.

Nebka. Geschiedenis van, 213.

Nebkanra. Koning; Meruitensa, opperrentmeester van, 238.

Nebseni papyrus. Boek der Dooden en, 120.

Nebt-het. Andere naam voor Nephthys, 106.

Neferaka-ra. Pyramide van, 30.

Neferet. Prinses. Vermelding van het standbeeld van, 346.

Nefer-ka-ptah. Thoth’s Bibliotheek van tooverboeken verborgen in de tombe van, 284;
Ahura, vrouw van, 285;
speelt een spel dam met Setne, 286;
Setne door Pharaoh bevolen Thoths boek te geven aan, 287.

Nefert. Standbeeld van, 56.

Nefertem. Vermelding van, 158;
zoon van Ptah, symbolisch voorgesteld door de lotusbloem; een van het drietal van Memphis, 161;
de lotus en, 320.

Negers. Vermelding van het land der, in een verzegelden brief, 229234.

Negers van Australië. Vereenigingen en plechtigheden van, 64;
inwijdingsplechtigheden van, 131.

Nehaher. Slang in de onderwereld, 126.

Neith. Pijl van, 8;
andere naam voor Net, 24;
vermelding van, 167;
oorsprong, 295.

Nekhbet of Nekhebet. Godin; Horus en, 97;
slang, het symbool van, 101;
vermelding van, 154;
gezellen van Hapi, 183;
de gier, symbool van, 317.

Neolithische. Oorsprong; Egyptische mysteriën uit het tijdvak, 65;
Nubiërs, 83;
wilden, Boek der Dooden en, 132.

Nephthys. Een der groote goden van Heliopolis, 17;
vermelding van, 28;
geboorte van, 71;
zustergodin van Isis, 84; 263;
tegenhangster van Set, 105;
dochter van Geb en Nut, en moeder van Anubis, helpt Isis, 105;
Boek der Dooden en, 106;
andere naam voor Nebt-het, 106;
tooverkrachten van, 106;
beschermt Osiris, 107;
personificatie der duisternis, 106;
maakte het begrafenisbed van Osiris gereed en bewaarde zijn lichaam, 107;
latere voorstelling, 107;
vermelding van, 112, 158, 166, 186;
Boek der Dooden en, 168.

Nepra. Vermelding van, in de hymne ter eere van Hapi, 184.

Nesert (Vlam). Naam van Sekhmet, 158.

Nieuwe Rijk. Vermelding van, 31;
tempelbouw en komst van het, 66;
Kunst van het, Beschrijving, 339;
voltooiïng van bouwwerken als de zuilenhal te Karnak, den tempel van Ramses III te Medinet-habu en de groote verzameling van tempelgebouwen te Luxor, 339;
rotstempels te Bet-el-Wali en Abu-Simbel, 339;
Memnon-zuilen te Thebe en de Sphinxen-laan te Karnak, 339;
de beelden van Thothmes III, Amenophis de zoon van Hapu en koningin Tyi, 339;
bas-relief, beeld van Seti I (Abydos) 339;
Septah Meneptah en koningin Aahmes, 339;
proces van mummificatie gedurende den tijd van het, 31;
rijkdom en macht der goden in het, 58;
symbool der gevleugelde schijf, 100;
taal, 196.

Nijl. Egyptenaren uit den dynastieken tijd op de oevers van den, 40;
beschrijving van het huis op de oevers van den, 47;
overstrooming van den, 54, 91;
dooden gebracht over den, 68;
land, van heiligdommen van Osiris in het 70;
Osiris de god van den, 71;
kist van Osiris in den, 73;
maangod geïdentificeerd [373] met den, 83;
Ra vaart langs den, 96;
offerdieren geworpen in den, 111;
geloof van de oudste bewoners bij den, 138;
goden van den, 164, 165;
vloed van den, 166;
vermelding van den, 173, 180, 182, 218, 215, 220;
bron van alle rijkdom en voedsel, 182;
Bitou aangesteld tot vorst van den Boven-, 244;
tempel voor koningin Hatshepsut opgericht in het dal van den, 265;
koeien geworpen in het heilige water van den, 304, 324;
de Apis en de, 307.

Nijldal. Godheden vereerd in het, 1;
totemisme niet bestaande in het, 4;
toovenarij in, 8;
begrafenisoptochten in, 34;
geloof in het, aangaande de ziel, 37;
karakteristieken van, 38;
bewoners van, 39;
taal in, 39;
godsdienst van, 39;
bewoners van, door den tijd weinig beïnvloed, 50;
feodaal systeem in het, 51;
natuur van den bodem, 55;
vereering van Ra in het, 143;
vereering van Amen in het, 148, 152;
Egyptisch systeem van schrijven nagespeurd in het, 198;
fabels vroeger populair in het, 209.

Nijlpaard. Het Boek van het dooden van het, 97;
vereering van het, in Egypte, 315;
godin Taurt, 317;
het monster genaamd Amemt, 315.

Noord-Amerikaansche Indianen. Hit-totem vereerd door, 14;
feesten van, bijna identisch met die van Eleusis, 64;
inwijdingsplechtigheden der, 131;
adelaar symbool der zon onder, 140

Noorden, Land in het. Beloofd aan Thothmes door Harmachis, 93.

Noordelijke Marshes. Horus geboren in, 93.

Nu. God van het firmament en den regen, 14;
dingen geschapen uit, 15;
kinderen van, 15;
oog van, 16;
geïdentificeerd met Khepera, 17;
toespeling op, in de pyramidenteksten, 25;
oerwatermassa van, 117;
groote massa hemelwater genaamd, 127;
zijn plaats in het Boek der Dooden, 128;
Pet, tegenstelling van het woord, 135;
Mut, origineele tegenhangster van, 155;
vermelding van, 182, 185.

Nubië. Onderzoekingen in, 43;
monumenten in, 49;
strijd tusschen Horus en volgelingen van Set in, 98;
macht van Amen-Ra, in 152;
Mater, beheerscher van, 166;
cultus van Anqet in Noordelijk, 168;
vermelding van den koning van, in den verzegelden brief, gelezen door Se-Osiris, 229;
koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over, 263.

Nubiërs. Oorsprong van het ras, 39;
maangod van de Neolitische, 83.

Nun. De oudste der goden; Ra zoekt raad bij, 178.

Nut. Godheid van het firmament en den regen, 14;
een van de groote goden van Heliopolis, 17;
vermelding van, 20;
andere naam voor Rhea, 71;
Thoth en, 71;
vijf kinderen van en, 71;
dikwijls afgebeeld in een sycamoor, 79;
moeder van Horus den Oudere, 91;
moeder van Nephthys, 105, 185;
moeder van Set, 185;
personificatie van den morgen, 127;
moeder van Hathor, 177;
volgeling van Ra, 178;
dochter van Shu en Tefnut, vrouw van Geb en moeder van Osiris en Isis; personificatie der lucht, 185;
tegenhangster van Nu, 185;
vrouw van Nu en van Geb, 185;
voorkomen, 185;
veelvuldig in de gestalte van een koe afgebeeld, 186;
de sycamoor geheiligd aan, 186;
geboorteplaats Denderah, 186;
ambt in de onderwereld, 186;
afbeelding van, geschilderd op doodkisten als toovermiddel, 187;
de godin der lucht, aan het hof van Amen-Ra, 263.