Maa. God van het gezicht, 194.
Maa Kheru. Juist spreken, 279.
Maangod. Een gestalte van Amen, bekend als Khensu, 152.
Maät. Beteekent: wet enz., 16;
godin der rechtvaardigheid, geïdentificeerd met Isis, 59;
gelijkt geheel en al op Thoth; een der oorspronkelijke godheden, symbool is de struisveer,
118;
benamingen, 118;
weg van Ra in de lucht vastgesteld door, 141.
Mac-beth. Vermelding van, 154.
Machiavelli. Vermelding van, 201.
Maftet. Vermelding der godin, 18.
Magie. Hoofdstuk over de, in het verhaal over de toovenaars, 221;
kracht der, in Egypte, 275;
formules (juiste uitspraak) in Egypte, 279;
tegenover magie, verhaal van, 221–234;
tooverstok van koning Thothmes, 267;
Egypte de moeder der, 269;
Egyptische, naar men vermoedt een lagere vorm van godsdienst, 269;
Maspero’s bewering aangaande, 269;
Budge’s bewering aangaande, 269;
de oudheid der Egyptische, 272;
Frazer, Marrett, Hubert en Mauss over den oorsprong der, 270;
de wilden uit het Egyptische Steenen Tijdperk en, 272;
verschil tusschen andere stelsels en Egyptische, 273;
bewering van Maspero aangaande, 275;
krachtnamen in verband met Egyptische, 276;
kracht in Egyptische, 279;
vertegenwoordigers der Egyptische, 279;
formules, Boek der Dooden en, 280;
samenzwering van Hui, 280;
krachtwoorden, op amuletten geschreven, 281;
de brabbeltaal der, 283;
Tooverboeken, het Dubbele huis des Levens, of Bibliotheek der, 284;
medische, 287;
krachtengeloof aangaande in Egypte 288;
mummie, 292.
Mahitouaskhit. Vrouw van Setne; bidt tot Imhetep haar een zoon te schenken, 222;
haar gebed wordt verhoord, 223.
Malakka. Vermelding van, 7.
Maleiers. Beelden de ziel af in de gedaante van een vogel, 37;
magische kracht in Egypte en de kramat der, 279.
Manakhprê-Siamon. Zie Pharaoh Manakhphre-Siamon.
Manetho. Verdeelde de Egyptische geschiedenis in dynastieën, 40;
chronologie van, 40;
Apis-cultus teruggebracht tot Kaiekhos door, 304;
het Serapisbeeld en, 328.
Mannelijken leeftijd. Bijgeloof aangaande een nieuwen naam bij de plechtigheden, welke de voorrechten geven van den, 276.
Manu. De berg van den zonsondergang, 135.
Manzet. De bark, 141;
model van de, in den tempel te Heliopolis, 144.
[370]
Marduk. Doodde het Assyrische monster Tiamat, 142.
Mareotis. District, 52.
Mariette. Vermelding van, 43, 181, 307, 308.
Marett. De werken van en de oorsprong der magie, 270.
Mars. God, 23;
vermelding van, 110;
geïdentificeerd met Horus, 194.
Masai. Vermelding van, 39.
Maspéro, Sir Gaston. Vermelding der gezelschappen van goden, 19;
bijdrage tot de Egyptische archaeologie, 44;
vermelding van, 47, 70, 120, 121, 275;
vertaalde de „Ware Geschiedenis van Setne en zijn zoon Se-Osiris”, 221;
zijn bewering aangaande de Egyptische magie, 275.
Mater. Gouverneur van koning Tcheser, 166.
Matkaré, Koningin. Papyrus van, 346.
Maundeville, Sir John. Vermelding van, geschriften van, 204.
Maya of Maya’s. Van Midden-Amerika, 33;
gebruik van begrafeniskruiken, 33;
geloof in de wederopstanding, 86;
woning van den doodsgod en de, 109;
struisveer en de, 118;
voorstelling van hun Hades, 131.
Medische magie. Egyptische geneeskunde en, 287.
Medinet-habu. Tempel van Ramses III te, 339.
Medum. Eerste pyramide te, 28.
Meer Moeris, 61.
Meesteres van den vijgeboom. Hathor van Memphis werd genoemd de, 319.
Mehemet Ali. Egypte opengesteld voor Europeanen onder, 43;
het bewaren van oude monumenten ondernomen door, 43.
Mehurt. Zeven Wijzen, zonen van Meh-urt, 158.
Meiboom. Gewoonte van het planten van den, 79.
Mekka. Vermelding van, 2.
Melanesisch. Toovenaar, zond zijn ziel, in de gedaante van een vogel, uit, 7;
tooverkracht in Egypte en de Mana der, 279.
Melcarthus. Koning van Byblos, 74;
oudere zoon van, gaat naar Egypte met Isis, 75.
Memnon. Zuilen van, te Thebe, 339.
Memphis. Muren zijn nog over te, 45;
een van de middelpunten van Amen-Ra te, 153;
Ptah, grootste der goden te, 155;
Seker heerschte over, 156;
middelpunt van vereering van verschillende goden, 158;
vermelding van het drietal van, 161;
vereering van I-em-hetep van ouden oorsprong te, 162;
Amen-hetep bouwde tempels in, 169;
Se-Osiris leidt Setne naar een onbekende plaats in de bergen van, 224;
geen schrijver of toovenaar in, gelijk aan Se-Osiris, 226;
Nefer-ka-Ptah’s graf te, 284, 285;
een priester van, die Ashtoreth met den maangod diende, 298;
heilige stieren van, 305;
Apis, de stier in den tempel van Ptah in, 323.
Mena. Eerste historische koning van Egypte, 119;
Apis en, 304.
Mena’s verovering. Vermelding van, 40.
Mendes. 1. Kamenophis, vorst van, 257;
2. De groote god; Kamenophis zweert bij, 258;
stad; titel van den hoogepriester te, 59;
middelpunt van vereering van Osiris, 69;
een van de middelpunten van Amen-Ra, 153;
vereering van den Ram van Mendes, 308;
de god Pan vereerd te, 308;
de zuil van, door Mariette gevonden, 309.
Menenius Agrippa, 209.
Menkauhor. Pyramide, gebouwd door, 30.
Menkaura. Lichaam van, geplaatst in de Bovenste Pyramide, 30;
herziening van gedeelten van het Boek der Dooden, onder zijn regeering ondernomen,
121.
Mentu. Oorlogsgod, 263.
Mentu-hetep. Koning der 11e dynastie, 123.
Menu. Feest van, 63.
Menuqet. Bestuurde de rietvelden, 125.
Merastrot. Een van de zoons van Ramses II, naar Ashtoreth genoemd, 298. [371]
Mercurius. Vermelding van, 161;
Set en, 194.
Merenptah. Anena, een schrijver die het origineel van den d’Orbiney-papyrus vervaardigde, leefde onder de regeering van, 240.
Meroe. De stier van; een van de namen van Amen, 230.
Mert. Westersche wateren van; Horus overwint de bondgenooten van Set, bij de, 97.
Meruitensa. Hooge rentmeester van Henenseten, 236–240.
Mesektet. Bark, waarvan men geloofde, dat zij de avondzon bevatte, 141;
model in den tempel te Heliopolis, 144;
vermelding van, 157.
Mesen. Heiligdom van Heru te, 94.
Meskhent. Godinnen, 217.
Mesnet. Een kamer achter het heiligdom te Edfu, 101.
Mesniu. Andere naam voor Mesnitu; volgelingen van Horus, 101.
Mesti. Hoofden van menschen, voorgesteld op de z.g. canopische kruiken, 33;
een van de vier helpers van Horus, 104.
Mestrovic, Ivan. Vermelding van, 345.
Mexican Archaeology. Mr. Joyce’s boek over, 131.
Mexicanen. Teocalli der, 28;
pasten de mummificeering toe, 33;
hun geloof in de wederopstanding, 86;
woonplaats van den doodsgod en de 109;
vogel en slang gecombineerd in hun god, 140;
feest ter eere van een godin van de, 188
Mexico. Honden heilig in, 112;
krijgers van en paradijs van den zonnegod, 145;
ongeluksdagen in, 186.
Midden-Amerika. Teocalli van, 28;
de Maya van, 33, 118;
de Popol Vuh van, 64, 131;
geloof der Maya’s in de wederopstanding 87, 131;
de Kitches van, 144.
Midden-rijk. Vermelding van, 4;
tegen het einde van, werd het gewoonte de muren der pyramiden met teksten te versieren,
27;
gebruik van balseming ten tijde van het, 31;
omvatte de 9e–18e dynastie, 41, 338;
Aten, onbekende plaatselijke godheid onder de, 168;
taal van, 196;
vermelding van, 196;
geschiedenis van Saneha dateert uit het, 204;
bouwkunst gedurende het, 338.
Mimir. Odin en, 16.
Min. Symbool van, 8;
vermelding van, 156;
andere naam voor Amsu, 299.
Minerva. Vermelding van den tempel van, 62.
Minnemai. Vorst van Eupuantine; zoon van Ierharerou, koningpriester van Heliopolis, 262;
herneemt het schild van zijn vader, 262.
Mitanni. Tushratta, koning der, 293.
Mnevis. Vereering van den stier, te Heliopolis, 308.
Moeris, Meer. Priestercollege te, 61;
krokodillen voor heilig gehouden te, 61, 310.
Mohammedanen. Egyptische verblijfplaatsen der gelukzaligen vergeleken met die der, 138.
Momemphis. Hathor van, 181.
Moravische Broeders. Vermelding van Loskiel, een der, 86.
Moutoubaal. Een Syrisch vorst; Pakrourou ontmoet, 262;
overwint de benden van Sebennytus, 262.
Muluc. Een der vier goden der oude Maya, 33;
andere naam voor Kanzicnal, 33.
Mummie-magie, 292;
olie gebruikt in verband met, 293.
Mut. Tegenhangster van Amen-Ra; vereering te Thebe geconcentreerd; eens vermeld in het
Boek der Dooden, 154;
vermelding van, 188;
de gier het symbool van, 317.
Myceensch. Aardewerk, muurschilderingen, figuren, gecopieerd voor Taurt op, 187.
Mystae. Hal der, 64.
Mythologie. Vermelding van den dood in de, van Hindoestan, Burmesie en Malakka, 291;
de Egyptische goden, 300;
de kat gevonden door de heele Egyptische, 313;
de jakhals in de Egyptische, 314;
andere dieren in Egyptische. Zie Dieren.
[372]