Ka. Eiland der, 208;
het lichaam van koningin Hatshepsut’s, 265.
Kag-em’ni. Spreukenboek toegeschreven aan; van grooten ouderdom, 201.
Ka’hun. Armoedige huizen te, 46.
Kai-ek’hos. Een koning der 2e dynastie; Manetho herleidt de vereering van Apis tot, 304.
Ka’ku. Een van de drie kinderen van Rud-didet, 220;
werkelijke naam van, 219.
Kalender. Astrologische, 291.
Kambyses. De Apris en, 325;
Usa horresnet, geneesheer van, 325.
Kamenophis. Vorst van Mendes; burgeroorlog tusschen Pimoni en 257–262;
harnas van Ierharerou genomen door, 257;
zijn vier nomen, 257.
Kan. Een god der oude Maya; andere naam voor Hobnil, 33.
Kan-zic-nal. Een godheid der oude Maya; andere naam voor Muluc, 33.
Karmel. Vereerd, 11;
hooge plaats der goden, 11.
Karnak. Asso vermeld op de tafeltjes te, 30;
tempel van, 67;
Imhotep en Amenophis vereerd te, 324;
zuilenhal te, 339;
de beroemde Sphinxenlaan te, 339.
Kat. Vereering der; een incarnatie [367]van Bast, 313;
Egyptische mythologie en, 313;
Boek der Dooden en, 313;
Diodorus en, 313;
straf voor het dooden van een, 313;
Herodotus en, 314;
gebruiken bij den dood van, 314;
begraven in de stad Bubastis, 314.
Kek’u-i en Kek’u-it. Goden, 14.
Kemt. Woord „alchemie” afgeleid van het Egyptische woord, 288.
Kerh en Ker’het. Personificatie
Ke’set. Hathor van, 181.
Kh. Teeken, aanwijzing van den naam Set, 300.
Khaf’ra. Begraven in de tweede pyramide van Gizeh, 29;
familie, 29;
vertelt tooververhalen aan zijn vader, 212.
Khal’u. Het land, 212.
Kham’o-is. De boden van, 251.
Khar’toum, 43.
Khem-en’nu. Andere naam voor Hermopolis, 120.
Kheme, 288.
Khensu. De Maangod; een gedaante van Amen, 151;
zoon van Bast, 159;
apen in den tempel van, 315.
Khepera. Godheid, legde den grondslag in Maāt, 15;
tooverkunde van, 16;
tranen van, 16;
zegt, dat hij Osiris is, 17;
Nu met hem geïdentificeerd, 17;
een vorm der zon, 25;
Harmachis, andere naam voor, 93;
Af Ra veranderd in, 127;
in het Boek der Dooden, 128;
Ra als, 146;
type der wederopstanding, 147;
vermelding van, 157.
Kheriheb. Priesters, 279.
Khnemit. De diadeem en kroon van, 339.
Khemnefert, Koningin. Sarcophaag van, 120;
vermelding van, 121.
Khnemu. Vereering van, 21, 163, 164;
waarschijnlijk een totemistische godheid, 25;
in het Boek der Dooden, 128;
schepping van het heelal en; vormde de dieren, 156;
symbool van, 164;
tegenhangsters attributen, 164;
de overstrooming van den Nijl en, 164;
koning Theser en, 165;
vermelding van, 159, 184;
Hekt, vrouw van, 187;
vereering van den Ram van Mendes en, 308.
Khnemu-ra. Macht van, 164.
Khnum. Vormt het lichaam van Hatshepsut, 265.
Khnumu. God en de priester Ra-user, 217.
Khnumu-hotep. Kist van, 346.
Khonsu. Maangod, geïdentificeerd met Thoth, 188,
duivelbanner, 191–193.
Khonsu In Thebe Nefer-hetep. Een van de gestalten van Khonsu, 191;
beschermt den duivelbanner, 192.
Khorp Hemtiu. Titel van een priester, 59.
Khu. De Geest-Zielen, 127.
Khufu. Andere naam voor Cheops, 29;
eerste pyramide en, 29;
vermelding van, 163;
toovergeschiedenis verhaald aan, 212–215.
Khut. Isis genoemd, 90;
de slang genaamd, 140.
Kiches. Vermelding van, 15;
alle vormen van vereering in één gemengd door de, 144.
Klooster. Het Noordelijk, Tempel opgericht voor koningin Hatshepsut, 265.
Koe. Vereering van de, 304;
de Apis begiftigd met, 305;
het heiligste der dieren, 324.
Kom-es-sagha. Tempel van, 338.
Kom-om-bos. De pronaos van, 341.
Koning Arthur, 95.
Koptisch(E). De, idee over de bestraffing in de Duat, 133;
manuscripten, 195;
overeenkomst tusschen Semitisch en, 195;
taal, 197.
Koptiten. Vermelding van, 110.
Kopten. Andere naam voor Egyptische Christenen, 288.
Kore. Gestalte in de mysterieuse cultus van, 64;
andere naam voor Persephone, 64;
mythe van, 84;
vermelding der geschiedenis van, 131.
Krachtnamen. Gebruik van, in verband met Egyptische magie, 275;
Professor Rhys en, 276;
Howitt en, 276;
bijgeloof aangaande, bij verschillende Australische stammen en in Abessinië, [368]Chili, Senegambië, Noord-Amerika, 276;
verscheidene Egyptenaren ontvingen twee namen, 276;
algemeen, in het geheele Oosten, 277;
Joden spreken Jahveh uit als Adonai, 277;
legende aangaande Isis en Ra’s heiligen naam, 277;
Osiris gedreigd luid te worden uitgeroepen, 278;
Lane over, 279;
geheim van den naam door goden aan menschen geopenbaard, 279.
Kramat. De Maleiers, 279.
Krokodil. Vereering van den, 309;
de incarnatie van den god Sebek, 309;
vrees voor den, 309;
Ra, Osiris en de, 309;
jachtmaken op den, 310;
een beschermer van Egypte, 310;
Herodotus en, 310;
voor heilig gehouden, 310;
begraven in het onderaardsch labyrinth, 310;
middelpunt van vereering, 310;
cultus van, 310;
Strabo en, 310.
Krokodilopolis. De krokodil, incarnatie van god Sebek, woonde in het meer bij, 13;
het middelpunt van de vereering van den krokodil, 310.
Kronos. Bemind door Nut, 71;
andere naam van Geb, 71.
Kroon, Witte. Aangetroffen op Egyptische monumenten, 297.
Kunst. Invloed van Bes, 300;
productie der groote Egyptische meesters, 333;
Egyptische, 332, 347;
Egypte aangeboren, 332;
Japan en China, de groote Italiaansche meesters, 332;
Spaansche, 332;
schilderkunst uit laaggelegen landen ingevoerd, 333;
schilder- en andere inlandsche kunst in het land van Isis, 333;
de Thinitische eerste periode van Egyptische, 333;
ruwe beeldjes uit leem vervaardigd, 333;
ruwe vormen van architectuur, 334;
schildermateriaal, 337;
van het Nieuwe Rijk, 339;
de Saïtische, laatste periode van Egyptische, 341;
verval van Egyptisch juwelierswerk, 341;
de avondschemering der Saïtische kunst zag vele groote bouwwerken, 341;
vreemde invloeden, 341;
schilderwerk uit de Saïtische periode, 342;
Egyptische invloed in Spanje, 343;
Egyptische invloed in Frankrijk, 343;
vermelding van den Comte de Caylus, 343;
vermelding van Napoleon’s expeditie, 344;
vermelding van Ivan Mestrovic, 345;
vermelding van David Edström, 345;
Laat-Impressionisten en Impressionisten in Egyptische, 345;
overblijfselen der, 345;
waarde van Egyptische, 345;
vermelding der Salonschool en de Rue de Rivoli, Clouet, Boucher, Lancret, Clodion,
Dalou en Rodin, 345;
massa der Egyptische overblijfselen ver beneden die van Griekschen oorsprong, 346;
de Egyptenaar een van god gegeven kleurder, 346;
Egyptische kleurschakeeringen, 346;
vermelding van Whistler, 347;
eenvoud in Egyptische, 347;
groote eenvoud der Egyptische, 347–348;
vermelding van Margaret Sackville, 348;
genius der Egyptische kunstenaars, 349.