Eter der Dooden. Anubis beschermt den mensch tegen den, 114.
Ed’fu. Heiligdom van Heru te, 94;
vermelding van, 96, 100, 101, 188;
Horus in den tekst van, 100;
naam van Baal in den tekst van, 296;
tempel van Horus te, 342.
Edström, David, 345.
Eeuwigheid En Eeuwige Straf, titel gegeven aan Osiris, 86.
Egypte. Oud, 1;
Boven, 2;
Beneden, 2;
godsdienst 2, 3, 4;
goden van, 5;
oudste bewoners in, 6;
oudste graven in, 7;
totemistische oorsprong van goden van, 10;
standaards van, 10,
sommige dieren niet gegeten in, 13;
dieren vereerd in, 13;
scheppingsmythe van, 14;
verdeeld in provincies, 20;
godsdienstig denken in, 22;
pyramidenteksten van, 27;
architectuur, 28;
beschrijving van het Nijldal in Boven-, 38;
oorsprong van het volk, 37;
oudste dynastieke geschiedenis van, 40;
dynastieën, 41;
overlevering van, 42;
expedities gezonden naar, 43, 44;
gezondheidstoestand van, 46;
Ai besteeg den troon van, 48;
onderzoekingen in, 49;
pyramiden en necropolis in Boven-, 49;
inheemsche monarchie, 49;
invallen in, 50;
paard en kameel, ingevoerd in, 50;
feodaal systeem door, 50;
handelsaangelegenheden, 51;
koren, stapelproduct van, 51;
belasting aan, 51;
Grieksche handel in, 52;
theologen en wijsgeeren in, 60;
geslotenheid aangaande, 62;
invloed op Grieken uit, 64;
hout in, 51;
onder Osiris, 72;
lijk van Osiris gebracht naar, 75;
graven van Osiris in, 76;
opvatting over de opstanding, 85;
Isis groote korenmoeder van, 87;
haar mythe in werkelijkheid voor het volk van, 89;
Thothmes koning van, 92;
door Harmachis beloofd aan Thothmes, 93;
de zon in oud eene historische koning van, 119;
roemrijke oorlogen van, 120;
zonnevereering in, 140;
cultus van Ra in, 141;
ficties der priesters in, 143;
vereering van den kever in, 147;
vereerders van Amen machtig in, 148;
gewijde ganzen in, 152;
heerschappij van Amen-Ra in, 153;
gier symbool op de kronen van, 154;
god der geneeskunde in, 162;
hongersnood in, 165;
zonnegoden van, 168;
staatsgodsdienst van, 168;
Tell-el-Amarna in, 170;
nieuwe cultus ingevoerd in, 171;
cultus van Amen, de hoogste in, 172;
pantheon van Oud-, 174;
tempel van [360]Hathor in Boven-, 177;
verdeeling in Hooger en Lager, 182;
vereering van Hapi in, 182;
schoone vrouwen in, 189;
taal van, 195–198;
inboorlingen van, 203;
lyrische en volkspoëzie, 220;
superioriteit van, in de geschiedenis, 222;
de aanzienlijken van, 227;
Horus gaat naar, 233;
Anapou en Bitou in, 240;
Ounamounou bezoekt, 248–253;
burgeroorlog in, 256;
koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over, 264;
Aahmes, vrouw van den koning van, 264;
Thothmes III koning van, 266;
geen gelijke van Thoutii in geheel, 267;
amuletten gebruikt in, 282;
alchemie ontstaan in, 288;
metaalbewerking in, 288;
dierenverwisseling in, 289;
Mena, eerste historische koning van, 304;
de krokodil een beschermer van, 309;
vereering van de kat in, 313;
niet rijk aan boomen, 317;
de kunsten waren aangeboren aan, 332.
Egyptisch, Egyptenaren
Phases van godsdienst, 1;
geloof van, 2;
pantheon, 2, 23, 70, 140, 151, 168;
mythologie 4, 168, 188;
godsdienst 3, 4, 8, 16, 22, 25, 55 170, 275, 324;
literatuur, 5, 200, 210;
godsdienstige verhalen, 5;
geloof van, 5,6;
manuscripten, 7;
fetischisme in, 8;
amuletten, 8,9;
dierenvereering in, 10;
standaards, 13;
totemistische natuur van goden, 1;
gedaanteverwisseling van goden, 15;
opvatting over de schepping, 15; bron van een godsdienstig stelsel, 18;
theologie, 20;
idee over god, 21;
Khnemu en Egyptische godsdienst, 25;
idee over de bewaring van het menschelijk lichaam, 25;
begrafenis, 26;
mummificatie, 30–33;
bijzonderheden van het huisraad in het graf, 34;
ka, de, 35;
aanzien aan de dooden bewezen door de, 37;
voorbereiding voor den dood, 37;
oorsprong van het ras, 39;
priesters;
Manetho en, 40;
verdeeling der geschiedenis, 41;
systeem van dateeren, 42;
oudheden, 42;
beschrijving der ruïnes, 43;
sleutel van het hieroglyphenschrift, 43;
bewaren van oudheden, 43;
verzameling van oudheden, 44;
architecten, 45;
monumenten, 45;
levenswijze, 49;
huisdieren, 50;
handel, 51;
landbouw, 54;
wetten werden overgeleverd, 52;
godsdienst in hooge eer, 54; uitvindingsgaven, 54;
landbouwers, 55;
fatalisten, 55;
karakter, 57;
voorliefde voor rechtvaardigheid, 57;
priesterschap, 58;
plichtlievende zoons, 60;
bekwaamheid der priesters, 60;
mysteriën der priesters, 62;
koningen vergrootten de bouwwerken van hun voorgangers, 66;
Osiris-teksten;
volledige legende van Osiris niet gevonden in, 70;
Isis geliefd bij, 87;
St. George een held der, 94;
Horus het kind geëerd door, 101;
mythe aangaande zon- en maan-eclipsen, 105;
Set in slechten naam bij, 109;
graven, sporen van de jakhals als gidsen naar, 115;
versmelting van de attributen van hun goden, 115;
teksten, welke zich met het welzijn der dooden bezighouden, 118;
oorsprong mysteriën van de Cabiri, 131;
altijddurende straf en de, 132,133;
idee over tijdelijke bestraffing, 134;
voorstelling over onderaardsche streken, 134;
beschrijving van hun hemel, 134–136;
materieele gedachte der, 145;
Tem, een van de eerste goden van, 146;
de dag in drie deelen verdeeld door, 146;
scarabaeën, 147;
vaardigheid in het maken van automaten, 153;
scheppingsgoden, 155;
prae-dynastieke, 164;
de koninklijke stam, 169;
kunst, 171;
Aten-cultus slaagde er niet in een beroep te doen op de, 174;
de maan en de, 175, 177;
Hathor en de, 177;
Hapi, als god van den Nijl in nauwe betrekking tot de, 182;
begrafenisplechtigheden, 187;
godinnen;
horens door alle gedragen, 187;
lagere goden van het pantheon, 193;
taal, 195;
taal verdeeld in die van het Oude, Midden- en Nieuwe Rijk;
Koptisch laatste vorm, welke de taal aannam, 196–187;
oudste schriftsysteem van inheemschen [361]oorsprong, 198;
door ontcijfering van de steen van Rosette, werd de taal ontdekt, 199;
kelebi, bedwelmende drank der, 210;
eerbied voor de dooden, 254;
Rhampsinites houdt de Egyptenaren voor den gek, 256;
controle over de inheemsche goden door, 270;
geneeskunde, 287;
het woord kemt, 288;
alchemie en, 288;
goden, kwestie aangaande den totemistischen oorsprong van, 290;
spook, tooverformules tegen, 291;
astrologische kennis van, 291;
houding tegenover de andere goden der, 294;
nieuwe goden gegeven aan de, 295;
Aziatische goden gegeven aan, 296;
godsdienstige ideeën, 296–300;
gedaanteverwisseling der zielen, geloofd door de, 323;
godenschemering, 331;
kunst; de Thinitische, de eerste groote periode van, 333;
kunst, de Saïtische, de laatste periode van, 341;
kunstenaars der Saïtische periode, 341;
juwelierskunst, verval van, 341;
schilderkunst der Saïtische periode, 342;
kunstenaars beïnvloed door Romeinsche en Italiaansche kunstenaars, 343.
Egyptologen. Werken van, 4;
over totemisme, 4;
Dr. Wallis Budge, 10;
hieroglyphen beschreven door, 21;
dynastieke verdeelingen en, 41;
Isis als de wind van den hemel niet geloofd door, 88;
Egyptische magie als een lagere graad van godsdienst beschouwd door, 269;
boomenvereering als een feit aangenomen door, 318.
Elephantine. Stad, andere naam Abu, 163, 166.
Eleusinische. Mysteriën, 64, 86.
Eleusis. Plechtigheden verbonden met, 64;
mysteriën van, 131.
El-kab. Paheri, vorst van, 129.
Elohim. Vermelding van, 143.
Engeland. Patroon van, 94.
Enneads. Equivalent „Gezelschappen der Goden”, 18.
Erman. Vermelding van, 61, 195.
Ethiopië. Aso, koning van, 72.
Ethiopiërs. Godsdienst in Egypte en de, 171;
oorsprong, Hathor van, 177;
Pharaoh Ousimares ziet een, 227;
koning van Nubië en 229;
de magie der, 232;
Horus in de gedaante van een, 234;
Se-Osiris en de, 234.
Eudoxus. Bewering van, aangaande Typho III,
Eudoxus van Cnidus, astronoom, het Apis-orakel en, 306.
Euphraat. Vermelding van, 189.
Europa. Vereering van Isis groot in Westelijk, 91;
de hel van Middeleeuwsch, 133.