Dacota’s. Geloof van de, betreffende de maan, 81.
Dadefra. Tweede pyramide toegeschreven aan, 29.
Dah’shur. Pyramide van Senusert te, 30.
Dam-spel. Setne en Nefer-ka-Ptah spelen een, 286.
Danaë. Grieksche mythe van, 220.
Darwin. Aanhaling van, 203.
Davis. Monumenten en tempels ontdekt door, 172.
Decreet van Canopu. Zuilen beschreven met hieroglyphische, demotische en Grieksche teekens, 199.
Dedi. Held van een tooververhaal, 215–217.
Deir-el-Behari. Andere naam voor het Noordelijk Klooster;
de naam van den tempel opgericht voor koningin Hatshepsut, 265.
De Iside Et Osiride. Godsdienstige verhalen van Plutarchus, 5;
legende van Osiris, zooals deze verteld wordt in, 71;
passage uit 110.
Delos. Vermelding van, 62.
Delta. Beschrijving van, 38;
Isis in de moerassen van de, 103, 204;
Lybische inval in de, 151;
Bast, godin van, 159;
vermelding van, 160, 204;
oorlog tusschen Boven-Egypte en, 256–262;
vereering van Ashtoreth in, 299;
Reshpu’s hoofdplaats van vereering in de, 299;
verblijfplaats van den Egyptischen leeuw, 311.
Demeter. Gestalte van, in mysteriëncultus, 64;
mythe van, 84;
geschiedenis van, 131.
Demonen. Goden als, 110;
equivalent genii, 110;
genezing van de bezetenen door, 287.
Demonen der Stilte. Tehuti-nekht en de, 237.
Demotisch. Stelt het volksdialect der Saïtische periode voor, 196, 197, 199;
papyrus, 200, 208.
Den. Andere naam voor Udy-mu of Hesepti, 69;
5e koning der 5e dynastie, 69.
[358]
Denderah. Boom van Osiris te, 79;
tempel van Hathor te, 177.
Der-el-ba-hari. Gebouwen te 339.
Dieren. Tooverspreuken in Thoths Bibliotheek der Tooverboeken in staat te betooveren, 284;
verwisseling, 289;
Dr. Budge en de idee der gedaanteverwisseling, 289;
tooverspreuken in het Boek der Dooden, welke dooden in staat stelden zich uit de gestalten
van een vogel, slang enz. te veranderen 289;
vereering 290;
Egyptenaren werden door de Grieken en oude Christelijke schrijvers bespot door hun
vereering van, 289;
de houding van den primitieven mensch en Egyptenaren, 290;
gedaanteverwisseling; ontstaan van, 290;
gestalte der Egyptische goden, kwestie aangaande totemistischen oorsprong, 290;
heilige, in Egypte, 302–327;
vereerd in Egypte, de stier, 303;
de krokodil, 309;
de leeuw, 311;
de kat, 313;
de hond, 314;
het nijlpaard, 314;
de ibis, 316;
andere dieren in de Egyptische mythologie, de ezel, het zwijn, de haas, de spitsmuis,
de ichneumon, de pharaoh-rat, de vleermuis, de schildpad, de slang, de uraeus, de
schorpioen, de kikvorsch (symbool der geboorte en vruchtbaarheid, 315–316);
vereering van, gedurende de Hellenistische periode, 325;
Strabo en beelden van heilige, 327;
ruwe beelden van levende, van leem vervaardigd gedurende de Thinitische periode, 333.
Diana. Equivalent van Bast, of Bubastis, 159.
Dino. Geschiedenis verteld door, 111.
Diodorus. Verhaal verteld door, 111;
over den Apis, 305;
de krokodil en, 310;
zijn bewering aangaande katten, 313.
Dionysius. Soteles en, 328.
Diospolis Parva. Andere naam voor How, 79.
Directeur der Soldaten. Titel van een priester te Mendes, 59.
Dood. Lot der ziel na den, 272.
Dooden. Het oordeel van Anubis over, 225;
eerbied der Egyptenaren voor de, 254;
een damspel met de, 286;
begraven in ondiepe graven in Egypte der prae-dynastieke tijden, 334;
welzijn der, in Egypte, 334.
Dora. Een stad van Zakkala, 249.
D’orbiney. Mevrouw Elizabeth, 240.
D’orbiney-papyrus, titel 240;
verschillende malen vertaald, 240;
eigenaar, Sety Merenptah (Sety II); meer dan drieduizend jaar oud; Bitou is de held
der geschiedenis, 240.
Draak. Geïdentificeerd met Reret, 194.
Droomen. De goden en, 292.
Dua En Sef. Alternatieven, 312.
Duat. Woonplaats der dooden, 89;
vermelding van, 113, 117, 162, 173, 186;
men geloofde, dat deze uit het lichaam van Osiris gevormd was, 124;
beschrijving van, 126;
Osiris’ reis door de, 127;
de slechten en de, 132;
goden, die de heerschappij hebben over, 137;
Ptah en de dooden in, 155.
Duati. Een god uit de Duat, 124.
Dynastie. Eerste. Vermelding van, 21;
Pharaoh begraven gedurende de, 26;
5e koning der, 69;
middelpunt van Osiris-vereering te Abydos gedurende de, 69;
Boek der Dooden in gebruik in de, 122;
inscripties behoorende tot, 196;
hieroglyphisch karakter ontmoet men voor ’t eerst in inscripties der, 196, 199;
5e, 19;
Boek der Dooden, herzien gedurende 5e, 21;
Pharaoh begraven gedurende 1e, 26;
pyramide gedurende 3e, 28;
pyramidenbouw van de 4e tot de 11e, 28;
mummificeering in de, 20e, 31;
gewoonte der 18e, 33, 34;
datum der 12e, 41;
verdeeling der dynastieën, 41;
38e, 46;
3e, 51;
vereering van Set in 22e, 109;
koning der 11e, 121;
koning der 1e, 119;
26e, 120;
basrelief uit de 2e, 121;
Boek der Dooden in de 6e dynastie voltooid, in gebruik in 2e en waarschijnlijk [359]1e, 122;
Thebaansche recensie in gebruik van de 18e tot de 22e, 123;
priesters van Ra te Heliopolis, gedurende de 6e, 141;
scarabaeën, dateerende vanaf de 4e, 147;
Amen, Egyptisch god in de 5e, 147;
tempel gebouwd ter eere van Amen, in de twaalfde, 149;
tweede, 155;
22e, 157;
3e, 162;
12e, 164;
Anqet had een tempel onder de 18e gebouwd, 168;
Thebaansche monarchie in het begin der 18e, 169;
Vermelding der 18e, 33, 34;
huis van een ambtenaar der 18e, 46;
koningen der 18e, 149;
hieratische papyrus uit de 18e, 196;
papyrus uit de 18e, 183;
inscripties behoorende tot de 1e, 4e, 5e, 6e, 196;
verhalen, brieven uit de 12e, 196;
papyri uit de 18e en 21e, 196;
Demotisch dialect nagespoord tot de 25e, 197;
Egyptisch schriftsysteem in Syrië onder de 18e, 198;
hieroglyphisch karakter in inscripties der 1e, feitelijk onveranderd vanaf 4e, 198;
demotische vorm van schrift in de 26e, 199;
koning der 12e, 204;
verhaal uit de 12e, 204;
drie zonen van Rud-didet regeerend onder de 5e, 217;
verhaal uit de 19e, 240;
geschiedenis uit de 18e, 244;
opstand van den vorst van Joppe onder de 18e, 266;
Baal aan de Egyptenaren bekend onder de 18e, 296;
19e, 297;
Qetesh’s naam op inscripties uit de 18e en 19e, 299;
cultus van Apis nagespoord tot de 2e, 304;
het Midden-Rijk van de 9e tot de 17e, 338;
Nieuwe Rijk, tijd van de 18e tot de 31e, 339.