[Inhoud]

De List.

Toen de vorst dit hoorde, was hij zeer begeerig, den tooverstok te zien. Thoutii ging dezen daarop halen; plotseling pakte hij daarop den vorst bij diens kleeren vast en sprak: „Ziehier den tooverstok van koning Thothmes” en met dezen hief hij zijn hand op en sloeg den vorst zoo hevig op zijn voorhoofd, dat hij bewusteloos voor hem neer viel. Daarop deed hij hem in den [268]grooten leeren zak, maakte de handboeien aan zijn polsen vast en de voetboeien aan zijn voeten.

Daar het gelaat van den doode onzichtbaar was, was het Thoutii’s doel, het lijk voor het zijne te laten doorgaan. Hij had de tweehonderd soldaten in een even groot aantal van de 400 kisten gelegd, welke hij met zich mede gebracht had en vulde de overblijvenden met de touwen en houten boeien; daarop verzegelde hij dezen, omwond hen met touwen, gaf hen aan verscheidene sterke soldaten en zei het volgende: „Gaat vlug en vertel aan de ruiterij uit Joppe, dat ik gedood ben. Laat de aanvoerder gaan en aan zijn meesteres, de vorstin van Joppe, zeggen, dat Thoutii overwonnen is en dat zij de poorten der stad opent, om het lijk van den overwonnene en de buitgemaakte kisten, welke men van hem afgenomen heeft, in ontvangst te nemen.

De aanvoerder van de ruiterij ontving deze boodschap en vertelde dit bericht ijlings aan zijn meesteres. De poorten der stad werden geopend en Thoutii’s mannen brachten de kisten, welke zijn overige mannen bevatten, in de stad. Daarop bevrijdden zij de inzittenden, de Egyptische strijdkrachten overvielen de inwoners der stad, namen hen gevangen en bonden hen.

Nadat hij tot rust gekomen was, zond Thoutii een bericht naar den Pharaoh en liet zeggen: „Ik heb den vorst van Joppe gedood en alle bewoners van Joppe zijn krijgsgevangen gemaakt. Laat hen naar Egypte vervoeren, opdat uw huis met mannelijke en vrouwelijke slaven, die u steeds zullen toebehooren, gevuld wordt. Laat Amen-Ra, uw vader, de god der goden, verheerlijkt worden.” [269]