Daarop naderde Minnemai, de vorst van Eupuantine, de zoon van Ierharerou, den priesterkoning, aan wien het schild toebehoord had, uit Thebe, met al zijn strijdkrachten. Zij wezen hem een plaats naast het schip van Takhos, den hoofdman van Mendes aan en het trof toevallig, dat in de galei van Takhos het harnas zelf lag.
Minnemai riep de goden aan hem te helpen het harnas van zijn vader terug te krijgen, en dit zelf te bewerkstelligen. Hij wapende zich zelf, ging naar de galei van Takhos en stiet daar op negen duizend soldaten, die het harnas van Ierharerou, den zoon van Osiris, bewaakten.
Minnemai plaatste 34 wachters bij de voetbrug van de galei om te beletten, dat iemand daaraf ging, en hij viel de soldaten, die het harnas bewaakten, aan. Takhos vocht dapper, en doodde 54 man; ten slotte echter moest hij den strijd opgeven en trok zich naar zijn vaartuig terug, hier volgde Minnemai hem met zijn Aethiopische strijders. De kinderen van Ierharerou ondersteunden hem en zij namen het harnas van Ierharerou.
Aldus werd de wapenrusting genomen en naar haar vroegere plaats teruggebracht. Er heerschte onder de kinderen van Ierharerou en de troepen van Heliopolis groote vreugde. Zij begaven zich naar den Pharaoh en zeiden: „Groote meester, laat de geschiedenis van den strijd om het harnas opschrijven en daarbij de namen van de strijders, opdat de nakomelingen mogen weten, dat er in Egypte om een harnas een oorlog ontstaan is, zoowel in de nomen, als in de steden. Laat de geschiedenis op een steenen zuil in den tempel van Heliopolis graveeren”. Koning Petoubastis deed, zooals hem verzocht werd.