Nadat Pakrourou het strijdgewoel verlaten had, ontmoette hij een man, machtig in de wapenen, die veertig galeien en 8000 soldaten aanvoerde. Het was Moutoubaal, een Syrisch vorst, in een droom gewaarschuwd, zich naar het Gazellenmeer te begeven, om mede te helpen het gestolen harnas te hernemen.
Pakrourou gaf hem nog geen plaats, ofschoon alle [261]strijdkrachten nu opgesteld werden; hij beval hem zich niet in het gevecht te begeven, voordat zijn tegenstanders—de mannen van Kamenophis—hun vaartuigen aan zouden vallen.
Moutoubaal bleef daarna in zijn schip en Pakrourou ging naar zijn gunstig gelegen positie, om den loop van het gevecht te volgen. De twee partijen vochten vanaf vier uur in den morgen tot negen uur ’s avonds. Tenslotte zwichtte Anoukhoron, de zoon van den koning, onder den druk van de benden van Sebennytos en dezen renden naar de booten.
Daarop maakte Moutoubaal van de gunstige gelegenheid gebruik, trok tegen de benden van Sebennytos op en haalde hen in. Hij ging door, de strijdkrachten van Kamenophis te vernietigen, totdat Pharaoh hem beval op te houden. Daarna ging hij met Pakrourou naar Moutoubaal en verzocht hem, op te houden en beloofde hem, dat hij er voor zorgen zou, dat het schild teruggegeven werd.
Moutoubaal hield daarna op, nadat hij onder de mannen van Kamenophis groote verwoesting aangericht had. Daarop gingen de Pharaoh en Pakrourou naar de plaats, waar men Pimoni in een strijd op leven en dood met Kamenophis gewikkeld vond. Pimoni had de overhand en was op het punt zijn tegenstander neer te slaan, toen zij hem tegenhielden en Pharaoh beval Kamenophis, op te houden met den strijd.
Hierop werd Anoukhoron, de koninklijke prins, door Petekhousou, den broer van Pimoni, ingehaald; de Pharaoh echter kwam tusschenbeide en overreedde Petekhousou, zijn zoon te sparen en aldus kon de jonge man ongedeerd ontkomen.
De koning sprak thans: „Bij Amen-Ra, de scepter is aan de handen van Kamenophis, den vorst van Mendes, ontvallen. Petekhousou heeft mijn zoon overwonnen en de troepen van de vier sterkste nomen in Egypte zijn overwonnen. [262]