[Inhoud]

Oorlogsverschrikkingen.

Pakrourou sprak daarop tot den koning: „Is het rechtvaardig, wat Kamenophis gedaan heeft en worden de woorden, welke hij zooeven gesproken heeft, niet geuit, om ons toornig te maken, zoodat wij onze krachten met de zijne meten moeten? Ik zal maken, dat Kamenophis en de nomen van Mendes, zich over deze woorden, welke uitgesproken zijn, om den burgeroorlog uit te lokken, welken de Pharaoh verboden heeft, zullen schamen; ik zal hen met oorlog verzadigen. Ik zei niets, omdat ik wist, dat de koning den oorlog niet wenschte; indien de koning echter neutraal blijft, zal ik mij niet langer stil houden en de koning zal alle verschrikkingen van den burgeroorlog zien”.

De Pharaoh antwoordde: „Wees noch pralend, noch [259]bevreesd, Pakrourou, groote aanvoerder van het Oosten; laat nu ieder uwer naar zijn nomen en steden in vrede gaan; geef mij slechts 5 dagen en ik zweer bij Amen-Ra, dat ik zal maken, dat het harnas op de plaats, vanwaar het genomen werd, terugkomt”.

Pimoni zei daarop, dat, als het harnas op zijn plaats werd gebracht, er niet meer over gesproken zou worden en er geen oorlog zou zijn; indien het echter gehouden werd, zou hij er voor strijden, zoo noodig tegen geheel Egypte.

Kamenophis vroeg daarop eerbiedig toestemming aan den Pharaoh, zijn mannen te wapenen en met hen naar het Gazellenmeer te gaan, om zich gereed te maken te strijden. Dit werd hem toegestaan.

Daarop zond Pimoni, die door Pakrourou moed gevat had, boodschappen van gelijk gewicht naar al zijn nomen en steden. Pakrourou raadde hem daarop, zich naar het Gazellenmeer te haasten en daar te zijn, voordat Kamenophis al zijn mannen verzameld had; Pimoni volgde zijn raad op en was met slechts een kleinen troep het eerst in het veld met de bedoeling te wachten tot zijn broers, aan het hoofd van hun respectievelijke troepen, zich met hem vereenigen zouden.

Het bericht hierover bereikte Kamenophis en haastig wapende hij zijn vier nomen Tanis, Mendes, Tahait en Sebennytos. Bij het meer gekomen, daagde hij Pimoni terstond tot den strijd uit en Pimoni nam de uitdaging terstond aan, hoewel zijn overige strijdkrachten nog niet aangekomen waren.

Pimoni trok daarop een hemd van byssus aan, met zilver en goud geborduurd, hierover een tweede hemd van goudlaken; eveneens trok hij zijn koperen borstharnas aan en droeg twee gouden zwaarden; daarna zette hij zijn helm op en trok op, om Kamenophis te ontmoeten.

Terwijl zij aan het strijden waren, rende Zinonfi, de jonge dienaar van Pimoni, weg, om naar de strijdkrachten [260]uit te zien, welke op komst waren, om Pimoni te helpen; spoedig ontdekte hij een zoo groote vloot, dat de rivier ternauwernood alle schepen kon bevatten.

Het was het volk van Heliopolis, dat zijn aanvoerder te hulp kwam. Zoodra zij op gehoorsafstand gekomen waren, schreeuwde Zinonfi hen toe zich te haasten, daar Pimoni door Kamenophis in het nauw gebracht werd. Dit was inderdaad waar, want zijn paard was onder hem gedood.

Kamenophis verdubbelde zijn krachtsinspanning, toen hij zag, dat er versche troepen aankwamen, en Petekhousou, de broer van Pimoni, daagde Anoukhoron, den zoon van den koning, tot een tweegevecht uit. In eigen persoon ging hij naar het slagveld en verbood de strijders vooruit te gaan, en kondigde een wapenstilstand af, totdat alle strijdmachten verzameld zouden zijn.

Petoubastis en al de aanvoerders namen hooggelegen posities in, zoodat zij in het oog konden houden, wat geschiedde; de mannen waren even ontelbaar als het zand van de kust, en de woede tegen elkander was niet te bedwingen. De troepen der vier nomen werden achter Kamenophis opgesteld en die van de nomen van Heliopolis achter Pimoni den kleinen.

Daarop gaf Petoubastis een teeken aan Pakrourou, wapende zich zelf en begaf zich onder de strijdkrachten, terwijl hij hen allen tot dappere daden aanzette; hij vuurde den eenen man tegen den anderen aan, en groot was de strijdwoede, welke hij onder hen opwekte.