Over de bijzonderheden van deze mythe heeft Sir J. G. Frazer4 getuigd dat: „Osiris een van de personificaties is van den wasdom, waarvan de jaarlijks terugkeerende dood en wederopstanding in zoo vele verschillende landen zijn gevierd”, dat hij een god is analoog met Adonis en Attis.
„De gelijkenis over het algemeen van de mythe en den ritus van Osiris met dien van Adonis en Attis”, zegt Frazer, „is in het oog vallend. In beide gevallen zien wij een god, wiens ontijdige en gewelddadige dood door een hem beminnende godin wordt bejammerd en jaarlijks door zijn aanbidders wordt gevierd.
Het karakter van Osiris, als godheid van den wasdom, blijkt duidelijk uit de legende, welke vertelt, dat hij de eerste was, die de menschen het gebruik van het koren leerde en ook uit het gebruik zijn jaarlijksch feest met den akkerbouw te beginnen. Ook vertelde men van hem, dat hij den wijnbouw had ingevoerd.
In een van de kamers in den grooten tempel van Isis te Philae, aan Osiris gewijd, wordt het lichaam van Osiris afgebeeld met korenaren, welke uit zijn lichaam te voorschijn komen en daarbij ziet men de afbeelding van een priester, die de korenaren, uit een kan, welke hij in de hand heeft, begiet. Het daarbij behoorend opschrift vertelt, dat dit de gestalte is van hem, wiens naam men niet mag noemen, van Osiris van de mysteriën, die ontspringt uit de terugkeerende wateren”.
Een meer aanschouwelijker wijze Osiris als personificatie van het graan af te beelden, kan moeilijk bedacht worden, terwijl het opschrift, bij de schildering behoorende, aanduidt, dat deze personificatie de kern van de mysteriën van den god was, het geheim, dat alleen den ingewijden werd ontsluierd.
Bij de beoordeeling van het mythisch karakter van [78]Osiris moet aan dit gedenkteeken groot gewicht worden gehecht. Het verhaal, dat stukken van zijn lichaam door het land verspreid werden, kan een mythische uitdrukking zijn, of voor het zaaien, of voor het wannen van het graan. De laatste interpretatie wordt nog waarschijnlijker door het verhaal, dat Isis de afgescheurde ledematen van Osiris op een korenzeef legde.
Het kan ook zijn, dat de legende een herinnering is aan het gebruik, een menschelijk slachtoffer te dooden, als een voorstelling van de levenskracht van het graan en het verdeelen van zijn vleesch, of het verstrooien van zijn asch, om het land vruchtbaar te maken.
Maar Osiris was meer dan een geest van het koren; hij was ook een boomgeest en dit zal wel zijn oorspronkelijk karakter zijn geweest, omdat de boomvereering in de godsdienstgeschiedenis natuurlijkerwijze ouder is dan de vereering der graanvruchten.
Het vertrek van Isis uit Byblos.
Evelyn Paul.
Zijn karakter als boomgeest wordt aanschouwelijk voorgesteld door Firmicus Maternus. Nadat een pijnboom geveld is, wordt het midden uitgehold en van het aldus uitgeholde hout een beeld van Osiris vervaardigd en dit wordt weer in de holte van den boom begraven. Ook hier kan men zich moeilijk voorstellen, hoe de opvatting van een boom, door een persoonlijk wezen bewoond, eenvoudiger kan worden uitgedrukt.
Het aldus vervaardigde beeld van Osiris werd een jaar bewaard en daarna begraven, juist zooals met het beeld van Attis werd gedaan, dat in den pijnboom werd vastgehecht. De ceremonie van het vellen van den boom, zooals dit door Firmicus Maternus wordt beschreven, schijnt door Plutarchus te worden aangeduid. Het was waarschijnlijk de ritueele tegenhanger van de mythische ontdekking van het lichaam van Osiris, ingesloten in de tamarinde. Wij mogen onderstellen, dat de oprichting van de Tatu-zuil, bij het einde van het jaarlijksch feest ter eere van Osiris, identisch was met de plechtigheid, door [79]Firmicus beschreven; men moet er verder wel op letten, dat in de mythe de tamarindeboom een zuil was, in het paleis van den koning.
Evenals het gebruik een pijnboom te vellen en een beeld daarin te verbergen bij den dienst van Attis voorkomt, behoorde dit gebruik misschien tot die klasse, waaronder het aanbrengen van den meiboom het meest bekend is.
Wat den pijnboom in het bijzonder betreft, de boom van Osiris te Denderah is een conifeer en de kist, welke het lichaam van Osiris bevatte, wordt hier afgeschilderd door den boom te zijn ingesloten. Op de monumenten ziet men dikwijls een denappel, welke als offer aan Osiris wordt aangeboden en een manuscript spreekt van den ceder, als uit hem ontsproten. De vijgeboom en de tamarinde zijn eveneens zijn boomen. In inscripties zegt men dat hij in dezen huist en zijn moeder Nut wordt dikwijls in een vijgeboom afgeschilderd.
In een graf te How (Diospolis Parva) ziet men een tamarinde, welke de kist van Osiris overschaduwt en in de rij van beelden, welke de mystieke geschiedenis van Osiris in den grooten tempel te Philae illustreeren is o.a. een tamarinde afgebeeld, welke twee mannen met water begieten.
„De inscriptie op dit laatste monument”, aldus spreekt Brugsch, „laat geen twijfel over, of men geloofde, dat de groei van de aarde verbonden was met den groei aan den boom en dat de afbeelding betrekking heeft op het graf van Osiris te Philae, waarvan Plutarchus vertelt, dat het overschaduwd werd door een plant methide, welke slanker was dan een olijfboom”.
Deze afbeelding, men dient dit goed te bedenken, zien wij in dezelfde kamer, waarin de god is afgebeeld met een lichaam, waaruit korenhalmen te voorschijn komen. Op andere inscripties wordt hij aangeduid als: „hij, die zich in den boom bevindt”, „de eenzame in de acacia” [80]enz. Op de monumenten wordt hij soms als mummie, door een boom of planten bedekt, voorgesteld. Het komt verder geheel met het karakter van Osiris, als boomgeest, overeen, dat men zijn aanbidders verbood boomtakken kwaad te doen en met zijn karakter, als god van den wasdom in het algemeen, strookt de omstandigheid, dat men niet toestond waterputten, welke van zooveel gewicht voor de irrigatie van de zuidelijke landen zijn, dicht te werpen.
Frazer bestrijdt verder de theorie van Lepsius; volgens dezen toch moet hij met den zonnegod Ra geïdentificeerd worden. Osiris, zegt de Duitsche geleerde, werd zelfs in het Boek der Dooden Osiris-Ra genoemd en Isis, zijn echtgenoote, wordt dikwijls de koninklijke gezellin van Ra genoemd. Frazer nu meent, dat deze identificeering wellicht een politieke beteekenis gehad heeft.
Hij geeft toe, dat de Osiris-mythe wellicht ontleend is aan de dagelijksche opkomst en ondergang van de zon en hij stelt in het licht, dat de meeste schrijvers, die de gewone theorie zijn toegedaan, uitdrukkelijk aantoonen, dat hier sprake is van den dagelijkschen en niet den jaarlijkschen omloop der zon. Maar waarom, vraagt Frazer op zijn beurt, was het dan noodig, dat er een jaarlijksch feest werd gevierd? Dit feit alleen schijnt voor de uitlegging der mythe, als beschrijving van den op- en ondergang der zon, fataal. Hoe kan men verder zeggen, ook al is het mogelijk te spreken over een dagelijkschen dood van de zon, dat zij in stukken wordt gescheurd?
Plutarchus beweert, dat, volgens sommige Egyptische wijsgeeren, Osiris een personificatie van de maan was, omdat de maan, met haar vochtig en vruchtbaar licht, de voortbrenging der dieren en den groei der planten begunstigt.
Onder wilde volken wordt de maan als een groote bron van vochtigheid beschouwd. Men denkt, dat onder haar bleeke stralen de plantengroei bloeit en men gelooft van [81]haar, dat zij de vermeerdering van menschen, dieren en planten bevordert.
Frazer nu somt verschillende redenen op, welke volgens hem bewijzen, dat de beteekenis van Osiris niets anders dan de maan zelf is. In het kort zijn het dezen, dat men zegt, dat hij acht en twintig jaar heeft geleefd (de mythische uitdrukking voor een maand) en dat men vertelt, dat zijn lichaam in veertien stukken gescheurd is. Dit zou een uitlegging kunnen zijn voor de afnemende maan, daar het den indruk geeft, dat deze iederen dag van de 14, welke de tweede helft van de maanmaand uitmaken, een gedeelte van zichzelf verliest. Typhon vond het lijk van Osiris bij volle maan; op deze wijze zou het verscheuren van zijn ledematen bij ’t afnemen der maan begonnen zijn.