[Inhoud]

Burgeroorlog in Egypte. Het gestolen Harnas.

Onder de regeering van den Pharaoh Petoubastis waren de Delta en een groot gedeelte van Beneden-Egypte, in [257]twee partijen verdeeld; de eene werd door Kamenophis, vorst van Mendes, aangevoerd en de andere door den koning-priester van Heliopolis, Ierharerou en zijn bondgenoot, Pakrourou, den grooten bevelhebber van het Oosten.

Slechts vier nomen van Midden-Egypte waren aan Kamenophis onderworpen, terwijl Ierharerou er in geslaagd was, of zijn kinderen, of zijn verwanten, in de meeste andere nomen te vestigen.

Nu bezat Ierharerou een harnas, waaraan hij groote waarde hechtte en dat over het algemeen als een talisman beschouwd werd. Bij zijn dood maakte Kamenophis van den algemeenen rouw en verwarring, in Heliopolis, gebruik, nam het harnas en plaatste het in een van zijn vestingen.

Prins Pimoni „de kleine” („Pimoni met de sterke vuist”, zooals hij somtijds in het verhaal genoemd wordt), de opvolger van Ierharerou, wenschte het harnas terug te hebben. Kamenophis echter weigerde dit en hierdoor ontstond een strijd, waarin alle provincies gewikkeld werden.

Pimoni en Pakrourou wendden zich beiden tot koning Petoubastis en verzochten zijn toestemming, zich op Kamenophis te wreken; de Pharaoh echter, die begreep, dat dit den burgeroorlog ontketenen zou, deed zijn best, Pimoni af te raden, stappen tegen Kamenophis te ondernemen en verbood hem zelfs, zijn plannen uit te voeren; als vergoeding beloofde hij een schitterende begrafenis voor Ierharerou.

Onwillig gehoorzaamde Pimoni voor het oogenblik, doch toen de begrafenisplechtigheden achter den rug waren, woedde de haat in zijn binnenste voort en hij en Pakrourou, „de groote aanvoerder van het Oosten”, richtten zich nogmaals naar het hof van Petoubastis, in Tanis. Hij ontving hen thans onwillig en vroeg hen, waarom zij hem voor de tweede maal lastig vielen en verklaarde, dat [258]hij niet zou toelaten, dat er gedurende zijn regeering een burgeroorlog uitbrak.

Zij namen hiermede echter geen genoegen en zeiden, dat zij niet met het feest, dat op de begrafenisplechtigheden van Ierharerou moest volgen, door konden gaan, indien het harnas niet aan den rechtmatigen eigenaar teruggegeven was.

Phaoraoh zond hierop een bode naar Kamenophis en verzocht hem dringend, het harnas terug te geven, doch hij weigerde dit hardnekkig.

Daarop sprak Pimoni: „Bij Tem, den heerscher van Heliopolis, den grooten god, mijn god, indien het niet uit eerbied voor het besluit van den Pharaoh was, zou ik u op staanden voet dooden”.

Kamenophis antwoordde: „Bij het leven van Mendes, den grooten god, de oorlog, welke in de nomen uit zal breken, de strijd, welke uit zal barsten in de stad, zal den eenen stam tegen den anderen en den eenen man tegen den anderen aanzetten, voordat het harnas uit de vesting, waar ik het gelegd heb, te voorschijn zal gebracht worden.