De oudste vorm van deze legende is ons door Herodotus overgeleverd. Zij komt in de oude folklore, zoowel van Oostelijke als Westelijke volken, voor en over haar oorsprong heeft men dikwijls geredetwist.
Al is zij ook niet werkelijk Egyptisch van oorsprong, dan is zij toch zeker ver-Egyptischt, toen Herodotus haar ontdekte.
De legende dan vertelt, dat koning Rhampsinites zooveel schatten bezat, dat geen enkele van zijn opvolgers hem overtrof, of nabij kwam.
Om deze schatten veilig te bewaren, had hij een oogenschijnlijk onneembaar steenen huis laten bouwen en hierin had hij zijn geheelen rijkdom laten opbergen. De architect [254]echter, die het huis gebouwd had, wist, door een slim plan, zich toegang tot het gebouw te verschaffen. Hij deelde een van de steenen in twee stukken, zoodat een deel van zijn plaats genomen kon worden; de twee stukken waren echter zoo kunstig tegen elkaar geplaatst, dat zij een geheel effen oppervlak vertoonden, alsof zij een enkelen steen vormden.
Voor zijn dood stelde de bouwmeester zijn twee zonen met het geheim van de schatkamer op de hoogte en na zijn dood talmden zij niet lang, hun wetenschap in praktijk te brengen. ’s Nachts gingen zij naar het gebouw, vonden den steen zonder veel moeite, draaide dezen om, stalen een groote som gelds en brachten den steen weer in zijn vroegeren toestand.
De schatkamer van Rhampsinites.
Evelyn Paul.
Toen de koning bemerkte, dat dieven een bezoek aan zijn schatkamer gebracht hadden, stelde hij een val op. In zekeren nacht kwamen de broers, als gewoonlijk en één van hen raakte in den val vast. Toen hij het gevaar, waarin hij verkeerde, bemerkte, riep hij zijn broer en sprak tot hem: „Wij beiden zullen omkomen en de schat zal voor ons verloren zijn, als jij niet mijn hoofd afsnijdt en het medeneemt, zoodat niemand ons als de dieven herkennen zal.
Toen de koning nu den romp zonder hoofd vond, was hij nog meer met de zaak verlegen, want er was geen spoor van in- of uitgang uit de schatkamer te ontdekken; daarom bedacht hij het volgende: hij liet het lijk op den muur van de stad plaatsen, zette er een wacht bij en gaf aan deze de opdracht, goed acht te geven, of een van de voorbijgangers eenige sporen van verdriet vertoonde, wanneer hij langs het lijk ging. Deze handelwijze was niet in overeenstemming met de gewoonte der Egyptenaren, daar zij gewoonlijk te veel eerbied voor de dooden hadden, om dit toe te staan. Zelfs in geval een misdadiger terecht gesteld werd, gaf men het lijk aan de verwanten terug, om het te laten balsemen. [255]
Desniettemin achtte Rhampsinites zichzelf gerechtigd, een dergelijken maatregel te nemen. Het lijk werd tentoongesteld en de moeder, hoewel zij geen enkel teeken van droefheid gegeven had, toen zij voorbij het lijk ging, drong toch bij haar anderen zoon aan, het lijk van zijn broer bij haar te brengen; zoo niet, dreigde zij hem, het geheim aan den koning te zullen openbaren.
Daar de zoon zag, dat hij zijn moeder gehoorzamen moest, bedacht hij een krijgslist. Hij zadelde eenige ezels en belaadde hen met eenige geitenleeren zakken, met wijn gevuld (leeren zakken gebruikte men in Egypte meestal voor water alleen, terwijl men wijn in kleine kruiken bewaarde). Daarop dreef hij zijn ezels langs de wachters en toen hij voorbijging, maakte hij ongemerkt een van de zakken los; toen de wijn over den grond stroomde, begon hij zich op het hoofd te slaan en groot misbaar te maken.
De wachters kwamen snel met emmers aanloopen, om het kostbare vocht te redden; zij kwamen zelfs op vertrouwelijken voet met den dief en gaven hem voedsel; in ruil hiervoor offerde hij hun een van zijn zakken wijn.
Allen zetten zich daarop bij elkaar, om wijn te drinken en toen zij door den wijn in een vroolijke stemming kwamen, gaf hij hun ook nog den overigen wijn; ten slotte werden zij allen dronken.
Het is onnoodig te zeggen, dat de dief zich alle moeite gegeven had, nuchter te blijven. Toen de wachters in diepen slaap gedompeld waren, wachtte hij, totdat de nacht ingevallen was, maakte het lijk van zijn broer los en nam het op de ezels mee naar het huis van zijn moeder. Bovendien had hij, nadat hij de wachters verliet, al het haar aan de eene zijde van hun gezicht afgeschoren.
Toen de koning van deze schelmenstreek hoorde, was hij buiten zichzelf van woede en vastbesloten, op alle mogelijke manieren den bewerker te ontdekken, verzon hij het volgende plan. Hij beval aan zijn dochter, de [256]prinses, ieder man uit het land, zonder onderscheid, bij zich te ontvangen en hem iedere gunst toe te staan, welke hij van haar vroeg, doch eerst moest hij haar vertellen, wat het slimste en behendigste was, dat hij ooit gedaan had. Indien de dief dan zijn slim plan vertellen zou, moest zij hem vasthouden, voordat hij ontsnappen kon.
De prinses was bereid te doen, wat haar vader haar vroeg, doch de dief, die heel goed begreep, wat de koning in zijn schild voerde, besloot hem voor den derden keer in list te overtreffen.
Hij sneed een arm van zijn dooden broer af, verborg dezen onder zijn kleeren en vroeg, bij de prinses toegelaten te worden. Toen zij daarop tot hem dezelfde vraag richtte als tot alle andere bezoekers, vertelde hij haar eerst, dat hij het hoofd van zijn broer afgesneden had, toen deze zich in den val bevond en daarop vertelde hij haar verder, dat hij de wachters dronken gemaakt had en het lijk van zijn broer medegenomen had.
Toen zij dit hoorde, gaf zij een schreeuw en trachtte hem te grijpen; hij echter legde de hand van den doode in haar hand, deze greep zij stevig vast, in de meening dat het die van den dief was en op deze wijze kon hij ongemerkt uit de kamer, welke donker was, ontsnappen.
De koning gaf thans toe, dat hij geslagen was; hij liet bekend maken, dat hij den dief kwijtschelding van straf schonk en groote belooningen wilde schenken aan den man, die hem op zoo’n brutale wijze verschalkt had. De dief vertrouwde op dit woord van den koning, meldde zich bij dezen aan en ontving niet alleen, wat Rhampsinites beloofd had, doch tevens de hand der prinses, omdat hij den dief voor den slimsten aller menschen hield, daar hij de Egyptenaren, die op hun slimheid prat gingen, daarin nog overtroffen had.