[Inhoud]

De vervloekte Prins.

Deze geschiedenis kan men in den Harris Papyrus, in het Britsch Museum, vinden. Toen zij voor het eerst ontdekt werd, was zij compleet, doch een ongelukkig toeval vernietigde haar gedeeltelijk, zoodat het eind der geschiedenis verloren gegaan is. Men vermoedt, dat zij uit het einde der 18e dynastie dateert.

Er leefde eens een koning, die bedroefd in zijn hart was, omdat hem geen zoon geboren was. Hij bad tot de goden, hem zijn wensch te vervullen en zooals hij gebeden had, besloten zij, hem ter wille te zijn. Zijn vrouw bracht een zoon ter wereld.

Toen de Hathors over zijn lot beslissen zouden, zeiden zij: „Zijn dood zal door een krokodil, een slang, of een hond plaats hebben.” Zij, die rondom stonden, haastten zich, toen zij dit hoorden, het aan den koning te vertellen; deze was hierover zeer bedroefd en bevreesd.

Met het oog op hetgeen hij gehoord had, liet hij een huis op de bergen bouwen, richtte het rijkelijk in, met alles, wat men begeeren kon, opdat het kind nooit op reis zou behoeven te gaan.

Toen de knaap grooter geworden was, ging hij op zekeren dag naar het dak en van hieruit zag hij op den weg een hond, welke een man volgde. Daarop richtte hij [245]zich tot zijn bediende en zei: „Wat is dat, wat dien man op den weg volgt?” Men vertelde hem, dat dit een hond was.

Terstond begeerde het kind een hond te hebben en toen men den koning zijn verlangen vertelde, kon hij hem dit niet weigeren, uit vrees, dat zijn hart bedroefd zou zijn.

Terwijl de tijd voortsnelde en het kind tot een man opgroeide, werd hij weerspannig en toen men hem het besluit der Hathors vertelde, zond hij terstond een boodschap naar zijn vader en zei: „Komaan, waarom word ik als een gevangene behandeld? Hoewel ik tot drie ongelukken veroordeeld ben, laat mij toch aan mijn verlangens toegeven. Laat God zijn wil vervullen”.

Na dezen tijd was hij vrij en deed hetzelfde als de andere menschen. Men gaf hem wapens en men stond toe, dat zijn hond hem volgde; zij brachten hem naar het Oostelijke land en zeiden tot hem: „Zie, gij zijt vrij om te gaan, waarheen gij wilt”.

Hij richtte zich daarop naar het Noorden, terwijl zijn hond hem volgde en zijn ingeving bepaalde zijn weg. Zij leefden van het uitgezochtste wild der woestijn. Daarop kwamen zij bij den vorst van Nahairana. Deze had slechts één kind, een dochter. Voor haar had hij een huis met zeventig vensters, welke zeventig el van den grond verwijderd waren, laten bouwen. Hier had de vorst alle zonen van de vorsten uit het land Khalu laten brengen en tot hen gezegd: „Hij die één van de vensters bereiken kan van het paleis van mijn dochter, zal haar tot vrouw krijgen”.

Eenigen tijd, nadat de vorst dit bekend had laten maken, was de prins aangekomen en het volk van den vorst van Nahairana nam den jongeling op en behandelde hem met groote onderscheiding en vriendelijkheid.

Toen hij van hun voedsel genuttigd had, vroegen zij hem, vanwaar hij gekomen was. Hij antwoordde hun: „Ik kom uit Egypte; ik ben de zoon van een officier uit dat [246]land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd, doch deze begon, toen zij zelf kinderen kreeg, mij te haten. Daarom ben ik haar tegenwoordigheid ontvlucht”. Toen zij dit hoorden, waren zij bedroefd over hem en omhelsden hem.

Op zekeren dag vroeg hij de jongelingen, die aan het klimmen waren, wat zij daar uitvoerden. En toen zij hem vertelden, dat zij één der vensters trachtten te bereiken, om aldus de prinses tot vrouw te krijgen, besloot hij, het waagstuk eveneens te beproeven, want uit de verte had hij het gezicht van de prinses, die vanuit haar venster naar hem gekeken had, gezien.

Hij klom werkelijk naar boven en bereikte het venster. De prinses was zoo verheugd, dat zij hem omhelsde en kuste. Zij zond ook, in de meening, het hart van haar vader te verblijden, een boodschap naar dezen en liet hem het volgende berichten: „Eén van de jongelingen heeft het venster bereikt”. De vorst liet vragen, wie van de jongelingen dit volvoerd had en men vertelde hem, dat het de vluchteling uit Egypte was.

Op dit bericht werd de vorst toornig en beweerde, dat zijn dochter voor een Egyptisch vluchteling geen partij was. „Laat hem daarheen gaan, vanwaar hij komt”, riep hij uit.

Een dienaar haastte zich den jongeling te waarschuwen, doch het meisje hield hem vast en wilde hem niet laten gaan. Zij zwoer bij de goden en zei: „Bij Ra Harakhti, indien hij van mij weggenomen wordt, zal ik noch eten, noch drinken en dan zal ik sterven”.

Men vertelde den vader haar gelofte en toen deze dit hoorde, zond hij iemand om den jongeling te dooden, wanneer hij zich in zijn huis bevinden zou. De prinses echter, had hiervan een voorgevoel en zei wederom: „Bij den grooten god Ra, indien hij gedood wordt, zal ik, voor het ondergaan der zon, sterven. Indien ik van hem gescheiden word, wil ik niet langer leven”. [247]

Wederom bracht men haar woorden aan den vorst over. Hij liet daarop zijn dochter en den jongeling voor zich brengen; in den beginne was deze bevreesd, doch de vorst omhelsde hem hartelijk en sprak: „Vertel mij, wie gij zijt, want nu zijt ge even goed als een zoon van mij”.

Hij antwoordde: „Ik kom uit Egypte, ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd; deze begon mij, toen zij kinderen kreeg, te haten. Daarom ben ik voor haar aangezicht gevlucht”.

Daarop gaf de vorst hem zijn dochter tot vrouw; hij gaf hem een huis, slaven, land, vee en alle andere goede gaven.

Er verliep een tijd. Op zekeren dag vertelde de prins zijn vrouw over zijn noodlot en zeide: „Drie kwade dingen zijn mij beschoren, namelijk te sterven door een krokodil, een slang, of een hond”. Haar hart vervulde zich, op het hooren van deze woorden, met groote vrees. Zij sprak daarop tot hem: „Laat dan iemand den hond, welke u volgt, dooden”.

Hij vertelde haar echter, dat dit onmogelijk was, want hij had dezen zelf grootgebracht.

Ten laatste wenschte de jongeling naar Egypte te reizen en zijn vrouw, voor hem bezorgd, wilde hem niet alleen laten gaan, en daarom ging zij met hem mede.

Zij kwamen bij een stad en daar was de krokodil der rivier. Nu leefde er in die stad een groot en machtig man en deze bond den krokodil vast en liet niet toe, dat deze ontsnapte. Wanneer hij vastgebonden was, voelde de machtige man zich rustig en wandelde naar buiten. Als de zon opkwam, ging de man weer naar zijn huis terug en dit deed hij iederen dag, twee maanden lang.

Hierna, toen de tijd voorbijging, zat de jonge man op zijn gemak, in zijn huis. Toen de nacht inviel, legde hij zich op zijn legerstede en de slaap overviel hem. Zijn vrouw vulde hierop een beker met melk en zette dezen [248]naast hem. Daar kwam een slang uit een hol te voorschijn en beproefde den man te bijten, doch zijn vrouw zat naast hem en hield de wacht.

Toen de bedienden de slang zagen, gaven ze haar melk te drinken en zij dronk deze op en legde zich op haar rug. Toen de vrouw dit zag, doorboorde zij de slang met haar dolk. Hierna ontwaakte haar echtgenoot en was zeer verbaasd, toen hij dit alles hoorde. „Zie”, zei zij tot hem, „uw god heeft u een van uw kwaden in uw hand gegeven. Zonder twijfel zal hij u ook de twee andere geven”.

De jonge man bracht daarop offers aan de goden en prees hen voortdurend.

Op zekeren dag, na deze gebeurtenis, wandelde de jonge man buiten in zijn landerijen en zijn hond volgde hem. Deze zat wild achterna en hij volgde den hond, welke zich in de rivier stortte. Hij ging eveneens in de rivier, doch daar kwam de krokodil plotseling te voorschijn en deze nam hem mee naar de plaats, waar de machtige man leefde. En terwijl de krokodil hem voortsleurde, zei hij tot den jongen man: „Zie, ik ben uw kwaad, dat u volgt”.…

Hier is de papyrus zoo buitengewoon verminkt, dat wij waarschijnlijk nooit te weten zullen komen, wat er met den prins gebeurde. Werd hij ten slotte door den krokodil verslonden? Of bracht zijn trouwe hond hem in nog ernstiger gevaren? Laat ieder gerust het einde aan het verhaal maken, dat hij wenscht!