[Inhoud]

Het verraad van Bitou’s Vrouw.

Toen de Pharaoh over deze schoone vrouw hoorde vertellen, wenschte hij haar te bezitten en zond gewapende mannen naar de vallei, doch Bitou doodde hen allen. Pharaoh ontvoerde haar ten slotte door list en maakte haar tot zijn gunstelinge. Zij vertelde hem het geheim van haar man en verzocht hem, den acacia om te hakken; dit werd overeenkomstig haar wensch volvoerd en Bitou viel op hetzelfde oogenblik dood neer.

Daarop geschiedde, wat Bitou zijn broer voorspeld had. Schuimend bier werd hem gebracht en daarbij werd wijn troebel, terwijl hij den beker vasthield. Door deze teekenen wist hij, dat de tijd om te handelen, gekomen was. Hij nam zijn kleeren, wapens en sandalen op en begaf zich op weg naar de vallei.

„Wie zijt gij?”

„Wie zijt gij?”

Evelyn Paul.

Daar aangekomen, vond hij zijn broer dood neerliggen op zijn bed. Hij begaf zich daarop naar den acacia, om het hart van zijn broer te zoeken, doch kon slechts een bes vinden, deze echter was het hart. Hij legde deze in koud water en Bitou werd aan het leven teruggegeven.

Zij omarmden elkander en Bitou sprak tot zijn broer: „Ik zal nu een heilige stier (Apis) worden. Leid mij dan voor het aangezicht van den Pharaoh, deze zal je rijkelijk met goud en zilver begiftigen, om je te beloonen, dat je mij bij hem gebracht hebt. Ik zal de middelen uitvinden, om mijn vrouw voor haar verraad te straffen”.

Anapou deed, zooals Bitou aangaf en toen de zon den volgenden morgen opkwam en Bitou de gedaante van een stier aangenomen had, leidde Anapou hem naar het hof. Er heerschte groote vreugde over den prachtigen stier en Pharaoh beloonde Anapou rijkelijk en onderscheidde hem boven alle andere mannen.

Eenige dagen later trad de stier den harem binnen en sprak zijn vroegere vrouw aldus aan: „Gij ziet, ik ben toch nog in leven”. „Wie zijt gij”, vroeg zij. Hij antwoordde: „Ik ben Bitou. Gij wist heel goed, wat gij deedt, [243]toen gij Pharaoh verzocht, den acacia om te hakken”.

De vrouw was hierover zeer verschrikt en verzocht den Pharaoh, haar ieder verzoek, wat zij doen zou, in te willigen. De Pharaoh beminde haar zoo zeer, dat hij haar niets weigeren kon en gaf haar reeds bij voorbaat zijn inwilliging: „Geef mij dan”, zoo sprak zij, „de lever van den heiligen stier, om die op te eten, want niets anders zal mij voldoen”.

Pharaoh was zeer bedroefd, toen hij dit hoorde; hij had echter gezworen en op zekeren dag, toen het volk aan den stier offers bracht, zond hij zijn slagers, om het dier de keel af te snijden. Terwijl de stier geslacht werd, vielen er twee dikke bloeddroppels van zijn nek en terwijl zij verder vlogen, totdat zij de deuropening van het paleis bereikt hadden, schoten zij daar in de gestalte van twee groote boomen op, een aan iedere zijde van het portaal.

Het volk verheugde zich wederom over dit tweede wonder en bracht aan de twee boomen offers.

Langen tijd hierna werd de Pharaoh in zijn stoel van electrum, getooid met de kroon van lapis-lazuli en een krans van bloemen om zijn hals, naar buiten gedragen, om de twee boomen te bezichtigen. Zijn gunstelinge, Bitou’s vrouw, werd achter hem gedragen en zij werden, ieder onder een boom, neergezet. Daarop fluisterde de boom, waaronder de vrouw zat, tot haar: „Trouwelooze vrouw! Ik ben Bitou en nog steeds ben ik in leven. Gij maaktet, dat de Pharaoh den boom omhakte en mij doodde. Daarop werd ik een stier en wederom hebt gij mij laten dooden”.

Later, toen zij met den Pharaoh aan tafel zat, liet zij hem een anderen eed zweren, om, wat zij ook vragen zou, uit te voeren en de Pharaoh zwoer wederom. Daarop zeide zij: „Laat deze twee boomen omhakken en maak er twee balken uit”.

Haar verzoek werd ingewilligd, doch toen de twee [244]boomen omgehakt werden, vloog een splinter in haar mond. Na een tijd bracht zij een kind, van het mannelijk geslacht, voort, dat de Pharaoh buitengewoon liefhad en Prins van den Boven-Nijl maakte; toen Pharaoh stierf, volgde Bitou, want hij was dit kind, hem op. Daarna riep hij alle hooge ambtenaren op, liet zijn vrouw voor zich brengen en vertelde hun alles, wat geschied was. Daarna werd zij ter dood gebracht.

Bitou regeerde nog twintig jaren; daarop regeerde zijn broer Anapou, dien hij tot zijn opvolger aangesteld had, in zijn plaats.