Het manuscript van dit verhaal, uit de negentiende dynastie, werd, in Italië, door Mevrouw Elizabeth d’Orbiney gekocht en wordt de d’Orbiney Papyrus genoemd. In 1857 kwam het in bezit van het Britsch Museum en werd gecopieerd. Herhaalde malen is het vertaald.
Het manuscript bestaat uit negentien pagina’s, ieder van tien regels, terwijl de vijf eerste vrij gescheurd zijn. Verschillende hiaten zijn door de moderne bezitters van het manuscript aangevuld en de herstellingen worden aangewezen.
Het oorspronkelijke manuscript is op twee plaatsen met den naam van den oorspronkelijken eigenaar, Sety Merenptah, dien wij onder den naam van Sety II kennen, gemerkt. Het werd door Anena, een schrijver, die gedurende de regeeringen van Ramses II, Merenptah en Sety II leefde, gemaakt en is meer dan drieduizend jaar oud. Bitou, de held der geschiedenis, een herder en huisvader, is misschien met den Griekschen god Bitys identisch.
Anapou en Bitou waren twee broers, die langen tijd geleden leefden. Aan Anapou, als oudsten, behoorde het huis, het vee en de velden; Bitou, de jongste, werkte voor zijn broer.
Bitou was in zijn zorg voor het vee en alles, wat op den landbouw betrekking had, zeer kundig, hij kon zelfs vertellen, wat de koe tot hem en ieder ander zei. Toen de broers op zekeren dag op het veld werkten, zond Anapou Bitou naar huis, om een groote hoeveelheid zaad te halen, want hij had gezien, dat het tijd werd te zaaien.
Bitou ging het zaad halen en na hun dagelijkschen arbeid keerden de twee terug en vonden de vrouw van Anapou jammeren; zij zeide, dat zij door Bitou hevig afgeranseld was, omdat zij hem, toen hij het zaad was komen halen, iets niet had willen geven, wat hij haar gevraagd had. [241]
Anapou trachtte daarop Bitou heimelijk te dooden, maar deze, door de koe gewaarschuwd, vluchtte.
Zijn broer haalde hem in, doch de god Phra-Harmakhis deed een breede stroom, vol krokodillen tusschen hen oprijzen en Bitou vroeg zijn broer tot het aanbreken van den dag te wachten; dan zou hij alles, wat geschied was, uitleggen.
Toen nu de dag aangebroken was, vertelde Bitou aan Anapou de waarheid en weigerde tevens, ooit naar het huis, waar zich Anapou’s vrouw bevond, terug te keeren.
„Ik zal”; zeide hij, „naar de vallei der acacia’s gaan. Luister nu, wat gebeuren zal. Ik zal, door tooverkunst, mijn hart uitrukken, zoodat het op de bovenste tak van den acacia gelegd wordt. Indien de acacia afgesneden wordt en mijn hart op den grond valt, moet gij komen en het zoeken. Als gij zeven jaren gezocht hebt, word dan niet ontmoedigd, doch berg het in een vat met koud water, dat zal mij weer tot het leven terugbrengen. Ik zal zeker weer leven en mij op mijn vijanden wreken.
Gij zult kunnen weten, dat er iets gewichtigs met mij zal gebeuren, indien u een kruik bier gegeven wordt en het schuim er over heen zal loopen. Daarna zal men u een kruik wijn geven, waarvan het bezinksel naar boven zal komen. Rust niet, wanneer deze dingen gebeuren”.
Hij ging naar de vallei, zijn broer keerde naar huis terug, doodde zijn vrouw en treurde over zijn broer.
Bitou bracht zijn dagen, in de vallei, met jagen door en ’s nachts sliep hij onder den acacia; op den top van dezen bevond zich zijn hart. Op zekeren dag ontmoette hij de negen goden en dezen gaven hem de dochter van de goden tot vrouw; de zeven Hathors echter zwoeren, dat zij door het zwaard sterven zou. Hij vertelde haar het geheim van den acacia en tevens, dat ieder, die den acacia zou vinden, met hem zou moeten vechten. [242]