Na de regeering van Amasis, besteeg een priester van „Vulcanus”, Setnau genaamd, den troon. Deze koning [235]nu behandelde het leger met minachting, want hij dacht, dat hij het niet noodig had. Onder andere onrechtvaardige daden, eigende hij zich ’t land toe, dat vroegere koningen aan het leger gegeven hadden.
Het geschiedde nu, dat, toen Sennacherib, koning der Arabieren en Assyriërs, zijn strijders tegen Egypte voerde, de Egyptische soldaten weigerden te strijden, om hen af te weren.
Setnau, aldus tot moedeloosheid gebracht, ging naar den tempel en bad tot de goden, hem in zijn groote verlegenheid te helpen. Terwijl hij aldus verontrust was, overviel hem de slaap en in een droom scheen het hem toe, dat de god zelf hem verscheen en hem aanspoorde, goeden moed te houden, terwijl hij zei, dat alles in den strijd tegen de Assyriërs goed zou afloopen.
Door dezen droom ten zeerste versterkt, deed hij een beroep op hen van het leger, die hem volgen wilden en dezen kampeerden bij Pelusium, den voornaamsten toegangsweg naar Egypte. Niet alleen soldaten volgden hem, doch ook kooplieden, kunstenaars en de eerste de beste personen.
Toen nu de Assyriërs de stad belegerden en zij in het veld gekampeerd waren, knaagde des nachts een leger van ratten alle pijlkokers, bogen en monteeringen der schilden door en verslond dezen, zoodat, toen zij den volgenden morgen strijden wilden, zij zonder wapens waren.
Aldus weerloos, vluchtten vele der vijanden en verscheidene kwamen om.
Nu nog bevindt zich in den tempel van Vulcanus een steenen beeltenis van dien god, die een rol in de hand houdt, en het opschrift daarop luidt: „Wie mij ziet, ziet God”.