Hierna reisde hij naar Egypte en spoorde hem, wiens tooverkunsten de zijne overwonnen hadden, op. Hij drong door naar de audiëntie-zaal van den koning, ging voor den Pharaoh staan en riep met luide stem: „Wie onder u spreekt tooverspreuken over mij uit?”
De oppertoovenaar van den Pharaoh riep van zijn kant uit: „Ha, zijt gij de Aethiopiër, die kwaad verzon tegen den Pharaoh? En Horus, de zoon Tnahsit, begon in zijn angst teschreeuwen en deed in het midden van de hal een groote vlam opstijgen, door middel van een tooverspreuk; hierop riepen de Pharaoh en de Egyptenaren hun toovenaar luide toe, hun te hulp te komen. Deze liet daarop door zijn tooverkracht een regenbui neervallen, zoodat de vlam gedoofd werd. Ook de Aethiopiër echter, liet zijn tooverkunst werken en hierdoor bewerkte hij, dat een groote duisternis op hen allen neerviel, zoodat zij elkaar niet konden zien, doch ook deze werd door den Egyptenaar weggevaagd. Daarop volgden nog meer machinaties van Horus, den zoon van Tnahsit; telkens echter werd hij overwonnen. Ten slotte vroeg hij vergiffenis en beloofde plechtig, dat hij nooit meer Egypte, of [234]den Pharaoh verontrusten zou. Zij gaven hem daarop een boot en zonden hem naar zijn eigen land terug. Zoo werden de tooverkunsten der Aethiopiërs tot niets teruggebracht”.
Thoth en de oppertoovenaar.
Evelyn Paul.
Hiermede eindigde Se-Osiris het lezen van den verzegelden brief. Daarop begon hij aan allen, die daar aanwezig waren, den Pharaoh, de prinsen en de edelen, te openbaren, dat de Aethiopiër, dien zij voor zich zagen, niemand anders was dan Horus, de zoon van Tnahsit, na vijfhonderd jaar teruggekeerd, om Egypte en den Egyptischen koning, nogmaals te verontrusten.
Hij zelf echter, Se-Osiris, was voor dezen dag geboren, want hij was de vroegere oppertoovenaar van den Pharaoh Manakhpre, die nog eenmaal teruggekomen was, om den Pharaoh tegen de listen der Aethiopiërs te beschermen.
Tegelijk, dat hij deze woorden sprak, deed hij een groote vlam opstijgen, om den Aethiopiër te verteren, daar, in het midden van de audiëntie-zaal, zoodat er geen spoor meer van hem overbleef.
Toen zij echter hierop naar Se-Osiris omkeken, was hij, als een schaduw, voor de oogen van den Pharaoh en zijn vader Setne verdwenen en nooit heeft men hem weergezien.
Ieder was ten hoogste verbaasd over hetgeen gebeurd was en Pharaoh zei, dat Se-Osiris de wijste en de verwonderlijkste van alle toovenaars was en dat de wereld zijns gelijke nooit zien zou.
De harten van Setne en zijn vrouw waren echter bedroefd over het verlies van hun zoon, Se-Osiris. Hierna echter werden zij wederom getroost, want de vrouw van Setne baarde een zoon en dezen noemden zij Ousimanthor. Zoo werd het hart van Setne weer verheugd en hij bracht offers aan de nagedachtenis van Se-Osiris.