„Toen zij zijn gekneusd lichaam zagen, schreeuwden zij luid. Hierop liet de Pharaoh zijn oppertoovenaar halen en deze riep terstond uit, dat het ongeluk en de droefheid van den koning aan de tooverkunst der Aethiopiërs te wijten waren.
„Bij het leven van Ptah”, ging hij voort, „ik zal hen tot pijniging en kwelling brengen.”
De Pharaoh verzocht hem daarop, haast te maken, uit vrees, dat hij den volgenden nacht weer weggevoerd zou worden. De oppertoovenaar bracht zijn geheime boeken en amulets naar de plaats, waar de Pharaoh lag en sprak tooverwoorden en tooverformules uit.
Daarop scheepte hij zich, met veel geschenken, in en haastte zich, den tempel van Khmounon te bereiken; hier bad hij tot god Thoth, dat al het kwaad van den Pharaoh en het Egyptische land afgewend zou worden. Dien nacht sliep hij in den tempel en in een droom verscheen Thoth hem en onderrichtte hem in de goddelijke tooverkunst, welke den koning tegen de listen der Aethiopiërs beschermen moest.
Bij zijn ontwaken herinnerde de toovenaar zich alles en, zonder een oogenblik te verliezen, vervulde hij alles, wat hem in den droom verteld was. Daarop schreef hij het tooverformulier, om den Pharaoh tegen alle toovenarij te behoeden.
Op den tweeden dag deden de Aethiopiërs hun best, hun betoovering te hernieuwen, doch thans was alles, wat zij tegen den Pharaoh ondernemen wilden, zonder uitwerking. Den derden morgen vertelde de Pharaoh alles, wat gedurende den nacht geschied was en hoe de Aethiopiërs in hun pogingen gefaald hadden. [232]
Daarop maakte de toovenaar een draagbed en vier dragers, van was. Hij sprak een tooverspreuk over hen uit, blies hun leven in en verzocht hen, den koning van de Negers voor den Pharaoh te brengen, om vijfhonderd slagen te ondergaan en vervolgens weer naar zijn land teruggebracht te worden. De figuren van was beloofden alles, wat de toovenaar hen bevolen had.”
Wederom hield Se-Osiris op en wederom vroeg hij den Aethiopiër, of zijn woorden niet die van den verzegelden brief waren. De Aethiopiër boog zich diep ter aarde en zei, dat het inderdaad de woorden van den brief waren.
Se-Osiris begon thans opnieuw de verborgen woorden op te lezen.
„Zooals het den Pharaoh overkomen was, zoo was ook het noodlot van den koning der Negers; deze ontwaakte eveneens den volgenden morgen met gekneusde ledematen. Luid riep hij zijn hovelingen en toen dezen den toestand, waarin hun koning zich bevond, zagen, begonnen zij heftig te schreeuwen. Nogmaals riep hij en beval, dat Horus, de zoon van Tnahsit, voor hem gebracht zou worden.
Toen deze gekomen was, dreigde hij hem en beval hem, naar Egypte te gaan en daar te leeren, hoe hij van de tooverkunsten van den oppertoovenaar van den Pharaoh, bevrijd zou kunnen worden.
Geen tooverformule echter, door den Aethiopiër bedacht, kon den koning tegen de tooverkunsten der Egyptenaren beschermen en driemaal werd hij naar dat land gebracht en vernederd, terwijl zijn lichaam hevig pijn deed, zoo vreeselijk was het gekneusd.
Daarop vervloekte hij Horus en dreigde hem met een langzamen en vreeselijken dood, als hij hem niet tegen Pharaoh’s wraak beschermen kon.
Horus, in vrees en angst, ging thans naar zijn moeder, Tnahsit en vertelde haar alles en zei, dat hij naar Egypte gaan moest, om hem te zien, die deze krachtige betoovering [233]bewerkt had en hij moest trachten, hem op passende wijze te straffen.
Toen zijn moeder, Tnahsit, dit hoorde, waarschuwde zij hem er voor, in de tegenwoordigheid van den oppertoovenaar van den Pharaoh te komen; tegen hem toch zou hij nooit opgewassen zijn, doch steeds de nederlaag lijden.
Hij antwoordde echter, dat hij gaan moest. Zij spraken daarop met elkaar af, dat hij, door middel van teekens, haar zou laten weten, hoe het hem ging en indien hij in gevaar verkeerde, zou zij trachten, hem te redden. Aldus beloofde hij en zei, dat als hij overwonnen werd, dat, wat zij at en dronk en de lucht boven haar, in bloed veranderen zou.