VAN VIJF MODERNE DICHTERS
[VERZEN VAN DR. P.C. BOUTENS, WIES MOENS, WILLEM KLOOS,
MARGOT VOS, CAREL SCHARTEN]
Titelpagina Van Vijf Moderne Dichters
NEDERL. BIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR
AMSTERDAM
1922
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD
Deze bundel, bevattende dichtwerk van een vijftal onzer hedendaagsche dichters, is
niet volgens een bepaald plan samengesteld. Hij dankt zijn ontstaan eenvoudig aan de
overweging dat het, waar wij ieder jaar niet meer dan één dichtbundel
plegen te publiceeren, wel wat heel lang zou duren eer de belangrijkste dichters van
ons land in onze Nederlandsche Bibliotheek vertegenwoordigd konden zijn. Wij
noodigden daarom een aantal dichters, die tot dusver nog geen werk aan ons afstonden
uit, aan dezen bundel mee te werken. Het hing dus min of meer van het toeval af welke
auteurs voor dezen jaargang iets konden afstaan. Ondanks dit toeval is er toch in
zooverre systeem in de bloemlezing dat zij typeerend werk biedt van de drie
opeenvolgende dichtergeneraties na 1880.
In volgende bundels hopen wij op dezelfde wijze weer werk van anderen te
vereenigen.
DE REDACTIE DER W.B.
Dr. P.C. Boutens
O LIEFDE, LIEFDE, DIE ALS LIJDEN ZIJT
O liefde, liefde, die als lijden zijt,
Rijs in mijn oog met iedren nieuwen dag,
Dat ik de wereld en haar kindren mag
Zien in uw licht, een kind dat u belijd.
En laat mij niet alleen, maar in den nacht
Daal in de schaduw van mijn koele borst,
Dan zal ik veilig slapen als een vorst,
Die rust in 't midden van bevriende wacht.
Zoo moog ik zijn als dun albasten vaas,
Boordevol bloed van uwen rooden wijn;
In 't nachtehart als een weekgele schijn,
In donkre nis weenlichtende topaas;
Maar in den dag een levende fontein,
Die stroomt den dorstenden zijn zoet solaas.
(
Verzen
)
O, ELKEN DAG BEGINNEN
O, elken dag beginnen
Dit broze bezinnen
Als hartdoorgloedenden wijn,—
Iederen nacht vergeten
Dit vorstlijk weten,
Dat gij zijt mijn.
Door diepe droomedalen
Eenzamen nacht verdwalen
Als arm man zonder wijk,—
In morgenpaleizen
Den dag zien rijzen
Over eigen wonderrijk.
Met avond sterven,
Een Koning zonder erven,
In koelen nachtedood gebed,—
Met morgen rijden
In feesttocht van verblijden
Ter kroning naar uw lichtdoorvlagde stad.
Uit iedren nacht herboren,
Tot iedren dag verkoren,
Een godgeroepen kind zoo vroom,
Dat met diepopgetogen
Jongheilige oogen
Mag opgaan tot steeds nieuwen dagedroom.
(
Praeludiën
)
IK DENK ALDOOR AAN ROZEN
Ik denk aldoor aan rozen,
Rozen wit en rood,
Tot al gepeinzen overblozen
Uw eigen voetjes warm en bloot.
Ik hoor den heelen dag als vogelenkelen,
Als fluiten ver, dat krimpt en zwelt,
Tot vlak bij huis uw lippen woordespelen
En al geluid versmelt.
Ik zie aldoor als blanke sterren stralen
Door 't donkerzware middagblauw,
Totdat uw oogen naar mij dalen
Van boven de'avonddauw.
Van u kan maar bij deelen droomen
De lange dag die u verwacht;
En wonder blijft uw volle komen
Straks aan de hand der jonge nacht.
(
Praeludiën
)
INVOCATIO AMORIS
Dien de blinden blinde smaden,
Daar uw glans hun schemer dooft
Waar de kroon van uw genaden
Weêrlicht om één sterflijk
hoofd:
Door de duizenden verloornen
Aangebeden noch vermoed:
God dien enkel uw verkoornen
Loven voor het hoogste goed....
Door de kleurgebroken bogen
Van de tranen die gij zondt,
Worden ziende weêr mijn oogen
Als in nieuwen morgenstond:
Zien de matelooze wereld
Stralen nog van zoom tot zoom;
Heel de matelooze wereld
Bleef uw ongerepte droom!
Laat mij onder uw beminden,
't Zij gij zegent of kastijdt:
Blijf mij eeuwiglijk verblinden
Tot het kind dat u belijdt.
Lust en smart in uwe banden
Werd hetzelfde hemelsch brood:
Eindloos zoet uit uwe handen
Laav' de laatste teug, de dood.
(
Vergeten Liedjes
)
NAMEN
Wat is u of mij een naam,
Werelds prijs of werelds blaam,
Als de ziel de dingen weet en mint
Dieper dan hun naam, mijn kind?
Elk ding krijgt zijn gouden naam
Eens in schoonheids vol verzaam
Als al schoone dingen zijn
Zonneklaar en zonder schijn.
Daar vervalt het schoone woord
Hem wien reeds de zaak behoort,
Die haar diepst heeft liefgehad
Zonder dat.
(Vergeten Liedjes)
AVONDWANDELING
Wij hebben ons vandaag verlaat!
Pas bij de laatste brug
Waar 't voetpad tusschen 't gras vergaat,
Daar keerden wij terug.
Achter ons dekt de witte damp
De schemerende landen.
Zóó zijn wij thuis. Wij zien de lamp
In looveren warande ...
Wat gingen wij vanavond ver,
Het werd alleen tè laat:
Nog verder dan de gouden ster
Aan blauwe hemelstraat!
Zoo saam doen twee een korte poos
Over een wijd gebied!...
Nog liggen wegen eindeloos
Voor morgen in 't verschiet!...
O konden we eens zoo samen staan
Aan de allerlaatste brug,
En saam en blij er overgaan—
Wij kwamen nooit terug!
(Vergeten Liedjes)
BIJ EEN DOODE
Lief, ik kan niet om hem weenen
Waar hij stil en eenzaam ligt
In het schoon doorzichtig steenen
Masker van zijn aangezicht
Dat de dingen er om henen
Met zijn bleeke toorts belicht.
Lief, ik kan geen tranen vinden
Als mijn hart hem elders peist,
Waar zijn ziel met de beminde
Sterren van den avond rijst
En ons, dagelijks verblinden,
Hooger wegen wijst.
Naar de heemlen van de lage zoden
Stijg' de gouden offervlam!
Wie kan weenen naar de vroeg vergoden
Die de dood ons halen kwam?—
Tranen, lief, zijn enkel voor de dooden
Die het leven nam.
(Vergeten Liedjes)
MAANLICHT
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn.
Alsof van achter diepe slippen
Haar dolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinde lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!...
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
(Vergeten Liedjes)
HERDENKEN
Nimmer zal de ziel vergeten
Schoone wereld waar zij leerde
Wat gemis niet had geweten
Dat zij de eeuwen lang begeerde:
O te lachen, o te weenen,
Zich in lach en tranen geven,
Tot te lachen of te weenen
Wordt der lichte ziel om 't even:
O te weenen, o te lachen
Tot de neevlen zijn doorschenen,
En haar weenen wordt als lachen,
En haar lachen is als weenen:
Land van lachen en van schreien
Tot de stille dood haar strekte,
Waar haar smart en haar verblijen
Al de zuivere echo's wekte,
Nimmer zal de ziel vergeten