The Project Gutenberg eBook of Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

Author: H. Bertens


Release date: March 1, 2004 [eBook #11591]
Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/11591

Credits: Produced by Miranda van de Heijning and PG Distributed Proofreaders. This file was produced from images generously made available by the Biblioth que nationale de France (BnF/Gallica) at http://gallica.bnf.fr

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HUGO DE GROOT EN ZIJN RECHTSPHILOSOPHIE ***
HUGO DE GROOT

en

ZIJN RECHTSPHILOSOPHIE
DOOR

Dr. H. BERTENS.

[Gebaseerd op de editie gepubliceerd te Tilburg, 1907]

AAN Dr. G.W.J.M. VAN ZINNICQ BERGMANN.

#Inleiding.#

De naam Grotius is overbekend. Van hem kan niet gezegd worden, wat Otto Gierke van Althusius getuigde, in de eerste uitgave van zijn beroemd werk: "Der Name des Johannes Althusius ist heute so gut wie verschollen". [1]

De Hollandsche schooljongen kent Huig de Groot en zijn boekenkist; hij kent zijn vrouw, Maria van Reigersberg, die de list verzon, ter redding van haar echtgenoot, alsmede de trouwe dienstmaagd, Elsje van Houweninghe, de "derde medespeelster in het blij eindend drama van slot Loevestein."

Als geleerde kent hem de wereld.

Grotius was theologant en wijsgeer. Grotius bewoog zich op het gebied der geschiedenis en der letteren, en heeft daar lauweren behaald; Grotius was staatsman; maar de godgeleerde en philosoof, de historicus, en staatsman zou zijn roem niet overleefd hebben, zonder de Jure Belli et Pacis, het onsterfelijke werk van een van Hollands groote zonen uit de dagen van Joost van den Vondel en Hooft, Tesselschade en Roemer Visscher, van Heinsius en Josef Scaliger, van Huygens en Rembrandt.

Als niets, wat dezen onzen grooten landgenoot betreft, voor het Nederlandsche volk onverschillig mag zijn, gelijk ik ergens las, dan zeker niet datgene, waaraan Grotius zijn naam dankt.

Ziedaar een der redenen, waarom deze bladzijden werden geschreven.

Er is reeds dikwijls en met veel kennis geschreven over de Groot als rechtsgeleerde; wij trachten het nog eens te doen.

Na een korte levensschets van de Groot, volgt een bespreking van zijn "de Jure Belli et Pacis". In dat werk toch zijn de ideeën van Grotius over het recht hoofdzakelijk neergelegd. Bij de uiteenzetting van de Groot's rechts-philosophie, kan een critische waardeering niet achterwege blijven. De enorme positieve kennis echter, èn van de scholastiek èn van het neo-stoïcisme, èn van hun beider invloed op het intellectueel midden, waarin de Groot leefde en waarin hij zich vormde; die kennis, welke vereischt wordt, om hier het laatste woord te kunnen spreken, is niet te verkrijgen in een korten tijd, jaren zijn er voor noodig. Wij erkennen dan ook gaarne in die waardeering niet volledig te zijn.

#Levensschets van Hugo de Groot.#

Op Paaschdag van het jaar onzes Heeren 1583 zag te Delft, een van de rijkste en vermogendste steden van Holland, [2] die een Sasbout en een Pontus Heuterus onder hare zonen telt, Hugo de Groot het levenslicht, "het grootste genie van Holland in de XVIIe eeuw; de man, dien geheel het geleerd Europa dier tijden het kleine landje daar ginds, aan het uiteinde des vastelands benijden zou." [3]

Jan de Groot, meester der vrije kunsten en philosophie, doctor in de rechten, burgemeester van Delft en curator der sinds 1575 opgerichte universiteit van Leiden, was zijn vader. Zijne moeder was Alida van Overschie, uit het geslacht van Overschie en Adrichem.

"Het is" zegt Nuyens, (Wachter 1874, blz. 133) "niet uitgemaakt of zijne moeder, gelijk duizenden in die dagen, nog niet in stilte gehecht bleef aan de katholieke leer; zeker is het, dat zijn vader, in naam tot de heerschende gezindheid, maar volstrekt niet tot de calvinistische ijveraars behoorde."

Reeds vroeg openbaarden zich de groote talenten van onzen Huig. Men zegt, dat hij al de namen der soldaten van een regiment, die hij toevallig gehoord had, later kon opnoemen. Nog slechts acht jaren oud, schreef hij reeds verzen, onder andere op de verovering van Nijmegen door prins Maurits in 1591. Met zijn twaalfde jaar kwam hij te Leiden aan de universiteit. [4] Geen wonder, dat Daniel Heinsius van hem zingen kon:

  Ille dum puer fuit.
  Vir esse coepit: namque reliqui viri.
  Tandem fuere, Grotius vir natus est.

Wij kunnen de eerste opvoeding van den genialen knaap voorbijgaan. Volgen wij hem te Leiden, waar hij 3 Aug. 1594 als Stud.-litt. werd ingeschreven aan de hoogeschool.

Hij verbleef er tot 1597 en verdedigde alsdan zijne stellingen in wiskunde, wijsbegeerte en recht. In de wijsbegeerte onder leiding van P. Molinaeus en Antonius Trutus. De professoren, die in die jaren het recht doceerden, waren, behalve zijn oom Corn. de Groot (1575-83, 1587-1600), Jul. a Beyma (lector 1581, professor 1582-1596) Th. Sosius, (1585-1594) Ever. Bronckhorst (1587-1610.) Ger. Tuningius (1590-1610) Corn. Pynackerus (1597-1614) Corn. Swanenburgius (1597-1630). [5]

Wij weten ook, wat zij onderwezen, Romeinsch recht en nog eens Romeinsch recht, gelijk Fockema Andreae zegt. Wij weten, welke werken zij uitgaven. Commentaren op dat zelfde recht. [6]

Met recht mocht Grotius later schrijven "Jus civile, sive Romanorum, sive quod cuique patrium est, aut illustrare comentariis, aut contractum ob oculos ponere, agressi sunt multi: et jus illud, quod inter populos plures … intercedit … attigerunt pauci."

Ook de wijsgeerige richting te Leiden mag ons niet onverschillig laten. "Sans doute", zegt Monchamps, [7] "ils étudiaient encore Aristote, mais les autres écrivains philosophes de l'antiquité leur plaisaient d'avantage. Sans être l'ennemi de la scolastique et d'Aristote comme le prétend Bouillier, le premier triumvir de la république des lettres (Lipsius, Casaubon et Scaliger) aurait voulu voir régner dans les écoles la philosophie du Portique conjointement avec celle d'Aristote."

Land [8] zegt ons omtrent dit punt: "De wijsbegeerte, die aan de academische jeugd werd voorgezet, was de getemperde scholastiek, die aan de protestantsche scholen van dien tijd aangenomen was.—Van de pogingen der ramisten om tegenover de logica van Aristoteles een minder kunstmatig systeem te zetten, is nauwelijks een spoor overgebleven."

* * * * *

Commentarius ad tit. de Verb.-sign.; idem ad tit. de reg. jur., idem in
IV libros Inst. Jur. Civ. Justiniani.

Corn. Pijnackerus bewerkte "Jura et privilegia militum Index ad controversiarium corpus Andr. Fachnachaei, Primord. Juris Justineanei demultia.

Swanenburgensis eindelijk, nunc varios pandectarum titulos interpretatur.; in que eo unus totus est. Alma et illustris acad. Leid. bij Marcks en Colites. Leiden 1674. Zie Fockema Andreae a. w. Snellius en Arminius, die in Zwitserland en Duitschland het ramische hadden onderwezen, veranderden van gevoelen bij hun benoeming te Leiden. Corn. de Groot (1575) schijnt naar het platonisme te hebben overgeheld. Nic. van Dam, de Groot's opvolger, was een Aristotelicus, gelijk Alexander de Ratlo (1578-81), Antonius Trutus (1582-93) en Adr. Damman (1586-88.)

Van 1593 tot '98 behandelde Pierre Dumoulin, als buitengewoon hoogleeraar, Aristoteles naar het Grieksch.

Voor zijn godsdienstige opleiding en godsdienstonderwijs had Grotius tot leermeesters Frans Junius en Uitenbogaerdt, toen hofprediker van Maurits. "Bij Johannes Uitenbogaerdt heb ick gewoont eenighe jaren noch seer jongh zijnde, door de goede zorghe, die mijn ouders droegen ten einde ick in de vreze Gods zoude opwassen: Waarom zij mij tot Leijden bij Franciscum Junius ende in den Hage bij den Voorz. Uitenbogaerdt hebben besteld." [9]

Bij Junius [10] woonde Grotius met Scriverius, Baudius en Daniël
Heinsius.

Buiten de genoemden vond Grotius te Leiden nog zijn vriend, den bekenden
Jos Scaliger, benevens Luc. Trelcatus, Paulus Merula, Rudolfus Snellius,
Carolus Clusius en Bonaventura Vulcanius.

Huig de Groot was een dankbaar leerling geweest. Toen hij na volbrachte studie in 1598 met Oldenbarneveld en Justinus van Nassau naar Parijs was gegaan en door den eerste aan koning Hendrik IV werd voorgesteld, noemde deze hem reeds "le miracle d'Hollande". Hij gaf hem een gouden keten met medaillon, waarop 's konings borstbeeld.

Met de buitenlandsche reis eindigde het studentenleven. Den 13'den Dec. 1599, pas 16 jaar oud, werd hij beëedigd als advocaat bij het hof van Holland en twee dagen daarna bij den Hoogen raad. [11]

Of Grotius uit liefde voor de balie advocaat was geworden? Het schijnt van niet. In een levensschets van Meursius spreekt hij zich openlijk uit. [12]

Hij had zijn tijd liever aan de studie gewijd. Het beroep van advocaat zou hij niet ongaarne verwisseld hebben tegen een professoraat. [13] Maar Jan de Groot dacht anders. Hij wilde zijn jongen door de wereld helpen en met een "litterarisch otium" ging dat niet.

Dat de Groot, niettegenstaande dit alles, een knap advocaat is geweest, blijkt wel hieruit, dat Prins Maurits hem in 1604 als pleitbezorger koos in zijn geding met den Bisschop van het sticht Munster over de heerlijkheden Kloppenburg, Oeite en andere plaatsen, waarvan zich de Bisschop het bezit had aangematigd.

Brandt [14] verhaalt de volgende anecdote uit zijn advocaten tijd: In een pleidooi, waar de Groot stond tegenover een bejaard advocaat, zeide deze hem, te gedenken, dat hij nog jong was en tegen een oud praktizijn sprak. "Dat weet ik wel," was het snedig antwoord, "maar daarom ben ik eerst te rade gegaan bij oude praktizijns, die ik in mijn kantoor heb."

In 1607 verliet de Groot het advocaten beroep en begaf zich in staatsbetrekking als fiscaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.

Ook dit ambt beviel hem niet. Wij weten het uit zijn antwoord op
Heinsius' gelukwensch. [15]

Zuchtend, zoo zegt Fruin, liet hij zich weer in 't nieuwe gareel spannen en zwoegde er in voort, zeven jaren lang, totdat in 1613, na den dood van Elias van Oldenbarneveld, de stad Rotterdam hem uitnoodigde haar pensionaris te worden.

Wij mogen hier niet onvermeld laten, dat uit zijn advocatentijd dagteekent het bekende "Mare liberum" in 1609 te Leiden uitgegeven in 't belang der O-I. Compagnie.

Intusschen was Grotius in 1609 in den echt getreden met Maria van Reigersberg, dochter uit een der eerste familiën van Zeeland, in wie, gelijk Nuyens zegt, hij eene echtgenoote vond, zulk een man waardig; een vrouw van practischen zin, krachtigen geest en onbezweken moed, die haren echtgenoot bewonderde, beminde en laten wij het zeggen, wel wat onder de pantoffel hield. (t.a.p. blz. 133.)

Evenmin als zijn advocaat-en fiscaalschap, kon hem de gewichtige, eervolle en invloedrijke betrekking van pensionaris voldoen. [16]

Hij schrijft het aan Pontanus, hoogleeraar te Harderwijk. [17]

Onverwacht zou de oplossing komen en Grotius de gelegenheid vinden zich naar hartelust te wijden aan wetenschap en letteren.

In 1618 werden de hoofden der staatsgezinde partij, Oldenbarneveld, de Groot en Hoogerbeets, de pensionaris van Leiden, gevangen genomen. Wij weten de rest en hoe Grotius 18 Mei 1619 veroordeeld werd tot levenslange gevangenisstraf en verbeurdverklaring van al zijn goederen. Al heeft Grotius dikwerf geklaagd over weinig tijd in zijn bedrijvig leven, zijn lettervruchten uit die dagen, (1598-1618), toonen, dat hij den tijd tot dogmatiseeren toch wist te vinden.

In de gevangenis te Loevestein vond Grotius troost bij zijn boeken. Hij kon er werken, zooveel hij wilde. Hij deed het inderdaad: men zie slechts in de voorrede van zijn "Dicta Poëtarum, quae apud Stobaeum exstant", de breede lijst geschriften, welke hij in den kerker vervaardigde. Het beroemde "Inleidinge tot de Hollandsche rechtsgeleerdheijt", eerst later in 1631 uitgegeven, dagteekent insgelijks uit die dagen.

Grotius verbleef te Loevestein "een jaar ende thien maanden" tot hem de welberaamde list van zijn vrouw redde.

De trouwe dienstmaagd, Elsje van Houweninghe, bezorgde een boekenkist [18] "met kostbaren schat" ten huize van juffrouw Daetselaer [19] in Gorinchem.

Die kostbare schat was Huig de Groot.

Over Waalwijk, waar veel remonstranten waren, vluchtte hij naar Antwerpen. Na een kort oponthoud bij Nicol. Grevinchovius [20] ging hij naar Parijs, waar de groote man met goedheid werd ontvangen. [21]

Het gewichtigste feit uit zijn elfjarig verblijf in Frankrijk is wel, dat hij toen zijn beroemd "de Jure Belli et Pacis" schreef.

In 1631 trachtte Grotius terug te keeren in het vaderland, vertrouwend op de welwillendheid van Frederik Hendrik, die middelerwijl Maurits was opgevolgd.

Het viel evenwel anders uit, dan hij verhoopt had. Voor de tweede maal moest Grotius aan zijn dierbaar vaderland vaarwel zeggen.

Ditmaal ging de reis niet naar Frankrijk; de toegezegde 3000 ponden waren hem slecht uitbetaald [22], de eigen middelen waren niet groot, betrekkingen waren hem niet gegund, zoodat het bestaan aldaar niet rooskleurig was geweest.

Grotius ging naar Hamburg. De groote Wallenstein, Polen en Denemarken, zelfs de Spaansche koning, door bemiddeling van Eryc. Puteanus, [23] noodigden hem uit in hun dienst te treden. Op aanzoek van den Zweedschen rijkskanselier Oxenstjerna ging hij naar Frankfort a/M. en woonde hier ongeveer vier maanden den Zweedsch-Duitschen bondsdag bij, tot dat hij de gewichtige betrekking kreeg van gezant der Zweedsche kroon by het Fransche hof. [24]

Voor de tweede maal ging Grotius, doch nu niet als balling, naar Parijs. Hij verbleef er bijna elf jaar. In 1645 als een zekere Duncan [25] hem als helper, inderdaad echter als bespieder werd toegevoegd, vroeg hij zijn ontslag. Koningin Christina verleende het hem onder eervolle erkenning zijner verdiensten.

Over Amsterdam, waar hem een glorievolle ontvangst was bereid [26] ging hij naar Hamburg, Wismar, Colmar en verder naar Stockholm, om zijn zaken te regelen met koningin Christina.

Grotius bleef niet langer in Zweden dan noodig was, hij wilde naar Holland terug; hij zou evenwel den vaderlandschen bodem niet meer terugzien. Op de terugreis leed hij schipbreuk en kwam 26 Aug. 1645 doodziek te Rostock aan. Enkele dagen later stierf Hugo de Groot.

Hij werd begraven in de hoofdkerk van Rostock. De predikanten hadden er zich tegen verzet, wijl Grotius niet gestorven was in het ware geloof; de studenten hadden hen echter gedwongen.

Zijn lichaam werd later overgebracht naar Delft, waar zijn familie in het jaar 1781 voor hem een praalgraf oprichtte. Het door Grotius zelf vervaardigde grafschrift luidde: Grotius hic Hugo est, Batavus, Captivus et Exsul Legatus regni, Sueica magna tui.

In 1886 werd hem een standbeeld opgericht op de markt te Delft. Op den voet staan zonder meer in gouden letters de welsprekende woorden: Hugo Grotius.

Het standbeeld staat met het gezicht naar het stadhuis, met den rug naar de weleer roomsche kerk. Op dezen stand zijn verschillende zinspelingen gemaakt. Grotius komt uit de kerk, zoo zegt men en gaat naar het stadhuis; anderen willen, dat hij den rug keerde aan de kerk. Het zou de moeite waard zijn, meer in den breede na te gaan de godsdienstige gezindheid van onzen Grotius. Men heeft veel gestreden of hij in den laatsten tijd zijns levens katholiek is geworden of niet. Zijn vriend en vertrouweling de bekende Petavius S. J. droeg een H. Mis op voor de zielrust van zijn vriend; dit zij ons genoeg. Of Grotius openlijk is teruggekeerd tot de oude moederkerk, die hij meer en meer lief kreeg, is een vraag, die wij in dit werk niet willen behandelen. Men zie hierover Broere. De gezindheid van H. de Groot voor de Katholieke Kerk. De Katholiek 1852.—Diest Lorgion, Godgel. tijdschrift 1857. J. v. Gilze. Gids n.r. XIa 357.—De terugkeer van H. de Groot tot het Kath. Geloof. Amsterd. 1857.—Krogh-Tonning. Hugo Grotius enz. Bachem. Keulen 1904. [27].

#De Jure Belli ac Pacis.#

Zijn wording, doel en inhoud. De waardeering, die het vond.

Het is in zijn "de Jure Belli ac Pacis", dat Grotius zijn rechtstheorieën en de moraal, waarop hij die grondt het meest volkomen uiteenzet. Daarom verdient dit zijn werk het meest onze belangstelling. Het is voor de kennis zijner gedachten op 't gebied van rechts-philosophie, wat een "summa Theologica" is voor de kennis van het wijsgeerig systeem van St. Thomas.

Het was in 1623 dat Grotius in het rustige landhuis Balagni bij Senlis, hem door Jacques de Mesmes [28] ter woon afgestaan, zijn boek begon. "Non otior", zoo schrijft hij aan Peiresc, sed in illo de Jure Gentium opere pergo, quod si tale futurum est, ut lectores demereri possit, habebit, quod tibi debeat posteritas, qui me ad hunc laborem, et auxilio et hortatu tuo, excitasti." [29]

Aan Jacq. Aug. de Thou, wiens boekerij hij gebruikte, [30] schrijft hij Aug. 1623.—"Si quid agam cupis scire, … versor in examinandis controversiis praecipuis, quae ad Jus Gentium pertinent"…. [31]

In Juni 1624 is Grotius met Theod. Graswinkel reeds bezig het handschrift gereed te maken voor den druk. De drukker maakte met het werk grooten spoed. Op de Paaschmarkt te Francfort in 1625 werd het boek te koop aangeboden.

Peiresc had Grotius aangezet tot het schrijven van dit werk. Waarom hij aan diens aansporing gevolg gaf, verklaart hij zelf in zijn prologommena.

Daarin zegt hij n.l. waarom hij, die "onverdiend gebannen uit zijn land zich nog verdienstelijk wil maken voor de rechtswetenschap" [32], zijn "drie boeken van 't recht des Oorloghs en Vredes" gaat schrijven.

Velen, zoo zegt hij, hebben behandeld het burgerlijk of romeinsche recht; het recht, dat elk land eigen is, doch slechts weinigen het recht, dat bestaat tusschen de volken onderling of hunne hoofden [33] en dat zijn grond vindt in de natuur zelf of in Gods Wet, of wel ontstaan is door gebruiken en stilzwijgende overeenkomsten. Nog niemand heeft dit recht in zijn geheel en methodisch behandeld, en toch, de menschheid heeft er belang bij. (prol. 1.) [34]

Cicero noemde deze wetenschap een verhevene; voor Euripides staat zij boven de kennis der goddelijke en menschelijke dingen. (prol. 2.) De menschheid heeft er belang bij, omdat er ook nu nog, zoowel als vroeger, personen gevonden worden, die het bestaan van dit recht ontkennen (prol. 3.) Men zegt, dat een volk of vorst kan en mag doen al wat in zijn voordeel is. En deze theorie past men maar al te vaak toe in de praktijk.

Ik zag in de Christenheid een ongebonden vrijheid van oorlogen, waarvoor de Barbaarsche volken zich zelfs zouden schamen; dat men om geringe, ja zelfs zonder redenen naar de wapenen greep.

Had men eenmaal den strijd aangevangen, men bekommerde zich noch om goddelijk noch om menschelijk recht, "gantschelich als oft door een Placcaet de rasende dolligheydt ware uytghelaten tot allerhande schelmstukken". [35]

Wij behoeven hier niets bij te voegen. Is het volkenrecht reeds op zich zelf een onderwerp, dat het der moeite waard is te bestudeeren; het was der moeite dubbel waard zulks te doen in dagen van geweld en rechtsverkrachting.

Er is vaak over getwist, of Grotius al dan niet het plan had uitsluitend te schrijven over het recht van oorlog en vrede, de kern van het volkenrecht. [36]

Daar zijn boek feitelijk een volledige verhandeling was over het natuurrecht, vond de meening grond, dat de titel: "De Jure Belli ac Pacis" slechts een slimme zet was. Velen, door den naam verlokt, zouden met belangstelling het boek ter hand nemen, en daarin willens of onwillens, eene voor hen dringend noodzakelijke moraal vinden. Werd hun die openlijk aangeboden, menigeen zou het boek minachtend ter zijde gelegd hebben.

Grotius' oprechtheid is evenwel gemakkelijk te redden, al beantwoordt de inhoud niet juist aan den titel. Men nemen daarvoor het volgende in aanmerking: De auteur wil zijn onderwerp zoo grondig mogelijk behandelen, terwijl hij daarbij van meening is dat het recht, waardoor de verhouding van volken en vorsten geregeld wordt, geen ander is dan het recht van hen die leven in een natuurtoestand [37] buiten een maatschappij in den gewonen zin des woords. [38] Daarom moest hij dieper ingaan in de menschelijke natuur, en het heele natuurrecht behandelen. Immers elke handeling in strijd met dat recht kan zijn wettige oorlogsreden, in geval er geen bijzondere verbintenissen zijn aangegaan, omtrent de uitoefening van dat recht.

Zooals wij reeds gezegd hebben, is Grotius' boek eene complete uiteenzetting van het natuurrecht geworden. Als van zelf scharen zich al de vragen van dat recht om het driedubbele hoofdprobleem, dat in drie boeken behandeld wordt:

Is de oorlog per se in strijd met het recht m.a.w. is hij immer en altijd onrecht? Bij een ontkennend antwoord, komt men van zelf tot de vraag: Zoo de oorlog ooit geoorloofd, is, wanneer is hij zulks? Het derde probleem is: Wat is in den oorlog geoorloofd?

Het was nutteloos te spreken over het recht of onrecht zijn van iets, als er geen recht of onrecht was, als er geen zedelijke regel was voor de menschelijke handelingen, die betrekking hebben op anderen.

Daárin vindt Grotius de gelegenheid het bestaan van het recht te bewijzen. Hij zal aangeven, wat de mensch in zijne betrekkingen tot den evenmensch heeft te doen en te laten alsmede de redenen daarvan. [39]

Is het eenmaal vastgesteld dat de mensch niet alles doen kan, wat hij wil, dat daar is een hooge Vrouwe "Justitia" in drievoudig gewaad, dan kan Grotius gaan zien, of de oorlog al of niet per se in strijd is met het recht, met de natuurwet, Gods wet of de menschelijke voorschriften? (lib. I. c. 1 en 17.)

Wat is oorlog, wat is recht? (c. 1.) De oorlog wordt bepaald als status per vim certantium [40] (§ 2.)—Wat het recht is en welke de verschillende beteekenissen zijn, waarin dit woord kan genomen worden, kan hij afleiden uit hetgeen hij in zijn prolegomena gezegd heeft over het recht. (§ 3-17). Wetend, wat het recht is, en wat de oorlog, kon hij gaan zien of de oorlog in strijd is met de wet of het recht. (c. 2. § 1-9).

Uit het bepalen van den oorlog als "status per vim certantium" vloeit voort, dat men oorlog kan noemen zoowel den strijd tusschen afzonderlijke personen, als tusschen landen en volken. De oorlog wordt daarom verdeeld in privaten en publieken oorlog; en oorlog tusschen een privaat persoon en een publieke macht. (c. 3, §1) Daarmede wordt de moeielijkheid, of de strijd van afzonderlijke personen nog geoorloofd is, als zij niet meer tegenover elkander staan in een natuurtoestand, maar als leden eener maatschappij, als zij hun natuurlijk recht van noodweer hebben overgedragen aan een ander (§ 2.) De publieke oorlog is de oorlog, gevoerd tusschen openbare personen, tusschen souvereine machten. Hierbij dient gesproken te worden over de burgerlijke macht. Waarin zij bestaat (§ 6). Welke macht souverein is (§ 7). Waar zij is (§ 8). Hoe zij bezeten kan worden door iemand. (§ 11) enz. Vervolgens komt de vraag, of de oorlog van onderdanen tegen hunne overheid geoorloofd is. (c. 4). Tegen een wettige overheid (§ 1-14). Tegen een overweldiger. (§ 15-16.)

De "Causae effectivae" van den oorlog zijn het onderwerp van c. 5. Gelijk in andere daden zoo zijn ook bij de daden van den wil gewoonlijk drie soorten van werkende oorzaken "principale, helpende en instrumenteele". De causa principalis is gewoonlijk hij, wien de zaak aangaat. Wie verdedigend optreedt voor een ander, is een helpende oorzaak. (§ 2). Dienstknechten en onderdanen kunnen gebruikt worden in den oorlog, deze zijn instrumenteele oorzaken. (§ 3). Volgens het natuurrecht is het aan niemand verboden te strijden. (§ 4). Hiermede sluit het eerste boek.

Het tweede behandelt de wettige oorlogsredenen. Want is de oorlog uit zijn aard niet kwaad en ongeoorloofd, kan hij rechtvaardig zijn, in welke gevallen zal hij zulks zijn? Wettige reden tot oorlog nu is een injuria facta aut non facta. Op de eerste plaats: een geleden onrecht. Het kan hersteld worden of niet hersteld worden, maar wel gestraft. Op de tweede plaats: In juria non facta. Hierop heeft betrekking noodweer en zelfverdediging, deze twee rechten worden nu het eerst besproken. Wanneer is zelfverdediging geoorloofd (§ 3-7.) Is zelfverdediging plicht? (§ 8-9). Hoever mag noodweer gaan? (§ 10-14). Is het duel geoorloofd (§ 15). Wat verder de volken betreft. Is andermans aangroeiende macht reden tot noodweer. (§ 17). Is hij die zelf oorzaak was, dat men tegen hem optrok, in zijn goed recht om weerstand te bieden? (§ 18). De oorlog is geoorloofd om een geleden onrecht te herstellen of om het te straffen. Dit vooronderstelt, dat men wete, wanneer er onrecht geleden is en daarvoor diene men nog te weten, wat het onze is of wat men ons schuldig is?

Het onze is hetgeen wij bezitten. Wij kunnen iets bezitten met anderen, of alleen m.a.w. de goederen zijn gemeengoed of privaatgoed. Welke dingen als gemeen goed zijn te beschouwen, wordt nu uitgelegd en vervolgens welke van deze goederen privaat eigendom kunnen worden (c. 2.) en op welke wijze (c. 3.) Er wordt ook nog onderscheid gemaakt tusschen een "acquisitio originaria" van zaken (c. 3.) en personen (c. 5.) en een "acquisitio derivata" (c. 6.)

Een "acquisitio derivata" is er, wanneer wij recht verkrijgen over personen of zaken door middel eener menschelijke daad of door de wet.

De overgave van het souvereiniteitsrecht en de goederen daarbij behoorend, komen hier ter sprake (c. 6.) Bij een acquisitio derivata door de wet wordt behandeld het heele erfrecht. (c. 7.)

Is eenmaal voldoende uitgelegd, hoe rechten verkregen worden en overgaan op anderen, dan moet nog worden nagegaan wanneer eigendomsrecht en overheidsrecht ophouden, (c. 9.)

Hierna volgt de uiteenzetting van de verplichting, die op anderen berust, tengevolge van het recht, dat wij hebben op iets. Wat is men ons verschuldigd? c. X is een tractaat over het restitueeren.

Na de verplichting van anderen tegenover ons als eigenaar van iets, volgt de verplichting, voortvloeiend uit beloften. Wat zijn beloften? (c. 11.) Wat is een contract? (c 12.) Welke kracht zet de eed bij aan beloften? (c. 13.) Iets speciaals komt weer bij dit alles als het personen betreft, die een souvereine macht bezitten. Hoever zijn dezen gehouden beloften na te komen. (c. 15.)

Overeenkomsten zijn verder van publieken of privaten aard, daarom dient de aandacht nog gevestigd te worden op de gevolgen van conventies tusschen volken of hunne hoofden. Hierbij sluit zich als van zelf een kapittel aan over de interpretatie, (c. 16.)

Behalve uit geoorloofde daden, n.l. doordat wij iets rechtens bezitten, of ons iets beloofd is, kunnen de verplichting van anderen tegenover ons of de rechten van ons tegenover anderen, voortvloeien uit ongeoorloofde daden, namelijk hierdoor dat een ander door zijn schuld ons een nadeel toebracht, (c. 17. § 1.) Nadeel is, dat wij minder hebben, dan wij moesten hebben, dan ons toekomt, hetzij ons iets toebehoort van nature òf door een verdrag òf door de wet.

De verplichting kan ten laatste nog voortvloeien, niet uit het natuurrecht, maar uit de positieve wet. (c. 18.) Zoo ontstaat door het volkenrecht, het ambassadenrecht, de verplichting de dooden te begraven, (c. 19.)

Een rechtvaardig oorlogsmotief is het herstellen van een geleden onrecht, maar ook die oorlog is geoorloofd, welke dient om te straffen voor een aangedaan onrecht, dat niet hersteld kan worden, en daarom geeft Grotius nu zijn theorieën over het strafrecht, (c. 20. 21.)

Na de redenen, waarom men volgens recht een oorlog mag beginnen, bespreekt Grotius de redenen, die een oorlog wel niet rechtvaardig maken, maar hem een schijn van rechtvaardigheid geven. Hij weet goed, dat men ooit ten strijde gaat zonder zelfs een zweem van recht, maar hierover zal hij niet uitweiden. Men is dan te vergelijken met wilde dieren. Zij, die den oorlog beginnen, om er eenig voordeel mee te behalen, zijn roovers.

Wat men te doen heeft, in geval er twijfel komt, of een daad werkelijk oorlogsreden is of slechts schijnbaar, wordt aangegeven in c. 23. Dan volgt nog de vermaning, niet lichtvaardig den krijg aan te vangen ook al is men in zijn recht. (c 24.)

Een kwestie, met de voorgaande verband houdend, is deze: Hij, die persoonlijk onrecht leed, is bevoegd geweld te gebruiken; maar geldt dit ook voor een ander, mag een derde in de bres springen voor den verongelijkte? Grotius antwoordt bevestigend en voegt er bij, in hoeverre men daartoe verplicht is. (c. 25.)

Vervolgens wordt nog gevraagd, in hoeverre zij, die afhankelijk zijn van iemand, op eigen gezag geweld mogen gebruiken?

Het derde boek heeft ten doel aan te geven, wat men zoo al doen mag in den oorlog. Wat is geoorloofd door het natuurrecht? Hier wordt gehandeld over de neutraliteit der niet strijdenden, over bedrog en list, gebruikelijk tusschen oorlogvoerende partijen, alsmede over de leugen en of zij op zich zelf geoorloofd is. (l.3. c.1.) Een bijzondere opmerkzaamheid verdient vervolgens de vraag: Wat is toegestaan door het volkenrecht? De publieke oorlog n.l. is ofwel solemneel of niet solemneel. Het verschil ligt hierin, dat in den solemneelen is voldaan aan zekere voorwaarden, gesteld door het volkenrecht, hetwelk ook aan de strijdvoerende partijen in een solemneelen oorlog bepalingen voorschrijft. Een dier voorwaarden is, dat aan den solemneelen oorlog moet voorafgaan een oorlogsverklaring. Wat een oorlogsverklaring is, wordt uitgelegd en daarna wat het volkenrecht bepaalt omtrent het dooden van vijanden of het gebruik van ander lichamelijk geweld; omtrent het verwoesten en plunderen; het recht op veroverde zaken en personen; het postliminium, (c. 2:9.)

Het feit, dat het volkenrecht deze rechten erkent in een oorlog, die publiek en solemneel is, ook al is hij onrechtvaardig in geweten, geeft aanleiding tot de vraag, in hoeverre men gehouden is te restitueeren voor hetgeen verkregen of misdaan is in een onrechtvaardigen, ofschoon solemneelen oorlog. Verder, wijl het volkenrecht wel iets gerecht kan maken, maar niet alles; wijl het soms slechts een onstrafbaarheid verleent van slecht zijnde en slecht blijvende daden, geeft Grotius aan, welke maat volgens plicht en geweten in het gebruik dezer rechten is te houden, zelfs in een rechtvaardigen oorlog, (c. 10 enz.)

In den oorlog kan iets gedaan worden door de strijdende partijen, maar wijl in den publieken oorlog het heele volk in strijd is, kan er ook iets gedaan zijn door de afzonderlijke personen in qualitate qua. Wat is hierover te zeggen. (c. 18.) "Of 't geoorlooft zij particulierlijck den vijant schade te doen (§ 1.) Wat den genen die op haar eyghen kosten ten kryghe dienen … nae de inwendige rechtvaerdigheyt geoorloft zij, ten aansien der vijanden.(§2.)"

Waartoe zijn zij verplicht, die den vijand, zonder last en bevel, schade hebben toegebracht? (c. 6.) "Van trouw een gheloove onder den vijanden" handelt c. 19. Allerhande vijanden is men trouw en geloof schuldig. (§ 1.)"

Vandaar komt Grotius op de publieke trouw, de trouw, die noodig is tot het sluiten van een vredesverdrag, het einde van den oorlog (c. 20,) die andere verdragen mogelijk maakt, zooals wapenstilstand, terugkoop van gevangenen enz. (c. 21.) C. 22 behandelt de door lagere overheden aangegane overeenkomsten; de kracht der door particuliere gemaakte verbintenissen wordt beschreven in c. 23. Verbintenissen zijn vervolgens openlijk of, stilzwijgend, c. 24 behandelt deze laatste.

Hierna meent Grotius te kunnen eindigen, maar niet alvorens allen aan te sporen tot trouw aan het gegeven woord; want onderlinge trouw houdt het gemeene best en de geheele menschheid omvattende societeit in stand. Door onderlinge trouw blijft de vrede. De vrede, die ook moet zijn het doel der strijdenden, willen zij onder het wapengekletter bewaren den innerlijken vrede des harten en het vertrouwen op God. Hij zegt St. Augustinus na: "Non pacem quaeri ut bellum exerceatur, sed bellum geri ut pax acquiratur. c. 25 § 2." Dat God, zegt Grotius, die het alleen kan, deze woorden schrijve in de harten van hen, die het lot der christenheid in hun handen houden. "Inscrisbat haec Deus (qui solus hoc potest) cordibus eorum, quorum res christiana in manu est, et isdem mentem divini humanique juris intelligentem duit, quaeque semper cogitet lectam se ministram ad regendos homines, Deo carissimum animal." Hiermede eindigen de drie boeken de Jure Belli ac pacis.

Al werd Grotius' werk in 1627, door de Katholieke Kerk op den Index geplaatst [41], dit kon niet verhinderen, dat zijn werk een buitengewone waardeering ten deel viel. Dat hij was "le législateur du droit naturel et social" [42] voor de renaissance. De tallooze uitgaven, die zijn boek mocht beleven en de vele commentaren, die er op geschreven zijn, bewijzen het.

Wij laten die lijst hier volgen:

Hugenis Grotii de Jure Belli ac Pacis libri tres. Bûon. Paris 1625—Weckel. Francfort 1626. Guil. Blaeu Amsterd. 1631—Amsterd. 1631—J. Janssonium, Amsterd. 1631—Blaeu—1632—1633—1642—Paris 1632.—Joh. et Corn. Blaeu, Amsterd. 1646—H. Laurentii Amsterd. 1647.—Joh. Blaeu, Amsterd. 1650 (4° en 8°)—Joann. Janssonius, Amsterd. 1651—Joh. Blaeu, Amsterd. 1651—1652—Joh. Blaeu, Amsterd. 1660—63—67—70—Cum notis Gronovii, Janssonio—Waesbergios Amsterd. 1680—idem Arn. Leers, Hagae Comitis 1680—idem 1684—idem Janss.—Waesbergios, Amsterd. 1689.—1663—64 Straatsburg—Jena, Fleischern 1673—Paris 1675—Budelst 1680—cum notis variorum, edente Joh. Becmano. Francf. a O 1691—herdruk 1699—cum notis G. v. der Muelen et Gronovii, van de Water, Utrecht 1696—herdruk 1704—Cum not. Gronovii, Tesmarii (hoogleeraar v t recht Marburg), Obrechti Francf. a M. Lunneri 1696—Cum notis variorum et Gothofredis Spinaei. Lugd. Bat. 1696—Cum praef. Joh. Schulteri Straatsburg 1699—idem 1704—Cum notis Gronovii Janssonio—Waesbergios Amsterd. 1701—Cum notis Gronovii Amsterd. Officina Westeniana 1712—Cum not. Gronovii Janss.—Waesbergios Amsterd. 1612—Cum. not. Gronovii et Barbeyrac, Amsterd. Off. Wetsteniana 1720—idem Janss-Waesb. 1720—1722.—Cum not. Gronovii Barbeyrac et aliorum. Jans.—Waesb. 1735—idem Fritsch 1735—Cum observat Joh. Jägero-Tubinque 1710—Cum praef. Chr. Wolfii—Marburgi Cattorum—Mülerum 1734—Cum not. dict. Herm. Kemmerichii, Jena 1738. Henrici de Cocceji, Wratislaviae 1744, 46, 47.—Cum notis H. de Cocceji, Gronovii, Barbeyrac et Samuel de Cocceji Lausannae 1751—Cum not. Gronovii, Barbeyrac Lipsiae 1758—Cum not Gronovii Barbeyrac editus Meidardus Tijdeman, Traj. ad Rhen. 1773.—Hollandsche edities Petrus Pippius, Amsterd. 1626—door H. V. Haerlem Roman 1635—van Seer, Amsterd. Jac. Colom 1651—Delft 1652—Amsterd. 1657, door B. D. bij Jan Hendricksz. en W. v. Beaumont, Amsterd. 1689—door Jan v. Gaveren, Amsterd. Frans v. der Plaats 1705 met aanteekeningen van Gronovius.

Koning Adolf v. Zweden liet de J. B. ac P. vertalen in het Zweedsch—Er is nog een vertaling in het Deensch.—Een Engelsche Vertaling gaf Will. Evat 1681—herdrukt 1718.—Een andere verscheen te London 1738.—Nog is bekend die van 1853 door William Whewell Cambridge, Parkar—Fransche vertalingen: Le droit de la guerre et de la paix enz. Antoine de Courtin, Paris, Seneuze 1687—à la Haye Mr. Wolfgang 1688—1703.—Le droit de la guerre enz. par J. Barbeyrac, Amsterd. Pierre de Coup 1724—1736—Bazel Thourneisen 1746—Amsterd. 1754—Leiden 1759—Bazel 1768. Le droit de la guerre enz par M. P. Pradier-Fodéré, Paris, Guillaumin et C'ie 1867.

Hug. Grotii Drey Bucher von Rechte enz. vertaling van Schütz, praef. van
Thomarius. Leipz. 1707. Francf. a M Fischern 1709—prof. Schweizer,
Zurich, 1718—J. H. von Kirchmann Berlijn 1869.—

Commentaren schreven: Ad Struvii—Grotius enucleatus 1660 Jenae—Joh. Mulleri. Hug. Grotii liber de J. B. et P. in tatulas redaetus. Francf. 1664. J. H. Borcler Hoogl. Geschiedenis Straatsburg. Casp. Ziegler hoogl. recht Wittenberg 1666—Jan A. Osiander hoogl. godgel. Tubingen 1671.—Henricus Henniges observ. politico-morales 1672-73—J. G. Kulpis, Collegium Grotianum super jur. b. et p. Francf. 1682—Heineccius, Praelectiones in Grotium 1744—G. G. Keuffel Exercitationes Grotiana de j. b ac p. 1762—Joh. Stapf Jus natur. et gent. in duas divisus tractatus quorum alter H. Gr., J. B. ac P. explicantur: Mogunt. 1735—Joh. Muller De J. B. ac P. Francf. 1664. Thomasius, specimen tabularum novarum in H. Gr. Lips. 1670. Velthemii. Introd. ad H. Gr. Janae 1676-77—S. Musaeus H. Gr. ad disputandum propositus 1682—J. H. Suiceri H. Grotius vom Kriegs. und Friedensrechte, Zurich 1718. Chr. Waechtleri Lectionum Grotianarum Lips. 1680-82. N. C. Lynkeri, Series operis Grotianae J. B. ac P. 1688. Joh. Olivekrantzii Tabulae in H. Gr. 1688-90-1706. Joh. Schefferi, H. Gr. de J. B. ac P. enucleatus Stettin 1693. J. S. Hendigeri, Sicilimenta de H. Grotio Rost. 1712. J. B. Wernher, Annot. Succinctae ad H. Gr. 1721. F. C. von Scheib, Grotius de J. B. ac P. in nuce 1737. G. M. Horn, observ. jurisgentium et publici univers. ad H. Grotii 1744. M. Hassius, Conspectus H. Grotii trium de J. B. et P. librorum 1746—C. F. Schott, Dissert, sistens analysin operis Grotiani de J. B. et P. Tubingen 1768-1770.—H. Grotius de J. B. et P. in compendium redactus a J. Scheffero, cum notis, edidit J. G. Wickers, Groning. 1771. In handschrift bestaan nog: H. Cras Praelect. in Grotium de J. B. et P.—Vitriarii, dictata in Grotium de J. B. et P.—Ruckeri ad Grotium. [43]

Met recht, gelijk men ziet, kon Ompteda zeggen:

"Nicht leicht hat sich een gelehrtes Werk so berühmt und allgemein bekant gemacht, nicht leicht ist dasselbe so vielfältig von neuen ausgeleget, so vielfältig commentirt, und mit Noten versehen, auch in so manche Sprache übersetzet worden, wie eben dieses." [44]

Bij zooveel lofs rijst de vraag: Heeft Grotius ook tegenstanders gehad?

Het zou wel wonder zijn, zoo dit niet het geval ware geweest.

Wij willen er slechts enkelen noemen: De annotata van Johannis à
Felde [45] waren tamelijk scherp. De twee de Cocceji, Henricus en
Samuel, [46] hadden veel op-en aanmerkingen, zij waren het positivisme in
de zedenleer toegedaan.

De professoren der Leuvensche "Alma mater," ofschoon Grotius' genie erkennend, meenden toch, dat zijn "de Jure Belli et Pacis geen onmisbaar boek was by de studie van het publieke recht. Een zekere Robert durfde zelfs zijn lessen beginnen, met te bewijzen, dat Grotius' heele systeem over het "jus naturae sociale" een "figmentum" was. [47]

#Hugo de Groot en het recht.#

I. Zijne grondstelling.

Wij kennen de ellenden, waaraan Europa, dank de averechtsche beginselen in recht en politiek, door vorsten en volken gehuldigd, in de 16'de en in het begin der 17'de eeuw, ter prooi was.

Die valsche beginselen waren geïncarneerd in de zoogenaamde machiavellistische leer, [48] de leer, dat de hoogste wijsheid der vorsten en volken was, steeds bedacht te zijn op eigen baat en hiernaar altijd en vóór alles te streven, met behulp zelfs van leugen en bedrog.

Het was tegen deze leer en, tegen de praktijk, die zich rechtvaardigde op grond dier beginselen, dat Grotius manmoedig ten strijde trok.

Macht was recht geworden.

Macht was geen recht voor Grotius. Volgens hem mochten vorsten en volken, en alle redelijke wezens hun eigen voordeel zoeken, maar niet dan, in zooverre zij in dat zoeken van hun belang, niet misdeden tegen de rechtvaardigheid. Want de mensch had volgens hem den plicht, zich in zijn doen en laten te houden aan het recht, aan de zedelijke perken gesteld, aan zijn kunnen ofwel door zijn natuur, ofwel door God, ofwel door eigen vrijwillige beschikking, en welke bestonden in hetgeen den evenmensch toekwam.

Ziedaar de stelling van Grotius. Ziedaar wat hij, die de ongerijmdheid en valschheid der machiavellistische leer in het licht wilde stellen, op de eerste plaats te bewijzen had. Want was het een onloochenbaar feit, dat wij samen leven met anderen, aan ons gelijk, en waren allen het hierover eens; een ander daarmede verband houdend feit werd juist geloochend. Het feit n.l. dat die aan ons gelijken iets toekomt, iets behoort, dat wij hun iets verschuldigd zijn, en wel zoo, dat wij zelven in onze handelingen rekening moeten houden met hetgeen hun toekomt, dat wij daartoe zelfs verplicht zijn, m.a.w. dat er recht bestaat.

Daarom was de kern der vraag deze: Waarvandaan komt het, dat aan anderen iets van nature of door Gods toedoen of door den menschelijken wil, toebehoort en wel op die wijze toebehoort, dat wij tezelfder tijd daardoor gebonden worden in onze handelingen, dat het onze plicht wordt, te eerbiedigen, wat den naaste toekomt?

II. Het natuurrecht en het stellige recht.

-A. Het natuurrecht-

+De stand der vraag en de grondslagen van het recht.+

Gelijk de meeste zijner tijdgenooten was de Groot een taalkunstenaar en leverde evenals zij, er ook gaarne de proeven van, zelfs in wetenschappelijke geschriften.

In meesterlijke taal geeft Grotius in de prologommena van zijn hoofdwerk aan, hoe men zich moet plaatsen voor het probleem: of er al dan niet een recht en een deugd van rechtvaardigheid bestaat.

Het mooie latijn is hier echter oorzaak, dat het betoog wel wat duister wordt, en moeilijk te volgen is.

Om ons te zeggen, op welk standpunt wij ons moeten plaatsen bij de vraag naar recht en rechtvaardigheid, laat hij Carneades sprekend optreden. Deze wordt als advocaat benoemd [49] en moet pleiten in naam van hen, die het recht ontkennen. Carneades' pleidooi nu was het volgende: In hun eigen belang hebben de menschen onderling verschillende rechtsbepalingen gemaakt, en zich zelf zekere voorschriften voor hun doen en laten opgelegd.

Met de verandering van tijden en gebruiken, zijn ook deze veranderd. De natuur van den mensch geeft echter geen voorschriften aan de menschelijke handelingen, die betrekking hebben op anderen; van nature staat de mensch in volle vrijheid tegenover zijns gelijken. De mensch immers, zoowel als het dier, zoekt uit zijn aard steeds wat voordeelig en goed is. Er bestond alzoo geen natuurrecht; noch eene daaraan beantwoordende deugd; en zoo men wilde, dat er wel eene bestond, wat was die deugd anders dan een groote dwaasheid; het zou immers niet minder zijn dan zijn eigen welzijn opofferen aan de belangen van anderen. (prol. 5.)

Horatius, zoo zegt Grotius, was dezen wijsgeer gevolgd. Ook hij zeide:
Nec natura justa potest secernere iniquum." (prol. 6.)

Waarom, zoo vraagt nu op zijne beurt de Groot, ontkennen Carneades en Horatius, dat er een natuurrecht bestaat? Hierom, omdat zij willen, dat de mensch van nature zelfzuchtig is. Hij is een egoïst.

Dat zij zich hierin hebben bedrogen, toont de Groot dan verder aan. Tegelijkertijd ontneemt hij hun den grond van hun beweren, omtrent het niet bestaan van het natuurrecht.

Voor wij dit verder bespreken, vooraf eene andere vraag: is het ons nu duidelijk geworden, hoe Grotius zich de kwestie van het bestaan of niet bestaan van een natuurlijke rechtsorde voorstelt?

Ik meen van wel. Hij stelt zich die vraag voor, als de vraag naar het zus of zoo zijn van de menschelijke natuur. En waarom? Ook dit leest men tusschen de regels in. Grotius neemt als uitgangspunt het bekende beginsel: "naturae conformiter vivere is het goede en geboden leven en handelen". En in zooverre is hij het dan eens met Carneades en Horatius; want, dat ook dezen hiervan uitgingen, is duidelijk uit hetgeen Grotius hen laat zeggen. Het is deze laatste stelling, die de Groot voorop zet, en die hij, naar zijn meenen, niet behoeft te bewijzen. Wat hij bewijzen moet en ook doen zal is dit: De mensch is goedig, sociaal van aard, in het diepste van zijn wezen is hij geen egoïst.

Nu wij weten, hoe Grotius zich plaatst voor het probleem, kunnen wij gaan zien, welke voor hem de grondslagen van het natuurrecht zijn.

+Van het natuurrecht in engen zin.+

De menschelijke natuur moet ontleed worden, dit deden ook Carneades en Horatius. Grotius ziet evenwel meer in den mensch, dan zij. De mensch is volgens hem een zinnelijk wezen, maar dit niet alleen, hij is nog wat meer. Onder de zinnelijke wezens bekleedt hij een uitgelezen plaats. Grotius omschrijft den mensch als een "eximium animans, multoque longius distans a caeteris omnibus, quam caeterorum genera inter se distant, cui rei testimonium perhibent multae actiones humani generis propriae." (prol. 6.)

Een der kenmerkende eigenschappen van den mensch is: "de begeerlickheyt tot geselligheyt, dat is van ghemeynschap": "appetitus societatis, id est communitatis," en wel tot een samenleving in vrede en eendracht, geordend volgens de gegevens van het menschelijk verstand; hetgeen de stoïcijnen, [Grieks: oiKeiosin], gemeenzamen omgang, noemden (prol. 6.) [50]

In het algemeen kan derhalve niet gezegd worden, gelijk Carneades wil, dat elk zinnelijk wezen baatzuchtig is.

En de mensch niet alleen vormt een uitzondering, zelfs bij sommige dieren vindt de Groot een socialen aanleg. Er zijn dieren, die zorg dragen voor de anderen. Zij zijn goed voor hun jongen of voor hun soort.

Maar toegegeven, dat de mensch van nature sociaal is, volgt daaruit en daaruit alleen, dat de mensch rechtsplichten heeft? Neen. Bij den socialen aanleg moet nog iets anders komen, n.l. dat de mensch verstand bezit.

Dit verklaart Grotius als volgt. Het sociale leven der dieren is, volgens hem, te danken, aan een verstandelijk beginsel buiten hen, omdat zij zelf geen verstand bezitten. En dit blijkt hieruit, dat zij niet eenzelfde gedragslijn volgen in alle andere zaken, ook zijn deze op zich zelf niet moeilijker.

Maar, zoo laat Grotius hier aanstonds op volgen, wat nu den mensch betreft, die in het volle bezit en gebruik is zijner vermogens, deze bezit zelf verstand, hij weet immers in gelijke omstandigheden gelijk te handelen en daarom is hij in staat algemeene beginselen te kennen en daarnaar te handelen. Daaruit nu volgt, dat de mensch, die in zich een bijzondere begeerte heeft tot sociaal leven, volgens dien socialen zin moet leven en in alles zijn doen daarnaar heeft te regelen. Om die redenen zijn zulke handelingen van den mensch overeenkomstig zijn natuur, welke in overeenstemming zijn met zijn aanleg tot gezelligheid. [51]

De "custodia societatis", is alzoo, en wel, in zooverre de mensch daartoe de middelen kent, de bron van het recht in den strikten zin des woords, van het recht, dat het "jus sociale" genoemd wordt en waaronder valt: het eerbiedigen van andermans goed; het teruggeven van hetgeen wij van een ander hebben of van de winst, die het ons gaf; de verplichting, van aangegane verbintenissen na te komen; van te restitueeren de door onze schuld veroorzaakte schaden; het verdienen van straf bij de menschen, (prol. 8.)

Hiermede was de bewering van Carneades en van hen die zeiden: "Utilitas justi propre mater et aequi" (Horatius) ontzenuwd. Want het natuurrecht dankt zijn ontstaan aan de menschelijke natuur zelf, die ons, ook al hebben wij er geen voordeel bij, naar onderlinge gemeenschap doet verlangen. (prol. 16.)

Vatten wij voor de duidelijkheid Grotius' gedachten nog eens samen. De sociale gezindheid, waarvan de mensch blijk geeft, wordt voor den mensch eene rechtsbron: want, dewijl hij het vermogen in zich draagt in alles een zelfde gedragslijn te volgen, dewijl hij verstand bezit, kan hij in alles sociaal zijn, is het hem natuurlijk, sociaal te zijn, d.i. zorg te dragen, dat er gemeenschap blijve met de anderen, en daarom, omdat hem dit natuurlijk is, omdat dit in zijn vermogen ligt, is het voor hem ook een plicht.

Wij moeten nog op twee punten de aandacht vestigen. Waardoor bewijst Grotius de menschelijke geneigdheid tot gezellige samenleving? Zijn eerste bewijs vindt hij in het spraakvermogen, dat de mensch bezit, het geëigende middel voor een rustig samenzijn. Dit is in zekeren zin een aprioristisch argument. Een ander bewijs is voor hem het gezag van bijna al de wijzen. Zoo o. a. Chrysostomus en Marcus Aurelius. De eerste zegt (ad Rom. Hom. 31.): Habemus natura homines cum homnibus societatem, quidni, cum tale quid inter se et ferae habéant? Elders (C. 1 ad Ephes.) zegt hij, dat wij van nature de beginselen der deugd in ons hebben. Marcus Aurelius schrijft: Pridem patuit ad societatem nos genitos; en op eene andere plaats, dat de mensch geboren is, om wel te doen.

Hetzelfde getuigen Nicetas Chonites en Augustinus. (prol. 6 in nota) [52]

De tweede zaak waarvoor wij nog de aandacht vragen, is de volgende. Wat bedoelt Grotius met den socialiteitszin van den mensch. De uitdrukking "Homo animal sociale" vinden wij immers overal; wij vinden ze bij schrijvers, die in het recht tamelijk uiteenloopende meeningen waren toegedaan.

De Groot bedoelt daardoor zeker niet de geneigdheid tot de maatschappij in de geijkte beteekenis van het woord, die hij zelf later zal bepalen als: de volmaeckte vergaderinghe van vrije menschen te samen vergadert om recht te genieten en ghemein profijts wille. (De Juri B. et P. l. 1 c. 14.)

Het is ook niet de samenleving, gelijk Hartenstein [53] meent, "bei welchem, jeder ohne ein eigentliches gesellschaftliches Wollen, sehr wohl seinen eigenen Zwecken nachgehen kann …: die Gesammtheit der Beziehungen und Berührungen, die in den Zusammenleben einer Mehrheit wollender Wesen nicht ausbleiben können."

Ik zou denken, dat Grotius wil zeggen, dat die "Gesammtheid der Beziehüngen und Berührungen" moet zijn: in welwillendheid en eendracht, juist wijl zij voor Carneades niets waren dan onderlinge betrekkingen, ingegeven en geregeerd door egoïsme.

Grotius bedoelt m.i. een samenzijn in onderlingen vrede, het leven als socii, als gelijken (zou ik willen zeggen), die hoewel elkander niet eigenlijk liefhebbend, elkander toch respecteeren en dienstig willen zijn. Voor deze opvatting pleiten èn de door Grotius aangehaalde plaatsen van schrijvers èn de samenhang.

+Van het recht in oneigenlijken zin.+

Vindt de mensch in zijn sociale natuur, datgene, wat hij volgens strikt recht verplicht is aan anderen, en daardoor tevens de afbakening van wat hij niet verplicht is aan zijn evenmensch, van zijn recht ten overstaan van zijn gelijken; ook nog het zich bewegen binnen deze grenzen van het strikte recht, is aan regels onderworpen. Deze regels of voorschriften vormen het "jus naturae laxius."

Dit recht of liever deze voorschriften berusten hierop, dat de mensch niet slechts door zijn zin voor maatschappelijk leven uitsteekt boven de andere zinnelijke wezens, maar ook, doordat hij kan oordeelen over de dingen, en zoo kan weten, kan schatten, wat hem goed, wat hem schadelijk is, "quae delectant aut nocent" zegt Grotius. En dit oordeelen of iets goed of wel kwaad voor hem is, kan de mensch zoowel wat het tegenwoordige als wat het toekomende betreft, "et quae in utrum-vis ducunt". (o.c. prol. 9)

Want ligt het in de menschelijke natuur oordeelkundig te werk te gaan, dan is ook alle ondoordacht handelen, het zich laten leiden door vrees of schrik, door een oogenblikkelijk genot, in strijd met de natuur, met de orde, aangegeven door de natuur, n.l. de menschelijke natuur.

Onder dit natuurrecht in ruimeren zin valt de plicht, dat men overleg moet gebruiken bij het vergeven van datgene, wat aan iemand persoonlijk of aan een communiteit toebehoort. De wijze moet den voorrang hebben op den minder wijze, de arme op den rijke, de naastbestaande op den vreemdeling.

Men heeft ooit gemeend, dat deze "prudens dispensatio" van wat men heeft, een deel vormt der rechtvaardigheid in strengen zin. Dat is onwaar, want de rechtvaardigheid streng genomen, bestaat in het iemand laten of teruggeven van wat het zijne is of van datgene, wat wij door een verbintenis verplicht zijn hem te geven. [54]

Het jus naturae laxius berust dus niet op een nuttigheidsbeginsel zonder meer, gelijk Kaltenborn [55] meent? "Neben diesem jus naturale strictum, wird noch ein laxius aufgestellt dem das Princip der Nützlichkeit zum Grunde liege"; zijn eigen welzijn mag de mensch zoeken, maar dat slechts in zooverre als redelijk wezen; zijn waar en werkelijk welzijn is de mensch verplicht na te streven.

De menschelijke handeling is goed en geboden, of kwaad en verboden, niet als zij nuttig is, maar als zij redelijk is.

Daarmede houdt verband, wat Grotius later zegt, dat de beoefening der deugden van matigheid, sterkte en voorzichtigheid niet alleen altijd goed is, maar zelfs ooit plicht wordt, dan n.l., als het tegen de rede zou zijn, deze deugden niet te beoefenen. [56]

Deze beginselen zal Grotius later toepassen, als hij de kwestie, of de oorlog per se een onrechtmatige daad is, gaat oplossen. Eerst, zoo zegt hij, moet men zien of wij al van zelf, door onze zinnelijke natuur tot iets geneigd zijn; vervolgens of dat geneigd zijn niet in strijd is met ons verstand. Het verstand immers moet de driften van den mensch beheerschen. [57]

-B. Het stellige recht.-

+1° Het bestaan eener willekeurige goddelijke rechtsorde.+

Et haec quidem quae jam diximus locum aliquem haberent, etiamsi daremus, quod sine summo scelere dari nequit, non esse Deum, aut non curari ab eo negotia humana. [58] (o.c. prol. 11)

Deze zoo bekende en zoo befaamde woorden van Grotius volgen na zijn uiteenzetting van het natuurrecht in zijn dubbele beteekenis. Zij dienen niet slechts om den aard aan te geven van het natuurrecht, als onafhankelijk in zijn bestaan van elk uitwendig beginsel, als wordend met den mensch en met zijn natuur; maar zij dienen tevens als overgang tot eene nieuwe rechtsbron: de uitgesproken wil van God.

God, zegt hij, bestaat; èn de reden, èn de overlevering leeren het ons. God is de Maker van alles, wat is, en wij hebben Hem te danken, hetgeen wij zijn en hebben.

Hieruit volgt, dat Hij een hoogheidsrecht heeft over ons, dat wij zijn wil moeten volbrengen, Hem moeten gehoorzamen. Wij zijn hiertoe nog te meer verplicht, wijl God oneindig goed is jegens den mensch, dien Hij met weldaden heeft overladen, en wijl Hij oppermachtig is. Rijkelijk beloont hij degenen, die doen, wat Hij voorschrijft en zwaar zal de straf zijn voor hen, die Zijnen wil niet volbrengen. (Prol. 11) De rede zegt dus den mensch, dat hij Hem onvoorwaardelijk gehoorzaamheid verschuldigd is.

Behalve de voorschriften geworden door Gods wil in den loop der tijden, zou men goddelijk recht kunnen noemen, het recht, dat voortvloeit uit innerlijke beginselen van den mensch, het sociale recht en het jus naturae laxius, want God heeft gewild, dat zoodanige beginselen in ons waren. (Prol. 12.)

Verder heeft Hij door Zijn wet die beginselen ook duidelijk gemaakt voor hen, die met minder gaven zijn bedeeld. (Prol. 13.) [59]

De gewijde geschiedenis daarenboven, behalve dat zij Gods wet openbaart, wekt ons niet weinig op tot welwillendheid jegens den naaste, tot een socialiteitszin. Zij doet dit door ons te leeren, dat wij allen van één menschenpaar afstammen en dat er, gelijk Florentinus zegt, (Prol. 14) een verwantschap bestaat tusschen allen.

+2° Het bestaan eener menschelijke rechtsorde (burgerlijk en volkenrecht).+

Behalve de voorschriften van het natuurrecht en het goddelijk recht, kunnen er bepalingen zijn omtrent de verhoudingen der menschen onderling, ontstaan door stilzwijgende overeenkomsten of gebruiken.

Het is eene natuurplicht, aangegane verbintenissen trouw na te komen.
Hieruit vloeit het burgerlijke recht voort. (Prol. 15.)

Want, zoo zegt de Groot, men moet veronderstellen, dat zij, die zich hebben aangesloten bij eene menschengroep, of zich onderworpen hadden aan eenen of aan meerderen, uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben beloofd, te doen, wat de meerderheid der groep of zij, aan wien het regeeringsbeleid was opgedragen, zouden vaststellen. [60]

Ook het door de burgerlijke overheid bepaalde, ontleent derhalve zijn rechtskracht niet aan het nuttig zijn der bepalingen, maar aan de verplichting van gehoorzaamheid, voortvloeiende uit de "consociatio" of de onderwerping. Het vindt alzoo zijne rechtskracht in het natuurrecht.

De gelegenheidsoorzaak van het civiele recht is echter het belang; want die verzameling tot een gemeen leven of die onderwerping ontstond om het nut, daarin gelegen. [61] En van den anderen kant zij, die anderen de wet voorschrijven zijn gewoon iets voor te schrijven, omdat het goed en ten bate is der onderdanen, ofwel zij moeten minstens dat doel beoogen met hunne wetten.

Gelijk nu het burgerlijk recht ten voordeele is van een volk, zoo konden er rechten en plichten ontstaan "ex consensu" en zijn er werkelijk ontstaan, die het heil op het oog hebben der groote menschelijke societeit. [62]

Dit positieve recht kan aangeduid worden met den naam volkenrecht.

III. De Sanctie van het recht

Na de grondslagen van het recht te hebben aangewezen, komt de Groot nog eens terug op Carneades' beweren. In nog donkerder kleuren wordt diens leer geschilderd. Het recht is voor hem een dwangbuis, dat men aantrekt, en waarin men zich schikt, uit vrees voor erger, uit schrik voor hen, die machtiger zijn dan wij.

Geene stelling, hoe ongerijmd ook, of zij bevat nog een kern van waarheid. Ook de Groot begreep dit, en daarom vraagt hij zich af, in hoeverre Carneades en Horatius wel gelijk konden hebben. Daarmede vindt hij tevens aanleiding te spreken over de sanctie van het recht.

Dat wij alleen door vrees gedwongen het recht zouden naleven en onderhouden, is voor Grotius een groote dwaling.

En ziehier waarom. De redelijke mensch, zoo zegt hij, onderhoudt de landswetten en het redelijke volk het volkenrecht, gedreven door welbegrepen eigenbelang. De burger begrijpt immers, dat hij, zoo hij de voorschriften der overheid niet opvolgt, zijn blijvend belang en dat van zijn nageslacht uit het oog verliest. Evenzoo moet elk volk inzien, dat het niet verder komt met het niet onderhouden van natuur-en volkenrecht, maar integendeel de grondslagen van zijn eigen rustig bestaan ondermijnt.

Ik wil niet meer herhalen, zoo gaat hij verder, wat ik boven reeds gezegd heb, dat het geen dwaasheid zou zijn maar wijsheid, te leven volgens de rechtvaardigheid ook nog, zelfs dan wanneer wij er absoluut geen voordeel bij hadden; om reden dat het steeds wijsheid is te leven volgens onze natuur. [63]

De stelling van Carneades is derhalve valsch als algemeene stelling; Niet ter wille van overmacht onderhoudt de redelijke mensch de wetten, doch uit welbegrepen eigenbelang of uit plicht. Maar kan men dan niet zeggen, dat het recht ooit de wil is van den sterktste? Ongetwijfeld ja; dan n.l. als het de instellingen of wetten geldt, die zijn gemaakt om het recht te doen eerbiedigen, zooals zijn de rechtbanken en de strafwetten. Hier kan men zeggen dat het recht de wil is van den sterkste, evenwel slechts in een bepaalden zin. Men vergete niet, wat hier bedoeld wordt. Alleen dit, dat het recht in de praktijk dikwijls zou overtreden worden, zoo het niet de macht in zijn dienst had. Gelijk men ziet, komt Grotius nu bij de sanctie van het recht.

Een sanctie is noodig. Het recht vindt die sanctie dikwerf in een tijdelijke macht. De onwilligen worden vaak met ijzeren arm gedwongen te doen, wat zij moeten doen. Maar zou het recht van alle sanctie ontbloot zijn zonder tijdelijke macht? Wel neen. Ook dan nog heeft het recht zijn gevolgen, een intrinsieke sanctie bestaat er. Het is de gerustheid van geweten voor hen, die het recht naleven; het is de onrust en wroeging voor diegenen, welke zich niet om het recht bekommeren, De rechtvaardige oogst den lof in der menschen, de ongerechte wordt verafschuwd. Wat meer is, God die zijn oordeelen bewaart voor het volgend leven, is de vijand van het onrecht en heeft het recht lief. (o.c. prol. 20.)

Ten slotte acht de Groot het noodig weder opnieuw te wijzen op het voordeel, dat er gelegen is in het nakomen van het volkenrecht. Want begrijpt men allicht, dat men ter wille van zijn eigen belang de burgerlijke wetten dient na te leven, niet zoo licht ziet men in, dat ook hetzelfde geldt, wat de onderhouding van het recht betreft, ten overstaan van hen, die niet met ons leven in eenzelfde burgerlijke gemeenschap. Ook hier kunnen wij niet onrechtvaardig leven leven zonder zelf schade te lijden. Een volk immers kan zoo machtig zijn, als het wil, het heeft toch, niettegenstaande dat, om maar iets te noemen, de anderen noodig om verbonden volken, die tegen hetzelve optrekken, te kunnen weerstaan; evenzoo heeft het de anderen noodig voor zijn handel, (o.c. Prol. 22.)

Onderlinge gemeenschap tusschen de volken, onderlinge eenheid in één woord, is noodig en daarom ook is noodig, dat er rechtvaardigheid beoefend worde; zonder deze deugd immers kan geen enkele gemeenschap bestaan, zelfs niet een van baanstroopers. [64]

IV. De beteekenis van den term "recht".—De verdeeling van het recht.

Als wij, zoo zegt de Groot, boven ons boek als titel schreven: "Over het recht des oorlogs," dan wilden wij daarmede het doel van ons schrijven bekend maken. Wij wilden zeggen, dat wij op de eerste plaats ons gingen afvragen, of een oorlog rechtvaardig kan zijn, en vervolgens, wat in den oorlog rechtens mag gebeuren.

Daarom zouden wij het woord "recht" uit den titel niet anders kunnen omschrijven dan aldus: hetgeen rechtvaardig is. Hetgeen rechtvaardig is: de zin dezer woorden is meer ontkennend dan bevestigend; evengoed zou men derhalve kunnen zeggen: "hetgeen niet onrechtvaardig is" [65].

Wil Grotius, in het opschrift van zijn werk, met den term "recht" even zooveel zeggen als: wat rechtvaardig of nog liever wat niet onrechtvaardig is, ook nog in twee andere beteekenissen kan dat woord, zoo zegt hij, gebruikt worden.

"Recht" kan aanduiden, de zedelijke hoedanigheid iemand eigen, om iets rechtens te doen of te bezitten. [66]

Vervolgens kan dat woord gebezigd worden als synoniem van "wet" ten minste, als dit laatste woord genomen wordt in zijn meest uitgebreide beteekenis; als een regel n.l. voor de zedelijke handelingen van den mensch, die verplicht tot eerbare daden. Als een regel, die verplicht; want raadgevingen en bevelen, al hebben zij tot voorwerp het eerbare, kunnen, zoo zij geen verplichting doen ontstaan, wet noch recht genoemd worden. [67] De term "recht" kan derhalve in driedubbelen zin gebruikt worden. Hoe verdeelt men het recht in elk dier beteekenissen?

* * * * *

"Recht" kan beteekenen, hetgeen rechtvaardig is, of nog beter, hetgeen niet onrechtvaardig is. Neemt men den zoo even genoemden term, in dezen zin, dan kan men spreken van een "jus aequatorium", en een "jus rectorium". En waarom? Dewijl datgene onrechtvaardig of onrecht genoemd wordt, wat in strijd is met het wezen der gemeenschap van hen, die met rede en verstand begaafd zijn; [68] en de gemeenschap vervolgens verschillend kan zijn. Zij kan n.l. bestaan, ofwel tusschen gelijken, bijv. tusschen broeders, burgers, vrienden en bondgenooten; ofwel tusschen meerderen en minderen, zooals ouders en hunne kinderen, een heer en zijn knecht, een koning en zijn onderdanen, God en de mensch. [69] Volgens Aristoteles is deze laatste vorm van sociaal leven, de volmaaktste.

Het is duidelijk, dat, zoo de gemeenschap verschillend is, het onderlinge recht van hen, die in gemeenschap leven, verschillend zal zijn. Eenzelfde handeling immers kan in overeenstemming zijn met de samenleving van gelijken, terwijl zij niet in overeenstemming is met een sociëteit in den meest volkomen vorm, met een gemeenschap van meerderen en minderen.

Wordt "recht" genomen, als zedelijke hoedanigheid iemand eigen, om iets rechtens te doen of te bezitten, dan is het noodig onderscheid te maken in het recht, al naar gelang de zedelijke hoedanigheid volkomen of minder volkomen is.

Is zij volkomen, dan kan men spreken van een "facultas", van een bevoegdheid. Is zij onvolkomen, dan moet men ze noemen "dignitas", een "waardigheid".

Het recht in den zin van volkomen zedelijke hoedanigheid wordt bij de rechtsgeleerden aangeduid, door "het zijne". Hier wordt dan onder begrepen, het "jus personale" en het "jus reale". Hoe "facultas" en "dignitas" verschillen, wil Grotius nog duidelijker maken. Zij staan, zoo zegt hij, tegenover elkaar gelijk "potentia" en "actus" "in naturalibus." Aan de "facultas" beantwoordt in een ander, de "justitia expletrix" de vergeldende rechtvaardigheid; aan de "dignitas", de "justitia distributiva" de begevende rechtvaardigheid. [70] (l. 1 c. 1 § 4 tot 8.)

De "facultas" wordt op hare beurt nog onderscheiden in een "vulgaris" en een "eminens". De laatste is de volkomen rechtsbevoegdheid, die, terwille van het gemeen welzijn, toekomt aan het volk in zijn geheel, over de deelen, waaruit het volk bestaat, en hunne goederen.

Wordt "recht" genomen in den zin van "wet", dan moet het recht worden verdeeld gelijk de wet. Hier volgt men het best Aristoteles, die het recht, als wet, onderscheidt in natuur-en willekeurig recht. (ibid. § 9.)

Welke beider eigenschappen en kenmerken zijn, zullen wij aanstonds zien.

In "de Jure Belli ac Pacis", zegt Grotius over de beteekenis van den term recht en de verdeeling van het recht niet heel veel meer, dan hij reeds vroeger geschreven had in zijn "Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid." [71] "Rechtvaardigheid", zoo lezen wij daar, is een deugt des willes om te doen dat recht-matig is, recht-matig is dat met het recht overeenkomt."

"Recht wert genomen ruym of eng. Ruym genomen recht is de over-een-koming van de daedt eens reedelijk wezens met de reden: voor zooveel aen de selve daedt een ander yet is gelegen."

"Eng genomen recht is het opzigt dat daer is tusschen een reedelijk wezen ende yet dat op het selve past, door waardigheid ofte toebehooren."

"Waerdigheyt is de bequaemheyt van een reedelijk wezen tot yet dat begeert wert."

"Toebehooren is waer door yet het onse wert genoemt ende bestaet (als hier na sal worden verklaert) in Beheering ende in Inschult."

Ook hier spreekt Grotius over de justitia "expletrix en distributiva", juist als in zijn hoofdwerk.

"Van de rechtvaerdigheid, die op 't eng genomen recht ziet, wordt die soorte die op de waerdigheid acht neemt, ghenoemt begevende: de andere die op het toebehooren let, de vergeldende." Wij moeten hier echter opmerken, dat men niet moet denken, dat de Groot met de "justitia distributiva" bedoelt de rechtvaardigheid, die de Staat bij het opleggen van lasten aan zijn burgers en bij het vergeven van goederen, in acht moet nemen. Voor Grotius is deze niet de justitia "distributiva", maar de vergeldende of "expletrix." [72]

De rechtvaardigheid, die op 't ruim genomen recht ziet, wordt door de Groot nog verder omschreven. Zij werd "bij den wijzen ghenoemt ofte algemeene, omdat zij in haer begrijpt alle daden van andere deugden, doch met een zonderling aanzien, te weten voor zooveel dezelven dienstig zijn tot onderhoudinge van eenige ghemeenschap, of te oock wettelicke, omdat dezelve zoo verre streckt als de wetten ende door de wetten de maet ende 't richtsnoer ontfangt."