XXI-De Aankondiging Van Het Bombardement
In den morgen van woensdag 7 october, stond er te lezen in de bladen dat het bombardement der stad aanstaande was en de burgers konden vluchten langs de eenig overgebleven vrije wegen van het Noorden en het Noord-Westen.
Ik was reeds vroeg de straat op. Overal stonden de menschen aan hunne deuren, in groepjes, de noodlottige aankondiging te bespreken. Het was te zien dat het nieuws algemeene ontzetting verwekte in de stad. Bij de meeste luidjes gingen immers nu eerst de oogen met verbazing open. Zonder eenigen overgang werden zij plotseling gesteld voor het allerschrikkelijkste: het bombardement hunner huizen, den val hunner stad. Wat wisten zy anders van den oorlog dan hetgeen zij stil op hunne kamers in hun antwerpsch krantje hadden gelezen en dat vertelde hun gisteren nog dat de zaken goed stonden, dat er geen de minste reden was tot verontrusting, het nachtelijk kanon-gebulder zelfs mocht niemand beangstigen: het waren proefscheuten met de zware engelsche marine-stukken.
Toch ontstond er geen paniek. De burgers beoordeelden kalm wat hen te doen stond. Tot vluchten werd vrij algemeen besloten, maar de middelen om die vlucht te verwezenlijken bleven een ernstig vraagstuk. Nagenoeg alle taxi's en de meeste paarden werden sinds lang voor oorlogsdienst gerekwireerd. Het trein-verkeer over de twee nog-bruikbare lijnen, Vlaamsch hoofd-Gent en Antwerpen- Esschen, was onzeker en beperkt en de Vlaamsche lijn bleef dan nog voorbehouden aan de laatste trekkende soldaten en eerst en vooral aan de gekwetste en herstellende die nu in een rampzaligen stoet van alle kanten toekwamen aan de vlotbrug voor het Steen.
Het was deerniswekkend om aan te zien: vele die zich voortsleepten op krukken met nog dik-omzwachtelde voeten, andere bleek en zwak met in-witte-windels-gedragen armen of het hoofd omwonden en die door verpleegsters moederlijk werden ondersteund, enkele zelfs die, meer dood dan levend, op berrie's moesten worden aangedragen. Het was als de toevlucht van alle ziekten en misères op de beroemde ets van Rembrandt, maar zij kwamen niet naar een Christus die hen zou genezen, zij vluchtten de dood of de gevangenschap die hen wachtte wanneer zij bleven in de stad.
Toen ik weer huiswaarts keerde, door een arme volkstraat, zag ik een van die lange zwarte koolwagens vol stoelen zetten om zoo een paar buur-gezinnen naar de nederlandsche grens te voeren.
Mijn huisgenooten besloten ook dienzelfden ochtend te vertrekken naar ons landhuisje te Cappellenbosch, waar het voor 't oogenblik nog veilig scheen. Zij hadden gelukkig nog een rijtuig kunnen huren dat hen tot in Cappellen zou voeren. Met verkropt gemoed werd het oude familie-huis verlaten met niets dan het allernoodigste voor de onzekere reis. Wij bleven samen tot aan Deurne-poort. Hier moest afscheid worden genomen… nog de laatste wuiving van een hand uit het portier en ik zag de zwarte koets voortrijden in den onafgebroken stoet van allerhande gespannen en te midden een reeds drukke toeloop van beklagenswaardige vluchtelingen. Ik bleef alleen van ons gezin achter in het bedreigde Antwerpen.
Ik wilde terug de stad in, maar in de hemel-ruimte, boven het plein voor de vestingpoort, beschreef eene duitsche Taube hare reusachtige kringen, heffend en dalend tusschen de openknarsende schrapnels onzer kanonnen die over de huizen donderden. De menschen vluchtten ijlings naar alle kanten om eene beschutting te zoeken onder het rood-steenen gewelf der poort of achter de muren der omliggende gebouwen. Een zuster, die waarschijnlijk pas uit de stilte van haar klooster was vertrokken, bleef alleen achter op het groote plein en stond daar bedremmeld en hulpeloos. Ik ging haar halen en bracht ze veilig onder de poort.
De Taube dreef weer af naar het Noorden, als het ware om de burgers op hunne vlucht te volgen en schrik aan te jagen, want bommen werden toen niet geworpen.
Op de Turnhoutsche baan zag ik menschen hunne keldermonden met kolen, zand of aarde dichtsluiten. Er was groote ontsteltenis overal, maar velen die nog aarzelden of zij wel trekken zouden, velen ook die niet weg konnen of zich geen volle rekenschap gaven van 't gevaar.
De antwerpsche historie telt meer dan een bombardement. Dat van Baron Chassé in het jaar '30 lag nog zoo ver niet in 't verleden en ieder had er in zijn familie, door grootvader of grootmoeder, wel eens hooren van vertellen. De sinjoren zouden dat nu ook wel doorkomen en zij hielden eerst en vooral van hun huis.
In 't voorbijgaan, trok ik even het centraal-station binnen. Alle winketten waren gesloten. De reizigers liepen vrij de groote hal binnen langs de hooge marmeren trappen. Ik volgde den drang en zag een trein bestormen die, reeds volgepropt, op vertrekken stond naar Holland. De menschen klauterden tot op de daken en hielden zich vast op de stijgplanken. Het werd hier een zinnelooze vlucht die op paniek geleek.
Ik ging van daar naar de Kipdorp-vest, waar het bestuur gevestigd was waarvan ik door mijn nieuwe bezigheden afhing. Al de bureelen waren met de regeering reeds naar Oostende vertrokken. Geene verplichting weerhield mij langer nog in de stad. Ik was vrij maar nog besluiteloos.
Toen ik weer in mijn buurt kwam zag ik hoe nog maar steeds alle menschen aan hunne deuren stonden en, als om raad of hulp of een bemoedigend woord, uitkeken naar de voorbijgangers. Luidjes die mij vroeger niet schenen te kennen groetten mij nu als met een innigheid. "Die is nog hier en rustig in 't gevaar!" zoo blikten hunne vertrouwende oogen mij hartelijk te gemoet.
Over de andere stoep kwam burgemeester Jan de Vos aangestapt, op zijn dagelijksche gang naar het stadhuis. Hij liep verstrooid in zijn donker-grijze redingote, de licht-grijze girondin op het hoofd, ietwat gebogen, zwaar van kommer en verantwoordelijkheden, in deze hachelijke uren. Hij beantwoordde geen enkelen groet van de vele lieden die hem eerbiedig nakeken en nu eerst recht gevoelden hoe hij was de burgervader waarop men rekenen mocht. De innerlijke overweging volgend, keken star de afwezige oogen van achter de glimmende lorgnonglazen, waarvan het zijden koordje argeloos neerhing langs zijn zwart en witte snor en zijn rood gerimpeld gelaat. Ik had den indruk van een man die eenvoudig een held zou zijn als 't noodig was en het eigen leven niet zou achten in 't gevaar.
In den namiddag ging ik een vriend opzoeken om te vernemen wat hij zinnens was te doen.
—"Wat zijt ge bleek!" zoo was de bezorgde vraag die mij begroette "Uw gelaat draagt de sporen van ontzetting. Voelt ge u niet wel of is het angst?"
Ik keek verwonderd op doch stelde mijn vriend gerust:
—"Ik voel mij wel, goddank, mijn huisgenooten zijn weg, in veiligheid en 'k ben van dien kant zonder kommer. Voor mij zelf ken ik geen vrees en, indien ik angst gevoel, dan is 't voor deze stad en alles wat hier kan vergaan. Voelt gij het ook niet, beste, er is iets nieuws over ons gekomen, onze weelderige vrede is voor goed verstoord, al de trotsche kooplui dezer stad zijn geschokt in hunne ikzuchtige genieting, de koffers worden geledigd, de fortuinen storten in elkaar, een rukwind waait alle vensters open en jaagt zelfs oude en zieke menschen op de straat langs alle wegen van de wereld. Ons volk lijdt, wij gaan nu lijden met ons volk, wij gaan ons deel hebben in de moorderijen, in de brandstichting, in de vermorzeling van dit geslacht, heel het grootsche gebouw van onze voorvaders stort in puin. Ja ik weet het, door onze kleinheid tegenover het almachtige Duitschland heeft onze strijd eene glorie verworen, die aan de antieke tijden denken doet. Als wij uit dien oorlog vrij en onafhankelijk weer eens te voorschijn komen, dan is er met ons in de geschiedenis iets gebeurd, dan hebben wij een roem verworven die van geslacht tot geslacht zal voortgegeven worden als de kostbaarste schat onzer nationale fierheid. De gemakzucht en de zinnelijkheid die alle zedelijke energie gingen sloopen, die alle enthousiasme verzwakten hebben van de zweep gekregen en komen zoo gauw niet meer weerom. Er overkomt ons iets dat ons diepste wezen moet veranderen en ons tot een volk maken dat eerbied afdwingt voor heel de wereld. Maar nu, nu op dit oogenblik, nu lijden wij, nu voelen wij alleen de gruwelen van dezen tijd en hoe de ijzeren hand van den dwingeland reeds op ons weegt, wij lijden omdat wij voor lang niet meer volledig zullen kunnen leven, wij lijden om alles wat vergaat voor eeuwig in het aanschijn van ons lieve land. Die pijnlijke ondervinding mag te lezen staan op ons gelaat. Het is niet te verwonderen dat wij er de sporen van dragen, ik zou mij eer schamen moest het anders wezen."
Mijn vriend aanhoorde geduldig mijn ietwat zenuwachtige uitval, die zijn kijk op mijn innerlijk gemoed bij mij had uitgelokt. Wij gingen kalmtjes voort met praten over de mogelijkheden die nog in de lucht hingen. Hij wilde weg, maar aarzelde zijn mooi huis, met de schilderijen, de boeken, de zeldzaamheden die hem lief waren te verlaten. Ik werd gewaar dat in die uiterste oogenblikken niet slechts de wil en de koele redeneering—te veel onbekenden kwamen in het vraagstuk voor—maar wel de omstandigheden, een onvoorzien voorval, een luim, de beslissende daad uitlokten van te blijven of te gaan en wij namen nog geen besluit.
Ik ging weer naar mijn huis. Over de Schoenmarkt reed er een grijze auto aan mij voorbij. Ik erkende den Koning. Het was ongeveer drie uur in den namiddag. Hij reed langs de Koornmarkt naar de Schelde toe, Ik kende die richting, zij was voor dagen reeds de baan van allen aftocht. Onze vorst verliet dus ook de stad! Onze ministers en de vreemde gezanten waren vertrokken, ons leger was nagenoeg geheel over den stroom en op weg door Vlaanderen, Winston Churchill was weg in een auto naar Oostende. Mijn besluit stond vast. Ik zou vertrekken. Deze stad ging in de handen van den vijand vallen, ik zou moeten de gehate soldaten en de trotsche officieren door mijn straat en aan mijn huis zien voorbij gaan. Wij zouden ons aan den willekeur van een glorie-dronken overwinnaar moeten onderwerpen. Wat waren geld en goed en alle duurbaarste herinneringen, vergeleken bij de vrijheid daarbuiten, met alle mogeijlkheden om naar mijn beste krachten voor het vaderland te werken?
XXII-De Laatste Uren
Ik lag in mijn zetel, keek mijn kamer rond en peinsde.
Hier heb ik zoo vele dagen van mijn leven hard gewerkt. Hier heb ik eindelijk klaarte gezien in mijn jonge droomen. Hier ben ik uit de onbewustheid losgeworsteld en heb ik geestdrift gekend tot groote daden.
Langs de wanden stonden de vele boeken die mij lief waren, hingen de prenten en de schilderijtjes die bij mijn leven hoorden en bij de bewegingen van mijnen geest. Ik keek naar de ronding en de kleuren van een vaasje; ik zag het slanke gebaar van de tanagrabeeldjes boven mijn boekenkast; aan den donkeren wand naast het venster was de bittere mondplooi van een Beethoven- masker.
Ik voelde weemoed naar boven komen.
—Er valt nu niets meer te doen dan kalm van alles te scheiden. Hoe nutteloos is al ons gehaast, heel onze zenuwachtige bedrijvigheid het was een waan. Wij meenen soms tot iets noodzakelijk te zijn en alles gaat voort als wij verdwijnen. Hoe ijdel blijken nu al de gewichtige gesprekken die hier werden gevoerd! De werken waar ik met heel mijn ziel aan hing zullen voor jaren moeten rusten en misschien nooit meer hernomen worden. Een andere tijd begint en een nieuw leven. Al het oude wordt als een versleten kleed afgelegd en daargelaten.
—Daar in die schuiven liggen brieven van geliefde wezens die ik op mijn zwerftochten door de wereld heb ontmoet en die uit de millioenen onbekenden naar mij zijn toegekomen en boven alles lief geweest. Die brieven bevatten de uitspraak van hun hart, van hun innigste denken, van hun beste geloof, van hun vurigste betrachting en verlangens.
Ik trok de schuiven open.
—Zou ik ze meenemen? Neen er viel niet aan te denken. Wat zou ik kunnen dragen op een tocht, te voet misschien naar de grenzen, niets dan mijn eigen noodzakelijkste goed. Zou ik ze verbranden? Neen dat mocht niet, 't was onmogelijk al het teerste en schoonste te vernietigen, dat in momenten van hoogste zielestemming was ontloken of geklaagd werd van uit afgronden van smart. Ik zou misschien alles eens terug vinden, wie weet?
Ik sloot de schuiven en borg den sleutel.
Ik liep het huis af, een laatsten keer, alle kamers door, waar wij zoovele jaren hadden geleefd en vreugde en droefheid gekend en gedeeld. Mijn voorzaten keken mij aan van uit hunne oude vergulde kaders, al die stille en verre menschen die geleefd hadden in tijden van rust en onverstoorbaren vrede: grootvader met zijne bakkebaarden en de roze hand op den hecht van zijn krommigen officierssabel uit den tijd van Leopold I; Grootmoeder uit Holland, met haar strak-gesloten mond vol stil-verbeten droefheid, haar vader vocht in 't verre Indië en zij was vroeg verlaten en alleen; Overgrootmoeder met de witte muts en de zware gouden halsketting en de gouden horlogie op het blinkend zwart zijden kleed; een vroeg gestorven tante uit Haspengouw, als een meisje, met een roode roos in haar hand en een fijn juweeltje dat van uit de haarschijding neerhing op haar maagdelijk voorhoofd tusschen de platgestreken bandeaux. Ik was de eenige die hier overbleef om een laatste blik te wisselen met hunne onveranderbare oogen, een laatste blik voor dat die oude en vertrouwde gestalten voor eeuwig zouden vergaan misschien in de verwoesting dezer stad!
Overal stonden of lagen voorwerpen die herinneringen opwekten aan blijde en droeve dagen, aan verre reizen. Ik nam een geciseleerde dolk in mijn handen dien ik eens meebracht uit een duisteren juweelenwinkel van den Arminski Bazar te Tiflis. Mijne vingers gleden langs een poolsch tapijt dat ik kocht in de oude hallen van Krakow.
Ik bleef staan droomen voor een schilderij van mijn vriend Lefebvre, een groot landschap dat in de voorkamer een heele wand bedekte. Het was de Lente, de kerzelaars stonden in de bloem, een witte weelde zoover de oogen gingen en heel kleintjes aan den einder was daar een kerktorentje en wat huizen van Mortsel-dorp, waar ik vroeger eens woonde. De zon speelde door die witte maagdelijkheid en deed de purpere anemonen in de weiden tintelen van glans. Het was een feest van kleuren en van licht. Het werd zoo dwaas in dit angstig uur, het was om te huilen dat die kunst zoo onbewogen bleef, vol paradijs-geluk, wanneer alles over enkele uren in elkaar kon storten en de flarden van dit schilderij niet meer zouden te vinden zijn onder de puinen en het stof of de verkoolde balken van dit huis.
Het is de tijd om aan alles vaarwel te zeggen. Het is de tijd om uit zich zelf alleen te leven, om te weten, eens voor goed, dat niets belang heeft dan onze eigen denkende, voelende, onsterfelijke ziel. Wat heeft dit stoffelijk leven te beduiden? Waarom, als de bode van de dood nu tijgend aan de deur staat, nog willen talmen en uitrekenen dat het beter straks dan nu, over een jaar dan dezen nacht zou zijn. Het ware laf een stond daarover te dubben of even maar te aarzelen.
Wat is het zelfs dat deze schoone stad ten onder gaat wanneer haar lot beslist is?
De historie moet haar verloop hebben. Daar is niets tegen te doen. De O.L.V. Toren zal instorten wanneer zijn uur gekomen is. Rome en Athene en Carthago zijn ook verwoest door overwinnende legers. Andere steden zijn vergaan voor eeuwig. Het was noodig om een nieuwe orde in de wereld.
Er gebeuren dingen waar wij of niemand op deze aarde de regeling van bezitten. Wij zijn niet meester van het Lot. Zijn wij meester zelfs over ons zelf? Alles is ijdel, alles is waan. God alleen bestaat en regeert de wereld. Al wat gebeurt is aanbiddelijk en goed.
Er kwam berusting in mijn hart. Ik voelde geen haast meer, geene drift, geene eigenliefde, geen verwijt tegen het lot. Ik sloeg mijn mantel om, stak mijn tasch onder den arm, sloot de deur en trok de straat op.
Het was omtrent acht uur. De stad lag doodsch en grijs alsof een vroege nacht er reeds begon te dolen. Er waren bijna geen menschen meer op de baan. De huizen al gesloten. Hier en daar werd nog haastig een kelder met aarde en assche toegestampt, bangelijk en geniepig. De winkelramen waren dicht gemaakt met geel houten planken, andere die haastig nog de luiken voor kregen.
Het was tragisch die stad te zien liggen in de angstige verwachting van hetgeen te gebeuren stond. Zij was gaaf nog en heel, maar over een paar uren moesten de bommen, als een regen van vuur, over haar nederkomen en de roode haan zou kraaien over hare torens en huizen. Zij zou den inval kennen der Barbaren. Langs hare straten en op hare pleinen zouden misschien de moorderijen en de slachtingen herhaald worden van Aerschot, Dinant, Andenne, Tamines, Leuven en Dendermonde. Dezen langen weerstand zou de vijand doen uitboeten in een bad van bloed. De groote markt zou de orgieën zien van vreugde-dronken overwinnaars, die Deutschland ueber alles, brallend zouden zingen in den rossen gloed der oude gildehuizen, als roode toortsen opbrandend naar den hemel.
Werktuiglijk stapte ik het centraal station binnen, als wilde ik weer, lijk vroeger, de trein gaan vinden die mij, na de dagtaak, elken avond voerde naar de verre rust der mastebosschen. Alle bareelen stonden open, geen toezicht nergens meer. Het was geen uur om nog een trein te treffen en toch ik vond er een die op vertrekken stond naar Esschen. Ik kreeg een plaatsje in de volgepropte wagens, De menschen waren zenuwachtig opgeruimd. Alles ging zoo broederlijk gemeenzaam toe. De angst van 't oogenblik werd als geloochend door de onverschillig en drukdoende tongen. Have en goed werd weliswaar verlaten, maar 't was immers maar voor korten tijd, en 't leek zoo aardig dat kosteloos reisje naar Holland.
De trein was in beweging gekomen, traag van de over groote vracht. Ik zocht door de vensters een laatste glimp van O. L. V. Toren die wit-grijs uitstak boven de daken op de sombere avondlucht; de slanke naalden van Sint Josef spietsten boven de duistere boomen van het park. Het stadszicht gleed voorbij en was verzwonden, wij reden de donkere velden in.
Rond half tien was ik te Cappellenbosch. Hoe gelukkig scheen het gele lamplicht mij tegen van uit het verre vaderhuis in den van- geuren-loomen avondtuin. Ik vond mijn gezin weer gezeten rond de wijde tafel met vrienden, die uit samenhoorigheidsgevoel, in deze bange tijden, nu kwamen huizen onder ons dak.
XXIII-De Vlucht Der Honderd-Duizend
De nacht was over ons landhuis, de groote, heilige nacht, waarin geen arbeid meer verricht wordt, zegt het Evangelie. Maar de werklieden der duisternissen waren bezig. Rond middernacht, het verschrikkelijk uur, begon het en de slapende aarde schokte van 't geweld.
De ramen van mijn slaapvertrek stonden open en ik lag te luisteren met een kloppend hart.
Het was of de donkere koepel van den nacht op een ontzettend rythme geramd werd en de doffe bonzen nadreunden door de ledige ruimte. En telkens volgde de stilte, zoeter na 't geweld, en door het zwijgen van de lucht ging het gemurmel van de dennen, het knerzelend schuren van twee takken op elkaar, het gorgelend gekwaak van een late puid in den vijver… Ik zag de nachtelijke blauwte met sterren boven de zwart-fluweelige boomkruinen… tot weer klonk de mokerslag, almachtig, en de nachtkoepel trilde van den donderenden schok.
Ik lag te druilen en te droomen en wanneer ik soms toch indommelde vernam ik na een poos weerom het brommend geluid, alsof het nader was gekomen, alsof een geweldige man nu dringend op de zware huisdeur bonsde, zoodat de gang galmde als een klok en de muren daverden.
En weer gewekt, ging mijn gedacht naar de verre stad. Elke schok die hier werd gevoeld deed ginder een huis of een kerk misschien instorten of opbranden in den nacht. Werd er mogelijk nog gevochten, een radeloos tweegevecht door de laatste bres tusschen de duitsche en de engelsche kanonnen. Ik luisterde en wilde de donders onderscheiden van elkaar. Neen het was niet mogelijk nog te blijven hopen. Het was telkens de zelfde slag, dezelfde davering, dezelfde bons, als vernomen door dikke muren, boemmm… boemmm… regelmatig, zonder ophouden, zonder genade.
Toen de morgen klaarde, hoorde ik over den steenweg, voor ons hof, het honderdvoudige gerucht van massa's in beweging: wagens rolden over de kasseien, paardenhoeven stampten, honden blaften, koeien loeiden lang en klagend, als riepen zij de weiden, en aldoor ging het moede slepende geluid van duizenden voetzolen. Het was het groot tumult van een heel volk dat verhuizde. Het was aangekomen van ver uit de deemstering van den ochtend en het zwol als het geruisch van vele waters, als de vloed van een zee door een dijkbreuk en erbovenuit klonk, onverbiddelijk, het ontzettend rythme van de verre losbrandingen boemmm…boemmm…
Wij waren allen vroeg op en zaten sprakeloos rond de groote tafel ons morgenbrood te breken. Wij dachten aan Antwerpen dat geen stad meer was maar een vuurpoel, wij dachten aan de honderduizenden die vluchtten over alle wegen naar het Noorden. Het oud moederken van onze vrienden lachtte krankzinnig met haar oud doorrimpelde gezichtje en prevelde schietgebeden.
Ik liep den hof door, naar den straatweg toe en zag nu den onafgebroken stoet van vluchtelingen trekken, ellendig! Paarden en wagens, stootkarren en fietsen spoedden voorbij, als voortgezweept onder de dreiging van een ijselijk onweer; kudden van beurelende runders en kudden van angstige menschen; moeders die huilende kinders voortsleepten aan beide handen, zonen die een lammen of zieken vader op een kruiwagen vervoerden, luidjes die, met vereende krachten, trokken of stieten aan karretjes, volgestapeld met een paar stoelen, een tafel, een matras, een kacheltje, een vogelkooi, mannen met afgetrapte zolen en barvoets, vrouwen met krom-geloopen hooge hakken en een bebloemden en bepluimden zomerhoed die afhing op hare losgeraakte haren, absurd.
Ik bleef staan kijken, als aan den grond genageld en de tranen braken uit mijn oogen. Het was mijn volk dat vluchtte en die duizenden joegen voort, als zinneloos en verloren, met rood- vlammende gezichten, zij ijlden als verjaagde dieren die de dood ontvluchten, alsof uhlanen met gevelde speer hun op de hielen zaten; zij gingen met starre blikken en gebogen hoofden alsof de zoldering van den hemel ging instorten bij 't gedaver van de aarde. Want door den grond, onder de voeten der rampzaligen, ging, maar aldoor voort, het sidderend gedreun der verre losbrandingen… boemmm… boemmm… als een aanhoudend dreigement dat vloekte door de lucht.
Het was een visioen van Isaïas! Het was een Dies irae vol verschrikking, de Godsteistering van een heel volk.
Ik ging stroomopwaarts van de vliedende menigte. Hier en daar lag een groepje te rusten aan den boord van den weg. Zij konnen niet verder meer van ochtend. Er waren er die kwamen van Lier, van Heijst-op-dea Berg, van Kessel… Er waren er die reeds acht volle dagen vluchtten en onder den blooten hemel hadden geslapen. Twee natiewagens van Antwerpen rolden nu traag voorbij met trossen van mannen, vrouwen en kinders. Ik begon stilaan in de vlucht enkele bekende gezichten te ontmoeten. Ja die menschen had ik nog meer gezien. Die kwamen voorzeker reeds uit Antwerpen. Ik hield ze staan praten. Zij woonden "op het Zuid". Zij waren van vier uur in den morgen reeds op weg. Rond middernacht was het bombardement begonnen. Het was om krankzinnig te worden in de kelders, waar zij gevlucht hadden gezeten.
Uur na uur klonken de donders der ontploffingen en tusschenin floten de bommen door de lucht, het was als een gehuil van katten in den nacht, als het geklaag van moegemartelde kinderen en dan weer ging de knal van een doeltreffend projectiel of smolten de losbrandingen in elkaar tot een gebrom van onbeschrijfelijk geweld. Door de keldermonden zagen zij den rooden gloed, door de brandende huizen geprojecteerd, op den zwarten hemel der in volledigste duisternissen gedompelde stad. De trompen der brandweer-motorwagens gingen gillend door de straten, maar alleen de stoomspuiten konden gebezigd worden in de nabij-de- dokken-gelegen wijken, want iedereen wist dat, sedert den val van Waelhem, de stad zonder water was. Verlaten honden huilden jammerklagend en dan dreunde weer een bons, gevolgd door het gekraak van honderden ruiten en het gekletter van den scherven- regen op de kasseien. Er waren menschen die een Zeppelin hadden zien drijven boven de stad, donker en afschuwelijk, als een ontzaglijk monster dat het vernielingswerk bestuurde. Zij waren eindelijk, vol angst en vrees uit hunne kelders gekropen en langs de boulevards gevlucht. Het liep er toen reeds vol van volk. Over de Zuiderlei, de Nijverheidslei, de Kunstlei, de Handelslei dreef de onafgebroken stroom van allerlei rijtuigen, wagens en menschen in de richting van het Noorden. Het was eene begankenis, eene boetprocessie van rampzaligen; uit alle straten kwamen zij toe, geladen met pakken en korven, met het allernoodigste of het kostbaarste en meestbeminde dat zij hadden willen redden. Toen brandden reeds vele huizen op het Zuid. In de Kasteelpleinstraat, in de Tolstraat waren heele rijen, vlammend in elkaar gestort. Bommen vielen dien nacht op het Gerechtshof en de Bank. Het Museum stond in brand vertelde mij iemand en heel Berchem en Zurenborg "lagen al plat".
Een oude dokwerker uit het schipperskwartier vertelde mij van de vlucht die hij gezien had langs de Schelde. Trekschuiten, mosselbakken, slepers, roeibooten, zeilschepen, al wat maar varen kon werd gebruikt, om de verschrikking der beschoten en brandende stad te ontkomen. De menschen sprongen van op de hooge kaaimuren in de tot-zinkens-toe volgeladen vaartuigen. Het was een wemeling van zwarte booten op de vlakte van den breeden stroom in den rooden gloed der petroleum-tanks die brandden in de richting van Hoboken.
Met een zwaar hart kwam ik weer op ons landhuis. De groote weide rond den vijver lag vol grazende koeien. Eene witte huifkar was tot voor de huistrappen gereden en twee boeren-gezinnen kampeerden onder onze vensters. Zij kwamen van Berlaer en hadden gevraagd om den nacht in onzen hof door te brengen. De beesten konnen niet verder meer en de menschen waren dood- vermoeid.
Ik vond mijn huisgenooten besloten van naar Engeland te trekken. De pakken waren reeds gemaakt. De vlucht der honderdduizenden werkte aanstekelijk. Het werd als een nood ons te mengen in den naren aftocht, ons deel te nemen in het droeve lot van ons wreed- geteisterde volk. Maar al die laatste handelingen gebeurden als in slaapwandel terwijl, ginder ver, maar aldoor ging het doffe geblaf der zware duitsche kanonnen.
Ik dacht aan de duizenden vluchtelingen die op dat zelfde oogenblik op weg moesten zijn door Vlaanderen, langs alle wegen, naar de zee. Een half millioen menschen zonder dak te midden der herrie van een aftrekkend leger van afgebeulde soldaten en moeizaam voortrollende oorlogswagens.
XXIV-Op Den Weg Der Ballingschap
De dag ging voorbij en de avond begon te dalen. Nog immer gonsde het rumoer der vlucht over den steenweg. Ik zag het witte hoofd van mijn ouden vader uitsteken tusschen de perelaars van zijn moestuin. Nog wrocht hij met zijn hakje om wat onkruid te wieden langsheen de groenten-bedden. Hij kon van zijn hof niet scheiden.
Maar het uur was gekomen. Ik zag vader, na een laatsten oogslag op zijne boomen naar het huis toewandelen met zijn tragen zekeren stap. Ik hoorde hem buiten achter den muur nog eenige laatste aanduidingen geven voor het verzorgen der planten en het bergen van de bloemknollen. Dan trad hij de kamer binnen.
—"Zijn wij gereed", vroeg hij "en is er niets vergeten? Dan zullen wij maar optrekken."
Voor de achterdeur van het huis stond een karretje gereed met een ezel, armelijk gespan dat door de boeren, die den nacht op ons goed zouden doorbrengen, geleend werd om ons gepak tot aan de grens te voeren. Alles was reeds opgeladen. Het oud moederken werd vooraan gezet en liet haar kinderen lijdzaam met haar begaan. Onze vrienden stonden al buiten te wachten. Een oude benediktijner monnik uit het nabijgelegen klooster, die ons op 't laatste oogenblik kwam bezoeken, zou nu meeloopen tot aan Putte. Moeder en mijn zuster zochten nog iets boven, ik stak nog een boek in mijn zak. Vader knoopte zijn overjas toe, zette zijn groote, zwarten vilt op en greep naar zijn wandelstok, den pelgrimstaf voortaan.
Wij waren buiten. Vader sloot de deur en zorgzaam als altijd borg hij den sleutel alsof hij over een paar weken ons weer behouden terug ging brengen naar zijn huis.
Hij zou die gesloten deur nooit meer openen weerom….
—"Wij zullen langs den boschkant gaan", zei hij, "dan ontkomen wij 't gewoel". Hij was de geleider die de wegen kende en hij ging voorop met zijn nog kloeken, vasten stap. De kleine karavaan volgde.
Wij moesten nog een tijdje langs den steenweg. Het vluchten der honderdduizenden duurde daar maar aldoor voort. Strompelend spoedden de menschen den dreigenden avond in. Er reed een stootkar aan ons voorbij, waarboven, op een matras, een oude man bewustloos neerlag met een wasgeel onbewogen gelaat en toeë oogën. Was het een stervende of reeds een lijk dat daar werd weggevoerd? Uit het duister van een groepje dennen klonken de snijdende hulpkreten vam eene vrouw in barensnood. Honden huilden naar den kwijnenden hemel en in de verte ging, zonder ophouden, het doffe brommen van 't kanon.
Wij namen een zijweg langs den boschkant naast de Calmpthoutsche heide, die eindelooze heide waar ik zoo dikwijls, in den vroegen morgen, te paard was doorgedraafd en waar mijn oogen nu het "Huis ten Heuvel" zochten van mijn vriend Em. de Bom…
Ik zag een groepje jonge antwerpsche schilders met pak en zak, de wijde rosse vlakte intrekken, in de richting van de Kambuis. In de verte staken nog de witte duintoppen omhoog in de laatste klaarte.
Klein en hulpeloos was onze vlucht tegen de lage sparreboomen, waar de nacht reeds woonde. Soms glom een lichtje daar binnen van een vuurtje of een kaars en de omzittende menschen deden aan als roovers uit een angstige vertelling. Wij gingen door het mulle zand met de knerzelende mastspelden. In den staal-blauwen koepel, over de heide, ontvonkten de eerste starren. Ik dacht aan een Kerstnacht… wanneer, langs alle wegen, de volkeren op weg waren voor de optelling van Caesar Augustus. Reisden wij ook niet naar eene optelling van alle doolaards door de wijde wereld? De kleine koewachter had moeite om ons ezelken voort te drijven en wij moesten duwen soms aan het piepende karretje met onze pakken en het krankzinnig-lachende oude moederken. De grijze monnik met zijn zwarte pij en de afhangende kap scheen wel Sint Jozef, zooals hij ging, ietwat gebogen, onder zijn grooten hoed, langsheen de diepe grauwe vlakte. De jonge vrouw van een onzer vrienden droeg een kindje onder haar hart. Zouden wij wel plaats vinden in een gasthof dezen nacht en in welken verlaten stal ging dat nieuwe kindje geboren worden?
Wij kwamen aan de nederlandsche grens. Hier liepen wij verloren in den immer-zwellenden stroom van vluchtelingen, die in dichte massa's aandrongen op de grens-bareelen. Maar hier waren soldaten die vriendelijk deden met de menschen. Wij stapten verademend en haast-gelukkig op nederlanschen bodem.
Toen blikten wij terug naar het Zuiden. Boven de vlakke landen, aan den einder, waaierde wijd, den hoogen hemel in, een ontzaglijke aureool die, frambozig-roos, naar alle kanten den lucht-koepel begloorde. Antwerpen brandde achter de kim en onze verbijsterde gezichten zagen rood van het verre vuur.
Wij namen afscheid van den goeden ouden pater en hij trok met den koewachter, het ezelken en het piepende karretje weer terug naar het donkere van kanon-gebulder doorvloekte land.
Nergens was er nog plaats, zelfs maar een stoel te vinden in de dorpsherbergen. Zoo zat er alles volgepropt. Onder het borstbeeld van Jordaens—den vlammenden schilder der vlaamsche vreugde, die vroeger zoo gemoedelijk lachend neerzag op de luidruchtige kermissen van Putte en de rondedansen van boeren en stedelingen, onder het gewaai der vlaggen en bij het gespeel der zinderende muziek—lagen nu de moede kudden van de ontelbare dakloozen, neergehurkt in stomme lijdzaamheid.
Een jonge luitenant van de hollandsche grenswacht, die van den kerktoren kwam daarover, vertelde ons wat hij gezien had van de verre gloeiende stad.
—"Staat O. L. V. toren nog recht?" vroeg mijn zuster.
Waarachtig het was het eenige dat ons nog bekommerde van al wat wij ginder achter lieten.
—"Ja, goddank, geen enkele toren werd getroffen, maar het brandt schier overal, groote rookwolken gaan op ten zuiden van de stad" zoo zei de luitenant en hij ging vriendelijk voort met ons te praten. Hij moest met zijn motocyclette naar Bergen-op-Zoom. Hij zou een auto voor ons doen komen. Onze vrienden vonden bij hunne Putsche familie een onderkomen voor den nacht. Wij bleven daar wachten ook tot de beloofde auto kwam, die ons veilig voerde naar het eerste hollandsche stadje.
Wij keken door de ramen naar den verren gloed aan den einder, het ontzettend vreugdevuur bij den triomf der vijanden van ons land. Vader en moeder die over ons zaten, kwamen mij plots veel ouder voor, nu die ontwortelde menschen schommelend reden door den nacht, op den weg der ballingschap, het onbekende te gemoet.
Dienzelfden avond konden wij nog vertrekken met den trein naar
Middelburg en, diep in den nacht, werden wij daar onthaald door
hartelijke menschen die ons brachten naar een gastvrij huisje, in de
Lange Delft.
's Anderdaags werden wij wakker bij de klingelende muziek van vele klokjes op den toren van 't Stadhuis. Dat geluid van vrede stemde ons weemoedig, na al wat wij ondervonden van den oorlog.
Wij bleven daar tot zondag ochtend eer wij weg konnen naar Londen. De rust van het aardige schilderachtige stadje, de genegen goedheid van de menschen die ons herbergden, waren een troost voor onze pijnlijk-geschokte harten. Ik liep te dwalen langs de oude straatjes met de lachende glimmende huizekens. Ik zag de oude ruime kerk als een schilderij van Saenredam,—van bleek ivoor schenen de zware zuilen en de hooge wanden met paarse schaduwen hier en daar, blauw en rozig lagen de vlakke plavuizen, lichtblauw was de hemel door de in-lood-gevatte ruitjes van de spitsboogramen, huisnokken en roode daken schemerden daar door en heldere dag gleed langs de koperen kroonluchters en de kleurige schilden in de zwarte lijsten. Ik wandelde langs de rechte kanalen van het eiland Walcheren. Vlak en vreedzaam lagen, beneden de dijken, de groene weiden vol grazend vee. Ik wilde weer rustig worden, den oorlog vergeten. Het kon niet lang meer duren toch…
Zaterdag avond, 10 October, had ik te mijmeren gezeten op het rustige binnenhof met de roode klinksteenen van de oude abdij waar de najaarsblaren rezen, waar de beiaard-liedekens en de vrome zware stem van de kerkklok klonken als rustige stemmen uit den hoogen hemel boven de karteling van huizen en gekanteelde muren.
Ik ging weer aankloppen in de Lange Delft. Onze gastvrouw stak mij sprakeloos een kranten-buletin toe: Antwerpen was overgegeven! De Duitschers hadden hunne intree gedaan binnen onze stad. Ik liep naar boven. Vader stond sprakeloos door het venster te turen. Moeder en zuster weenden.
Antwerpen was gevallen!
Neuilly-sur-Seine, Lente 1917.
Het Einde