Er was een luitenant onder de gekwetsten die mij bijzonderheden vertelde over den slag die van Aerschot tot aan Vilvoorden gewoed had langs het kanaal van Leuven en den ijzeren weg naar Brussel. Hij lag met zijne mannen in eene gracht langs de straat, in 't zicht van Weerde, dat zij moesten veroveren. De belgische kanonnen hadden uren aan elkaar een moordend vuur gericht op het dorp. Zonder ophouden ging het geknetter en geronk van geweren en mitrailleuses. In den namiddag, rond vijf uur, zwegen de duitsche stukken en werd een algemeene aanval bevolen. "Ik floot op mijne mannen" zoo verhaalde de luitenant, "wij sprongen uit onze schuilplaats en, met jubelkreten, stormden wij vooruit over velden, hagen grachten en bareelen. Wij waren bijna tot aan de eerste huizen van Weerde gekomen, toen de duitsche kanonnen, opnieuw begonnen te schieten. Het was een list geweest. Heel mijne kompagnie werd letterlijk neergemaaid, ik zelf kreeg een kogel in mijn been en tuimelde neer. Met enkele mijner soldaten, gekwetst als ik, kon ik mij nog voortslepen naar de plaats van waar wij vertrokken waren." Zoo vernam ik in dat hospitaal bijzonderheden die niet te lezen stonden in de bladen.

Ik kwam er ook soms laat in den avond na mijn werkzaamheden in het gevang. Half duister was de zaal met hier en daar een nachtlichtje en rustig van gelijkmatig zacht geronk. Soms een die de koorts nog wakker hield en die de waakster voor den nacht met stille fluisterstem trachtte te sussen.

X-De Zelfmoord

Met de nieuwe maan was de duisternis weer volledig 's nachts in de stad. Beangstigend werd dan de aanblik van de straten. Alles kreeg andere aspecten. Het was om te verdolen in dien inktzwarten nacht. Het leek een doode stad uit verre tijden waarover een vloek zou zijn gevallen.

En toch leefden daar voort achter al die donkere gevels die duizenden van menschen als eene onhoorbare groezeling van larven. Het scheen mij altijd of er iets gruwelijks ging gebeuren achter die als met-rouw-behangen hooge muren, in die kuilen en grotten en kelders die de straten en de pleinen waren. Het was als eene Edgard-Poeachtige creatie, eene fantastische droomstad, in zijne waanzinnige verbeeelding als kader uitgedacht voor een moord of het plotselinge ontdekken van een geraamte of een lijk…

En de rust en de stilte van die stad, zij deed de werkelijkheid van den oorlog vergeten. De schijnen van zoeklichten op de donkere lucht waren als de onwerkelijke fosforesceerende gewaden van witte schimmen die het duistere zwerk bevolkten. Het ver en dof gedommel dat soms werd vernomen was als het staag geronk van den nacht zelf. Het werd een zinnelooze waan.

Om het bitter-zoete van dien waan, om het huiverig-aantrekkelijke van akelige mogelijkheden, ging ik elken avond weer uit met een vaag vermoeden van het onvermijdelijk-verrassende en afschuwelijke dat ik zou ontmoeten.

De steeds zeldzamer wordende wandelaars waren herleid tot de waarde van het gloeiend vuurken hunner cigaar of pijp dat rood aankwam of verdween in de duisternis. Waren dat geesten die daar doolden of de dwaallichtjes van een ziltig oud kerkhof?

Doch telkens na een poos, wenden de ogen aan die duisternissen en ging men de mensch-fantomen erkennen. In de Jezusstraat waar de telegraaf-centrale gevestigd is, schrok ik telkens voor een donkere schim die er in de duisternis bewoog en die ik slechts aan het vage licht-geflits van zijn dolk-bajonet voor een soldaat erkende. Op de Meir bleven soms eenzame voorbijgangers sprakeloos staan staren naar het zwarte Paleis van den Koning waar, door een slecht gesloten luik aan een raam, een lijntje licht bleef gloren. De vorsten woonden daar en de koninklijke kinders hadden er geleefd tot aan den eersten Zeppelin-aanslag. Donker bewogen de schildwachten over en weer op de stoep. De Schoenmarkt was afgesloten door een duister-bewegende muur van sprakelooze gestalten, soldaten die het gouverneurs-paleis,—waar de generale staf gevestigd was— tegen een mogelijken aanslag moesten beschermen. Wie langs de Eiermarkt zijn weg voortzocht door den nacht, kwam opnieuw op vaag-glimmende bajonetten stuiten, die den toegang tot de Beddestraat versperden. Het was alsof de schildwachten onverwacht opdoken uit de muren, sluipmoordenaars gelijk, maar die niemand aanvielen.

Een nacht ging ik met benauwelijk-luid-klinkende stappen langs de Burgtgracht, onder de vervaarlijke opbonking van het vleeschhuis. Ik schrok: een menschenarm kwam op mij neer van uit het duister der slaapstille huizenrij en ik hoorde fezelend verzoeken uit een vette-vrouwen-keel. God ging dat leven ook nog voort achter die donkere muren!

Ik geraakte in de Koepoortstraat en trok op de Paardenmarkt af. De arabesk der huisnokken was fantastisch op de zwart-blauwe lucht. Het hooge-koor van Sint Paulus dreeg ontzaglijk en stak vooruit als het voorkasteel van een spookschip boven de lager daken. De wind huilde als door de strak-gespannen koorden van een driemaster. Was de vliegende Hollander hier komen landen in dees gruwelijken nacht?

Het doodstille Klapdorp wentelde in donkerder nacht-diepten voort, laaglanend als een kelder, tot eindelijk de vaal-groene vlakte der Paardenmarkt daar voor mij openlag, als een omneveld meer in een bergland. Hoe rustig was weer alles. Daar even nog had ik het heimelijk gefluister vernomen van twee buren die op den drempel van een duister poortje afscheid namen van alkaar… Toen plotseling het afschuwelijke: het stille doek van den donkeren nacht in stukken gescheurd door luide moord-geschreeuw.

Was dat het verschrikkelijke dat ik sedert dagen verwachtte? Ik ging op het erbarmelijk geluid af maar zag niets. Andere menschen moesten ook uit de duisternissen zijn toegesneld. Een ervan droeg een kleine lantaarn waarvan de gele schijn nu viel op het van schrik vertrokken gelaat van een vrouw met loshangende haren en op onze eigen gezichten die bleek opleefden uit den nacht. Met snikken in haar keel vertelde de vrouw dat er een lijk lag in haar huis van een die zelfmoord moest hebben gepleegd; dat zij van schrik was weg gevlucht.

"Och God och God hij heeft zijn keel overgesneden…"

Wij gingen met haar mee. Haar wild geroep en het voortdurend snikken deed een vizioen van bloed reeds voor mijn oogen opgaan. De toegesnelde buren dropen weg de eene na den andere. Wij waren nog met ons tweeën, een duistere man en ik, toen wij aankwamen waar de vrouw ons wees, in een nauwe steeg. Het was een eenkamerig huisje met een zolder. De vrouw opende de deur en sprong met een gruwel weer achteruit. De schijn van het verlicht vertrek sloeg ons verblindend in de oogen en viel in een breede lichtstreep in de donkere steeg en op de vrouw die daar huiverend staan bleef.

—"Boven! Boven" jammerde zij.

Wij klauterden den rechten steektrap op en daar, onder de pannen, op den houten vloer, tusschen twee beddebakken, in den flauwen schijn van een kaars, lag een man met rood-gezwollen gelaat de tong reeds uit den mond, met de koord die aan de zolderkram moest gebroken zijn diep in de vleeschen van den nek. Een stuiptrekking bewoog de beenen. Ik sneed de spannende koord met mijn zakmes over. Wij droegen de logge massa op het bed. De man rook naar genever. Witte broesem kweilde nu uit zijn mond. Hij zuchtte een paar keer en diep als een drenkeling en kwam weer op adem. Toen ging weldra het gelijkmatig zwaar geronk van den dronkaard. Wij kwamen weer buiten. De vrouw was weg maar in de duisternis daar verder hoorden wij nog het voortdurend misbaar als van een zinnelooze. Haar roepen van moord schreeuwde de donkere huizen langs.

XI-Antwerpen Hoofdstad

Met den dag kwam er nu een grooter zenuwachtigheid in de stad. Wij waren zoo goed als geheel afgezonderd van het overige gedeelte van het land. Dit land was thans beperkt tot de provinciën Limburg, Antwerpen en de beide Vlaanders. De vlottende grens van ons nog vrij gebied liep over Hasselt, Diest, Aerschot, Mechelen, Aelst, Kortrijk, naar Frankrijk toe. Daar werden de gevechten geleverd tusschen ons leger en de overweldigers. Aerschot, Mechelen, Dendermonde werden beurtelings heroverd en weerom verloren. Het nog bruikbare treinverkeer, dat in de bladen werd afgekondigd, was de beste kontrool der uitgestrektheid van ons land en, met den dag, werd dat verkeer meer beperkt rond Antwerpen.

Een tweede Zeppelin-bezoek,—dat gelukkig in het voorgeborcht Deurne kon worden afgewezen,—de vijandelijke vliegeniers die af en toe bommen wierpen en vruchteloos werden omzweefd in den stadshemel door de witte wolkjes der ontploffende shrapnels onzer kanonnen, alles wees er op hoe wij het mikpunt geworden waren van den vijand en de tijd aanstaande was dat wij ook op onze beurt van aanschijn tot aanschijn tegenover den oorlog en zijn gruwelen zouden komen te staan.

Wij voelden ons reeds als gevangenen. Wij waren aan de strenge tucht van een stad-in-staat-van-beleg onderworpen. De vreemdelingen hadden op regelmatige dagen hunne toelating tot verblijf te vernieuwen en werden uit angst voor verspieders, nog steeds aan nauwlettender toezicht onderworpen. Alle openbare gebouwen en ook de bankhuizen werden bewaakt door burgerwachten. Om een telegram te verzenden hoefde men zijne papieren te vertoonen aan de van-post-zijnde wachten, de bajonet op het geweer. Het vrij verkeer in en uit de stad was belemmerd. De passen werden nagezien aan de vesting-poorten die voor den nacht gesloten bleven. Wie den overzetboot nam naar het Vlaamsch Hoofd of er vandaan kwam, moest ook door een haag van burgerwachten. Het onderzoek gebeurde natuurlijk op joviale wijze, zooals het burgerwachten paste, die met medeburgers te doen hadden. Toch gebeurde het mij wel eens dat, waar mijn uiterlijk niet echt-nationaal voorkwam, ik aan een scherper inquisitie werd onderworpen. Het eenige verweer tegen die onaangenaamheden was het uniform, dat weldra niemand, die het dragen mocht, nog aflegde.

Het aanschijn van de stad was veranderd. Vele vluchtelingen uit het bezette land en uit de verwoeste en uitgebrande steden, hadden er een wijkplaats gezocht bij vrienden of verwanten. De eigen ingezetenen begonnen reeds te trekken naar Holland, Engeland en Frankrijk. Vele rijke-burgers-huizen stonden verlaten met gesloten luiken. Nieuwe armoede ten gevolge der werkeloosheid kwam aan 't licht. Eene overwegende meerderheid van officieren en soldaten gaf het uitzicht aan de straten.

Doch hetgeen te midden der herrie van leger en burgerwacht, van overbevolking, van werkeloozen en dolende armen, een onverwacht aanzien gaf aan de stad, was de aanwezigheid van het Hof in het Paleis op de Meir, sedert 17 Oogst, de vestiging der regeering en de overkomst uit Brussel van de vreemde gezanten. Antwerpen was de hoofdstad geworden en reeds werden toebereidselen genomen om het Opera tot parlement en het Atheneum tot paleis voor den Senaat in te richten.

Schier elken morgen kon men de koninklijke palfreniers de paarden van het Hof, twee aan twee, de stad zien uitleiden voor hunne dagelijksche wandeling in de omliggende parken. Voor het Paleis bewogen schildwachten langs de Meir en de Wapperstraat, waar doorgang voortaan was verboden. Een gendarm hield post voor de poort om boodschappers en koeriers te woord te staan en wanneer de poort openging was er een tweede gendarm om de boodschap aan te nemen of den koerier bij een adjudant toe te laten. Het bleef een graag verteld en aanhoord nieuwtje hoe Koning Albert elken dag gezien werd, rijdend in zijn snelle auto naar een stadspoort, op weg naar de vuurlijn. 's Zondags stonden de menschen te wachten op de stoepen, nu dat het geweten was dat de Vorst de mis ging bijwonen in de Sint Jacobskerk, in datzelfde weelderig renaissancekoor, waar de plaats van Peter Pauwel Rubens nog wordt aangewezen in het hooge gestoelte van blinkend ouden eik.

Het ministerie van buitenlandsche zaken was in het Athenaeum op de Gemeenteplaats gevestigd. Ik zag er minister Davignon soms de hellende stoep afdalen met zijn kalm en kommerloos gelaat. Alsof het zeker was dat alles op zijn best zou afloopen, zoo glimlachte zijn mond in den milden vierkant-geschoren baard.

De raad der Kroon zetelde in het Grand-Hotel op de Mechelsche plein. Hier ook stonden soldaten in hunne wachthuizekens en kon men af en toe volksvertegenwoordigers of ministers zien binnen of buiten gaan of boyscouts met koeriers komen aangefietst. Een dag zag ik er Frans van Cauwelaert in het portaal. Zijn baard scheen zwarter om het bleeke zorgensmoede gezicht. In de nabije Lindenstraat had ik de ministers Van de Vijvere en Helleputte ontmoet die, ietwat verloren na eene kabinetszitting, langs de winkelramen kuierden. Een ochtend vond ik minister Poullet, met afwezige oogen moet ik zeggen, naar de prentkaarten van een papierhandel staan kijken. Een auto snorde voorbij met Schollaert erin. Hij verdween in de richting van den Mechelschen steenweg. Die reed voorzeker naar het hoofdkwartier te velde, op inlichtingen van de bevelvoerende generaals. Zoo zag ik ook een namiddag door het drukke beweeg der Kammenstraat, de auto van den Kardinaal. Hij reed op het Grand-Hotel toe, wellicht om overleg te plegen met de regeering. Door de glimmende spielgelruiten der limousine, trof mij het rozerood van zijn kalot en handschoenen en verkende ik zijn ascetisch-heilig gelaat, als een verouderde Christus-kop van Memling, vol kommer nu in die benarde oogenblikken. Hij was toen pas uit Rome weergekeerd van de Paus-verkiezing en had zijn oude Leuvensche universiteit verwoest en zijn eigen bisschoppelijk paleis te Mechelen tot puin geschoten gevonden.

Er was altijd groote drukte op de Schoenmarkt voor het Hotel St- Antoine, waar de vreemde gezanten gevestigd waren. Lange rijen equipages en auto's stonden er langsheen de stoep met de benaming der legaties waartoe zij behoorden. Het was voldoende dat iemand een russisch of engelsch militair attaché daar had zien uitkomen om seffens de onmogelijkste gissingen te opperen. Van mond tot mond vergrootend liepen de onwaarschijnlijkste maren door de stad: de Engelschen dregen met een groot leger van uit Limburg om de Duitschers te omsingelen; de Russen waren geland te Oostende. Een half dozijn fransche soldaten in een militaire auto te zien rijden over de boulevards was genoeg om, voordien dag ten minste, de vaste hoop te doen ontstaan dat de Duitschers in Frankrijk waren teruggeslagen en weldra België zou worden ontruimd.

De vreemde gezanten die het hotel St-Antoine betrokken wisten het natuurlijk wel beter. Maar hun leven was er schijnbaar niet minder kommerloos om geworden. Door de open ramen op de Groenplaats zag men heeren in rok en dames in soirée-kleeren bewegen door de salons, te midden der vreemde schitterende uniformen. In de restauratiezaal zat zacht-keuvelend en keurig volk, blij-gezind als in een badstad, rond de goudverlichte tafeltjes waarop de elektrische lampjes als zoovele roode en gele bloemen bloeiden. In den wintertuin, onder de palmen, zaten dandy's aan een kopje koffie of een likeur te proeven, terwijl Habana-geur met de blauwe rookspiralen door de halle ging zweven.

XII-Het Uitzicht Der Straten

De hoofdstraten bleven vol beweeg van werkeloozen die met kuieren wel den dag moesten doorkrijgen Alles had belang voor deze op nieuwtjes of geruchten uitzijnde wandelaars. De weg van het station tot aan het Groen kerkhof bleef het onvermijdelijke veld waar wat te oogsten viel.

Aan het station was het de drukte van burgerwachten, bezig met vluchtelingen, aankomende gekwetsten, uitgedreven vreemdelingen, aangehouden verspieders, vertrekkende soldaten en ambulanciers.

Op de Meir bleef het volk staan kijken naar de auto's die wachtten voor het Ministerie van Oorlog, dat in de stadsfeestzaal gevestigd was. Het uitgaan van een staf-officier was een gebeurtenis en op zijn gelaat werd nagespeurd of er geen teekens van wel of tegenslag te beletten vielen. Het voorbij rijden der ambulance-auto's bracht woeling onder de menschen die aan 't rennen gingen om bij tijds voor 't hospitaal van Sint Jan Berchmans college te staan en de gekwetsten te zien uitdragen. Groepen bleven staan lezen aan de menigvuldige witte zwart-gedrukte plakkaten die af en toe op bevel van den krijgs-gouverneur in de stad werden aangeplakt met voorschriften aangaande het vreemdelingen-verblijf, met verordeningen over het licht, het sluiten der taveernen, het sterke- drank-verbod of met afbeeldingen van geallieerde vliegtuigen of luchtschepen of uniformen der verbonden legers.

De meest-lachende verschijningen in de stad waren wel onze boyscouts of padvinders. Men zag ze overal die kinderen van niet meer dan 14 jaar met hunne groote sombrero's, hunne groene manteltjes en de groene kousen omgeslagen onder de bloote witte knieën. Zij hadden hun hoofdkwartier op de Yzeren Waag achter het beeld van Theodoor van Rijswijck. Van daaruit werden zij afgevaardigd bij de ministeries, in de gasthuizen en droegen aanhoudend boodschappen naar alle hoeken van de stad en op den buiten.

De terrassen der café's zaten vol officieren, krijgsdokters, apothekers en brancardiers die vrijaf hadden; vol burgers ook die zenuwachtig de gebeurtenissen discuteerden. Eene nieuwe vlucht van lichtekooien, door het leger aangetrokken, was in de straten neergestreken. De gazetleurders holden als hardloopers aan de menigte voorbij. Het was hun verboden nog namen van kranten of oorlogsnieuws te roepen, maar het werd als een wedren om eene bepaalde wijk te bereiken en 't was nauwelijks dat ge ze in hunne vlucht een krant vermocht af te koopen. Waanzinnig bolden door de stad de militaire auto's met officieren en bedienden. Huilend en gillend gingen de trompen. Geen politie-wetten op de snelheid waren langer nog van tel. Als bolieden vlogen de wagens over de lanen en door de drukst bewandelde wijken alsof er telkens het heil van 't land of 't behoud des konings van afhing.

Aan de Schelde zag het Noorder-wandelterras steeds zwart van volk dat te kijken stond naar den duitschen transatlantieker "Gneisenau", die in een militair hospitaal was herschapen. Men kon er de herstellende soldaten op ligstoelen uitgestrekt zien met wit- omwonden kwetsuren. Een telefoondraad ging van de boot over het terras om met de stad in verbinding te blijven. Maar hoe rampzalig was het uitzicht van den stroom! Heel die grootsche bocht kaaimuren, van Austruweel tot Hoboken, lag leeg van schepen. Al de kranen waren met hunne eenbaarlijke armen stadwaarts gekeerd en de kettingen wiegelden doelloos op den wind in de ijlte. Van de vlotbrug, aan den voet van het oude grijze Steen, vertrok een houten brug-op-schuiten naar den vlaamschen oever. Wij hadden er, den 5den September, aanzienlijke afdeelingen ruiterij zien overtrekken met een sleep van kanonnen, om Dendermonde op de Duitschers te heroveren en de verbindingslijn tusschen Antwerpen en de kust vrij te houden.

Verder, stroomopwaarts, langsheen de kaai waar de Red Star booten komen aanleggen, was, onder de hangars, het automobielpark van het leger ingericht. Er stonden daar honderden auto 's van alle slag, meest particuliere rijtuigen, die werden opgeëischt en thans, in grijze kleur geschilderd, de twee groot- zichtbare letters droegen S.M.. Wie van ver of nabij met het leger in betrekking stond kon daar gemakkelijk een pracht-rijtuig bemachtigen met de noodige bons voor naphta-bussen en banden die er tot hooge stapels waren bijeen gebracht. Ik zag er eens, te midden van een zwarten drom nieuwsgierige gapers een onzer geblindeerde auto 's staan. Het was een ronde stalen koepel op vier wielen en door een schietgat stak de mond van een klein kanon. Deze motorwagens waren de schrik der Duitschers en het was geweten dat de Prins de Lagne met Graaf de Villermont op zoo een auto waren omgekomen bij eene stoutmoedige verkenning rond Herenthals.

Elken morgen zag ik langs mijne ramen eene ontelbare kudde ossen en koeien voorbij komen die verder door de Leemstraat tot buiten de poorten in de veeparken werden gedreven, tot voorraadstapels voor het leger en de bevolking. De straat was er telkens letterlijk van vol. Zij sprongen tot op de stoepen tot grooten angst der toeziende winkelvrouwen en de drijvers hadden het druk om hunne kudde voort te helpen wanneer soms een bronstig beest te midden der straat een koe besprong en zijn hoorns hoog tegen de huisgevels of de glimmende winkelramen opstak.

Een dag ook werd er een heel regiment van bij de 400 duitsche landsturmers gevangelijk de stad binnen gevoerd. Ik zag ze van uit de diepte der Zuiderlei aankomen tusschen de boomen. Zij gingen in eene rosse wolk van stof. Het volk liep uit alle straten en huizen dien kant uit. Gendarmen te paard reden voorop en achteraan volgde de drom van voortstappende mannen. De toeschouwers stonden nu in dichte haag links en rechts van de laan. Ik verkende de blauwe tunieken en zwarte met-koper-belegde pinhelmen der landsturmers. Het waren gehavende stakkers, met onverzorgde gezichten en bestoven kleeren. Ik zie er nog altijd een met een buikje en rood-rosse haren. Zij gingen ontwapend en moe tusschen de belgische soldaten die het geleide vormden. Het volk huilde en tierde uit schorre kelen, ik zag van-haat-vertrokken-gelaten en uitpuilende oogen, ik hoorde gesis en gefluit. Zoo trokken zij heel de stad door, langsheen de lanen, over de Meir en naar de Schelde, waar zij op een boot werden gestoken. Het antwerpsche volk zag in die bende de vertegenwoordigers van het gehate ras dat Visé, Dinant, Tamines, Leuven en Dendermonde had platgebrand en zooveel onschuldig bloed vergoot: De opwinding door de straten deed mij denken aan het Romeinsche volk dat huilde en vuisten balde tegen de Barbaren die in den triomf van een Cesar door Rome werden gevoerd.

XIII-De Stijgende Neerslachtigheid

Was het om den moed er in te houden dat deze vertooning was bevolen geworden? Want het begon er alles behalve triomfantelijk uit te zien te Antwerpen. De havelooze kudden van vluchtelingen die elken dag toekwamen waren het hartverscheurend bewijs hoe verschrikkelijk het land geweld leed onder den knel van den overweldiger. Toen Leuven en Aerschot werden in brand gestoken, toen Dendermonde werd verwoest, toen Mechelen onder vuur werd genomen, moesten er dringend maatregelen getroffen worden opdat die gedwongen volksverhuizingen, die haar heil en toevlucht zochten in de schijnbare zekerheid eener vesting, de reeds omsingelde stad niet zonden overbevolken en tot hongersnood brengen. Met heele drommen werden zij voortaan naar Oostende gevoerd en op schepen gezet in bestemming voor Bngeland. Een dag zag ik hoe de gevluchte Mechelaars in vergadering bijeen geroepen waren op het Groen Kerkhof en door hun burgemeester werden aangemaand terug hunne haardsteden te betrekken of naar Engeland af te reizen. De Groote Markt stroomde vol, elken dag, van menschen die uitwijkingspassen wilden bekomen. Lijk kudden vee stonden zij gestapeld tusschen bareelen om beurt om beurt in de bureelen te worden toegelaten. Er kwam een angst onder de bevolking en steeds geraakten er meer huizen dood van bewoners en als voor rouw gesloten. Die vluchtenden werden door de overblijvenden doorgaans slecht besproken als laffelingen of broeksch… zooals het woord door de dagbladen gangbaar was gemaakt. Was de duitsche nederlaag niet aanstaande? Was ons leger niet ongeschonden? Was Antwerpen geen oninneembare vesting?

Maar zij die bleven begonnen toch ook teekens van bekommernis te geven. Hier en daar werd al een vlag ingehaald aan een gevel. Ik hoorde van menschen die hunne rijkdommen in den grond hadden gedolven, die hunne wijnkelders lieten toemetselen, die kunstvoorwerpen naar de brandkasten der bankhuizen droegen. Na het eerste Zeppelin-bezoek hadden zich ook vele luidjes in hunne kelders gehuisvest. Een zedig zinken kachelpijpje klom verstoken van uit den keldermond tot op de eerste verdieping en liet vermoeden hoe zelfs voor verwarming was gezorgd. Er waren kelders die als recht-gezellige huiskamertjes waren ingericht met schapraaien, tafels stoelen, lampen en tapijten onder den voet. Er waren ook menschen die hunne daken van metalen platen lieten voorzien en met aardzakjes bedekken tot eene bom-vrij-gewaande beschutting.

Het werd treuriger en treuriger. De afwezigheid van alle ernstig nieuws op een oogenblik der voor het vaderland geweldigste gebeurtenissen, deed ons onder eene ondragelijke drukking leven. Het was een sombere tijd en wij dronken lavende teugen aan troebele en onzuivere bronnen van hoop, om weer dorstig een oogenblik nadien en in de zwartste neerslachtigheid neer te zitten. De geestdrift der eerste dagen was nu gekoeld. Het werd een stille gelatenheid met toch diep in alle harten het onwrikbaar betrouwen in eene betere toekomst. Het was ook of wij dof en gevoelloos gingen worden voor het allermenschelijkste leed, nu het leed over heel de wereld als een donkere engel vleugelde en de eindeloosheid van nog te gebeuren wee niet was te overzien.

Dat trof mij telkens in die dagen wanneer ik eene begraving zag aan een sterfhuis of voor 't portaal eener kerk. Die waren zoo verlaten en eenzaam. Vrienden of verwanten waren weg of niet eens verwittigd. Haastig reed de lijkwagen alleen naar een afgelegen kerkhof. Waren ze te beklagen die toen heengingen? Zij zouden het leed der komende dagen niet meer moeten dragen. En toch het was zoo wreed om te bedenken dat die den nood der tijden niet waren te boven gekomen en de uitkomst van deze geweldige wereld-tragedie niet zouden zien. Dan kwam in mij het wilde, onstuimige verlangen van te leven, te leven, om toch eens getuige te zijn hoe uit de wanorde van het oogenblik de harmonie der nieuwe tijden zou groeien…

Ik stapte zoo mijmerend, een morgen, de O. L. V. Kerk binnen onder den hoogen antwerpschen toren. Door de diepte der grijze beuken zag ik de kruisoprichting van Rubens aan katrolkoorden naar den kerkvloer dalen. Mijn hart kromp van ontsteltenis. Het sublieme gewrocht dat voor ons als met de kerk vereenzelvigd was, dat ons in de diepte der zijbeuken, telkens, als het geweldige drama van den Kalvarieberg zelf, voor oogen was gekomen, het hong daar nu scheef te bengelen als een oud-verkocht meubel dat moest weggevoerd. De Kruisafdoening stond reeds op den grond. Ik zag hoe Juliaan de Vriendt, de bestuurder der kunstacademie, het wegruimen bestuurde en in dit treurig oogenblik nog zijn artiesten- curiositeit naar boven voelde komen en met kennersoogen en tastende vingertoppen de empâtementen van den grooten meester onderzocht. Dan werden de reusachtige drieluiken door verhuizers de kerk uitgedragen tot op een natie-wagen, die langs het Zuiderportaal gereed stond. Nu zag ik hoe in 't volle licht der straat een groot wit doek werd neergelaten over het vruchtschoone lichaam van den Gekruisigde.

Het waren de stille maar zekere teekens van het droevig doch staag naderend einde.

XIV-De Beschieting Der Forten

De tragische dagen waren thans begonnen. Sedert 28 September hoorden wij, zonder ophouden, het doffe brommen der kanonnen. Sedert het bombardement van 't jaar 30 had Antwerpen dergelijk geluid niet meer vernomen. Sedert den franschen tijd was het geleden dat wij nog belegerd werden. De gang van den tijd bracht weerom den oorlog rond onze wallen met een nieuw en nooit- vermoed geweld.

Overdag scheen het wel te bedaren, het gerij en het menigvuldige leven der groote stad smoorden de verdere geluiden. Maar tegen den avond en binst den nacht ging het eendelijk gebons als van zware deuren, toeslaande op het steenen gewelf van oude kelders. Het brutale was daar bezig, het gebas der oorlogsbeest, ginder aan de uiterste grenzen der antwerpsche vesting.

Waren het de duitsche stukken van 42. die wij hoorden? Waren het onze forten of onze veldkanonnen die antwoordden? Het kon niet goed uitgemaakt worden, 's nachts te Antwerpen. Tusschen slaap en wake kwam het ons wel voor als een ver onweer, een staag gerommel van donder, waar wij aan wenden, dat ons plots weer opviel, bij 't ontwaken, en, in de duizeling, ons voorkwam als het gonzen van de lucht zelf. Het scheen mij soms dan ook alsof wij waren als vervolgde menschen, die met hun nog geredde schatten gevangen zaten in diepe donkere katakomben, waar zij nog wel door de duistere gangen en onder de lage gewelven konden bewegen, maar nooit meer zouden uitgeraken, en aan de uiterste poorten hooren zij het onverbiddelijk gebeuk van den vijand die elk oogenblik kan binnenstormen met roof en verdelgingszucht…

Het was nacht rondom ons, ook overdag. Want wij kregen weinig of geene berichten over die beslissende mokerslagen die op onze gepantserde borstweer werden toegebracht.

Maar zonder juist nieuws voelde eenieder dat er iets geweldigs aan 't gebeuren was en spijts de hoopvolle zekerheden die de burgers elkaar lieten opdringen, hing er als een gedurige angst in de lucht.

Ik had eene nieuwe bediening gekregen. Met enkele andere advocaten werd ik aangesteld als burgerlijk afgevaardigde van den krijgsgouverneur om toezicht uit te oefenen op de duitsche handelshuizen waarvan de firmanten waren uitgedreven of in hechtenis genomen. Mijn werk was thans vrijer dan wanneer ik heel den dag als tolk of griffier in 't gevang doorbracht. Ik was aldus in de gelegenheid mij een klaarder denkbeeld te vormen van den algemeenen toestand en het uitzicht van Antwerpen. Ik lag als het ware aan het hart van de stad en hoorde haar harteklop. Ik liet in mij hare gevoelens terugwerken van angst en van vertrouwen. Elke dag zou voortaan in mijn geheugen aangeteekend blijven met eene kapitale gebeurtenis; elke dag zou ik een nieuw vertrouwen zien onstaan of een laatste hoop zien verijdelen tot het noodlottig uur van den onwederroepelijken ondergang.

Op dinsdag, 29 September, liep het gerucht in de stad dat Lier was gebombardeerd. De bevolking was gevlucht en ondanks de strengste maatregelen om de vluchtelingen den toegang tot Antwerpen te beletten waren er vele door geraakt. Zij vertelden, hier en daar, wat zij gezien hadden en beleefd. Er viel niet meer aan te twijfelen. De mare verspreidde zich als loopend vuur.

De Duitschers naderden dus Lier! Elke Antwerpenaar is er meermaals te voet of per fiets naar toe getrokken, kent de rust van het begijnhof, de groote koele Sint Gumarus kerk vol zware pracht, de boompjes langs de Nethe, de steenen brug, de winkeltjes met de beroemde liersche vlaaikens… De bommen vielen daar te midden dat oude stille leven. Dat was bij de deur. Eene groote verslagenheid begon in de stad te heerschen.

In 't naar-huis-keeren, den nanoen van dien dag, zag ik door de Huidevettersstraat een auto rijden met burgerwachten van Lier. Een bevriend kunstschilder zat er bij en die wuifde naar mij toe met een duitsche pin-helm als een glorierijke tropee. Die namen het dan toch luchtig op. Zou het gerucht misschien niet overdreven zijn? Werd de vijand mogelijk teruggeslagen?

Thuis vond ik, in mijn werkkamer, een motocyclist-vrijwilliger die een zending volbracht had bij den generalen staf en van den tijd die hem overbleef gebruik maakte om mij met een hartelijk bezoek te verrassen. Die scheen aan de verschrikkingen van den oorlog reeds heelemaal gewend te zijn, want zonder de minste ontsteltenis vertelde hij mij, voor waar, dat ons leger ten zuiden van Mechelen had moeten wijken en op 28 September het bombardement van Waelhem en St Kathelijne Waver was begonnen. De welgerichte 42 cm. bommen hadden, zoo verzekerde hij mij, denzelfden dag nog die twee forten bijna onbruikbaar gemaakt.

"Het is geen spel meer hoor, gelijk het ginder thans toegaat. Wanneer de zware stukken, die daar ievers beneden Mechelen, op béton-vloeren moeten staan, hunne reusachtige projectielen doen neerkomen rond onze forten, dan springen er torenhooge fonteinen van aarde in de lucht. Sneltreinen voor Antwerpen zoo hebben wij die bommen gedoopt, zoo snorren zij door de lucht met eene verbazende snelheid, zoo razen zij door den hemel met een vervaarlijk geluid. In den avond ziet ge de dorpen met roode vlammen branden op een horizont van lood. De menschen slaan overal op de vlucht onder een regen van shrapnels."

Ik was nog niet van mijn verslagenheid bekomen toen mijn vriend, voor mijn drempel, luchtig en welgezind op zijn motor sprong en tuffend de straat uitreed. Van een voorbij-rennende kranten- verkooper kocht ik een blad en er stond in vette letters op te lezen dat de forten van Liezele, Breendonck en Bornhem hardnekkig stand hielden en een aanval van den vijand, te Blaesveld met verschrikkelijke verliezen werd teruggeslagen. Hetgeen naderhand ook wel waar bleek. Doch waarom de andere droever waarheid verzwegen? waarom de menschen in dwaling laten verkeeren? Zoo moest ik van mijn huisgenooten dien avond aan tafel hooren dat zij van verschillende kanten vernomen hadden dat Von Beseler aan den commandant van Waelhem voorstellen zou gedaan hebben om zijn fort over te geven maar deze, sterk in zijn hoop het uit te houden, kranig zou geweigerd hebben; wat dachten die Duitschers wel!

Zulke voorstellingen bleven ingang vinden bij velen, schenen zelfs meer dan waarschijnlijk. De menschen grepen naar goed nieuws als drenkelingen naar een plank. Wij zouden nu wel gaan zien dat de oninneembare vesting van Antwerpen te vergeefs werd aangetast. Aan omsingelen en uithongeren viel immers niet te denken, zoo oreerden de kamerstrategen. Waarom vertwijfelen? Die er anders over dachten, waren slechte vaderlanders. Die ander nieuws rondstrooiden waren onruststokers, verspieders, landverraders en die moesten worden aangeklaagd.

XV-Inferno

Ik bezocht 's anderdaags, 30 September, een paar ambulances in de stad. Nieuwe zieken en gekwetsten waren daar toegekomen. Hier was ik zeker de meest betrouwbare getuigen te vinden van hetgeen binst de laatste dagen gebeurd was. Er waren afschuwelijk verminkten die ik eerbiedig en zwijgend moest voorbijgaan. Ik zag een jonge man, bleek en vaal en als levenloos, met een bloedig- verbrijzelden arm, op een ziekewagentje naar de operatie-zaal voeren. Maar een bevriend dokter bracht mij in een zaal waar soldaten lagen die heelemaal of bijna niet gekwetst waren, maar in een zenuw-crisis van het slagveld werden weggevoerd en nu nog over heel hun lichaam beefden, terwijl hunne wijd-open oogen idioot keken van de verschrikking die zij hadden doorgemaakt.

Zij kwamen meestal uit de forten van Waelhem, Sint Kathelijne Waver, Koningshoyckt en Lier. Op onze vragen vertelden zij, met een terughoudenheid alsof het niet mocht, hoe het er geheel onhoudbaar was geworden. Vijf uur aan elkaar waren de bommen op en rond hunne koepels gevallen. Van een soldaat uit het fort van Lier, die als bij mirakel slechts lichte kneuzingen had opgeloopen, vernamen wij hoe de pantsertoren van zijn fort als door een reuzenhand werd uit zijn put gerukt en weggeslingerd.

Er waren ook soldaten die bij de troepen hoorden die de tusschenruimten der uiterste fort-lijn verdedigden. Hunne haastig- aangelegde loopgraven werden zoo hevig onder vuur genomen dat alles weldra lag dooreen geschoten tot een strook land van onzeggelijke en gruwzame wildernis.

Doch ik zal nooit het gezicht vergeten van die twee kanonniers die uit de forten van Dorpsveld en Boschbeek geraakten. Hunne gelaten waren geheel vertrokken en vervormd van het afgrijselijke dat zij hadden doorleefd. Het scheen alsof zij uit een hel waren gekomen waarvan de ontzetting hun nog als een nachtmerrie vervolgde.

Het was niet gemakkelijk iets van ze te vernemen. Met nog bevende lippen gingen zij eindelijk toch aan 't praten. Zij wisten niet meer wat rondom hen te velde gebeurde. Zij hoorden slechts de aanhoudende losbrandingen die alles daveren deden, als bij een aardbeving. De koepel, waarin zij als het ware gevangen zaten te midden der ongeloofelijkste ontketening van helsch geweld, was als een schip dat geschud en gebeukt werd in den vreeselijksten storm. Het gefluit en gesis der kogels, het geronk der snelvuurgeweren joeg als rukwinden om hen heen. Zij konnen met moeite slechts naast hunne stukken blijven, zoo helden zij langs alle kanten, zoo begon de vloer onder hunne voeten te deinen, zoo begonnen de wanden rondom hen te bewegen en te kraken. "Eindelijk" zoo vertelde eene, "is onze koepel in breede scheuren opengesprongen." Uit de woorden van den andere kon ik opmaken dat de massieve- betonbouw van zijn fort in den grond zonk als onder de macht van een reusachtigen plethamer.

Geen enkel bepaald nieuws in de bladen over al het gruwelijke dat aan 't gebeuren was. Integendeel de bladen meldden dat de forten onbeschadigd waren. In de kranten van donderdag avond 1 October stond zelfs te lezen dat er nog steeds verschrikkelijk gevochten werd ten zuiden van de Nethe. Ons leger had wel de wijk genomen tot aan deze rivier, maar de forten van Lier en Koningshoyckt hielden den vijand in bedwang, die, tusschen Tallaert en Lier, met bloedige verliezen werd achteruit gedreven.

De gemoederen werden nog maar steeds gerust gesteld. Ik dacht bij mij zelf: wat een neerzinking, wat een paniek zal dat worden wanneer de volle waarheid eens toch zal bekend geraken. Ondertusschen bleef het een vaderlandsche plicht die waarheid te verzwijgen of te loochenen. Een burger die uit de omstreken der vuurlijn kwam en aan een kennis op de tram vertelde dat ons leger overmand was, het niet langer meer kon uithouden en weldra achter de Nethe een wijkplaats zou moeten zoeken, hoorde ik heftig toespreken door een reiziger: dat het leugens waren om de geesten te verwarren en te ontmoedigen, dat hij te zwijgen had, of dat hij zou weten waar hem aan te klagen.

Waar zouden de menschen met zulke voorlichting, met zulke gemoedsgesteltenis, een zekerheid gevonden hebben, wanneer nu toch elk uur het bestaan der stad, de onafhankelijkheid van het land kon beslist worden.

Toen ik weer huiswaarts trok dien avond scheen het mij of ik met een verschrikkelijk geheim rond liep en ik vroeg mij zelf af of ik uit geen akelige droom was ontwaakt. Want heel die groote overbevolkte stad rondom mij leefde voort van gissingen, van tegenstrijdige geruchten en, schier onaangetast, bleef het vertrouwen in de onverwinbaarheid der steeds geroemde antwerpsche vesting.

XVI-Rond De Stad

Het verlangen om mij met eigen oogen van den toestand te overtuigen bracht mij weer eens buiten de poorten.

Ik had gelegenheid om in den vroegen morgen van 1 october met een proviand-trein mee te rijden tot Hemixem, op de Schelde, zuidwest van Antwerpen.

Ik zag een paar forten der tweede verdedigingslijn. Die lagen rustig nog en zoo vereenzaamd in de ringsom open gelegde velden. De harde vlakke beton-bouwen staken witgrijs omhoog uit het frisch- groen gras der aarde-werken. Maar ik wist nu wat hun sterkte te beduiden had wanneer eens het geweld en de verschrikking van den nieuwen oorlog errond zouden komen spoken.

Onze trein was pas in het goederen-station toegekomen, of ik zag, over den steenweg uit Hemixem-dorp, een onafzienbare sleep auto 's en motorwagens, in een rosse stofwolk, komen aangereden. Dan volgden ook nog vele leverancie-wagens, door paarden getrokken en waar de firma's van groote warenhuizen uit Brussel of Antwerpen nog op te lezen stonden met, in een hoek, de haastig-overgeschilderde aanwijzing van den legerdienst waarvoor zij werden gerekwireerd. Het lossen van den trein begon en elke wagen kreeg zijne vracht: amunitie-brooden met duizenden, zakken met peulvruchten, aardappelen en haver, eetwaren in blikjes, bussen met naphta en wat weet ik nog, hoopen en hoopen van alle soort proviandeering die dagelijks door een leger verslonden wordt.

Ik stapte het station uit in de richting van Hoboken. Over de lege gronden langs de baan, bewogen pelotons rekruten, nog in hun burgerpak en die door onderofficieren gedrild werden. De bevelen klonken schreeuwerig door de lucht.

Van uit Hoboken vertrok een houten brug-op-schepen over de Schelde naar Cruybeke, waar het rustig veermanshuis, met zijn witten gevel en rood dak, zoo schilderachtig boven den groenen dijk uit stak. Vele rekruten liepen hier ook te kuieren nabij de aanlegplaats of keken naar den traag vlietenden breeden stroom. Enkele waren reeds voorzien van een stuk militaire kleeding, een muts of een tuniek of een ceinturon. Die waren de strijders van morgen, de slachtoffers ook misschien van dezen gruwelijken oorlog die als een onverzaadbare Moloch al het jonge volk, de bloem van een volk verslindt. Ik erkende een paar vrienden, gelukkig wat te kunnen praten. Zij gingen misschien morgen naar Oostende vertrekken of verder naar Frankrijk, in een kamp, om hun leertijd uit te doen. In onzen afscheidshanddruk, in onze oogen was er iets van vrees, van onzekerheid of wij elkaar nog ooit wel zouden weerzien.

Stroomopwaarts, uit de richting van Rupelmonde en Bornhem, kwam bij poozen het gebrom van het kanon, hier duidelijk hoorbaar. Het scheen mij zelfs dat er in de verte wolken van rook opdampten boven den vlaamschen oever. Maar nergens toch de minste ontsteltenis, noch bij de burgers, noch bij de soldaten; en ik wist nochthans dat onze uiterste fortenmuur, in den derden en vierden sector, nagenoeg geheel openlag en de vijand ons veldleger over de Nethe had gedreven.

Tegen den middag was ik weer terug met mijn trein in de stad. In den namiddag trok ik nog eens naar Cappellenbosch. Ginder in het Noorden der antwerpsche vesting viel misschien eenige weerslag der gebeurtenissen waar te nemen, werden mogelijk aanstalten gemaakt voor den aftocht van het leger.

Ik vond soldaten langs alle wegen. Het dorp Cappellen was als een kamp, zoo liep het er vol. Mannen die vrij-af hadden, kuierden door de nog gespaarde bosschen. Hier en daar ook een die bezoek had van zijn vrouw of zijn lief. Die zaten dicht bij elkaar op den boord eener gracht of op den stam van een neergevelden boom, te praten of wat lekkers op te eten dat de vrouw, wie weet van hoe ver, in een zorgelijk toegeknoopt pakje had meegebracht.

Ik kwam weer op ons landhuis. Hoe verlaten en naargeestig lagen de kamers. De meubels stonden er doelloos. In de stilte hoorde ik eene oude eiken kast kraken alsof er een ziel uit spreken wilde. Boeken lagen links en rechts om nooit meer gelezen te worden. Ik haakte een gekleurde plaat van den rooden muur in mijn werkvertrek. Dit zou ik toch nog meenemen als herinnering. Het was de blijde geboorte van Botticelli. Voor de kribbe met Maria, Jozef, het kindeken en de goedaardige dieren, waren engelen die de herders omarmden en kusten: Vrede den menschen van goeden wil… Ik dacht aan geluk om schoonheid, geluk om liefde… Het is geweest! Het is geweest! Wanneer kennen wij nog eens den vrede en de weelde van het stille genot! Mijn keel was toegeschroefd van weerhouden snikken. Ik voelde de groote droefheid die over heel de wereld weegt. Ik hoorde in mijn verbeelding het almachtig rumoer der millioenen legers, het gedreun der regimenten het gerol der kanonnen en oorlogswagens, over alle wegen van Europa. Waar is de stilte, de verrukking die eens toch mijn bezit was?

Ik sloot de deur op den hof, waar de avond begon te dwalen en gele schijnen van den hemel nog lichtten uit het vlakke donkere water van den vijver.

Over den steenweg van Cappellen naar Esschen waren toen reeds vervoerdiensten met postkoetsen ingericht om het opgeschorste treinverkeer te vervangen. Ik kwam er een paar tegen op weg naar de grens. Vele menschen trokken ook te voet dien kant op. Het was een achtiend-eeuwsch gezicht, dat reizen te voet en te paard en met de traag rijdende koetsen. Menschen die elkaar vervoegden langs de baan begonnen te kouten en zetten samen de lange reis voort. Mij reed een witte huifkar voorbij met een dikke bruine merrie bespannen. Er zaten twee kloosterzusters in en die vroegen of ik niet mee wilde tot Cappellen. Mijn uniform wekte goedhartigheid. Ik nam mijn plaats in nevens den voerman.

In de vallende duisternis schenen de wachtposten, aan de aarde- poorten op den weg, oktrooien uit den ouden tijd, die voor de kasteelheeren tol hieven op de trekkende reizigers. Onze papieren werden nagezien en de zusters deelden telkens appelen en peren uit, aan de van dienst-zijnde soldaten. Zij stapten af voor de poort van haar klooster te Cappellen en ik ging de trein nemen tot Antwerpen.

Maar niets toch had ik gezien dat op ontreddering geleek. Alles was rustig nog alsof het zoo nog weken kon voortgaan.

XVII-Op Sint-Michielstoren

Ik trok 's anderdaags, vrijdag 2 october, rond elf uur in den morgen met mijn vriend Karel van den Oever, naar de Sint Michielskerk op het Zuid. Wij hadden afspraak met den kosterszoon om den toren te beklimmen en van daaruit den aan-gang-zijnden slag aan den horizont waartenemen. De waterlijding was in Antwerpen geschorst dien zelfden morgen. De vijand was dus meester van de Nethe. De strijd om het bezit der stad naderde zonder twijfel de tweede verdedigingslijn.

De kerk was leeg. Wij vonden langs binnen het torendeurtje en weldra stonden wij, boven de klokkenkamer, door de hooge rond- geboogde galmgaten te turen in de richting van Mechelen.

Het duurde een tijd eer wij onzen weg vonden door de wijde eindeloosheid, die onder onze oogen open lag. Alles smolt in elkaar tot een olijfgroen landschap, velden, boomen, wegen en verre dorpjes. Maar op eens kregen wij Sint Rombouts toren in 't gezicht. Die stond als een hooge af geknotte mast, schalieblauw boven den einder. Dan zagen wij, laag bij den grond, links van den toren en naar het Oosten toe, eene golvende wolkenbank met striemingen van rood licht, het was de vuurlijn. Sint Rombouts stak er boven uit, alsof die oude steenen reus zelf in 't gedrang was gekomen van zijn vechtende en stervende kinderen. De aarde scheen aan den horizont te bewegen en te branden. Immeraan dampten wolken van witten en blauwen rook omhoog waardoor, af en toe, een roode lichtflits gleed en de wolkjes roos begloorde. Nader bij Antwerpen en naar onze schatting boven de streek tusschen Contich en Duffel steeg een verkenningsballon omhoog en de geel-beglansde worst ging zweven met den sleep van zijn slank-buigenden kabel, die als een ragfijne spinnewebdraad op het luchtvlies zichtbaar bleef. Vreemd hong die wanstaltige massa in het vlekkeloos hemelblauw. Dadelijk begon daarrond het spelend gedans van de witte wolkjes der openknarsende shrapnels. Maar de ballon bleef drijven, ongedeerd, traag wendend en keerend in den wind, boven de belgische troepen die daar moesten gelegerd zijn.

Wij luisterden aandachtig naar de ruimte met dien gruwelijken dijk van rook en vuur aan de einder. Maar wij hoorden niets dan het staag geruisch der groote stad aan onze voeten. Geen enkele, zelfs gedempte rommeling van kanonnen kwam ons toe van uit de verte. Heel het land lag eenzaam en schijnbaar zoo rustig.

Vliegeniers kwamen toen aangevlogen, als groote vogels opduikend uit de luchtdiepten, en streken neer in breede spiralen tot op het vliegplein van Wilrijck. Het ronken hunner schroeven klonk nu, heel nabij, als het gedreun van orgels.

De Schelde, waarvan de wit-glimmende wenteling door de wester- galmgaten te zien was, lag leeg van schepen, verlaten en naargeestig als een gevloekte stroom. Aan den overkant strekte het Vlaamsche land, als een grauw-gele woestenij, mijlen en mijlen ver met de torens van Zwijndrecht, Melsele, Beveren, achter elkaar, en het donker betooverd puin van Rubenskasteel, heel nabij in de olijfgroene polders, waardoor wit de grachten blonken. Wij dachten toen nog niet aan den aftocht van ons leger, dat langs daar zijn redding zou moeten zoeken in een rusteloozen trek van Antwerpen tot aan den Yzer, altijd voort altijd voort, zonder genade. Nu kwam nog niets den vrede van dat land verstooren. De wielschepen van den overzetdienst deden gezapig hunne reizen over den stroom en kleintjes klauterden menschen en wagens den steenen dijk op van Sint Anna.

Hoe sterft toch het grootste getier van wapenen op eenige uren afstand uit! Ginder heel ver, woedde de slag maar hoe kalm en ongestoord lag nog de stad en hoe zeker in het midden van die groote ruimten van vrye ongeschonden velden. Zou daar toch ook eens slag geleverd worden? Zou ons leger, achteruit wijkend, elk stuk grond daar, voet voor voet, verdedigen, om den vijand, aan geen prijs, door te laten tot de stad die nu de laatste wijkplaats was van het vaderland? Wij bleven hopen zoolang zij niet gevallen was.

Maar toen wij, afgedaald van onzen toren, weer door de straten liepen, wisten wij maar al te wel hoe dreigend de nood was, Met eigen oogen hadden wij de vuurlijn gezien. Die lijn zou nauwer en nauwer toesluiten rond de stad en wat ging dan haar lot zijn morgen? Wij stapten sprakeloos voort en mijn vriend zag met weemoed naar de huizen die hij minde en die tot gruis-en steen- hoopen konden worden neergebeukt.

Ik zat in den nanoen, niet zonder gejaagdheid, de hollandsche kranten te lezen in den Kunstkring. De "Times" werd niet meer toegelaten, daar stonden de gebeurtenissen te klaar in beschreven. Eensklaps dreunde kanongebulder over de stad. Wij sprongen op, de enkele lezers die daar rustig zaten in de lederen zetels van het fluisterstille kabinet.

Wij liepen naar een terras op den tuin vanwaar eene wijde hemelruimte boven de huizen zichtbaar was. Eene duitsche Taube snorde door de lucht en dreef recht over de plaats waar wij stonden. Het was de dood die over ons heen vloog, want bommen waren reeds gevallen en nieuwe bommen konden worden uitgeworpen.

Was het onbedachtzaamheid die ons staan hield onbewogen, terwijl wij aandachtig door de lucht het spel volgden der omzwevende wolkjes van de ontploffende schrapnels? Was het een wraakachtig verlangen den vijandelijken vlieger als een gekwetste vogel te zien neer tuimelen uit dien blauwen hemel? Was het misschien wel onverschilligheid voor alle werkelijk gevaar waar toch niets meer tegen te doen valt? Was het een onbewust vertrouwen dat ons uur nog niet gekomen was?

Ik dacht aan die zielesterkte waar Marcus Aurelius van gewaagt, die onbewogenheid der ziel die zich voegt naar hare lotsbestemming en naar de omstandigheden waar zij geen meesterschap meer over heeft. Sterven op dat oogenblik, zoo scheen het mij, had toch niets bitters meer indien het zoo beschikt was.

De Taube ging aan 't stijgen, buiten 't bereik onzer kanonnen en verdween weldra als een onbeduidend stipje in het wit-blauw der hemeldiepten. De kanonnen zwegen.

Bommen waren te Berchem gevallen en hadden een vrouw en een kind gedood. De vijandelijke vliegenier had ook strooibiljetten uitgesmeten waar op te lezen stond dat de bevolking van Antwerpen bedrogen werd en de val der stad aanstaande was. Dat nieuws werd door de bladen met spotternij vermeld. Onze forten zouden bewijzen of Antwerpen stand hield ja of neen.

XVIII-Een Nare Dag

Zaterdag, 3 october, is wel voor mij de meest nare dag geweest van het beleg van Antwerpen.

Het gerucht liep, in den morgen, dat de regeering en de vreemde gezanten gingen vertrekken naar Oostende en al de hospitalen moesten worden ontruimd. Dat viel te verwachten, het einde was nabij, maar hoe droef die harde zekerheden te ondervinden!

Ik ontving het bezoek van een vrijwilliger-kanonnier, uit het fort van Wijneghem, die met verlof in stad was. Hij vertelde mij uit zekere bron vernomen te hebben dat de tegenaanvallen die ons leger waagde op de Nethe, vruchteloos gebleven waren en aan ons volk verschrikkelijke verliezen hadden gekost. De stille kempische rivier lag vol lijken en vloeide rood van bloed. Het fort van Dorpsveld was in de lucht gesprongen met zijn bevelvoerder en laatste verdedigers. Te Koningshoyckt was een munitie-magazijn ontploft en het fort onbruikbaar geworden. Tallaert lag vernield, Lier werd verlaten en ons leger was nu bepaald heelemaal achter de Nethe teruggeweken. "Onze forten zijn van karton" zoo voer mijn zegsman voort, met een bitteren lach van spijt en radeloosheid om de lippen, "van karton, zeg ik je, tegen die monsterkanonnen waar Brialmont nooit op gerekend had. Het is de eeuwige strijd tusschen het pantser en de bom en de bom moest onvermijdelijk overwinnen. Indien je geen duitsche pinhelmen als overwinnaars over enkele dagen in je straat wil ontmoeten, dan raad ik je stellig aan zoo haast mogelijk te vertrekken. De val van Antwerpen is beslist. Het is slechts een kwestie van dagen nog, wat zeg ik, van uren misschien."

Ik beproefde, zwakjes moet ik zeggen, die stellige verklaringen in twijfel te trekken, gesteund als ik was door den algemeenen geest die nog in de stad bleef heerschen en op eene onmogelijke verlossing wachtte, maar mijn vriend lachtte, ietwat medelijdend, alsof hij te zeker wist wat ons te wachten stond.

Toen ik weer alleen zat in mijn werkvertrek, werd ik voor 't eerst ten volle bewust van het onwederroepelijke. Het was hartverscheurend! Ik voelde mij in de stemming vaneen man, wien de dokter de ongeneesbaarheid en het aanstaande einde van een geliefd wezen heeft aangekondigd. Hij staat machteloos bij de sponde, nog gaat de ademhaling, nog klopt het hart heel zwakjes, maar de oogenblikken zijn geteld en vallen een voor een in de eeuwigheid als de laatste korrels van den Zandlooper.

Er was niets meer aan te doen!

O bitterheid der herinnering! Voor twee maanden leefden wij hier nog in gelukzaligen vrede, waren er schepen op de Schelde uit alle werelddeelen, klonk de beiaard uit O. L. V. Toren, bewogen de menschen blij en feestelijk langs de straten, stonden al die oude huizen en groote kerken daar met hun onveranderbaar gelaat vol oude rust en zekerheid.

De overweldigers die reeds Luik hadden ingenomen en Leuven en Brussel en Mechelen en zoovele steden en dorpen op onzen vadergrond, zouden ook Anwerpen binnenrukken met het hoonend geluid hunner gillende pijpers, Antwerpen, de stad van Rubens, de trotsche, blijde stad van stoeten en landjuweelen vol ongeziene pracht en schittering.

De val dezer stad had een tragischer beteekenis dan die van andere steden in het land. Zij was ons laatste toevluchtsoord en zij is gekend over heel de wereld. De waterbanen uit alle zeeën loopen er henen. De schepen uit Bombay en Calcutta, uit Melbourne en Valparaiso, uit New-York en Shanghaï hielden den steven naar haar gewend.

Ik heb deze stad bemind als geen andere op de wereld met eene liefde van alle dagen en alle nachten. Wanneer ik ver van haar was, heb ik naar haar verlangd met een ongeneesbar heimwee en, varend over vreemde zeeën, hoorde ik haar roemen door het scheepsvolk als een verre droomstad, verholen achter de eindeloosheid der zoute wateren, in de diepe rustige golf der breede en kalme Schelde…

En nu is haar val nabij. De zonen van heel het land vermogen niet haar te redden ten koste van hun bloed…

Waar zijn de millioenen-legers van de Russen, de Franschen, de Engelschen dat wij zoo gansch alleen aan ons droevig lot zijn overgelaten. Moet deze stad dan toch onwederroepelijk met hare onafzienbare kaaimuren en dokken, met hare torens en kerken, met hare onschatbare kunstgewrochten, de prooi worden van Duitschland en de uitspattingen zien der onbeschofte vreugde van een vijandelijken triomf! De klokken uit de domtorens van Keulen en Aken van Coblenz en Frankfurt, van Berlijn en van Weenen zullen feestluiden bij den ondergang van dit voor ons onaantastbaar heiligdom!

Heel den dag vervolgden mij die martelende gepeinzen.

Wanneer ik op straat kwam, las ik verslagenheid op alle gezichten. Voor het Sint Elisabeth-gasthuis zag ik de tramwagens volladen met de erbarmelijke vracht van nog hulpbehoevende gekwetsten… Het ongeluk hing in de lucht. Eene atmospheer van angst, van bange verwachting drukte zwaar over heel de stad. De dingen die gebeurden waren te geweldig dat zij niet, zelfs zonder mededeeling der kranten, op elk burger een weerslag zouden gehad hebben. Voorgevoel? Telepathie? wat weet ik, maar 't was zeker dat onze nederlaag op de Nethe en het openkraken onzer sterkste pantsertorens, ofschoon de menschen er niets juist over wisten, als door luchttrillingen tot in elk hart den zwaren klop verwekten van de hevigste ontroering. Zoodat alle menschen dof en moedeloos gingen loopen met een borst vol nijpend wee.

Ik zocht naar stilte en eenzaamheid. Werktuiglijk gingen mijn schreden naar de Wilrijcksche poort. In de groene koelte van het Nachtegaalpark, onder de hooge zwaarruischende beuken van Middelheim, heb ik zoo dikwijls over mijn leven nagedacht en rust en sterkte gevonden. Misschien kon ik er nu ook weer tot kalmte komen met mij zelf en leeren berusten in het Lot. Het zou daar eenzaam zijn en verlaten. Wie dacht nu in de stad aan die verre- koele boomen?

Maar ik was nauwelijks de poort uit of ik zag de baan afgesloten door soldaten en over heel de diepte van den steenweg op Wilrijck, de dichte drang van vluchtelingen stadwaarts gekeerd. De forten der tweede verdedigingslijn werden dus onder vuur genomen dat de dorpelingen van zoo dicht bij Antwerpen reeds op de vlucht sloegen. Het was een erbarmelijk gezicht: hoogopgestapelde karren vol meubels en beddegoed, voortgedreven koebeesten en schapen, handkarretjes met een arme huisraad volgeduwd en duizenden menschen, wien toegang tot de stad werd ontzegd. Waar moesten die dompelaars nu heen? Naar het Noorden en het Westen liepen nog de eenige vrije wegen.

Ik moest terug, er viel niet aan te denken door dat gewoel te geraken. Ik tramde weer tot in het hart der stad.

Eene groote verrassing wachtte mij daar: de engelsche mariniers waren aangekomen. De burgers liepen rond in blijde opgewektheid. De trieste stemming van heel den dag scheen geweken voor eene nieuwe opleving van hoop. Gezang van Tipperary klonk mij tegen van uit de kromming der Koornmarkt en weergalmde tegen de oude trapgevels. Ja, daar waren de Tommys in hunne kakhi-uniformen en hun flinke stap dreunde door de straat met het gerol hunner snelvuur-geweren. Zij hadden lachende gezichten, bij 't gejuich en geroep der links en rechts op de stoepen geschaarde menigte. Vrouwen wierpen bloemen uit en staken sneukelgoed en vruchten toe aan de kranig voorbij tiegende jongens. Zware marine-stukken waren over de vlotbrug van den vlaamschen oever gekomen en reden nu met een daverend geluid van ijzer over de kasseien der Suikerrui.

Wij waren dan toch niet heelemaal verlaten. Engeland ten minste kwam ons ter hulp. De regeering vertrok niet meer en de gasthuizen werden niet voort ontruimd. Churchill, de lord der engelsche admiraliteit, was naar Antwerpen gekomen en pleegde reeds overleg met onzen generalen staf. De zaken gingen een andere wending nemen onder zijn beheer! Antwerpen was gered!

Het waren de laatste opflakkeringen van hoop, zekere voorboden van het einde. Ik liet mij niet meer meeslepen in dien laatsten roes. Ik had de vlucht gezien van duienden aan onze poorten. Ik wist dat onze vesting openlag voor den vijand. Wat konden 2000 engelschen doen, wanneer vijftig—en honderdduizend niet voldoende waren geweest om den inval der Barbaren te stuiten. De avond begon te dalen en de straten lagen wit-grijs in de deemstering. Toen zag ik op O.L.V. Toren een rood-en-wit- gekartelde vlag verschijnen. De menschen in hunne vreugde begrepen niet dat nood-signaal. Het was een voorteeken van het aanstaande bombardement. De oude eerbiedwaardige steenen van Antwerpen riepen om genade.

XIX-De Kardinaal Te Antwerpen

O 't bitter zoete van dien laatsten zondag! Ik wandelde langs de boulevards, onder de groene platanen. Tot mij kwam het vele klokgewemel uit de oude stad, alle de klokken der groote kerken die luidden voor de hoog-mis. Dat gaf altijd eene stemming van feest, van blijde opgetogenheid, wanneer dan tusschendoor de schetterende fanfaren van eene voorbijtiegende harmonie maatschappij uit een verdere straat werden vernomen. Nu kwam de bittere herinnering op aan vroegere dagen van vrede en rust. Ik heb mij, kind zijnde, reeds zoo bewust gelukkig gevoeld bij die bekende klokke-muziek. Ik kende de vrome stemmen uit alle torens. God! het waren dezelfde zware gonzingen en de heldere bimbammen van altijd die mij den zondags-hemel blauwer deden schijnen en van zon de gevels lichter. Nu luidden zij den nood die in alle harten genesteld zat en 't kwam mij voor dat het blijde klankgeweef van vroeger bedeesder was geworden en schuchter om een geluk waarvan de broosheid thans was gebleken. Ons bleef niets meer dan bitterheid en spijt; de laatste illuzie van een mogelijke verlossing was nu voor goed dood. De klokken zongen ons leed.

Wit-en-rood-gekartelde vlaggen staken nu uit op alle publieke gebouwen. Ik zag er wapperen langsheen mijn wandeling, boven het Opera, den nederlandschen Schouwburg, het Atheneeum en dieper in de stad boven Sint Andries, Sint Jacob, en Sint Paulus. Flink-uitslaande vlaggen wekken altijd een gevoel van fiere vreugde. Maar nu… dat wit en rood gewemel op de zonnelooze en parel-grijze lucht deed denken aan de nood-signalen van schepen die vergaan.

Er was een groote rust overal, een doffe stilte en eene verschrikkelijke ijlte. Waagden de menschen 't niet meer buiten te komen en zaten zij te dubben in angstige verwachting achter al die bleeke zieke gevels van een stad die sterven ging?

Tegen den middag kwam er toch weer beweging in de groote straten, gingen de menschen met hun zondagschen tred over de Schoenmarkt en de Meir, toeterden weer de militaire auto 's en klonken dringender de bellen van de trams door de drukte en 't rumoer.

De meest besproken gebeurtenis van dien dag was de overkomst van Kardinaal Mercier naar Antwerpen. Dat gaf gerustheid tot in het meest dreigende gevaar. De blikken verhelderden. Dat voelden de menschen toen reeds: de regeering kon gedwongen worden te vertrekken, de Koning en het leger zouden misschien eerstdaags de stad en het land moeten verlaten, maar de Kardinaal was een macht en een kracht die zou blijven en 't ontredderde schip van 't Vaderland, met zekere hand en vasten blik voort sturen door de orkaan. Hij had toen nog niet die heldhaftige brieven en protesten geschreven, uitspraak van den nood, de verzuchtingen en de verontwaardigingen van een heel volk en die over heel de aarde weerklank zouden vinden. Hij had zich toen nog niet, met de imponeerende grootschheid van zijn onkreukbaar gezag, tegen duitsche dwingelandij en willekeur gesteld en woorden gesproken die ontzag en eerbied afdwongen en hem maakten, in afwezigheid van den Koning en de regeering, tot den Regent van het verdrukte en platgetrapte België, veel meer nog, tot de hoogste en zuiverste zedelijke macht, eenige toevlucht nog van het Recht en de Rechtvaardigheid en die als een arke Noachs zou uitsteken boven de wateren van den nieuwen zondvloed van alschrikkelijkheden die Europa gingen overweldigen en weldra de heele wereld.

Maar toen reeds was er glorie rond hem. Keerde hij niet pas weer uit Italië, waar hij bijna tot Paus van Rome werd verkozen, bij eene eerste stemming der fransche kardinalen in het jongste konklaaf. Frankrijk en Engeland hadden hem toegejuicht op zijn terugtocht, die werd als een triomf. En nu zou hij pontificeeren in de antwerpsche kathedraal en openbare gebeden opdragen voor het behoud der stad in haren uitersten nood.

Ik ging er heen. De reusachtige kerk was proppensvol. Ik vond met moeite slechts een plaatsje om tegen een der laatste pijlers te leunen, van waar ik de zee van menschen overzag die de zeven beuken vulden. Ik kon niets waarnemen van den dienst in de O. L. V. Kapel, niets dan de felle gloed der vele kaarsen op het wit- marmeren autaar, onder het donkere gewelf. Het orgel dreunde en de choralen zongen.

Toen plots, in de plechtige stilte die volgde, klonk de stem van den
Kardinaal die de liturgische gebeden psalmodieerde.

Er ging een schok door mijn lijf. Ik dacht mij weer in het Paus college te Leuven, waar ik diezelfde stem gehoord had, twee jaar lang, bij de verklaring der wijsbegeerte. Ik deed mijn oogen toe. De oorlog was ver van mijn gedacht. Ik zag het vroeg-verouderde gelaat van mijn professor met de onvergeetbaar-zachte en diepe oogen, het beenderige gelaat met den machtigen schedel en het vooruitspringende stralende voorhoofd, waarover soms een lange grijze haarvlecht neerzakte en dat ging versmallen naar den milden, goeden mond met de zware onderlip boven de wilskrachtige kin. De twee diepe groeven, die van den scherpen neus naar de mondhoeken daalden, waren de zekere teekens van een ascetisch leven vol grondige overpeinzing. Ik zag weer zijne groote magere witte hand die, betoogend opgeheven, toen reeds was als de zegening van een middeleeuwschen kerkvader. Ik dacht hoe ik soms, na de lessen, naast zijne hooge eerbiedwaardige gestalte geloopen had, van het Paus-college naar de Vlaming-straat, pratend over mijn twijfelend gemoed of over lezingen die ik toen deed van Péladan en Léon Bloy en hoe zijn groot hart luisterde naar mijne jonge en onbesuisde woorden. Ik zag hem weer terug in zijn neo-gotisch huisje van het Leo XlII instituut, waar hij mij eens ontving en sprak over een zeldzaam werkje van St Thomas, De Pulchro et Bono en waar geschilderde reducties hongen van diezelfde Kruis-oprichting en Afdoening van Rubens die hier thans uit de kerk waren weggeruimd. Zijn leerend woord had velen van het jong geslacht gevormd die nu leden en streden voor het Vaderland. Zou ik ook misschien mijn bloed eens moeten geven?

Het lof was ten einde. De deken van Antwerpen zei de laatste gebeden. Luider dan de andere aanroepingen klonk het: Spaar heer, spaar uw volk, wil in eeuwigheid U niet vertoornen tegen ons… Het was waarlijk de smachtende verzuchting nu der duizenden die hier baden in deze oude kathedraal, terwijl een woeste en bloedgierige vijand met kanongebulder dreeg aan de poorten van de stad. Dat was als de echo, over eeuwen, van die algemeene smeeking die eens ging door oude abdijen en kloosterkerken: Van de woede der Noormannen verlos ons Heer!

Er kwam woeling onder het volk, wegen werden gebaand door de dichte drommen om de processie door te laten die nu, met vanen en flambouwen en gezang, traag kwam getogen uit den ommegang van het verre koor, tot de uiterste diepten der groote kerk. Het goudlaken der koorkappen van de zingende priesters glom in 't licht der wassen kaarsen. Onder een zijden baldakijn ging de Kardinaal met de blinkend-gouden remonstrans in handen. Belgerinkel trilde en damp van wierook steeg geurend omhoog en hing te drijven door de beuken.

Ik ging de kerk uit en wilde naar het zuider-wandel-terras aan de Schelde. De nauwe straatjes die de kathedraal omgeven krielden van het volk. Over de Koornmarkt en langs de Suikerrui reden zwaar-daverende londensche autobussen, met de kleurig-beschilderde reclame-borden, en waar de aanwijzingen van London bridge, Liverpool street, Charing Cross of Golders Green nog op te lezen stonden. Zij waren van binnen volgeduwd met oorlogsmateriaal en buiten, op de hooge impériales zaten de kakhi-soldaten en lachten lustig naar de opgetogen wandelaars.

Het wandelterras zag zwart van het vriemelende volk. Over de deinende houten brug voor het Steen, kwamen de laatste roode-en- gele autobussen van den vlaamschen oever aangerold. De late zon speelde met gulden schijnen op de wemelende menigte. Ik had nog even den vluchtigen indruk van eene blij-levende stad langs den glorierijk-begloorden Schelde-stroom.

Heerlijk avonduur dat argeloos genoten werd, dien laatsten zondag in het vrije Antwerpen! Wat zou de dag van morgen brengen?

XX-De Groote Vooravond

Dinsdag avond, 6 october. Het was reeds nacht en omstreeks 11 uur. Ik zat in mijn werkkamer te lezen in den stillen schijn van een elektrisch lampje. Ik had Gezelle's Tijdkrans in handen genomen.

De seizoenen van Vïaanderen gingen aan mijn oogen voorbij in die liefelijke gedichten. Het was winter: het ruwrijmde, het brimmelde, de bonte kraaien vlogen over de sneeuwvelden; het werd lente: daar viel een leeksken licht op des dichters handen, hij ging de gedaagde doornhagen vragen waarom zij nog niet bloeiden, hij vond de lieve Leie vol breedgerugde waterkimmen, de leeuwerik vloog als een pijl naar den hemel, de nachtegaal zong zijn klagend lied, de nieuwe blaren stonden als geluw-groene le-gerscharen op de boomen, de bloemen ontloken bij de watergracht, de avonden werden zacht en zoet van heilige rust; de zomer kwam: de dichter ging naar 't koren luisteren, "t vaart een fijn gelispeld leven—deur de toppen allemaal—daar de diepere stammen beven—deunende als een donder taal", hij stond als een kind aan zee, bewonderend het spel te volgen van de blijde witgetopte baren; de herfst begon en de blaren rezen, het regende droefgeestigheid en de dichter dacht in weemoed aan de dood en riep om hulp van uit zijn donkere diepten.

Milde en machtig mededoogen keert uw onbermhertig oogen toch niet af van mijn nietheid die benepen voelt de dood haar henensiepen naar het graf.

Ik las… en dof kwam aan mijn ooren, bij poozen het verre brommen van 't kanon.

Hoe waren deze gedichten bloemen van een vrede! Ik zag ze nu als de hoogste bloei van een reeds besloten tijd. Het was het beste dat wij hadden voortgebracht. Wanneer zouden wij dergelijk geluid nog ooit vernemen in ons platgetrapte land? Want 't was nu de roode wijn-oogst voor ons Volk. De vruchten van een traag-barende Lente en van een Zomer die ons zonder einde scheen gingen nu de wijnpers in en onder den pletterenden voet van den geweldigen wijngaardman. Waren de besten uit de jongelingschap, die nu vocht en stierf, niet innerlijk gevormd geweest door des grooten dichters woord? Het Vaderland waar zij hun bloed voor gaven was het paradijs van zijne zangen. Hij leerde het beminnen met de onstuimige liefde die opvoert naar die hoogten waar de heldendaden worden gesteld…

Weer gromde luider het kanon. Het bleef aanhouden en de losbrandingen versmolten in elkaar door de verte. Ik moest mijn lezing staken, heel de lucht was vol gedommel en het trok nu heel mijn aandacht. Het werd geweldiger nu ik luisterde in de groote stilte van den nacht. Het was als het gebrom der aarde zelf die geweld leed in de duisternis. Het scheen mij of de wereld overspannen stond door een koepel van geluid, door een reusachtige en voortdurend-ronkende bronzen gong. Ik dacht aan de trompen van den Apocalyps die zoo, op den jongsten dag, uit de vier windstreken, over de aarde moeten ronken en de menschen- drommen oproepen voor het laatste oordeel.

Ik sloeg mijn mantel om en liep de straat op in de richting van 't centraal station. De geweldige koepel had glimmingen van een stalen pantser in het blauwig vuur dat de stad overbrandde. Donker bonkte de vierkante onderbouw omhoog als een babylonisch terras. Wat waren al die trotsche opstapelingen van steen die, in een oogwenk, konden storten in elkaar.

Ik wandelde voort door de verlaten, donkere straten, in de richting van Borgerhout, van waar het oorlogs-geluid mij scheen te komen. De huizen blokten kolossaal op de vlammige lucht. Ik hoorde den stap en de stemmen van de nachtwakers, die sinds korten tijd, op eigen initiatief der burgers, wacht hielden tegen Zeppelin-gevaar.

Gedurige flikkeringen gloorden door de lucht als de lichtstriemingen van een ver onweer. Toen plotseling kraakte een slag zoo geweldig dat ik staan bleef en den bons voelde van mijn hart. De straat schokte en dreunde, er liep als eene siddering van de aarde onder mijne voeten. Ging de stad zelf nu werkelijk beschoten worden? Was het een fort dat in de lucht sprong of een Zeppelin die bommen wierp? Ik hoorde, ver en bij, door de straten, de onzichtbare wakers alarm kleppen en verschrikt op de deuren der huizen bonzen om de menschen te manen naar hunne kelders te vluchten.

Maar 't werd na een poos weer stiller, het staag kanongegrom zelf scheen te bedaren in de verte.

Toen kwam een ander groot lawaai aanstuwen uit den nacht. Ik bleef staan en luisterde aandachtig naar die vreemde gonzing van de lucht. Het werd ontzettend. Het was een benauwelijk gejoel als door doolhoven. Dan vernam ik duidelijk het gedreun van honderden en honderden paardenhoeven. Het werd een duivelachtig leven. De nacht rondom mij werd als een hel waardoor heel de ruiterij van den afgrond aan kwam draven.

Eindelijk trokken aan mij voorbij de eerste donkere ruiters en het bleef een stoet zonder einde die de stad introk. Ik kwam terug op mijne stappen en bleef loopen naast het dreunend getrappel van de paarden. Het was de aftocht van ons leger. Het hoofd van den stoet moest reeds diep in het hart der stad toegekomen zijn, en nog altijd joeg aan mij voorbij het gedraaf van nieuw-aanrukkende, bijna onkennelelijke ruiters, die nu met rammelende kanonnen en caissons door de dreunende straten reden.

Ik volgde den sleep tot aan de Schelde. In den zwakken schijn van een halve maan, die zilverig gloorde in den breeden zwarten stroom, zag ik de donkere, nare vlucht, kleintjes voortschuiven naar den Vlaamschen oever, over de lange houten brug waarvan de balken schokten.

Toen ik weer t' huis was en te slapen poogde, rommelde het nog heel den nacht door van rollende kanonnen.