Title: De val van Antwerpen (october 1914)
Author: Jozef Muls
Release date: March 1, 2004 [eBook #11500]
Most recently updated: October 28, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/11500
Credits: Produced by A. Langley, with additional proofreading by Greet Bauwens
(10 Oktober 1914) door Jozef Muls
Inhoudstabel
Bldz.
I. De Laatste Dagen van den Vrede
II. De Oorlogsverklaring
III. Bij de Burgerwacht
IV. In de Celgevangenis
V. Wat Wij van den Oorlog Vernamen
VI. In en Om de Forten van Antwerpen
VII. De Zeppelin
VIII. De Verspieder
IX. In de Ambulances
X. De Zelfmoord
XI. Antwerpen Hoofdstad
XII. Het Uitzicht der Straten
XIII. De Stijgende Neerslachtigheid
XIV. De Beschieting der Forten
XV. Inferno
XVI. Rond de Stad
XVII. Op Sint-Michielstoren
XVIII. Een Nare Dag
XIX. De Kardinaal te Antwerpen
XX. De Groote Vooravond
XXI De Aankondiging van het Bombardement
XXII. De Laatste Uren
XXIII. De Vlucht der Honderd-Duizend
XXIV. Op den Weg der Ballingschap
DE VAL VAN ANTWERPEN door Jozef Muls
I-De Laatste Dagen Van Den Vrede
Tegen het einde van Juli 1914 ging eenieder gedrukt onder de hevige spanning die over heel Europa was gekomen. Men voelde het naderen van de verschrikkelijke orkaan die ging losbarsten. Het was ontstellend grootsch en tragisch die algemeen-europeesche ontroering. De menschen wilden niet den oorlog maar gingen voort naar het onvermijdelijke met den stijgenden angst in hun hart. Wij wisten op ons machten wegen, zwaarder dan de blokken waaronder de helden van Aischulos gebogen gingen. Die duister-werkende machten zouden, fataal, den oorlog ontketenen waarin alle volken dooreen gingen woelen als in een maalstroom.
's Vrijdags, in den nacht van 31 Juli, hadden de klokken van alle torens in Belgie storm geluid, als in de tijden der oude Gemeenten. De groote klok, Carolus, bromde een uur lang, hoog in den hemel, boven het donkere Antwerpen en alle klokken van alle kerken, ver en bij in de stad, beantwoordden de zware en sombere stem die nu den nood verkondde. Tusschen twee fakkeldragers, in den rooden gloed hunner brandende toortsen, had een politie-officier, op de pui voor het stadhuis, het bevel tot de algemeene mobilisatie afgelezen. De nachtelijke straten zagen zwart van 't krielende volk dat rondliep in groote opgewondenheid. De politie-agenten gingen van deur tot deur en riepen overal: "Met of zonder brief eenieder moet zijn depot vervoegen"—Want er was haast bij en alle soldaten konnen niet regelmatig aan huis verwittigd worden.
Maar die algemeene mobilisatie was toch maar om de grenzen te bewaken, om, als in 't jaar 70, de overloopende vijandelijke soldaten te ontwapenen en onze onzijdigheid te doen eerbiedigen zoo dachten we toen nog… Het was wel hard in den vroegen morgen, van zaterdag, al die reeds bejaarde mannen in hunne vaak-niet-meer- passende militaire uniformen afscheid te zien nemen van vrouw en kinders, maar gevaar zouden zij toch niet lijden. Het was een drukte aan alle stations. Ik zag moeders weerkeeren met betraande oogen als van een laatst en hopeloos vaarwel…
De angst der menschen uitte zich te Antwerpen, lijk overal, door het loopen naar de winkels om hun noodrust, door het bestormen der Banken voor hun geld. Honderden en honderden stonden te wachten voor de gesloten poort der Nationale Bank en de opeen- gepakte drom slingerde weldra, langs het voetpad, heel het gebouw rond. Aan de deuren der kruideniers wachtten de koopers hunne beurt af en stonden in lange rijen tot op de straat. Het was te zien hoe vooral de rijken nu met zich zelf bekommerd waren; zij reden huiswaarts in met eetwaren-volgestapelde koetsen en deftige stijve burger-vrouwen waren niet verlegen om, met zijn tweeën, zware pakken naar huis te dragen.
De oorlog was verklaard door Oostenrijk aan Serbië en achter- eenvolgens ook door Duitschland aan Rusland en Frankrijk. Hoe had die oude vermolmde Habsburger, Frans-Jozef, het aangedurfd, met een voet in 't graf, nog te bevelen dat honderd-duizenden jonge menschen voor hem zouden sterven! Ik hoor nog het onheilspellende roepen "la guerre! la guerre!" van de gazetleurders die langs mijn vensters draafden. Tegelijk kwam ons het nieuws toe van den moord op Jaurès. Ging er misschien revolutie ontvlammen in Frankrijk, na al wat er in de laatste dagen voorviel. Alle horizonten waren vol verschrikking.
Ik voelde seffens die beklemdheid om het hart die de voorbode is van alle geweldige dingen die met ons gebeuren.
Verantwoordelijkheden schoten wakker. Wat moest er gedaan worden? Kommernissen kwamen op. Wat ging er met ons land, met nabestaanden en vrienden niet gebeuren? Het was uit met de orde, de rust, het schoone harmonische bewegen van het vredevolle leven, het stille en zekere wentelen van de dagen.
En toch bleef er hoop dat wij in Belgie buiten het groot conflict zouden zijn gebleven. Het was wel beangstigend de orkaan zoo nabij te weten, maar wij voelden ons nog veilig in ons land. Waren wij geen onzijdige staat, door de oorlogvoerenden plechtig erkend en beschermd?
Ik herdenk nog altijd dien zondag, 2 Augustus. Wij genoten in Belgie de laatste uren van den vrede… Ik was met mijn gezin in ons zomerhuisje te Capellenbosch. Door de groote spiegelruit van het lange lage raam der leefkamer, lag het schoone landschap van onzen hof, open, in al zijne groene zomersche pracht. De schildering der kamer in oranje-roze kleur, de antieke meubels, de bloemen die de kamer versierden, alles rondom ons sprak van geruste weelde. De groene muziekkamer lag zoo stemmig, tusschen de opengeschoven, rood-gebloemde zijden gordijnen en, in de kleur-ramen boven het klavier, droomden donkere populieren bij spiegelend water. Door het kleine venstertje dat van mijn werkplaats op de leefkamer uitzicht geeft, kwam een roze schijn van de donker-rood geschilderde muren. Wonderbaar samentreffen, na het middagmaal, bij de koffie, had ik voorgelezen uit het boek van Léon Bloy, "Sueur de Sang," waarin de baldadigheid der Duitschers beschreven staat in 't jaar '70. Wij dachten toen nog dat het maar literatuur was. Hoe rap zouden wij leeren dat het slechts, getemperd, de afschuwelijkste werkelijkheid weergaf.
Ik ging daarna in den gang zitten in een ligstoel met Oorlog en Vrede van Tolstoj, open op mijn knieen. Maar ik las niet. Is het noodig te lezen wanneer je eigen gedachten bewegen schooner dan je ze in een boek kunt vinden? Ik zag alles in een wonderen glans. Het was of ik het waarlijk met weemoed,—te veel angsten waren reeds geboren,—voor het laatst zoo rustig zien zou. Ik mijmerde op een tekst uit het evangelie van den dag: "Gij hebt uwen vrede niet gekend…" De purper-blauwe muren van den hall waren rondom mij, ginder hoog was een fries van oranje rooskens en boven mijn hoofd de kleurige koepel met een roode bloem in 't midden. Boven de groote openstaande huisdeur waren drie engelen in geschilderd gebrand glas, met amethisten vleugels en oranje bloemen aan hunne voeten. Achter mij wist ik het perspektief van ronde bogen die den gang vormen en uitzicht geven op de rosse stammen en het grijze groen van ons mastenbosch, waaruit nu bij poozen een zacht gemurmel werd vernomen. In den grooten boog der open poort, als in een kader, lag de hof en de blauwe hemel daar boven, als een wonderschoon schilderij. Het had nu en dan zoo wat geregend, van dien zilveren zachten zomerregen die alles nog schooner maakt. Het regende nu niet meer. De witte en gouden wolken dreven lijk schepen door de blauwe lucht. Soms hoopten zij te samen achter en boven de boomen van het eilandje, in den vijver voor het huis, tot hooge ontzaglijke bergen en reuzige ijstoppen. Er kwam een windje door de witte berken, in de grasvlakte, en er regenden blinkende druppeltjes van de fijne trillende blaadjes. Het was of de boomen rilden van een heimelijken wellust in de warme gulden zon…
Over den weg, van aan de verre hof-poort, kwamen toen buren aangewandeld. Ik dacht aan een gewoon bezoek, maar zij stonden daar voor mij met kommervolle gezichten.
—"Luxemburg is bezet! Weet ge 't al? … Het lijdt geen twijfel of België zal worden overrompeld."
Zij vroegen om raad wat ze doen moesten. Zij dorsten niet meer buiten te blijven, zij waren bezorgd voor hun meisje. Ik ontwaakte uit mijn droom en werd daar, opeens, gesteld voor een oorlogsvizioen: overrompeling, brandstichting, moord, plundering, verkrachting…
Mijn huisgenooten kwamen toen ook buiten en er werd gesproken, bekommerd en vertrouwend dooreen. Mijn oude vader lachte "met al dien ongewettigden schrik" zooals hij 't noemde. Zijn hof was de wereld en hij zag hoe rustig de blauwe hemel er boven stond, hoe goed de perzikken rijpten op zijne fruitboomen, hoe weelderig de erwten en de boonen oprankten langs de staken. Het kon niet zijn dat de Duitschers onze onzijdigheid zouden schenden…
Maar van af dat oogenblik was alle rust uit mij heen en ik voorvoelde, vaag en onduidelijk, al de ellenden die over ons land en ons zelf gingen komen. Het is zoo altijd met groote bekommernissen. Je weet niet juist wat het is of wat zal gebeuren maar je hart wordt zwaar van drukkend en nijpend wee en het harmonische bewegen van den geest verzwindt in een chaos van duister-woelende gedachten en onbestemde angsten.
Dienzelfden avond, om 7 uur, overhandigde de duitsche gezant te Brussel eene nota aan onze Regeering waarbij vrije doorgang gevraagd werd voor het duitsche leger op ons grondgebied. Het was de onvermijdelijke oorlog.
Maar dat wisten wij toen nog niet, dien zachten schoonen avond, den laatsten avond van den vrede.
II-De Oorlogsverklaring
Ik reed 's anderdaags, 3 Augustus, als naar gewoonte naar
Antwerpen met den morgentrein. De stad was vol soldaten. De
Kipdorpvest werd door linietroepen afgesloten. Generaal Dufour, de
militaire gouverneur, had er zijn hoofdkwartier in de kazerne.
Al voortstappende door de straten, ontmoette ik de trommelaars die de burgerwachten opriepen en, op de hoeken, hier en daar, zag ik menschen samenscholen om een wit plakkaat te lezen: Hollandsch Limburg was, zoo gezegd, reeds bezet door de Duitschers en Antwerpen werd in staat van beleg verklaard. "Staat van beleg!" Dat klonk zoo akelig in de ooren. Wij gingen dan toch heelemaal aan den dans komen. Overal reeds zag ik de shako's van de burgerwachten opdagen. Voor het paleis van den koning op de Meir stonden zij in gelid. De belgische driekleur woei boven den geveltop met zijn bloemenslingers en vazen. Ja het was de oorlog en wanneer ik terug trok, naar het station, kon ik met moeite de tranen terugdringen die uit mijn oogen wilden breken. Ik was innerlijk verlegen om mijne gevoeligheid. Wij moesten mee in de ontzaglijke menschen-slachting.
Wat te doen? Ik vond het voor mijn huisgenooten toch geruster in de stad, binnen de vesten. Wij hadden toen nog onze illuzie's over versterkte steden en maanden-lange belegeringen.
Toen ik met den middagtrein, om een uur op den buiten kwam, geraakte mijn gemoed weer eenigzins tot kalmte. Was het dan toch wel oorlog? Wij zaten zoo rustig aan tafel bij het open raam. De natuur was toch zoo schoon en zoo vreedzaam rondom ons. Geen geluid dan het zacht geruisch der berken in de grasvlakte en het ver en staag gemurmel van het dennenbosch.
Waarom de menschen uit dien vrede weghalen en brengen in de koorts en de opwinding der groote stad. Maar toch het moest, het was beter, voorzichtiger, allen meenden 't zoo. Alles scheen toch zoo verschrikkelijk snel te zullen toegaan. Wie kon vandaag weten wat morgen zou gebeuren? Geen tijd mocht verloren. Alles werd ingepakt. De tapijten werden opgerold, naar den zolder gesleurd en geborgen onder de balken. Wij sloten de luiken. Ons lachend zomerverblijf scheen in enkele oogenblikken een doodenhuis geworden.
Over den anders-zoo-rustigen steenweg, voor ons hof, zagen wij, als in waanzinnige vlucht, auto's en rijtuigen van alle slag voorbij snellen, volgeladen met kisten en pakken. De stad scheen voor eenieder het zekere toevluchtsoord. Het vreedzame platte land werd verlaten voor de ingebeelde zekerheid eener vesting.
Ik kwam rond vijf uur in de stad terug. Op de Keizerlei waren er groote samenscholingen van menschen. Men huilde en tierde voor de duitsche koffiehuizen. Uithangborden vielen aan scherven, blazoenen van duitsche maatschappijen werden neergehaald.
De belgische vlaggen verschenen aan alle gevels. Het was nu bekend geworden dat het groote duitsche rijk zijn ultimatum had gezonden en den oorlog verklaarde aan het kleine en vreedzame België. Dienzelfden morgen om 7 uur was het antwoord onzer regeering reeds overhandigd met de bevestiging dat elke aanslag op ons recht van onschendbare natie door alle middelen zou worden afgeweerd.
Door de van-volk-krielende straten schreeuwden de krantventers langs alle kanten oorlogsnieuws: De engelsche vloot bewoog voorbij de Oosterschelde; het gerucht liep zelf dat zij de Schelde op vaarde en dat de engelsche soldaten nog dienzelfden avond bij de antwerpsche burgers zouden worden ingekwartierd. De russische legers rukten op Kœnigsberg af, maar de bezetting van hollandsch Limburg was onwaar bevonden, de staat van beleg werd opgeheven…
Ik verademde. Wij konden dan nog wat buiten blijven. Het was toch zoo rustig ginder in de bosschen. Men hoorde er niets van al 't gewoel hier en het schrikbarend nieuws. Zoo was mijn gevoelen toen ik dien avond weer op ons landhuis kwam in de stilte der natuur.
Wij woonden er nog tot woensdag 5 Augustus. Doch het waren droeve dagen. De luiken bleven dicht. De keuken en een klein kamertje daarnaast alleen waren open nog en in gebruik. Wij zaten er lijk landverhuizers met onze kisten en manden. De oorlog was dan toch onwederroepelijk begonnen voor ons landje… De vrouwen lazen toen reeds met verkropt gemoed en snikken in hare keel het nieuws van het eerste belgisch bloed dat voor het vaderland vloeide. Want in den nacht van 3 tot 4 Augustus waren de duitsche troepen gewelddadig onze grens overgeschreden. Twaalf regimenten ruiterij hadden het land van Herve overrompeld en de eerste botsing gebeurde tegenover de vernielde Maasbrug van Visé.
Maar wij waren fier over het nobele antwoord dat onze regeering op het duitsche ultimatum had gegeven. De besluiten genomen in de buitengewone Parlements-zitting van 4 Oogst, waar heel ons Vorstenhuis aanwezig was, vervulde ons gemoed met nationale trots en ons hart bonsde bij de proclamatie van den koning aan het leger "Vlamingen denkt aan den Guldensporenslag! Walen herinnert u de 600 Franchimontezen!" Dat klonk heroïsch want wij wisten dat onze jeugdige, vroeger zoo stille vorst, nu zelf naar de grens trok om aan het hoofd van zijn leger den vadergrond te verdedigen.
Het was een grootsch en onvergetelijk ogenblik! Wij waren een land en een volk dat vastberaden zijn stem had laten hooren in de wereld en wij waren de eersten om den ontzaglijken strijd te beginnen, waar niemand nog de afschuwelijkheid van vermoedde. In de heerlijkste tijden onzer geschiedenis, wanneer de trotsche gemeenten bloeiden en de belforten werden gebouwd, hingen wij nog, door onze prinsen, van het Huis van Frankrijk, van het Huis van Burgondië, van Spanje of Oostenrijk af en onze akkers waren steeds de slagvelden geweest van voor ons vreemde belangen en heerschzuchtigheden.
Maar nu eindelijk hadden wij de kans om voor ons zelf te vechten. Wij maakten geschiedenis, of beter gezegd, wij zetten nu eens voor goed onze meest eigen geschiedenis voort, van de stammen die vochten tegen Caesar tot de wevers en beenhouwers die streden op den Groeninger kouter en de vrijschutters der brabantsche omwenteling in de 18e eeuw. Wij werden een factor in de wereldhistorie. En de Koning, die bij den aanvang van den reusachtigen strijd de herinnnering opriep der oude gemeenten, die stelde de poorten van 't Verleden wagenwijd open om den onafgebroken stoet te wijzen van helden die vochten en stierven voor dezen grond en waar de jeugd van nu haar plaats ging achter nemen. Door zijn woorden had die Koning het heden met het verleden verbonden. Hij was niet langer meer de afstammeling van die kleine duitsche prinsen van het Huis van Saxen-Coburg-Gotha, maar de rechtstreeksche erfgenaam der graven van Vlaanderen en Namen, der hertogen van Brabant en Burgondië. Hij werd de vorst van een eeuwenoud volk dat altijd voor zijn vrijheid gevochten had en nooit ten onder was gegaan.
III-Bij De Burgerwacht
Ik ging mij aanbieden hij de burgerwacht waarvan ik tot dan toe was ontslagen geweest. Zij was belast met het bewaken der omheining van Antwerpen. Ik aanzag het als een ernstige taak. Wij stonden onder algemeen legerbevel.
Het militarisme bestond niet in België. Maar de militaire geest was er levend, die geest die van elk burger een soldaat maakt die zijn leven veil heeft voor het land. Hoe onbeholpen en nutteloos de inrichting later ook mocht blijken, het was die militaire geest die de burgerwachten van Antwerpen en elders gewetensvol hun plicht deed doen. Het was die geest die in de eerste dagen van den oorlog meer dan 30000 vrijwilligers deed opkomen uit alle streken. Ik zag heele scharen van jonge mannen stoetsgewijs naar de kazernen trekken onder de toejuichingen der bevolking. Iedereen was blij het uniform en de wapens te dragen en zich zoo een lid van de landsverdediging te weten in dezen grooten nood.
Op donderdag, 6 Augustus, betrok ik voor 't eerst de wacht op de vesten aan de Berchemsche poort en dienzelfden nacht sliep ik voor 't eerst ook in een soldatenbed in de Sint Joris Kazerne. Ik herinner mij nog die lange witgekalkte slaapzalen met ijzeren bedden. De geweerkolven bonsden telkens op de houten vloeren. De ransels werden losgegespt. Een tijd werd er nog gegekt en geroepen maar weldra lagen al de lijven onder de dekens. In den schijn van een enkel verouderd olielampje ging er soms een arm omhoog of een jongen die luidop droomde verbrak de ronkende stilte.
Dienzelfden nacht werd ik, met een patroelje, naar het militaire gasthuis gezonden, in de Maria-lei. Er was een trein van gekwetsten verwacht, de eersten die daar aankwamen, en wij zouden voor de poort de orde handhaven.
Er stond een almoezenier in het portaal, een majoor-dokter deed de berrie's gereed zetten en gaf vermaningen om kalm te blijven. Wij gingen dan de eerste bloedige wrakken zien uit dezen geweldigen oorlog, misschien van dat skadron lanciers, van het 2de regiment, die te Plainevaux, ten zuiden van Luik, een heel regiment duitsche ruiters hadden gechargeerd en aldus de drie-vierden hunner manschappen in een ongelijken strijd verloren. Wij waren ontroerd. Maar het bericht kwam dat de aangekondigde trein in een andere richting was gezonden. Wij stonden daar doelloos, in eene eenzame straat, waar het regende…
Wij kregen verlof om in een wachtzaal van het gasthuis den morgen af te wachten. Een dokter, die mij kende, nam mij mee in een der groote slaapzalen, waar ik mij in volle uitrusting op een bed neerstrekte. Ik sliep niet. Het was zoo vreemd in dat gasthuis te liggen naast die ontelbare rijen lege beddekens en in den reuk van iodoform die alles doortrok. Ik wist toen nog niet hoe ik later in mijn ballingschap, zoovele lange lijdensweken zou doorgebracht hebben in de droeve hospitalen van vreemde steden. Maar een geheim voorgevoel beklemde mij. Ik kreeg een voorsmaak van de lichamelijke misères die mij te wachten stonden. Geluidloos kwam er nu en dan door het halfduister een kloosterzuster voorbij.
Wij hadden 24 uren dienst in de kazerne of op wacht en 12 uren rust, dat wij naar huis mochten. Ik zou onder de wapens echter niet veel uitrichten. Het was op wacht staan of op een bank aan de stadspoorten zitten,—voor wie niet mee deed aan de gelagen in de herbergen,—en 's avonds van den tweeden dag, in regiment, van Berchem naar de kazerne stappen.
Luid en blij zongen toen de wachten op marsch. Het scheen wel een parade in 't begin, als zij hunne hooge zwarte vilten hoeden droegen met de waaiende zwart-blauwe haneveren en hunne lange blauwe mantels die links en rechts, hoeksgewijs, moesten worden opgeknoopt om den gang niet te hinderen. Er hing als een feestlucht over de stad: door alle straten het kleurgewemel der waaiende vlaggen, de menschen alle dagen van de week in hun zondagsche pak, kuierend of verteer makend in de volgepropte koffiehuizen en terrassen alsof het kermis ware geweest. Engeland was nu ook in den oorlog gekomen. Duitschland stond alleen tegen half Europa. De overwinning aan onze zijde scheen onvermijdelijk en in een nabije toekomst. De Franschen zegevierden reeds te Altkirch en Mulhouse was ingenomen. De vlaggen onzer bondgenooten werden geestdriftig begroet aan de gevels op onzen weg. Gehuil en gefluit en geroep van "er aus" klonk voor de deuren der gekende duitsche huizen.
Wij aten op de groote koer der Sint Joris kazerne, ieder in zijn hoekje, uit eene gamelle, gingen daarna slapen in de zwart-ijzeren bedden, om dan weer 's nachts in de stad te patroeljeeren of hier of daar een post te bezetten.
Ik moet wel geen vechtersbloed in mijn aderen hebben, want wanneer ik op wacht stond, op de vesten, droomden mijne oogen over de pracht der velden en door de heilige rust der nachten of ik keek naar de groote stad. Van af de hooge groene wallen gezien, was zij zoo schoon met al hare torens en de groezeling der daken. Ik keek er naar als naar iets dat misschien zou vergaan…
Ik herinnner mij nog dit enkel incident uit mijn diensttijd. Men had ons verwittigd dat er kans bestond dat dien nacht duitsche auto's probeeren zouden de stad binnen te dringen, zooals er gedaan geweest was te Luik door vijandelijke officieren die een aanslag hadden beraamd op het leven van generaal Leman. Wij moesten dus oppassen. Ik was dien avond van het corps de garde, in de kazerne aan de Oude-Baan. Ik had wat gegeten en lag uitgestrekt, in mijn kleeren, op de brits, tusschen mijn luidop ronkende kameraden. Rond elf uur moest ik, voor twee uren, de wacht betrekken. Ik kreeg mijn post buiten de poorten, op den berg der genie-werken, waarover een aarde-weg loopt om langs het spoor naar Mortsel te gaan. De nacht was schoon, zoo maanhelder dat de sterren verbleekten. Het was zomer en zoel en zoo rustig alom. Het deed wee aan het hart niet te kunnen genieten van de pracht der dagen en te bedenken dat de kanonnen van Luik aan 't bulderen waren en zoovele belgische jongens ginder in de maanlichte velden roerloos neerlagen voor eeuwig. Achter mij strekte de donkere lijn der verouderde wallen met, van afstand tot afstand de hooger uitstekende mamelons tegen den rossen gloed der nachtelijke stad. Voor mij en van op mijn hoogte zag ik de velden tot aan Luithagen, tot aan Deurne. Het graan stond nog in maandels op de akkers. Het waren lijk donkere tenten van een kamp die scherpe schaduwen afteekenden in het maanlicht. De geur van het dorrend stroo en van de warme aarde kwam met vlagen tot mij. Van tijd tot tijd reed door de velden, in de richting van Brussel of Antwerpen, een lange reizigerstrein en de lichtende ramen slingerden als een vuurlijn voorbij. Ik stapte over en weer met mijn geweer op den schouder. Traag gaan de uren voorbij in de nachtelijke eenzaamheid. Ik telde de slagen der klok op den nabijgelegen toren van Berchem. Eindelijk zag ik uit de donkere grot der stadspoort een patroelje, klein in het maanlicht, verschijnen en toekomen om mij af te lossen. Ik trok terug naar mijn corps-de-garde en strekte mij uit op de brits. Ik lag maar nauwelijks neer toen ik, buiten, den korten knal van een geweerschot vernam. Mijn maten hoorden het ook. Zouden dat die duitsche auto 's zijn? Wij sprongen allen op, grepen naar onze geweren, gespten onze bajonetten aan en liepen, onder geleide van een serjant, naar de bres die in de wallen was aangebracht op den mechelschen steenweg. Ik hoorde naast mij de geweren openen, laden en met een knak weer toesluiten. Ik stak ook een kogel op het mijne. Zou er waarlijk te schieten vallen? Wie zou er getroffen worden van ons? Wij tuurden uit over de baan: niets te zien in het licht der maan, de rust van den nacht. Dan plots komt over den steenweg een man aangeloopen, zijn geweer omhoog. Wij verkennen een burgerwacht. Buiten adem vertelt hij dat hij, op wacht staande, twee mannen zag voorbij sluipen. Hij vroeg hun het wachtwoord. Zij antwoordden niet. Hij vuurde, maar zij waren verdwenen. Wij bleven nog een tijd op onze hoede, maar niets kwam opdagen. De wacht trok weer terug. Het was mijn eenig vechtincident, als ik het zoo mag noemen. Ik bleef talmen bij de open bres en stapte over en weer tusschen Berchem-kerk en de hooge groene wallen. De morgen zat reeds in het oosten. Vuurrood begon de hemel te schemeren. Ik zag toen dat de mogelijke aanval der duitsche auto's toch als ernstig was opgenomen, want in een loopgraaf, door de bres, en achter een uitgestrektheid van prikkeldraadversperringen, zaten soldaten van de linie-troepen gereed achter een paar mitrailleuzen, de reesem blinkende kogels op het kanon geschoven. Zij stonden nu ook op en wandelden met hoog-toegeknoopte mantels in de kille klammigheid van den wordenden dag. Wij begonnen te praten om den tijd door te krijgen. Ik voelde mijn voeten verkillen in het nat van het gras der vesten. Traag klonken de uren van den Berchemschen toren. Eindelijk sloeg het klokke zes. Ik ging terug naar de kazerne. De gelederen werden reeds gevormd om terug naar de stad te trekken voor den rusttijd. Wij gingen weer 12 uur vrij af krijgen. Het was telkens een genot terug thuis te zijn en mijn burgerpak te kunnen aantrekken. Ik voelde mij niets geen soldaat. Ik verlangde een onmiddellijk-nuttiger en daadrijker leven. De burgerwacht gaf dat niet. Het was eene ontgoocheling. Hoe zou ik 't best naar mijn vermogens het vaderland dienen?
IV-In De Celgevangenis
Het was niet voorbeschikt dat ik lang onder de actieve wapens zou blijven. Na een week werd ik door de militaire overheid aangezocht om als duitsch vertaler bij den krijgsraad dienst te nemen. Het was eentonig werk dat ik, dag aan dag verrichtte in de celgevangenis, waar een substituut van den krijgsauditeur zetelde.
Ik bedenk nu weer den eersten dag mijner bezigheden daar. Het was te doen in een klein kamertje. Achter een tafel zaten de substituut, een commandant der jagers, een luitenant der gendarmerie, een griffier en ik. Door de open tralievensters zagen wij de gewone gevangenen, in hun wit pak en op klompen, over en weer wandelen, elk in zijn afgezonderd hofje. Over de stad klonken de zwaar-bonzende doodsklokken der cathedraal voor de dood van Paus Pius X. Wat had die heilige zachte man wel gedacht en gezeid in zijn laatste uren over dezen oorlog? Ignis ardens had de profeet van hem voorspeld, Religio depopulata was de roep voor zijn opvolger. Wie dacht hieraan en hoe gingen de grootste gebeurtenissen verloren in de algemeene ontreddering van de wereld!
Alle duitschers die moesten worden uitgedreven, werden eerst in 't gevang opgesloten om een verhoor te ondergaan. Waren zij dienstplichtig, dan werden zij gevangen gehouden. Waren zij het niet, lijk oude menschen vrouwen en kinderen, dan werden zij, na verhoor, twee maal per dag, naar het station gebracht en per speciale trein naar Holland gevoerd.
Er deden zich natuurlijk vele ongelukkige gevallen voor: menschen die nooit van een oorlog iets hadden vermoed en hun keizer verwenschten; vrouwen met een sleep van kinderen die uit haar huis en broodgewin werden weggetrokken en dikwijls, zonder een cent, over de grenzen gezet. Wegens den overvloed der arrestaties zaten zij soms dagen achtereen op een verhoor te wachten met den doodschrik op het lijf. Een heel ongewettigde schrik, want nooit werd er bij mijn weten een Duitscher veroordeeld. Maar hunne houding deed mij gissen hoe brutaal en ongenadig de overheden moesten toegaan in hun eigen land. Er waren van die arme stakkers die, als zij binnen werden gebracht, voor ons al snikkende op hunne knieën vielen en met biddende handen om genade riepen, meenende dat zij hun doodvonnis gingen hooren. Ik heb den angst voor den dood toen op vele aangezichten gelezen. Er waren er die niet konden spreken en hun wee opkropten tot dat hunne kaken begonnen te beven en de tranen in blinkende druppels traag uit hun oogen rolden. God waarom moesten zoo menschen tegenover elkander staan! Ik zie nog altijd dat klein, bleek, phtisiek oostenrijker-joodje, dat werd aangehouden omdat men in zijn valies suspecte papieren banden had gevonden met vreemde teekens beschreven. De onwetende gendarmen dachten aan telegramberichten. Maar het bleek een godsdienstig voorwerp te zijn: hebreeuwsche verzen uit den Talmud, op parkamenten reepels geschreven, die de Israëlieten, tweemaal 's daags, in een doosje, op het hoofd dragen. De sukkelaar kende enkel poolsch en kon zich amper in het duitsch doen verstaan, maar snikkende en op zijn knieën, voerde hij den joodschen ritus uit, om te bewijzen waartoe die vreemde dingen dienden. Toen ik hem duidelijk maakte dat hij niets te vreezen had en enkel zou worden over de grenzen gezet—wat konden wij met dat menschen-wrak nog doen?—kuste hij mijne handen en ik voelde zijne koude lippen en het nat van zijne tranen op mijne vingers.
Ik herinner mij ook nog twee slanke jonge vrouwtjes, die als danseressen met een kunstemakers-wagen reisden. Zij waren uit de omstreken van Hannover. Ik dacht aan de figuur, die in het tweede deel van De Kleine Johannes voorkomt, en waar Johannes op verliefd geraakte. Een van de twee droeg een kindje van enkele maanden, een mager borelingske, dat zij liet zuigen aan haar klein borstje, dat uitstak tusschen de plooien van haar kleurig rood-en- groene kleed. De andere had, in een vuil beddelaken, al bijeen gebonden wat zij kon redden en ging er letterlijk onder gebogen. Zoo had ik ze zien binnen brengen in het gevang. Ik had er medelijden mee en kon zorgen dat ze seffens in verhoor werden genomen en nog dienzelfden dag, van allen angst verlost, op reis mochten naar Holland. Ik zie nog altijd hare oogen die mij stil- lachend dankten.
Er waren in die dagen menschen die met politie of burgerwacht te doen hadden omdat zij een zoogezegd duitsche hoed droegen, de groene tint was zeer gevaarlijk. Op aanklacht van buren drongen burgerwachten, met de bajonet op het geweer, huizen en kamers binnen. Zij hielden huiszoeking of namen den vermoedelijken verspieder in arrestatie. Er werd verteld van moffen in nonnekleeren of met valsche baarden. Antwerpen voelde een echte haat tegen al wat duitsch was, een haat sterker dan elders in het land, omdat de vijand hier zoo hartelijk was onthaald geweest en zoo vrij zijn gangen had mogen gaan.
Er waren ook Belgen die onschuldig verdacht en gevangen zaten. In die dagen heb ik begrepen wat de "terreur" moet geweest zijn tijdens de fransche revolutie. De aanklacht van 't is gelijk wie, het minste onschuldig teeken of een verkeerd uitgelegd woord waren voldoende om iemand te doen aanhouden. Ik zou van mijn eigen vrienden in 't gevang ontmoeten en helpen verlossen. Ik ken er een die, uit zijn droefheid en zijn wrok, een stuk literatuur schreef in zijn cel en het mij in dankbare herinnering bij zijn vrijstelling overhandigde met nog vochtige oogen.
Wij hadden soms oprecht beklagenswaardige gevallen te onderzoeken: De forten van Luik vielen alle van 12 tot 17 Augustus 1914 maar om krijgsredenen, die ik hier onbesproken laat, bleef het heeten dat zij nog altijd stand hielden en dat duurde zoo tot 24 Augustus. Welnu de enkele soldaten, die nog uit die forten konden ontsnappen, en in burgerkleeren, op lijfsgevaar, door de duitsche linies geraakten, werden allen aangehouden, zoodra zij zich te Antwerpen aanboden om terug in dienst te treden. Een heele tijd hield men ze in 't gevang afgezonderd om hen te beletten het gerucht van den val der forten te verspreiden.
Wij namen ze een voor een in verhoor. Zoo wisten wij, uit den eigen mond der verdedigers zelf, hoe eerst de forten van Chaudfontaine, Evegnée, Barchon en Pontisse door de duitsche kanonnen werden onder vuur genomen en hoe de aanvallers overal met verschrikkelijke verliezen werden achteruit geslagen. Hoe daarna het fort Boncelles het te verduren had en het belgisch leger daar wijken moest voor de overmacht. Wij rilden op onze stoelen als wij ze, in hunne eenvoudige boeren-of werkmanstaai, hoorden verhalen van die 42 cm. bommen, die zij, uren aan elkaar, op en rond de pantsertorens hunner forten hadden hooren donderen, hoe zij geen adem meer konden halen in den stikkenden rook der salpeterstoffen. Van de vluchtelingen uit het fort Loncin hoorden wij hoe generaal Leman zich daar had teruggetrokken en het er nog dagen uithield zonder eenige betrekking met de wereld; hoe eindelijk het kruitmagazijn ontplofte en de stukken beton der koepels en de bergen van aarde in de lucht sprongen lijk fonteinen, met de wegvliegende stukken van menschenlichamen; hoe zij die nog ontsnapten slechts, door duisternissen rook en vuur, en onder het geklaag en geroep van onzichtbare gekwetsten en stervenden, nog uit de puinen geraakten en den dag weer zagen. Het waren helden, hunne oogleden waren nog zwart van kruit, er waren er met verbrande handen en wij moesten ze afgezonderd houden in een gevang, als zij smeekten om voort te mogen vechten. De aarzeling der krijgsoverheid duurde gelukkiglijk niet langer en weldra kwam het verlof om ze in vrijheid te stellen en ik zelf werd gelast hun eenige vaderlandsche woorden toe te spreken om hun duidelijk te maken dat zij niet voor een vergrijp maar wel uit voorzichtigheid in 't gevang weerhouden waren geweest. Ik was toen reeds dienstdoende griffier geworden bij den substituut van den krijgsauditeur. Ik zie nog altijd, in mijne herinnering, die kloeke jongens: ze werden allen bijeen gebracht in een groote zaal van 't gevang en na enkele aanmoedigende woorden gingen zij blij en zonder morren hun post vervoegen.
Toen wij het gevang verlieten, dien avond, zei mij de jonge luitenant der gendarmerie:
—"Indien er inderdaad 42 cm. bommen gebruikt werden tegen Luik, dan weerstaat geen enkel fort van Antwerpen." Wij dachten aan het onvermijdelijke dat zou gebeuren.
V-Wat Wij Van Den Oorlog Vernamen
De menschen leefden voort in hunne huizen en kamers in eene schier-volledige onbewustheid. Wie dacht er ernstig binnen de wallen van Antwerpen aan de groote ontschakeling van de wereld? Het ergste wat er van den oorlog verwacht werd was een beleg der stad, dat maanden, een jaar lang misschien kon duren. Maar ieder meende genoegzaam voor proviand gezorgd te hebben om die harde tijden met kalmte tegemoet te zien. Ondertusschen werd alles in de huishoudingen wel vereenvoudigd en op spaarzaamheid ingericht. De menschen werden ook gemeenzamer onder elkaar, schenen te verbroederen, vergaten het onderscheid van klassen en fortuin onder het dreigement dat als een donkere wolk nu over alle hoofden hing. Maar de Engelschen, de Franschen, de Russen, de Japanners, de Serbiërs en de Montenegrijnen waren immers daar. Het lot van Duitschland was toch beslist. En ons eigen leger dan? Had het Duitschland niet geklopt onder de forten van Luik? Had de vijand niet een wapenstilstand van 24 uren gevraagd om zijn dooden te begraven? 25000 man, zoo ging de mare, liet hij op dat eerste slagveld. Was de finantieele failliet van dat land niet aanstaande? Ging de hongersnood er niet weldra langs de straten huilen? Zou de revolutie den Keizer en heel zijn militaire caste niet weldra omverwerpen?
Wel moesten de burgers stilaan gewaar worden dat er iets aan 't veranderen was. De haven lag stil en leeg van schepen. De straten waren vol wandelende werkeloozen. Uitdeelingen van geld en goed gebeurden aan armen en vrouwen van soldaten. Maar dat kon zoo gerust een tijdje voortgaan. Het scheen al niet veel erger dan in tijd van algemeene werkstaking. Waren wij ook niet in de vacantie- maanden? In Oktober was alles misschien gedaan en voorbij en kon het werk weer hernomen worden met nieuwen moed. Duitschland zou gekneveld liggen achter den Rhijn en voor alle aangerichte schade rijkelijk moeten betalen.
Ik herinner mij nog de stemming van mijn eigen huis. Om den dienst te vergemakkelijken zaten wij meestal in onze groote wit-steenen keuken met het gele koperwerk en het blinkende pottengerij langs de muren. Bij de maaltijden spraken wij over de uitlandige huisgenooten en de verwanten in het bezette land. Tegen den wand in het vensterlicht van den hof hadden wij landkaarten opgehangen: de kaart van Europa met de oorlogvoerende staten, de kaart der Rhijnprovincie. Wij volgden de bewegingen der Russen rond Lemberg en Kœnigsberg. Misleid door de al te optimistische belgische dagbladen zagen wij ze in onzen geest al oprukken naar Berlijn en dan keken wij naar de Rhijnprovincie hoe wij die bij België en Holland en Frankrijk gingen voegen. Hoe leuk zou het niet zijn, toekomend jaar, met een belgisch abonnement, een reisje te doen langs den Rhijn en er Rudesheimer te drinken alsof wij t' huis waren…
Die voorstellingen schijnen nu kinderachtig en belachelijk. Maar in de eerste dagen van Augustus had de groote massa van ons volk niet het minste benul van de vervaarlijke oorlogsmachine die Duitschland op ons had afgezonden. De generale staf en de overheden alleen wisten van het half millioen-sterke leger dat de Maas was overgekomen en zich tegenover de Gethe in front had gesteld. Het volk wist wat het las in zijn kranten: de wonderbare weerstand van Luik en hoe de duitsche regimenten er letterlijk werden neergemaaid, de weerstand op de Gethe met den slag van Haelen, waar heele skadronnen duitsche dragonders sneuvelden en de vijand wijken moest, dooden en gekwetsten op het slagveld achterlatend.
Doch dat waren in werkelijkheid slechts incidenten, ontmoetingen van voorposten, heel ons legertje van 180.000 man en in werkelijkheid misschien maar 120.000, zijnde enkel een voorpost van de groote krijgsmachten van Frankrijk en Engeland die ons tijdig hadden moeten ruggesteunen.
De droeve waarheid was dat ons leger zich eerst achter de Gethe, daarna achter de Dijle had moeten terugtrekken uit vrees van zijn linkervleugel omsingeld te zien door aanzienlijke legermachten die reeds op Aerschot en Diest dregen. De Franschen konden eerst op 18 Augustus de Maas-bruggen van Hastière tot Namen bezetten en het gros van hun 5de leger was toen nog maar in aantocht te Philippeville. De Engelschen hadden maar juist Maubeuge bereikt. Geen aansluiting dus met het belgisch leger. Maar daar gaven de kranten geen uitleg over. Wij wisten alleen dat op 20 Augustus ons leger blinnen de Antwerpsche vesting was samen getrokken en dienzelfden dag Brussel door de Duitschers werd bezet.
Toch werden de dagbladen met gretigheid gelezen in die dagen. Er gebeurde zooveel om en rond den oorlog en dat mocht verteld worden. Zoo vernamen wij achtereenvolgens de verschrikkelijke wandaden der Duitschers in ons land: de moorderijen en de brandstichting te Visé, de menschenslachtingen van Dinant en Tamines, de verwoesting van Leuven en van de oude wereldberoemde bibliotheek, het platleggen der gansche stad Dendermonde, de aanslagen op het schoone Mechelen en den ouden Sint Romboutstoren. De verslagen der belgische regeering over de verkrachting van het volkenrecht—en die in de dagbladen verschenen—brachten ons de veropenbaring van willekeurige terechtstellingen van burgers te Aerschot, verkrachtingen van vrouwen en meisjes, moordaanslagen op kinderen, grijsaards en geestelijken. Zoo werd de oorlog van Duitschland tegen België als een inval van barbaren. Zoo ontstond in de menschen die waanzinnige schrik, ondenkbaar in onze beschaafde eeuw, en die heele dorpen en steden deed vluchten voor den vijand, als voor een aardbeving of de voortstuwende lava van een vuurberg.
Van de groote buitenlandsche episoden van den oorlog wisten de menschen weinig of niets. De belgische dagbladen vertelden vertelsels en, nu dat zij op zich zelf moesten teren, werden zij van dag tot dag meer onbeduidend. Niets bepaalds werd vernomen van de fransche en de engelsche nederlagen te Charleroi en te Mons, niets van den val van Maubeuge en den zegevierenden inval der duitsche legers in Frankrijk,—de verhuizing der fransche regeering van Parijs naar Bordeaux was maar een voorzorgsmaatregel—niets van het achteruitslaan der Russen in Oost-Pruisen door Hindenburg. Wij teerden op den russischen stoomwals die op weg was naar Berlijn.
Dat optimisme der kranten, die strenge censuur hadden misschien hun nut. Kon de gansche waarheid wel gevoeglijk gezegd worden? Zou zij geen paniek verwekt hebben? Kon het o. a. duidelijk worden gemaakt aan de bevolking dat wij op 't oogenblik dat de duitsche aanval zich voordeed, juist een periode van grondige militaire verandering doormaakten? Dat eerst in 1918 de voorziene leger- vergrooting tot 350.000 man zou worden bereikt? Dat het zwaar geschut ons geheel en al ontbrak? Ik denk dat ons volk genoeg gezond verstand en weerstandsvermogen rijk was om de volle waarheid te kunnen verdragen. Maar de regeering oordeelde er anders over en ons volk bleef onwetend.
Ik die dagelijks, in den Kunstkring, de Times las en de hollandsche kranten en ook door mijn functies wat vernam en wist, met verschrikking, wat er gebeurde, ik kon mijn huisgenooten slechts met moeite van de werkelijkheid overtuigen.
De zegepraal aan de Marne, rond half September 1914, moest de groote rustpoos brengen in de brutale overwinningen van de Duitschers op het wester-front en deed weer eens groote doch ijdele hoop opgaan voor ons land. Maar dan kwam weer het hartverscheurende nieuws: de vernieling der cathedraal van Reims! Het schoonste werk van menschenhanden op deze aarde! Waar gingen wij toch heen?
Met volharding en vertrouwen werd er gebeden in alle kerken. De vlaggen der bondgenooten en de nationale driekleur hingen uit boven de hoog-altaren. De tempels stroomden vol in dezen grooten landsnood. De kanselredenaars lieten verschrikkelijke vermaningen hooren, riepen Sodom en Gomorrha weer op en hoe de verwoesting over die steden was gekomen omdat er geen 10 rechtvaardigen gevonden waren. Leefden wij ook niet in zonden en riepen die niet de bliksems van den hemel op onze stad? Bijzondere gebeden werden gelezen tot lafenis van de zielen der gesneuvelde soldaten. Het was aangrijpend. Een rilling liep door de scharen der geloovigen, vele oogen weenden. In de Augustijnen kerk, mijn eigen parochie, zag ik het volk staan tot op de straat. In de vallende duisternis gloeide de open poort van het inwendig licht. Ik hoorde het machtig gedreun van het orgel en de stemmen der menschen die zongen de "Brabançonne".
VI-In En Om De Forten Van Antwerpen
Het onderzoek van sommige krijgszaken vereischte reizen en verplaatsingen van het auditoraat waar ik dan d. d. griffier was. Wij bolden zoo in een auto heel de omgeving van Antwerpen af.
Ik zag de omliggende forten der verouderde verdedigingslijn, Merxem, Wijneghem, Borsbeeck, Oude-God, Wilrijk. Ik zag de verwoesting die het belgisch leger voor de verdediging der stad overal had aangericht. Ik kwam in die gewelfde wit-gekalkte kazematten, langs donkere trappen en gangen, onder duistere gewelven, waar wij commandanten en officieren vonden, met in verschillende weken niet meer geschoren baarden, en die met hunne soldaten nog alles in 't werk stelden om die verouderde stellingen toch nog in staat van verweer te brengen.
Ik bedacht toen hoe wij ze vroeger op onze wandelingen, naar het Peersbosch of naar Schilde en s' Gravenwezel, ontmoetten. Het waren oasissen van groen, verdoken achter hooge schoone boomen, in de Lente bedolven onder het gele goud der bremstruiken. Zij schenen nooit in een oorlog te zullen gebruikt worden, zoo rustig en schilderachtig kwamen zij ons voor. Hun uitzicht had iets tooverachtigs en romantisch. Nu was alles op kilometers in het rond afgehakt en neergehaald. De prachtige eeuwenoude dreven van beuken, eiken of olmen waren als in eene reusachtige orkaan omgekomen en verdwenen. De stompels staken uit ten allen kant, soms breed en rond als tafels en maakten het land tot een gruwzame wildernis. Men kon zien van het eene fort naar het andere. Zij schenen in de verte lijk kleine heuvels boven de effen vlakte, waar de puinhoopen lagen der afgebroken huizen en nog hier en daar een gebouw te smeulen stond of te branden en er een ander, in een wolk van stof en vuur, door dynamiet in de lucht vloog.
Overal in de vroeger rustig-schoone velden, in de verwoeste bosschen en tuinen, waar eens lachende villa's stonden en weelderige kasteelen, waren loopgrachten gegraven en, over groote uitgestrektheden, pindraad-versperringen aangelegd. Er werd verteld van heele velden die ondermijnd waren, van lege tonnen met latjes en aarde gedekt waarin de aanvallers onverhoeds moesten neertuimelen. De wegen waren afgesloten door hooge wagens of dwarsgelegde boomen of takken en in ons vrij land kon men nergens meer door, zonder het wachtwoord te kennen of speciale papieren op zak te dragen. Overal dregen de schildwachten met gevelde bajonet.
Hoe meer de tijd vorderde zoo grooter werd het verlangen naar den buiten, naar de open natuur. Het was de vrije wereld naast de steeds strengere beknelling der belegerde vesting. Op een zondag wilde ik nog eens met mijn huisgenooten naar ons landgoed te Cappellenbosch. Maar 't was lastig en ongewoon. Wij moesten onze plaats-bewijzen vragen aan 't winket tusschen twee gendarmen. Een speciale pas met den zegel van den krijgs- gouverneur was noodig om weg te mogen. De treinen reden maar tot Cappellen, wij moesten een uur te voet naar Cappellenbosch.
Het was een ellendige tocht door het oorlogsvernielingswerk. Door de boomenweelde van een wijdsch en duister park was een spoor aangelegd en een locomotief stond zwart en ontzaglijk, onder de kruinen van reuze-beuken waardoor ruw een weg was gebaand. De prachtige eiken-dreef, van Capellen tot aan het kruispunt van het spoor op Holland, lag plat met al de bosschen en hoven links en rechts van de baan. Over 50 jaar zou de jammer van den oorlog nog in deze streek gevoeld worden. Want huizen kunnen nog na korten tijd herbouwd, maar boomen behoeven meer dan een menschenleven om boom te zijn in hunne volle pracht. Niet alleen het geslacht van heden maar de toekomst zou lijden van deze gruwelen en het lieve aanschijn van het land verminkt zien. Zoo dacht ik toen…
Over de eindelooze vlakten, die daar open lagen, zagen wij de forten van Ertbrand, Brasschaet, Cappellen, Schooten, als groote molshoopen boven het land, vol verkoolde stammen, smeulende takkenbossen en prikkeldraadversperringen, waar vroeger bosschen stonden of gras en wilde bloemen groeiden. Van afstand tot afstand liepen weer de loopgraven door de velden. Op de wegen waren er poorten van aardewerk, waarachter kanonnen en mitrailleuses stonden in schietgaten. Overal wachtposten die de papieren onderzochten, heel het geteisterde landschap vol kappende, zagende en brandstokende soldaten.
De onmiddellijke omgeving van ons goed was gespaard gebleven. Daar bestond de oude twee-dubbele eikendreef nog, daar zagen wij nog de ontzaglijke purpere en groene beuken in de diepten der weiden en, langs de baan, die lage baksteenen en witgekalkte huisjes, onder roode daken. De zomerwindjes fluisterden door de blaren en deden het machtig landschap zinderen en bewegen van een ingetogen leven. De vogels piepten. Een kwikstaartje liep voor ons uit op de straatsteenen. Het was zoo heilig-rustig en eenzaam alom. Het scheen hier zoo ver van alle verschrikking en geweld dat men weer ging twijfelen aan de werkelijkheid van den oorlog. God en 't was toch oorlog!
Als wij de zwart-ijzeren poort met de gulden lansen van onzen hof openden, kwamen wij in een paradijs van vrede, groen en bloemen. Blauwen-hemel-spiegelend lag de groote vijver met zijn eilandje vol zilveren berken en donkere masten. De bloemperken—steen-en vuur-roode geraniums, goudgele escholzia 's, roze gele en oranje begonia 's—lagen hier en daar verspreid in de grasvlakten. De zware trossen der hortensia 's bewogen op den wind. Diep in den hof op den achtergrond van het dennenbosch, lag het huis met het witte portaal en de blauwe luiken onder het hoog rood-pannendak. Wij waren als geesten die sprakeloos kwamen dolen rond een oord van liefde en geluk, waar zij alle sinds lang zouden gestorven zijn en dat hun niet meer toebehoorde…
Het scheen mij een oogenblik alsof wij slaapwandelaars waren, maar weldra geurde weer kook van eten door het huis, als op die gezellige zondagen dat wij allen te samen waren en met vrienden gouden samoswijn dronken, boven de trappen voor de groote huisdeur, in de warme schaduw van den gevel. Vader en ik wij plukten fruit in den groenselhof, heele korven appelen en perzikken. Wij herinnerden ons hoe die boomen gebloeid hadden, wit en rozig in de laatste lente, schooner dan jaren voorheen, in die lente die nog niet wist van dezen gruwelijken najaarstijd. En de vruchten waren zoo prachtig zoo ontelbaar dit laatste overvloedsjaar dat de vele jaren van armoede en ellenden zou voorafgaan.
Wij aten den noen in het licht-groen geschilderde kamertje naast de keuken, bij het open raam. Er stonden nog bloemen op de tafel. Wij dronken koffie en rookten onze cigaren. Wij liepen in den namiddag nog een laatsten keer door die smalle kronkelende wegen, vol ritselende mastspelden, door de wegen die wij met ons eigen handen door het bosch hadden aangelegd met hunne schoon- buigende lijnen om de aardigste plekken en de mooiste boomen te ontmoeten. Het was de laatste wandeling die wij er zouden doen.
Wij hadden groote pakken bij, als wij terug naar de stad trokken. Een mensch wil altijd alles redden en meedragen wat bij zijn leven zoo lang reeds behoort. Op een wandeling te voet van ons huis tot Cappellen waren dat lastige "impedimenta", maar wij schrikten er niet voor terug en elk droeg gaarne zijn last. De trein die uit Cappellen vertrok, moest stoppen bij de vesten, aan eene halte, speciaal daarvoor aangelegd. Soldaten sprongen met de bajonet op het geweer in de compartimenten en onderzochten papieren en pakken der reizigers. Het was voor mij eene echt-russische impressie.
VII-De Zeppelin
De dagen van geweld en verschrikking moesten nog komen.
Worden ze niet dikwijls voorafgegaan van een schijnbare rust, als
ware het om ons de tegenstelling des te bitterder te doen voelen.
Zoo was het althans voor mij.
Dien zondag 23 Augustus was een rustige dag geweest. Ik was in mijn werkkamer gaan zitten na het avondeten. Ik vernam van uit de keuken hoe mijn huisgenooten luidop hun avondgebed lazen. Kort daarna hoorde ik hunne voeten door den gang en over den marmeren trap naar boven sleffen. Ik las de Histoire de Belgique van Pirenne. In den huidigen landsnood scheen het nog 't best ons te verdiepen in 't geen wij vroeger geweest waren. Ik voelde ons land verzwakken en als in stervensgevaar en ik gaf mij de illuzie het uur onzer dood te vertragen door een terugkeer naar het verleden.
Maar ik voelde de rust van ons groot slapend huis weldra op mij wegen als een levende aanwezigheid. Het ging niet meer om te lezen en ik zag stil-mijmerend mijn kamer rond. Het elektrische licht viel, gedempt, van uit den dof-kristallen bol aan de licht-gele zoldering. Ik zag de wijn-roode gordijnen toegeschoven, in breede, alle gerucht-smoorende plooien, hangen voor de ramen. De rood- mahonie-houten meubels en bibliotheken droegen hier en daar gele glimmende licht-vegen. Op het donker-groene behangselpapier der wanden hingen mijne kunstplaten, teekeningen en schilderijtjes in hunne stemmige kaders. Nevens de deur blonk mijne oud- grieksche icone als een massieve gouden plaat. Ik keek naar de mooi-gebonden ruggen mijner boeken in groen, bruin, blauw rood leder of wit pergament met hier en daar wat dof verguldsel. Ik moest opstaan om ze te gaan betasten tot op de hoogste planken met mijn bleekwordende vingers. Ik begon te snuisteren in mijn bibliotheek en ontdekte boeken die ik sinds lang vergeten was en die mij weer aantrokken om het genot dat ik er vroeger aan beleefde. Moe van staan en lezen wilde ik weer gaan zitten. Mijn oogen vielen toe. Het zou maar best zijn te gaan slapen. Ik droomde dien nacht en zag in mijn huis een samenkomst van alle rassen, een verwarde vergadering van Chinezen en Kozakken, van Turken en Hindoes, van negers en blanken… Uit de duizeling waarin ik verkeerde schoot ik plotseling als met een schok wakker.
Ik hoorde een groot gerommel als van donder en dacht aan een onweder. Maar weer daverde een geweldige slag. De oorlog kwam terug voor mijn geest. De stad werd zeker onverwacht beschoten. Ik ging zien aan het venster maar eene ontzettende ontploffing kraakte zoo nabij in de stad dat de ruiten rammelden en ik werktuiglijk achteruitsprong voor 't geweld. Ik kleedde mij aan en liep naar de kamer mijner ouders. Mijn zuster kwam ook uit haar deur daarover in haar witte nacht-japon. Ik zag bij het aarzelende licht van een nachtpitje, vader en moeder overeind zitten, te midden der wit-grauwe frommeling der beddelakens. Hunne bleeke en door den slaap nog verouderde en doorrimpelde gezichten keken verdwaasd en verschrikt.
—"Het is de beschieting!"
—"Het zijn misschien maar signalen of proefschoten."
—"Laat ons bidden" zei iemand en ik hoorde paternoster-beiers tegen elkaar rollen in een hand.
Ik liep naar boven om uit de hoogste vensters over de stad te zien.
Ik hoorde toen heel duidelijk het geronk van schroeven, hoog ievers
in de lucht, maar zag niets. Het werd mij duidelijk nu dat het een
Zeppelin was.
Herhaaldelijk daverden er nog ontploffingen over de stad, maar steeds op verder en verder afstand. Telkens gingen er als bliksemschichten door de lucht. Het waren de losbarstingen van bommen die het moordschip uitwierp. Ik hoorde èen gekletter van ruitscherven en enkele geweer knallen, van burgerwachten, waarschijnlijk, die vruchteloos op den Zeppelin vuurden.
Toen werd weer alles stil. Ik zag O.L.V. toren hoog boven de groene-en-mauve omschemerde huizen uitsteken als een omdoezelde silhouette. De beiaard "rammelde" en het klonk drie uur in den vaaglichtenden dag. In de straat beneden gingen deuren en vensters open, menschen riepen rap en angstig tegen elkaar of liepen in de richting der ontploffingen. Wij gingen weer slapen.
's Morgens na het ontbijt trok ik uit de vernieling zien in de stad. Er was een ongemeene drukte in de straten. Negen of tien bommen waren er geworpen. Twee dicht bij mijn huis, waarvan een in de Schermersstraat, waar twee dienstmeisjes in haar bed werden gedood, en een, juist achter mijn hofje, op het Sint Elisabeths gasthuis. In de Twaalfmaanden straat was eene woning tot op den grond ineen gestort. Op de Stadswaag, in de Lozana en de Justicie straat waren groote kuilen in de kasseien, vensters en deuren aan spaanders, diepe putten in de gevels en de arduinboorden. 10 menschen waren gedood en meer dan 40 gekwetst, allen non- combattanten. In een huis werd eene vrouw gevonden die letterlijk was gepulveriseerd. Een andere die uit haar venster leunde werd het hoofd afgeslagen zoo dat de bloedstraal als een fontein naar beneden spoot.
Naar de plaatsen te oordeelen, waar de projectielen gevallen waren, kon men gissen wat het eigenlijke doelwit geweest was van de laffe aanranders, en de bladen vernoemden de Minerva-fabriek te Berchem, de Nationale bank, het Sint Elisabeths gasthuis, het koninklijk Paleis en de Falcon kazerne. Vooral de aanslag op het Paleis verwekte een algemeen afgrijzen. Onze Vorsten verbleven daar, onze dappere Koning, onze teere en geliefde Koningin, de jonge Prinsjes, en het beeldschoone prinsesje Marie-José. Het was afschuwelijk te bedenken dat Duitschland kalm een aanslag op hun leven had beraamd en ons met een keer van heel ons vorstenhuis had kunnen berooven. Ook ging Koningin Elisabeth dadelijk, als eene bezorgde moeder, hare kinderen naar Engeland in veiligheid brengen, om daarna weer kalm en onverstoorbaar, hare plaats naast den Koning in te nemen.
De verbeelding van het volk was zeer getroffen geweest door het ongewoone en afschuwelijke van den aanslag zoo dat er een buitengewoone verscheidenheid van folkoristische prenten en kleurdrukken aan 't licht kwamen, waar de verraderlijke vaart van het luchtschip op afgebeeld stond boven de nachtelijke stad, terwijl de vallende bommen, met vuurspattend geweld, op de pleinen en in de straten openkraakten.
De menschen in hunne huizen verzonnen allerlei verdedigings- middelen tegen een mogelijken tweeden aanslag en richtten hunne kelders in tot een zeker toevluchtsoord. De bovenverdiepingen werden voortaan als hoogst gevaarlijk beschouwd. Van hoogerhand werden dringend maatregelen genomen om het gevaar te keer te gaan.
Sedert dien Zeppelin-aanslag leefden wij 's nachts te Antwerpen in de volledigste duisternis. Om acht uur moest alles gesloten zijn en werd alle tramverkeer geschorst. Nergens mocht uit de vensters der huizes een spleetje licht meer komen of er werd gescheld door politie-agenten of patroeljeerende burgerwachten. De straten en pleinen waren niet meer te herkennen in de donkerte. Ik ging elken avond uit om het fantastische schouwspel te genieten van die nachtelijke stad. Het was een middeleeuwsch vizioen.
Ik herinner mij nog het vreemde, benauwelijke van dien eersten nacht. Ik stapte over het Groen Kerkhof, het geleek met zijn boomen een donker bosch waarvan het eind niet was te ontwaren. De straten rond de hoofdkerk waren donkere holen en putten waarboven, over de huizen de hemel vaag schemerde. Het motregende een weinig. De vlaggen die nog te treuren hingen aan de gevels hadden geen kleur meer. Het waren donkere voolen die zwaar sloegen van het nat tegen de ruiten. De Sint Jacobstoren stond ginder als een groote inktzwarte burg met op zijn top een wanhopig- slaande-zwart-uitziende vlag, als een dood-signaal. Van uit de verre donkere diepte van de Meir kwamen toen twee groote gloeiende bollen aangereden van een auto. De stralenbundels gleden verblindend over de kasseien en bespatteden de huisgevels die een oogenblik opdoken uit de duisternissen, als waren zij van rood en geel glimmend marmer. Door de zwarte lucht boven de stad gingen de blauw-zilverige stralen der zoeklichten, lange schitterende strepen, die soms een wijle onbeweeglijk op den hemel geschreven stonden, soms grootsch en traag bewogen en een wolkje gingen beschijnen of plots, lijk balken lichts, wegvielen achter de huizen in den zwarter wordenden nacht.
Wanneer het nog zoel weer was, zaten de menschen in de arme buurten op banken en stoelen aan de deuren. Zij waren niet zichtbaar in de duisternis maar in 't voorbijgaan hoorde men het stemgeruisch. Het roode vonken van een pijp, het vlammetje van een aangestreken lucifer deed soms de gezichten opleven uit de donkerte. Voorbijgangers liepen je op het lijf zonder dat je ze had zien aankomen.
De lieden meenden voortaan alle soort vreemde en geheime dingen in het zwarte zwerk te zien. Groepjes keken met aandacht naar een groote ster, beweerden dat zij traag bewoog en zeker het lichtje moest zijn van een vijandelijk vliegenier of van een luchtschip.
Met het wassen van de maan werd de stad éene betoovering. Het maanlicht lag lijk sneeuw tusschen de links en rechts donker- opbonkende gevels. De huizen in de schaduwkanten vlokten bijeen tot groote gevaarten, vreemde silhoutten van burgten en cathedralen, op den gloor van den hemel. De O.L.V. toren, maan- beschenen, leek als van oud-zilver en zijn lange schaduw viel zwart over de daken, over de steenen der Groote Markt, tot op den roosachtigen gevel van het stadhuis.
De beiaard zong niet meer.
VIII-De Verspieder
Wij zouden dien namiddag, 26 Augustus, per militaire auto, naar Puers rijden, dicht tegen de vuurlijn. Het ging om het onderzoek eener vespiedingszaak. Een duitsch soldaat werd in burgerkleeren aangehouden te Buggenhout bij Puers. Hij beweerde dat hij niet langer meer tegen de Belgen wilde vechten, dat hij bij zijne aankomst te Brussel den 20en Augustus gedeserteerd was, burgerkleeren had gekocht en te voet het land was ingegaan tot hij te Buggenhout werd aangehouden. De militaire overheid nam die verklaring niet aan. Het bleek inderdaad dat nabij Buggenhout het belgisch leger in een valstrik was gelokt en vele manschappen door een troep uhlanen werden gedood. Onze man werd verdacht de hand in dat spel te hebben.
Ik geloofde aan zijn onschuld. Ik had hem op last van den krijgs- auditeur in het gevang te Antwerpen ondervraagd. Hij antwoordde op alles heel rechtzinnig. Ik kon maar al te best begrijpen dat er onder de Duitschers menschen moesten zijn die er genoeg van hadden. Op eene vraag van mij: "haben sie ihre ältern noch?" kwam het "ja wohl" maar nauwelijks uit zijne kroppende keel en twee dikke tranen sprongen lijk vanzelf uit zijne oogen. Ik zag zijn angst voor den dood en hoe een woord over zijn huis al zijn onderdrukten weemoed deed los komen. Vader, moeder, die waren zoo ver en konden hem niet meer helpen in dezen nood.
De krijgsauditeur had ons belast nauwkeurig onderzoek te doen ter plaatse en werden zijne vermoedens door de getuigenissen bevestigd dan zou de verdachte morgen voor den kop worden geschoten. Wij reden met onze auto naar Puers: de substituut, een commandant-assesseur en ik als griffier. Wij waren alle in uniform en gewapend, de chauffeur had zijn geweer, want zoo dicht bij den vijand moesten wij op mogelijke hinderlagen berekend zijn.
Wij trokken den Rupel over, langs een houten brug, door de genie daar geslagen. Op den anderen oever zagen wij, over eene onafzienbare lengte, den sleep van amunitie-wagens en kanonnen van het aftrekkend belgisch leger dat te Sempst, Weerde en Eppeghem gevochten had.
In het vlakke landschap langs de rivier scheen het als een schilderij uit den tijd van Napoleon: De kanonniers op hunne schuddende stukken droegen zwarte colback's met koper-belegde stormbanden en roode koorden. Een skadron lanciers kwam aangereden, blauw en geel met hoog-opgestoken lansen en waaiende penoenen. Hoog op hunne paarden zaten gendarmen met de monumentale beremutsen der grenadiers van de oude garde. Ginder in de verte schetterden de wijnroode broeken en groene tunieken van gidsen.
Het viel mij toen op dat ons leger misschien nog het eenige was ter wereld waar de oorlog de heroïsche beteekenis behouden had van schoone gevechten in schitterende uniformen naast het aardkleurige en machinale van den duitschen krijg.
Op 24 Augustus had onze generale staf bericht gekregen van geweldige gevechten die tusschen het fransch-engelsche leger en de Duitschers op de Samber en in de richting van Mons geleverd werden. Het scheen het gunstig oogenblik om een uitval te wagen tegen het duitsch observatieleger dat voor Antwerpen lag. Die uitval geschiedde op 25 en 26 Oogst. De Belgen heroverden Hofstade en de bosschen van Schiplaeken alsook Sempst, Weerde en Eppeghem. Doch, na afloop der veldslagen aan de Samber, kon deze aanval niet meer worden voortgezet en nu zagen wij de troepen die er aan deel namen terug in het versterkte kamp komen. Wij geraakten met moeite door het getrappel der paarden, het gehots der wielen, tot in Puers.
Wij zetelden op het vredegerecht en lieten daar de getuigen voor ons verschijnen. Ik bedacht dat de woorden die ik ging opteekenen over het leven van een mensch zouden beslissen. Indische spreuken kwamen mij te binnen: "Hij die den stok droeg waarmee een man werd geslagen is schuldig aan moord. Hij die den stift hield bij het neerschrijven van een onrechtvaardig vonnis is schuldig aan moord." Door de open ramen hoorden wij aanhoudend het getrappel der paarden, het gebons der kanonnen op de kasseien het gedreun der voetzolen van het aftrekkend leger. Het was halfdonker geworden in de zaal. Door het lawaai konden wij nauwelijks de getuigen verstaan. Ik teekende alles stipt op en voelde me gelukkig geen enkel bewijs tegen den man te vinden.
Ik dacht er later dikwijls op na hoe nauwlettend en eerlijk wij het strafrecht toepasten op den vijand, terzelfder stonde dat onze eigen weerlooze en onschuldige landgenooten, mannen, vrouwen en kinderen, zonder een schijn van onderzoek veroordeeld werden en laffelijk vermoord, nadat zij dikwijls hun eigen graf hadden moeten delven.
Wij reden terug naar de stad in onze auto. In de schemering zagen wij de laatste munitie-wagens van het aftrekkende leger. De uniformen der ruiters die de karren voerden waren bijna niet meer te herkennen. Lanciers droegen shako's van jagers, jagers mutsen van kanonniers, alle wapens en alle drachten waren gemengd. De infanteristen in hunne donker-blauw-bestoven mantels schenen dood-moe. Velen hadden hunne rood-afgeboorde ronde mutsjes van eene groene klep voorzien tegen zon en regen. In den avond schenen zij als zoovele ooglijders of blinden die voortstrompelden langs de baan. De caissons en de kanonnen waren nog behangen met groene takken en stroo om ze voor vijandelijke vliegeniers onkennelijk te maken. Mitrailleuses werden door honden getrokken wien de tong van draven uit den muil hing. Achter de laatste karren liepen jonge priesters met bestoven togen, minderbroeders op bloote voeten in sandalen, die dienst deden als brancardiers, den witten band met het roode kruis rond den arm.
Aan de brug over den Rupel en in de richting van Boom zagen wij nog en weer, aftrekkende troepen. Wij moesten telkens wachten om door de verwarring van paarden, wagens en voetvolk te komen. In de weiden langs den weg lagen de eerste kudden van vluchtelingen, arme menschen met pak en zak uit have en goed verjaagd.
Want de Duitschers, razend om den uitval der Belgen, hadden de wreedste baldadigheden, brandstichting en moord, in de terugbezette dorpen bedreven.
In de straten van Boom stonden onafzienbare rijen van auto's, door het leger gerekwireerd. Het waren alle private rijtuigen die vroeger mooie dames en heeren in soirée-kleeren naar de schouwburgen voerden en nu, bestoven, vuil, onkennelijk daar stonden, volgeduwd met zakken meel, brooden of oorlogsgetuig.
Wat er met onzen verspieder verder gebeurd is weet ik niet, maar ter dood veroordeeld werd hij zeker niet. Hij zal wel met de andere verdachten en krijgsgevangenen, na den val van Antwerpen, naar Engeland zijn overgebracht. Hoe dikwijls zijn wij zoo van verre tochten tegen den avond terug de stad ingereden, die stad waar het begon te woelen en te gisten van heel het leven van het land dat er nu was samengetrokken. Wanneer ik toen de torens, van ver in de velden, zag uitsteken boven de wallen en de huizen, tegen een rooden zonsondergang, dacht ik altijd aan het tragisch einde dat eens zou komen. Sint Jans toren van Borgerhout, Sint Jacobstoren, O. L. V. toren, in onze bliksemsnelle vaart door de van-volk-krielende straten volgden zij elkaar op. De belgische driekleur woei als wanhopig op hunne toppen. Hoe lang nog?
IX-In De Ambulances
Overal in de stad waren de ambulances. Wie over de Meir stapte zag boven den hoogen achterbouw van het Sint Jan Berchmans college de witte vlag waaien met het roode kruis. Telkens ondervond ik dezelfde huivering, wanneer dat bloedig teeken van den oorlog mij opviel in die wijde hemelruimte daar boven de huizen. Vele scholen waren in hospitaal herschapen en het bleef een verrassend gezicht, dat aller oogen trok, de witte kappen der ziekediensters voor de vensters te zien bewegen of de reeds herstellende soldaten met wit omwonden kwetsuren en moe gelaat op het leven van de straat te zien turen. Boven de feestzaal van den Dierentuin woei ook de roode kruis-vlag en het gaf een weeke stemming tusschen de stammen der tanende najaarsboomen de genezenden te zien liggen in hunne leunstoelen op het ruime luchtige terras langs den hof. Het engelsche hospitaal was in een meisjesschool der Leopoldslei en het amerikaansche in het zomerlokaal der Harmonie. Altijd was er drukte om die gebouwen en wanneer de gekwetsten in snelle grijze auto's werden aangevoerd drumden de voorbijgangers met bezorgde gezichten samen om ze op de berrie's te zien uitdragen en binnenvoeren.
Vele private hospitalen waren er ook in de stad. Kringen en maatschappijen die hunne lokalen bereidwillig hadden afgestaan en de verzorging bekostigden. Sommige rijke burgershuizen hielden zieken en de roode-kruis vlag stak er uit aan den gevel.
In het lokaal der sociale werken, in mijn eigen straat, had ik alles van 't begin af zien in gereedheid brengen: de groote zaal met de beddekens, de kamer met de verbanden, de apotheek, de voorraadkamer voor kleedingstukken, de keuken. Alles was netjes in orde. De geburen hadden geholpen in het bijbrengen van al wat ontbrak. De ziekendienst werd er waargenomen door de meest- offervaardige jonge vrouwen. Ik zelf had mijn hulp aangeboden in geval die mocht vereischt worden. Zoo werd ik eens in den nacht van 13 September opgescheld. Een onverwacht groot aantal gekwetsten was in aantocht.
Op 9 September was inderdaad een nieuwe uitval der antwerpsche bezetting bevolen geweest. De slag aan de Marne was toen aan gang. Het duitsche observatie-leger werd merkelijk verminderd om den duitschen aftocht te versterken en tot staan te brengen. De Belgen hadden aldus Aerschot heroverd, een peloton jagers geraakten zelfs tot in Leuven, de ijzeren weg van Mechelen op Leuven was een oogenblik opnieuw in onze handen en de vijand werd zelfs tot in Brussel verontrust. Doch wanneer het groot gevaar in Frankrijk geweken was, riepen de Duitschers hun leger terug en eene razende tegenaanval begon op 12 September en sloeg onze troepen terug te Rotselaer en Wezemael en drong op 13 September ons leger weer binnen het antwerpsche kamp. Wij kregen nu de talrijke gekwetsten uit die dagen. De gewone ziekediensters konden ze niet alle tijdig genoeg bezorgen en hadden hulp gevraagd.
Ik was dadelijk buiten. In de nachtelijke straat, zonder een lantaarn, was alleen het licht uit de ruiten van opgeeischte tramwagens die behoedzaam reden met de gekwetsten. Op berrie's werden zij nu reeds de open poort der ambulance binnengedragen.
Links en rechts, overal in de zaal lagen zij neer op den grond, wachtend om op een bed gedragen te worden. Nog altijd werden nieuwe gewonden aangebracht. Hun soldatenpak was gehavend, beslijkt en gescheurd. Zij roken naar regen, zweet en bloed. Er waren er die bewustloos lagen met toeë oogen en vale gezichten. Anderen kloegen zachtkreunend hunne pijn. Verpleegsters gingen rond om de dorstigen te laven. Ik stapte door die neergestrekte menschen-wrakken en een dokter belastte mij het voorloopig verband aan enkele reeds in-hun-bed-rustende soldaten af te nemen.
Het eerste wat ik onder handen kreeg was een doorschoten been.
Het lag in een stuk geplooid blik met hooi errond en windels.
Naar mate ik het verband loswikkelde onder het zacht-gekreun van den gekweste, kwam de flauwe geur van bloed mij in den neus. De doktor volgde achter mij voor de zuivering en het nieuw verband. Ik ging tot het volgende bed over. Er lag een klein soldaatje van de jongste klas. Hij had zijn linker bil omwonden. Voorzichtig ontwond ik de bloeddoordrenkte doeken. Een krater van rauw rood vleesch kwam te voorschijn in het blank-schoone jeugdige lichaam. Een shrapnel-stuk had de vleeschen afgrijselijk verwoest. De wonde begon nu weer te sijpelen in traag loopende bloedstrepen…
Het was een algemeene beweging door de zaal van dragers die de berrie's nederplaatsten, van verpleegsters die de gekneusde lichamen ontkleedden en in de beddekens hielpen, van dokters die den eene na den andere alle gekwetsten nazagen en bevelen gaven voor verzuivering en verband. Het was hartverscheurend die stukken menschheid daar in gekreun en geklaag te zien liggen, die beeldschoone blanke lichamen hopeloos doorkorven en verminkt.
Ik bleef er voortdurend belang in stellen en af en toe bezocht ik de zieken die ik geholpen had. Zij herkenden mij. Het was een blijheid te zien hoe gelukkig en met verhelderde oogen zij uitkeken van hun bed naar de deur, mij te gemoet op het verwacht bezoek. Zij vertelden dan van hun leven vroeger in den goeden tijd van vrede, van hunne hoop dat het weldra ging gedaan zijn en zij toch niet meer terug zouden moeten in het vuur. Hunne witte zwakke handen zochten naar eene foto van vrouw of kind op het tafeltje waar zij zorgzaam sigaretten en wat sneukelgoed geborgen hielden. Het was een vreugde ook ze te zien beteren en de zaal uit sukkelen tot op de koer, slepend soms op krukken maar blij van weer op te zijn of een kort wandelingsken in de stad te mogen doen.