

1


[Multatuli: `Max Havelaar' (moderne spelling) v.0.1 16-JAN-1994]

Multatuli



Max Havelaar

of de Koffieveilingen

der Nederlandsche Handel-Maatschappij




Aan de diep vereerde nagedachtenis van

Everdine Huberte Baronesse van Wijnbergen

der trouwe gade

der heldhaftige liefdevolle moeder

der edele vrouw

J'ai souvent entendu plaindre les femmes de pote, et sans doute, pour 
tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualit n'est de 
trop. Le plus rare ensemble de mrites n'est que le strict ncessaire, 
et ne suffit mme pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la 
muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, -- recueiller dans ses 
bras et soigner ce pote qui est votre mari, quand il vous revient 
meurtri par les dceptions de sa tche; -- ou bien le voir s'envoler  
la poursuite de sa chimre ... voil l'ordinaire de l'existence pour une 
femme de pote. Oui, mais aussi il y a le chaptre des compensations, 
l'heure des lauriers qu'il a gagns  la sueur de son gnie, et qu'il 
dpose pieusement aux pieds de la femme lgitimement aime, aux genoux 
de l'Antigone qui sert de guide en ce monde  cet `aveugle errant', --

Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homre sont 
plus ou moins aveugles  leur faon; -- ils voient ce que nous ne voyons 
pas; leurs regards pntrent plus haut et plus au fond que les ntres; 
mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomrne de 
chemin, et ils seraient capables de trbucher et de se casser le nez sur 
le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces 
valles de prose o demeure la vie.

(Henry de Pne)

Vertaling: Ik heb de vrouwen van dichters dikwijls horen beklagen, en 
ongetwijfeld kan er geen enkele goede eigenschap gemist worden, wil men 
op waardige wijze deze moeilijke levensfunctie kunnen vervullen. De 
uitzonderlijkste combinatie van verdienstelijke kwaliteiten is nog maar 
nt toereikend, en vaak is ook deze nog niet voldoende om gewoon 
gelukkig te zijn. Voortdurend de muze als derde aanwezig te zien bij uw 
meest triviale gesprekken, -- de dichter die uw echtgenoot is in uw 
armen te moeten sluiten en te verzorgen als hij bij u terugkomt, gewond 
door de ontgoochelingen van zijn zware taak; -- of wel hem te zien 
wegsnellen achter zijn hersenschim aan... dat is het wat het dagelijks 
bestaan inhoudt voor de vrouw van een dichter. Ja. maar daartegenover 
staat de kant van de schadeloosstelling, het ogenblik waarop hij de 
lauweren die hij verworven heeft door alle inspanningen van zijn talent. 
eerbiedig aan de voeten legt van zijn wettig beminde vrouw, op de knien 
van de Antigone die deze `blinde zwerver' tot gids is in deze wereld. 
Want vergis u niet: bijna alle kleinzonen van Homeruszijn op hun manier 
min of meer blind; -- zij zien wat wij niet zien; hun blik dringt hoger 
en verder door dan de onze, maar ze kunnen niet recht voor zich uit 
kijken op hun simpele, alledaagse weggetje, en ze zouden in staat zijn 
te struikelen en de hals te breken over het kleinste steentje als ze 
zonder ondersteuning voort moesten door deze proza-dalen waar het leven 
zich voltrekt.



GERECHTSDIENAAR. Mijnheer de rechter, daar is de man die Barbertje 
vermoord heeft.

RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hij dat aangelegd?

GERECHTSDIENAAR. Hij heeft haar in kleine stukjes gesneden, en 
ingezouten.

RECHTER. Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan. Hij moet hangen.

LOTHARIO. Rechter, ik heb Barbertje niet vermoord! Ik heb haar gevoed en 
gekleed en verzorgd. Er zijn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n 
goed mens ben, en geen moordenaar.

RECHTER. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. 
Het past niet aan iemand die ... van iets beschuldigd is, zich voor 'n 
goed mens te houden.

LOTHARIO. Maar, rechter, er zijn getuigen die het zullen bevestigen. En 
daar ik nu beschuldigd ben van moord ...

RECHTER. Ge moet hangen! Ge hebt Barbertje stukgesneden, ingezouten, en 
zijt ingenomen met uzelf... drie kapitale delicten! Wie zijt ge, 
vrouwtje?

VROUWTJE. Ik ben Barbertje.

LOTHARIO. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!

RECHTER. Hm ... ja ... zo! Maar het inzouten?

BARBERTJE. Nee, rechter, hij heeft me niet ingezouten. Hij heeft mij 
integendeel veel goeds gedaan. Hij is 'n edel mens!

LOTHARIO. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mens ben.

RECHTER. Hm ... het derde punt blijft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer 
die man weg, hij moet hangen. Hij is schuldig aan eigenwaan. Griffier, 
citeer in de premissen de jurisprudentie van Lessings patriarch.

(Onuitgegeven toneelspel)


Eerste hoofdstuk

Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht No 37. Het is 
mijn gewoonte niet, romans te schrijven, of zulke dingen, en het heeft 
dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra 
te bestellen, en het werk aan te vangen, dat gij, lieve lezer, zoven in 
de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffie 
zijt, of als ge wat anders zijt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef 
wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets 
dergelijks te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag 
ik mij af, waartoe zulke dingen dienen, en ik sta verbaasd over de 
onbeschaamdheid, waarmee een dichter of romanverteller u iets op de mouw 
durft spelden, dat nooit gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als 
ik in mijn vak -- ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht 
No 37 -- aan een principaal -- een principaal is iemand die koffie 
verkoopt -- een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der 
onwaarheden voorkwam, die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, 
zou hij terstond Busselinck & Waterman nemen. Dat zijn ook makelaars in 
koffie, doch hun adres behoeft ge niet te weten. Ik pas er dus wel op, 
dat ik geen romans schrijf, of andere valse opgaven doe. Ik heb dan ook 
altijd opgemerkt dat mensen die zich met zoiets inlaten, gewoonlijk 
slecht wegkomen. Ik ben drienveertig jaar oud, bezoek sedert twintig 
jaren de beurs, en kan dus voor de dag treden, als men iemand roept die 
ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlijk, 
wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht 
worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun 
jeugd.

Ik zeg: waarheid en gezond verstand, en hier blijf ik bij. Voor de 
Schrift maak ik natuurlijk een uitzondering. De fout begint al van Van 
Alphen af, en wel terstond bij de eerste regel over die `lieve 
wichtjes'. Wat drommel kon die oude heer bewegen, zich uit te geven voor 
een aanbidder van mijn zusje Truitje die zere ogen had, of van mijn 
broer Gerrit die altijd met zijn neus speelde? En toch, hij zegt: `dat 
hij die versjes zong, door liefde gedrongen'. Ik dacht dikwijls als 
kind: `Man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge mij de 
marmerknikkers weigerde, die ik u vragen zou, of mijn naam voluit in 
banket -- ik heet Batavus -- dan houd ik u voor een leugenaar.' Maar ik 
heb Van Alphen nooit gezien. Hij was al dood, geloof ik, toen hij ons 
vertelde dat mijn vader mijn beste vriend was -- ik hield meer van 
Pauweltje Winser, die naast ons woonde in de Batavierstraat -- en dat 
mijn kleine hond zo dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zo 
onzindelijk zijn. Alles leugens! Zo gaat dan de opvoeding voort. Het 
nieuwe zusje is van de groenvrouw gekomen in een grote kool. Alle 
Hollanders zijn dapper en edelmoedig. De Romeinen waren blij dat de 
Batavieren hen lieten leven. De Bey van Tunis kreeg een koliek als hij 
het wapperen hoorde van de Nederlandse vlag. De hertog van Alva was een 
ondier. De eb, in 1672 geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlijk, 
expres om Nederland te beschermen. Leugens! Nederland is Nederland 
gebleven, omdat onze oudelui goed op hun zaken pasten, en omdat ze het 
ware geloof hadden. Dt is de zaak!

En dan komen later weer andere leugens. Een meisje is een engel. Wie dit 
het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad Liefde is een zaligheid. 
Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der aarde. De 
aarde heeft geen einde, en die liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen 
dat ik niet goed leef met mijn vrouw -- zij is een dochter van Last & 
Co., makelaars in koffie -- niemand kan iets op ons huwelijk aanmerken. 
Ik ben lid van Artis, zij heeft een sjaallong van tweennegentig gulden, 
en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil 
wonen, is toch tussen ons nooit sprake geweest. Toen we getrouwd zijn, 
hebben wij een toertje naar Den Haag gemaakt -- ze heeft daar flanel 
gekocht, waarvan ik nog borstrokken draag -- en verder heeft ons de 
liefde nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens!

En zou mijn huwelijk nu minder gelukkig wezen, dan van de mensen die 
zich uit liefde de tering op de hals haalden, of de haren uit het hoofd? 
Of denkt ge dat mijn huishouden iets minder wel geregeld is, dan het 
wezen zou als ik voor zeventien jaar mijn meisje in verzen gezegd had 
dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen 
doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker mulder 
moeilijk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen 
zo goedkoop wezen? -- Frits zegt: `Uhlefeldjes', ik weet niet, waarom. 
En vraag eens naar de prijs van een stel biljartballen!

Ik heb niets tegen verzen op zichzelf Wil men de woorden in 't gelid 
zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. `De lucht is guur, en 't 
is vier uur.' Dit laat ik gelden, als het werkelijk guur en vier uur is. 
Maar als 't kwartier voor drien is, kan ik, die mijn woorden niet in 't 
gelid zet, zeggen: `de lucht is guur, en 't is kwartier voor drien.' De 
verzenmaker is door de guurheid van de eerste regel aan een vol uur 
gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht 
mag niet guur zijn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat 
hij dan aan 't knoeien! Of het weer moet veranderd, of de tijd. En van 
beide is dan gelogen.

En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in de 
schouwburg, en luister daar wat er voor leugens aan de man worden 
gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand 
die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hij hem zijn halve 
vermogen. Dat kan niet waar zijn. Toen onlangs op de Prinsengracht mijn 
hoed te water woei -- Frits zegt: waaide -- heb ik de man die hem mij 
terugbracht, een dubbeltje gegeven, en hij was tevreden. Ik weet wel dat 
ik iets meer had moeten geven als hij mijzelf eruit gehaald had, maar 
zeker mijn halve vermogen niet. 't Is immers duidelijk dat men op die 
wijs maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat 
het ergste is bij zulke vertoningen op het toneel, het publiek gewent 
zich zo aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik 
had wel eens lust zo'n hele parterre in 't water te gooien, om te zien 
wie dat toejuichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw 
ieder dat ik voor 't opvissen van mijn persoon geen zo hoog bergloon 
betalen wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. 
Alleen zondags zou ik iets meer geven, omdat ik dan mijn cantille 
ketting draag, en een andere rok.

Ja, dat toneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zo 
aanschouwelijk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier, 
ziet er dat alles zo aanlokkelijk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor 
mensen die niet in zaken zijn. Zelfs als die toneelmensen armoede willen 
voorstellen, is hun voorstelling altijd leugenachtig. Een meisje wier 
vader bankroet maakte, werkt om de familie te onderhouden. Heel goed. 
Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu eens de 
steken die ze doet gedurende het hele bedrijf. Ze praat, ze zucht, ze 
loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie die van deze 
arbeid leven kan, heeft weinig nodig. Zo'n meisje is natuurlijk de 
heldin. Ze heeft enige verleiders de trappen afgeworpen, ze roept 
gedurig: `O mijne moeder, o, mijne moeder!' en stelt dus de deugd voor. 
Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar nodig heeft voor een paar 
wollen kousen? Geeft dit alles niet valse denkbeelden van deugd, en 
`werken voor de kost'? Alles gekheid en leugens!

Dan komt haar eerste minnaar -- die vroeger klerk was aan 't kopieboek, 
maar nu schatrijk -- opeens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie 
geld heeft, trouwt geen meisje uit een gefailleerd huis. En als ge 
meent, dat dit op het toneel er door kan als uitzondering, blijft toch 
mijn aanmerking bestaan, dat men de zin voor waarheid bederft bij het 
volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke 
zedelijkheid ondermijnt, door het te gewennen iets toe te juichen op het 
toneel, wat door elk fatsoenlijk makelaar of koopman voor een 
bespottelijke krankzinnigheid wordt gehouden in de wereld Toen ik 
trouwde, waren wij op 't kantoor van mijn schoonvader -- Last & Co. -- 
met ons dertienen, en er ging wat om!

En nog meer leugens op het toneel. Als de held met zijn stijve 
komediestap weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan 
de dubbele achterdeur altijd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon 
die in verzen spreekt, voorzien wat de ander te antwoorden heeft, om hem 
't rijm gemakkelijk te maken? Als de veldheer tot de prinses zegt: 
`Mevrouw, het is te laat, de poorten zijn gesloten', hoe kan hij dan 
voor uit weten, dat zij zeggen wil: `Welaan dan, onversaagd, men doe het 
zwaard ontbloten'? Want als zij nu eens, horende dat de poort toe was, 
antwoordde dat ze dan wat wachten zou tot er geopend werd, of dat zij 
een andermaal eens terug zou komen, waar bleef dan maat en rijm  Is het 
dus niet een pure leugen, als de veldheer de prinses vragend aanziet, om 
te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten? Nogeens: als 't mens nu 
eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats van iets te ontbloten? 
Alles leugens!

En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren 
makelaar in koffie -- Lauriergracht No 37 -- en heb dus al zoiets 
bijgewoond, maar het stuit mij altijd vreselijk, als ik de goede lieve 
waarheid zo zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd 
een handelsartikel te maken? Het is zo niet in de wereld, en 't is goed 
dat het zo niet is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd beloond 
werd? Waartoe dus die infame leugens altijd voorgewend? Daar is 
bijvoorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds bij de vader van Last 
& Co. heeft gewerkt -- de firma was toen Last & Meyer, maar de Meyers 
zijn er lang uit -- dt was dan toch wel een deugdzaam man. Geen boon 
kwam er ooit tekort, hij ging stipt naar de kerk, en drinken deed hij 
niet. Als mijn schoonvader te Driebergen was, bewaarde hij het huis, en 
de kas, en alles. Eens heeft hij aan de bank zeventien gulden teveel 
ontvangen, en, hij bracht ze terug. Hij is nu oud en jichtig, en kan 
niet meer dienen. Nu heeft hij niets, want er gaat veel bij ons om, en 
we hebben jong volk nodig. Welnu, ik houd die Lukas voor zeer deugdzaam, 
maar wordt hij nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of 
een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hij is arm, en 
blijft arm, en dit moet ook zo wezen. Ik kan hem niet helpen -- want we 
hebben jong volk nodig, omdat er zoveel bij ons omgaat -- maar al kon 
ik, waar bleef zijn verdienste, als hij nu op zijn oude dag een 
gemakkelijk leven leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel 
deugdzaam worden, en iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, 
omdat er dan geen bijzondere beloning voor de braven overbleef 
hiernamaals. Maar op een toneel verdraaien ze dat ... alles leugens!

Ik ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor beloning? Als mijn zaken 
goed gaan -- en dit doen ze -- als mijn vrouw en kinderen gezond zijn, 
zodat ik geen gemaal heb met dokter en apotheker ... als ik jaar-in 
jaar-uit een sommetje kan terzij leggen voor de oude dag ... als Frits 
knap opgroeit, om later in mijn plaats te komen als ik naar Driebergen 
ga ... zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlijk 
gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor mijn 
deugd eis ik niets.

En dat ik toch deugdzaam bn, blijkt uit mijn liefde voor de waarheid. 
Deze is, na mijn gehechtheid aan het geloof, mijn hoofdneiging. En ik 
wenste dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de 
verontschuldiging is voor 't schrijven van dit boek.

Een tweede neiging, die mij even sterk als waarheidsliefde beheerst, is 
de hartstocht voor mijn vak. Ik ben namelijk makelaar in koffie, 
Lauriergracht No 37. Welnu, lezer, aan mijn onkreukbare liefde voor de 
waarheid, en aan mijn ijver voor de zaken, hebt gij te danken dat deze 
bladen geschreven zijn. Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik 
nu voor 't ogenblik afscheid van u neem -- ik moet naar de beurs -- 
nodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus!

Eilieve, steek het bij u ... 't is een kleine moeite ... het kan te pas 
komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co. ben ik, sedert 
de Meyers er uit zijn ... de oude Last is mijn schoonvader.

LAST & CO.

MAKELAARS IN KOFFIE

Lauriergracht No 37


Tweede hoofdstuk

Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed 
maken. Denk niet dat er niets bij ons omgaat. Bij Busselinck & Waterman 
is 't nog slapper. Een vreemde wereld! Men woont zoiets bij, als men 
zo'n twintig jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht 
hebben -- Busselinck & Waterman, meen ik -- mij Ludwig Stern af te 
nemen. Daar ik niet weet of gij aan de beurs bekend zijt, wil ik u even 
zeggen dat Stern een eerste huis is in koffie te Hamburg, dat altijd 
door Last & Co. is bediend geworden. Heel toevallig kwam ik daar achter 
... ik meen achter de knoeierij van Busselinck & Waterman. Zij zouden 
een kwart procent van de courtage laten vallen -- onderkruipers zijn 
het, anders niet! -- en zie nu eens wat ik gedaan heb om die slag af te 
weren. Een ander in mijn plaats had misschien aan Ludwig Stern 
geschreven dat hij ook wat zou laten vallen, dat hij hoopte op 
consideratie om de langdurige diensten van Last & Co.... Ik heb 
uitgerekend dat de firma, sedert ruim vijftig jaren, vier ton aan Stern 
verdiend heeft. Die connectie dateert van 't continentaal stelsel, toen 
wij de koloniale waren insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n 
ander alzo zou geschreven hebben. Maar nee, onderkruipen doe ik niet. Ik 
ben naar Polen gegaan, liet me pen en papier geven, en schreef:

Dat de grote uitbreiding die onze zaken de laatste tijd genomen hadden, 
vooral door de vele geerde orders uit Noord-Duitsland ...

't Is de zuivere waarheid!

... dat die uitbreiding enige vermeerdering van ons personeel 
noodzakelijk maakte.

't Is de waarheid! Gisteravond nog was de boekhouder na elven op 't 
kantoor, om zijn bril te zoeken.

Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlijke, welopgevoede 
jongelieden, voor de correspondentie in het Duits. Dat weliswaar veel 
Duitse jongelingen, in Amsterdam aanwezig, hiertoe de vereiste 
bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat zich respecteert ...

't Is de zuivere waarheid!

... bij de toenemende lichtzinnigheid en onzedelijkheid onder de jeugd, 
bij het dagelijks aangroeien van het getal fortuin zoekers, en met het 
oog op de noodzakelijkheid om soliditeit van gedrag, hand-aan-hand te 
doen gaan met soliditeit in de uitvoering van de gegeven orders ...

't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid!

... dat zulk een huis -- ik bedoel Last & Co., makelaars in koffie, 
Lauriergracht No 37 -- niet omzichtig genoeg wezen kon met het engageren 
van sujetten.

Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge 
Duitser, die op de beurs bij pilaar 17 stond, weggelopen is met de 
dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in 
september

... dat ik de eer had gehad van de heer Saffeler te vernemen -- Saffeler 
reist voor Stern -- dat de geachte chef der firma, de heer Ludwig Stern, 
een zoon had, de heer Ernest Stern, die ter volmaking zijner commercile 
kennis, enige tijd in een Hollands huis wenste gemploieerd te zijn. Dat 
ik met het oog op...

Hier herhaalde ik weer al die onzedelijkheid, en vertelde de 
geschiedenis der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart 
te maken ... nee, bekladden ligt nu juist helemaal niet in mijn manier! 
Maar... het kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me.

... dat ik met het oog drop, niets liever wenste dan de heer Ernest 
Stern belast te zien met de Duitse correspondentie van ons huis.

Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar 
ik voegde erbij:

Dat, indien de heer Ernest Stern het verblijf ten onzen huize -- 
Lauriergracht No 37 -- wilde voor lief nemen, mijn vrouw zich bereid 
verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zijn linnengoed in 
huis zou versteld worden.

Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En 
tenslotte:

Dat bij ons de Heer gediend werd.

Die kan hij in zijn zak steken, want de Sterns zijn luthers. En ik 
verzond mijn brief. Ge begrijpt dat de oude Stern niet goedschiks bij 
Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge bij ons aan 't kantoor 
is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord.

Om nu terug te komen op mijn boek. Voor enige tijd kom ik 's avonds door 
de Kalverstraat, en bleef staan kijken naar de winkel van een 
kruidenier, die zich bezighield met het sorteren van een partijtje Java, 
ordinair, mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel, dat me 
interesseerde, want ik let altijd op alles. Daar viel mij op eenmaal een 
heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend 
voorkwam. Hij scheen ook mij te herkennen, want onze blikken ontmoetten 
elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel, 
om terstond op te merken, wat ik namelijk later zag, dat hij vrij kaal 
in de kleren stak. Anders had ik de zaak daarbij gelaten. Maar opeens 
schoot mij de gedachte in, dat hij misschien reiziger was van een Duits 
huis, die een solide makelaar zocht. Hij had dan ook wel iets van een 
Duitser, en van een reiziger ook. Hij was zeer blond, had blauwe ogen, 
en in houding en kleding iets dat de vreemdeling verraadde. Inplaats van 
een behoorlijke winterjas, hing hem een soort van sjaal over de schouder 
Frits zegt shawl, maar dit doe ik niet -- alsof hij zo van de reis kwam. 
Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje: Last & Co., 
makelaars in koffie, Lauriergracht No 37. Hij hield het bij de gasvlam, 
en zei: `Ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het genoegen te 
hebben een oude schoolkameraad voor me te zien, maar... Last? Dit is de 
naam niet.' `Pardon,' zei ik -- want ik ben altijd beleefd -- `ik ben 
meneer Droogstoppel, Batavus Droogstoppel. Last en Co. is de firma, 
makelaars in koffie, Lauriergr...'

`Wel, Droogstoppel, kent ge mij niet meer? Zie mij eens goed aan.'

Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik mij herinnerde hem meer gezien te 
hebben. Maar, zonderling, zijn gelaat deed mij de uitwerking alsof ik 
vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien 
hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hij geen drup reukwerk bij zich 
droeg, en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me 
herinnerde aan ... daar had ik het!

`zijt gij het,' riep ik, `die mij van de Griek hebt verlost?' 
`Welzeker,' zei hij, `dat was ik. En hoe gaat het u?'

Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er 
zoveel bij ons omging. En toen vroeg ik hoe het hem ging, wat me later 
speet, want hij scheen niet in goede omstandigheden te verkeren, en ik 
houd niet van arme mensen, omdat er gewoonlijk eigen schuld onder loopt, 
daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik 
eenvoudig gezegd: `We zijn met ons dertienen en ... goeienavond 
verder!', dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en 
antwoorden werd het hoe langer hoe moeilijker -- Frits zegt: `Hoe langs 
zo moeilijker', maar dit doe ik niet -- hoe moeilijker dus, om van hem 
verlost te worden. Aan de andere kant moet ik ook weer erkennen dat ge 
dan dit boek niet hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die 
ontmoeting. Ik houd ervan, het goede op te merken, en wie dit niet doen, 
zijn ontevreden mensen die ik niet lijden kan.

Ja, ja, hij was het, die mij uit de handen van de Griek had verlost! 
Denk nu niet dat ik ooit door zeerovers ben genomen geweest, of dat ik 
twist heb gehad in de Levant. Ik heb u reeds gezegd dat ik na mijn 
trouwen, met mijn vrouw naar Den Haag ben gegaan. Daar hebben wij het 
Mauritshuis gezien, en flanel gekocht in de Venestraat. Dit is het enige 
uitstapje dat de zaken mij ooit hebben veroorloofd, omdat er zoveel bij 
ons omgaat. Nee, in Amsterdam zelf had hij om mijnentwil een Griek de 
neus aan 't bloeden geslagen. Want hij bemoeide zich altijd met dingen 
die hem niet aangingen.

Het was in drie- of vierendertig, geloof ik, en in september, want er 
was kermis in Amsterdam. Daar mijn oudelui van voornemen waren een 
predikant van mij te maken, leerde ik Latijn. Later heb ik mijzelf 
dikwijls afgevraagd, waarom men Latijn moet verstaan, om in 't Hollands 
te zeggen: `God is goed'. Genoeg, ik was op de Latijnse School -- nu 
zeggen ze gymnasium -- en daar was kermis... in Amsterdam, meen ik. Op 
de Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zijt, lezer, 
en nagenoeg van mijn leeftijd, zult ge u herinneren hoe daaronder n 
was, die uitmuntte door de zwarte ogen en de lange vlechten van een 
meisje, dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, 
of althans hij zag eruit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed.

Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel de 
moed te hebben haar aan te spreken. Dit zou mij ook weinig gebaat 
hebben, want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van 
zestien als een kind. En hierin hebben ze groot gelijk. Toch kwamen wij, 
jongens van quarta, altijd 's avonds op de Westermarkt om dat meisje te 
zien.

Nu was hij die daar voor me stond met zijn sjaal, eens daarbij, schoon 
hij een paar jaar jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig 
om naar de Griekin te kijken. Maar hij was de primus van onze klas want 
knap was hij, dit moet ik erkennen -- en hij hield veel van spelen, 
stoeien en vechten. Drom was hij bij ons. Terwijl we dus -- we waren 
wel met ons tienen -- vrij ver van de kraam af, naar die Griekin stonden 
te kijken, en beraadslaagden hoe wij 't moesten aanleggen om kennis met 
haar te maken, werd er besloten geld bijeen te leggen om iets in die 
kraam te kopen. Maar toen was goede raad duur, om te weten wie de stoute 
schoenen zou aantrekken om het meisje aan te spreken. Ieder wilde, maar 
niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op mij. Nu erken ik, dat 
ik niet gaarne gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die 
het gevaar zoekt, voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is mij 
inderdaad aangenaam op te merken hoe ik mij in mijn denkbeelden over 
gevaar en zulke dingen, gelijk ben gebleven, daar ik thans over zoiets 
nog juist dezelfde mening koester, als die avond toen ik daar bij de 
kraam van de Griek stond, met de twaalf stuivers die wc saamgelegd 
hadden, in de hand. Maar zie, uit valse schaamte durfde ik niet zeggen 
dat ik niet durfde, en bovendien, ik moest wel vooruit, want mijn 
makkers drongen me, en weldra stond ik voor de kraam.

Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor 
de ogen. Ik stamelde een aoristus primus van ik weet niet welk 
werkwoord...

`Plat-il?' zei zij.

Ik herstelde mij enigszins, en ging voort:

`Mnin aeide thea,' en... dat Egypte een geschenk van de Nijl was.

Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zijn, indien 
niet op dat ogenblik een mijner makkers uit kinderachtige baldadigheid 
mij een zo harde stoot in de rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen 
de uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzij van de kraam 
afsloot. Ik voelde een greep in mijn nek ... een tweede greep veel 
lager... ik zweefde een ogenblik ...en voor ik recht begreep hoe de 
zaken stonden, was ik in de kraam van de Griek, die in verstaanbaar 
Frans zei dat ik een gamin was, en dat hij de politie roepen zou. Nu was 
ik wel dicht bij het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik 
schreide, en bad om. genade, want ik zat vreselijk in angst. Maar het 
baatte niet. De Griek hield me bij de arm, en schopte mij. Ik zocht naar 
mijn makkers -- we hadden juist die morgen veel over Scaevola te doen 
gehad, die zijn hand in 't vuur stak, en in hun Latijnse opstellen 
hadden ze dit zo heel mooi gevonden -- jawel! Niemand was daar gebleven 
om voor mij een hand in 't vuur te steken ...

Zo meende ik. Maar zie, daar vloog opeens mijn Sjaalman door de 
achterdeur de kraam in. Hij was niet groot of sterk, en pas een jaar of 
dertien oud, maar hij was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zijn 
ogen flikkeren -- anders zagen ze flauw -- hij gaf de Griek een 
vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem 
duchtig geslagen heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te 
bemoeien met dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggelopen. Ik 
heb het dus niet gezien.

Ziedaar de reden waarom zijn trekken me zo aan reukwerk herinnerden, en 
hoe men in Amsterdam twist kan krijgen met een Griek. Als op latere 
kermissen die man weer met zijn kraam op de Westermarkt stond, ging ik 
mij altijd elders vermaken.

Daar ik veel van wijsgerige opmerkingen houd, moet ik u toch even 
zeggen, lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. 
Als de ogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze kor ter 
vlechten had gehad, of als men mij niet tegen die winkelkast had 
aangeworpen, zoudt ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit 
zo gebeurd is. Geloof me, alles in de wereld is goed, zo als het is, en 
ontevreden mensen die altijd klagen, zijn mijn vrienden niet. Daar hebt 
ge Busselinck & Waterman ... maar ik moet voortgaan, want mijn boek moet 
af voor de voorjaarsveiling.

Ronduit gezegd -- want ik houd van de waarheid -- was mij het weerzien 
van die persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen solide 
connectie was. Hij zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het 
was, wist hij 't niet. Dit zijn dingen, waar een mens op let, die zo'n 
twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zoveel heeft bijgewoond. Ik heb 
al wat huizen zien vallen!

Ik meende dat hij rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie, 
hij ging ook links, en ik kon dus niet vermijden in gesprek te treden. 
Maar ik bedacht gedurig dat hij niet wist hoe laat het was, en bespeurde 
bovendien dat zijn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt -- dat een 
zeer slecht merk is -- zodat ik de toon van ons onderhoud wat flauw 
blijven liet. Hij verhaalde mij dat hij in Indi was geweest, dat hij 
getrouwd was, dat hij kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond 
er niets belangrijks in. Bij de Kapelsteeg -- ik ga anders nooit door 
die steeg, omdat het voor een fatsoenlijk man niet staat, vind ik -- 
maar ditmaal wilde ik bij de Kapelsteeg rechtsaf slaan. Ik wachtte tot 
wij dat straatje bijna voorbij waren, om goed te doen blijken dat zijn 
weg rechtuit leidde, en toen zei ik zeer beleefd... want beleefd ben ik 
altijd, men kan nooit weten hoe men later iemand nodig heeft:

`Het was me bijzonder aangenaam u weer te zien, meneer ...r ...r! En ... 
en ... en ... ik recommandeer me! Ik moet hierin.'

Toen keek hij me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van 
mijn jas...

`Beste Droogstoppel,' zei hij, `ik heb u iets te vragen.'

Er ging mij een rilling door de leden. Hij wist niet hoe laat het was, 
en wilde mij iets vragen! Natuurlijk antwoordde ik dat ik geen tijd had, 
en naar de beurs moest, schoon het avond was. Maar als men zo'n twintig 
jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te 
weten hoe laat het is ...

Ik maakte mijn knoop los, groette heel beleefd -- want beleefd ben ik 
altijd -- en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het 
niet fatsoenlijk is, en fatsoen gaat mij boven alles. Ik hoop dat 
niemand het gezien heeft.


Derde hoofdstuk

Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand 
geweest was om mij te spreken. Naar de beschrijving was het de Sjaalman. 
Hoe hij me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik dacht erover, 
mijn kinderen van school te nemen, want het is lastig, nog twintig, 
dertig jaren later te worden nagezeten door een schoolkameraad die een 
sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. 
Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan, als er kramen 
staan. De volgende dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal u 
de brief laten lezen:

Waarde Droogstoppel!

Ik vind dat hij wel had kunnen zeggen: Weledele Heer Droogstoppel, omdat 
ik makelaar ben.

Ik ben gisteren ten uwent geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik 
geloof dat gij in goede omstandigheden verkeert...

Dit is waar: we zijn met ons dertienen op 't kantoor.

... en ik wenste gebruik te maken van uw krediet, om een zaak tot stand 
te brengen, die voor mij van groot gewicht is.

Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen 
was?

Door velerlei omstandigheden ben ik op 't ogenblik enigszins om geld 
verlegen.

Enigszins? Hij had geen hemd aan. Dat noemt hij enigszins!

Ik kan mijn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des 
levens nodig is, en ook de opvoeding mijner kinderen is, uit een 
geldelijk oogpunt, niet zoals ik wensen zou.

Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hij 
voor zijn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zijn kinderen op 
een instituut doen te Genve? 't Was najaar, en vrij koud ... welnu, hij 
woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik die brief ontving, wist ik 
dit niet, maar later ben ik bij hem geweest, en thans nog ben ik 
verstoord over de zotte toon van zijn geschrijf Wat drommel, wie arm is, 
kan zeggen dat hij arm is! Armen moeten er zijn, dit is nodig in de 
maatschappij, en 't is Gods wil. Als hij maar geen aalmoes vraagt, en 
niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niets tegen dat hij arm is, 
maar die opsiering van de zaak komt niet te pas. Luister verder:

Daar op mij de verplichting rust, in de behoeften der mijnen te 
voorzien, heb ik besloten een talent aan te wenden, dat, naar ik geloof, 
mij gegeven is. Ik ben dichter...

Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige mensen daarover denken.

... en schrijver. Sedert mijn kindsheid drukte ik mijn aandoeningen in 
verzen uit, en ook later schreef ik dagelijks neer wat er omging in mijn 
ziel. Ik geloof dat er onder dat alles enige opstellen zijn, die waarde 
hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist het 
moeilijke. Het publiek kent mij niet, en de uitgevers beoordelen de 
werken meer naar de gevestigde naam van de schrijver, dan naar de 
inhoud.

Juist zoals wij de koffie naar de renommee van de merken. Welzeker! Hoe 
anders?

Als ik dus mag aannemen dat mijn werk niet geheel zonder verdienste is, 
zou dat toch eerst na de uitgave blijken, en de boekhandelaars vragen de 
betaling van drukloon, enz. vooruit...

Daar hebben ze groot gelijk in.

... wat mij op dit ogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel overtuigd 
ben dat mijn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop mijn woord 
durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van 
voorgisteren...

Dat noemt hij aanmoedigen!

... tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor mij bij een 
boekhandelaar zoudt willen borg staan, voor de kosten ener eerste 
uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de keus 
van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat hiernevens gaat, 
zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien dat ik veel gedacht, 
gewerkt en bijgewoond heb...

Ik heb nooit gehoord dat hij zaken deed.

... en als de gaaf van wl zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is het 
gewis niet doorgebrek aan indrukken, dat ik niet slagen zou. In 
afwachting van een vriendelijk antwoord, noem ik mij uw oude 
schoolmakker...

En zijn naam stond eronder. Maar die verzwijg ik, omdat ik er niet van 
houd, iemand in opspraak te brengen.

Waarde lezer, ge begrijpt hoe gek ik stond te kijken, toen men mij daar 
zo opeens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die 
Sjaalman -- zo zal ik hem maar blijven noemen -- als de man me bij dag 
had gezien, zich met zulk een verzoek niet tot mij zou gewend hebben. 
Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avond, 
en ik trek het me dus niet aan.

Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het 
pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zijn adres niet, 
en hij liet niets van zich horen. Ik dacht dat hij ziek was, of dood, of 
zoiets.

De vorige week was er krans bij de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits 
was voor het eerst meegegaan. Hij is zestien jaar, en ik vind het goed 
dat een jongmens in de wereld komt. Anders loopt hij naar de Westermarkt 
of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen, en bij 't 
dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer scheen gebeurd 
te zijn, terwijl wij achter aan 't Gents whisten waren, iets waarin 
Frits betrokken scheen. `Ja, ja, Louise,' riep Betsy Rosemeyer, 
`geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan 't schreien gemaakt.'

Mijn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar de 
krans. Ze dacht dat hij Louise geknepen had, of zoiets wat niet te pas 
komt, en ook ik maakte mij gereed er een hartig woordje bij te voegen, 
toen Louise riep:

`Nee, nee, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hij 't nog eens deed!'

Wt dn? Hij had haar niet geknepen, hij had gereciteerd, daar hebt ge 
't.

Natuurlijk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een 
aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer -- de Rosemeyers 
laten zich mevrouw noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een 
schip hebben -- mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien 
had gemaakt, ook ns vermaken zou, en vroeg een da capo aan Frits, die 
zo rood zag als een kalkoen. Ik begreep om de wereld niet, wt hij dan 
toch opgesneden had, want ik kende zijn repertoire op een haar. Dat was: 
De godenbruiloft, De boeken van het Oude Testament op rijm, en een 
episode uit De bruiloft van Kamacho, dat de jongens altijd zo aardig 
vinden, omdat er iets van een `brillekiek' in komt. Wat er onder dit 
alles wezen kon dat tranen uitlokte, was mij een raadsel. 't Is waar, 
zo'n meisje schreit gauw.

`Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!' Zo ging het, en Frits begon. 
Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers 
nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze thuis het pak van 
Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een 
neuswijsheid el een sentimentaliteit geput, die me later veel last in 
huis gehaald hebben Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit 
dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlijk verantwoorden, 
want ik hecht eraan, dat men mij beschouwt als iemand die de waarheid 
lief heeft, en die goed voor zijn zaken is. Onze firma is Last & Co., 
Makelaars in koffie, Lauriergracht No 37.

Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aannhing. Nee 't hing 
niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was 
geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was -- waarin ze 
groot gelijk had, vind ik -- dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd 
veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of 
niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik 
heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was 
ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was me. 
die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het 
heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik, meende dat hij een 
groot stuk had uitgevoerd, dat hij 't ding in dat pak had gevonden val 
de man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heren uit, hoe dat in 
mijn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat Frits erbij 
was, en ook zei ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat ik heel goed 
ha gehandeld, me van die man af te helpen. Straks zult ge zien dat er 
ook andere dingen in dat pak waren van meer solide aard, en daarvan komt 
een en ander in dit boek, omdat de Koffieveilingen van de 
Handelmaatschappij ermee in verband staan. Want ik leef voor mijn vak.

Later vroeg mij de uitgever of ik hier niet bijvoegen wilde, wat Frits 
gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud 
met zulke dingen. Alles leugens en gekheid! Ik houd mijn aanmerkingen 
terug, anders wordt mijn boek te dik. Ik wil hier alleen bij zeggen, dat 
die vertelling zo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is, 
en dat dit een inferieur merk is. De koffie, meen ik.

Moeder, 'k ben wel ver van 't land

Waar me 't leven werd geschonken,

Waar mijn eerste tranen blonken,

Waar ik opwies aan uw hand ...

Waar uw moedertrouw der ziel

Van den knaap haar zorgen wijdde,

En hem liefdrijk stond terzijde,

En hem ophief als hij viel ...

Schijnbaar scheurde 't lot de banden

Die ons bonden, wreed vaneen ...

'k Sta hier wel aan vreemde stranden

Met mij zelf en God, alleen ...

Maar toch, moeder, wat me griefde,

Wat me vreugd gaf of verdriet,

Moeder, twijfel aan de liefde,

Aan het hart uws zoons toch niet!

't Is nog nauwlijks twee paar jaren

Toen ik 't laatst op gindsen grond

Zwijgend aan den oever stond

Om de toekomst in te staren ...

Toen ik 't schone tot mij riep

Dat ik van de toekomst wachtte,

En het heden stout verachtte,

En mij paradijzen schiep...

Toen, door alle stoornis heen

Die zich opdeed voor mijn schren,

't Hart zich koen een uitweg baande,

En zich dromend zalig waande ...

Maar die tijd, sinds 't laatst vaarwel

Hoe gezwind ook ons onttogen,

Onbevatbaar bliksemsnel,

Als een schim voorbijgevlogen ...

O, hij liet in 't voorwaartsgaan,

Diepe, diepe sporen staan!

'k Proefde vreugde en smart metn,

'k Heb gedacht en 'k heb gestreden,

'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden:

't Is me als vlogen eeuwen heen!

'k Heb naar levensheil gestreefd,

'k Heb gevonden en verloren,

En, een kind nog kort tevoren,

Jaren in n uur doorleefd!

Maar toch, moeder! wil 't geloven,

Bij den Hemel die mij ziet,

Moeder!, wil het toch geloven,

Neen, uw kind vergat u niet!

'k Minde een meisje. Heel mijn leven

Scheen mij door die liefde schoon.

'k Zag in haar een erekroon,

Als een eindloon van mijn streven,

Mij door God ten doel gegeven.

Zalig door de reine schat

Die Zijn zorg mij toegewogen,

Die Zijn gunst geschonken had,

Dankte ik met een traan in de ogen.

Liefde was met godsdienst n ...

En 't gemoed dat opgetogen,

Dankend opsteeg tot den Hogen,

Dankte en bad voor haar alleen!

Zorgen baarde mij die liefde,

Onrust kwelde mij het hart,

En ondraaglijk was de smart

Die mij 't week gemoed doorgriefde.

'k Heb slechts angst en leed gegaard,

Waar ik 't hoogst genot verwachtte,

En voor 't heil waarnaar ik trachtte,

Was me gif en wee bewaard ...

'k Vond genot in 't lijdend zwijgen!

'k Stond standvastig hopend daar,

Onspoed deed de prijs mij stijgen:

'k Droeg en leed zo graag voor haar!

'k Telde ramp noch onspoedsslagen,

Vreugde schiep ik in verdriet,

Alles, alles wilde ik dragen ...

Roofde 't lot mij haar slechts niet!

En dt beeld, mij 't schoonste op aarde,

Dat ik omdroeg in 't gemoed

Als een onwaardeerbaar goed,

En zo trouw in 't hart bewaarde ...

Vreemd was 't eenmaal aan mijn zinnen!

En al houdt die liefde stand

Tot de laatste snik van 't leven

Me in een beter vaderland

Eindlijk haar zal wedergeven ...

'k Had begonnen haar te minnen!

Wat is min die eens begon,

Bij de liefde mt het leven

't Kind door God in 't hart gedreven

Toen het nog niet staamlen kon?

Toen het aan de moederborst,

Nauw den moederschoot onttogen,

't Eerste vocht vond voor den dorst,

't Eerste licht in moederogen?

Neen, geen band die vaster bindt,

Vaster harten houdt omsloten,

Dan de band, door God gesloten

Tussen 't moederhart en 't kind!

En een hart, dat z zich hechtte

Aan het schoon dat even blonk,

Dat me niets dan doornen schonk,

En geen enkel bloempje vlechtte ...

Zou datzelfde hart de trouw

Van het moederhart vergeten?

En de liefde van de vrouw

Die mijn eerste kinderkreten

Opving in 't bezorgd gemoed?

Die mij, als ik weende, suste,

Traantjes van de wangen kuste,

Die mij voedde met haar bloed?

Moeder! wil het niet geloven,

Bij den hemel die mij ziet,

Moeder! wil het niet geloven,

Neen, uw kind vergat u niet!

'k Ben hier vr van wat het leven

Ginds ons zoets en schoons kan geven,

En 't genot van de eerste jeugd,

Vaak geroemd en hoog geprezen,

Kan wel hier mijn deel niet wezen:

't Eenzaam harte kent geen vreugd.

Steil en doomig zijn mijn paden,

Onspoed drukt me diep terneer,

En de last mij opgeladen

Knelt me, en doet het hart me zeer...

Laat het slechts mijn tranen tuigen,

Als zo menig moedloos uur

Me in den boezem der Natuur,

't Hoofd zo treurig neer doet buigen ...

Vaak, als mij de moed ontzonk,

Is de zucht me schier ontvloden:

`Vader! schenk me bij de doden,

Wat het leven mij niet schonk!

Vader! geef me aan gene zijde,

Als de mond des doods mij kust,

Vader! geef me aan gene zijde

Wat ik hier niet smaakte ... Rust!'

Maar, bestervend op mijn lippen,

Steeg de bee niet tot den Heer...

'k Boog wel bei mijn knien neer,

'k Voelde wel een zucht me ontglippen,

Maar het was: `Nog niet, o Heer!

Geef mij eerst mijn moeder weer!'


Vierde hoofdstuk

Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het 
is een aardig ventje. Hij schijnt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat 
hij schwrmt. Marie is dertien jaar. Zijn uitzet is heel netjes. Ik heb 
hem aan 't kopieboek gezet, om zich te oefenen in de Hollandse stijl. Ik 
ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie 
zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor de jonge Stern, meen 
ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevist. Een fatsoenlijk 
makelaar onderkruipt niet, dat zeg ik!

De dag na dat kransje bij de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik 
Frits, en gelastte hem mij dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet 
weten, lezer, dat ik in mijn gezin zeer stipt ben op godsdienst en 
zedelijkheid. Welnu, de vorige avond, juist toen ik mijn eerste peer had 
geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat 
vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding 
geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en 
dit was mij genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben, 
die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat 
fraaie stuk van de laatste avond voorleggen, en ik vond heel spoedig de 
regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken van 
een kind dat aan de borst van de moeder ligt -- dit kan er dr -- maar 
`dat ternauwernood aan de moederlijke schoot onttogen is'; zie, dit vond 
ik niet goed -- om daarover te spreken, meen ik -- en mijn vrouw ook 
niet. Marie is dertien jaar. Van kool of ooievaars wordt bij ons aan 
huis niet gesproken, ook niet van de Volewijk, maar z de zaken bij de 
naam te noemen, vind ik onbehoorlijk, omdat ik zo op zedelijkheid 
gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal `uitwendig wist' 
zoals Stern dit noemt, beloven dat hij 't nooit weer opzeggen zou -- 
althans niet voor hij lid van Doctrina wezen zal, omdat daar geen jonge 
meisjes komen -- en toen borg ik het in mijn lessenaar, het vers meen 
ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat aanstoot 
geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen kon ik 
niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie, daar 
viel mijn oog op een bundel: `Verslag over de Koffiecultuur in de 
Residentie Menado.'

Mijn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffie ben -- Lauriergracht No 
37 -- en Menado is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke 
onzedelijke verzen maakte, had ook in koffie gewerkt. Ik zag nu 't pak 
met een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle 
begreep, maar die werkelijk kennis van zaken aantoonden. Er waren 
staten, opgaven, berekeningen met cijfers, waaraan geen rijm te bekennen 
was, en alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, 
ronduit gezegd -- want ik houd van de waarheid -- op het denkbeeld kwam 
dat die Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel -- wat gebeuren kan, 
daar hij oud en stuntelig wordt -- heel goed diens plaats zou kunnen 
innemen. Het spreekt vanzelf dat ik eerst informatin nemen zou naar 
eerlijkheid, geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor 
ik daarvan zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gij hebt het 
gezien uit mijn brief aan Ludwig Stern.

Ik wilde voor Frits niet weten dat ik enig belang begon te stellen in de 
inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd mij inderdaad 
duizelig, toen ik zo de ene bundel vr, de andere na, opnam, en de 
opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik vond 
veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der 
behandelde onderwerpen. Ik erken -- want ik houd van de waarheid dat ik, 
die altijd in koffie gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles 
te beoordelen, maar, ook zonder deze beoordeling, de lijst der 
opschriften alleen was reeds curieus. Daar ik u de geschiedenis van de 
Griek verteld heb, weet ge reeds dat ik in mijn jeugd enigszins ben 
gelatiniseerd geworden, en hoezeer ik mij in correspondentie onthoud van 
alle citaten -- wat op een makelaarskantoor ook niet te pas komen zou -- 
dacht ik echter bij het zien van dat alles: multa, non multum. Of: de 
omnibus aliquid, de toto nihil. Maar dit was eigenlijk meer uit een 
soort van wrevel, en uit zekere aandrang om de geleerdheid die voor mij 
lag, in 't Latijn aan te spreken, dan wel omdat ik het precies meende. 
Want, waar ik 't een of ander stuk wat langer inzag, moest ik erkennen 
dat de schrijver me toescheen wel op de hoogte van zijn taak te staan, 
en zelfs dat hij een grote soliditeit in zijn redeneringen aan de dag 
legde.

Ik vond daar verhandelingen en opstellen:

Over het Sanskrit, als moeder van de Germaanse taaltakken. Over de 
strafbepalingen op kindermoord.

Over de oorsprong van de adel.

Over het verschil tussen de begrippen: Oneindige tijd en: Eeuwigheid. 
Over de kansrekening.

Over het boek van Job. (Ik vond nog iets over Job, maar dat waren 
verzen.)

Over protene in de atmosferische lucht. Over de staatkunde van Rusland.

Over de klinkletters.

Over cellulaire gevangenissen.

Over de oude stellingen omtrent het: horror vacui.

Over de wenselijkheid der afschaffing van strafbepalingen op laster.

Over de oorzaken van de opstand der Nederlanders tegen Spanje, niet 
liggende in de begeerte naar godsdienstige of staatkundige vrijheid.

Over het perpetuum mobile, de cirkel kwadratuur en de wortel van 
wortelloze getallen.

Over de zwaarte van het licht.

Over de achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des 
Christendoms. (H?)

Over de IJslandse mythologie.

Over de Emile van Rousseau.

Over de civiele rechtsvordering in zaken van koophandel. Over Sirius als 
middelpunt van een zonnestelsel.

Over inkomende rechten als ondoeltreffend, onkies, onrechtvaardig en 
onzedelijk. (Daarvan had ik nooit iets gehoord.)

Over verzen als oudste taal. (Dat geloof ik niet.) Over witte mieren.

Over het tegennatuurlijke van schoolinrichtingen.

Over de prostitutie in het huwelijk. (Dat is een schandelijk stuk.) Over 
hydraulische onderwerpen in verband met de rijstcultuur.

Over het schijnbaar overwicht der westerse beschaving.

Over kadaster, registratie en zegel.

Over kinderboekjes, fabels en sprookjes. (Dit wil ik wel eens lezen, 
omdat hij op waarheid aandringt.)

Over bemiddeling in de handel. (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik geloof 
dat hij de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch ter zijde 
gelegd, omdat er een en ander in voorkomt, dat ik gebruiken kan voor 
mijn boek.)

Over successierecht, een der beste belastingen.

Over de uitvinding der kuisheid. (Dit begrijp ik niet.)

Over vermenigvuldiging. (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er staat 
veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.)

Over zeker soort van geest der Fransen, een gevolg der armoede van hun 
taal. (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hij kan het 
weten.)

Over het verband tussen de romans van August Lafontaine en de tering. 
(Dit wil ik eens lezen, omdat er van die Lafontaine boeken op zolder 
liggen. Maar hij zegt, dat de invloed zich eerst openbaart in het tweede 
geslacht. Mijn grootvader las niet.)

Over de macht der Engelsen buiten Europa.

Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans.

Over de rekenkunde bij de Romeinen.

Over armoede aan pozie bij toonzetters.

Over pitisterij, biologie en tafeldans.

Over besmettelijke ziekten. Over de moorse bouwtrant.

Over de kracht der vooroordelen, blijkbaar uit ziekten die door tocht 
veroorzaakt heten te zijn. (Heb ik het niet gezegd, dat de lijst curieus 
was?)

Over de Duitse eenheid.

Over de lengte op zee. (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal wezen 
als op 't land.)

Over de plichten van de regering omtrent publieke vermakelijkheden.

Over de overeenstemming tussen de Schotse en Friese talen.

Over prosodie.

Over de schoonheid der vrouwen te Nmes en te Arles, met een onderzoek 
naar het stelsel van kolonisatie der Foenicirs.

Over landbouwcontracten op Java.

Over het zuigvermogen van een nieuw model pomp.

Over legitimiteit van dynastien.

Over de volksletterkunde in Javaanse rapsoden.

Over de nieuwe wijze van reven.

Over de percussie, toegepast op handgranaten. (Dit stuk dateert van 
1847, dus van vr Orsini.)

Over het begrip van eer.

Over de apocriefe boeken. 

Over de wetten van Solon, Lycurgus, Zoroaster en Confucius.

Over de ouderlijke macht.

Over Shakespeare als geschiedschrijver.

Over de slavernij in Europa. (Wat hij hiermee bedoelt, begrijp ik niet. 
Nu, zo is er meer!)

Over schroefwatermolens.

Over het soeverein recht van gratie.

Over de chemische bestanddelen der Ceylonse kaneel.

Over de tucht op koopvaardijschepen.

Over de opiumpacht op Java.

Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif 

Over het doorgraven der landengte van Suez, en de gevolgen daarvan.

Over de betaling van landrenten in natura.

Over de koffiecultuur te Menado. (Dit heb ik al genoemd.)

Over de scheuring van het Romeinse rijk.

Over de Gemtlichkeit der Duitsers.

Over de Skandinavische Edda.

Over de plicht van Frankrijk, om in de Indische archipel zich een 
tegenwicht tegen Engeland te verschaffen. (Dit was in 't Frans, ik weet 
niet waarom.)

Over het azijnmaken.

Over de verering van Schiller en Goethe in de Duitse middelstand.

Over de aanspraken van de mens op geluk.

Over het recht van opstand bij onderdrukking. (Dit was in 't Javaans. Ik 
ben die titel eerst later te weten gekomen.)

Over ministerile verantwoordelijkheid.

Over enige punten in de criminele rechtsvordering.

Over het recht van een volk, te eisen dat de opgebrachte belasting te 
zijnen behoeve wordt aangewend (Dat was weer in 't Javaans.)

Over de dubbele A en de Griekse ETA.

Over het bestaan van een onpersoonlijke God in de harten der mensen. 
(Een infame leugen!)

Over de stijl.

Over een constitutie voor het Rijk INSULINDE. (Ik heb nooit van dat rijk 
gehoord.)

Over het gebrek aan efelkustiek in onze taalregels.

Over pedanterie. (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken 
geschreven is.)

Over de verplichting van Europa aan de Portugezen.

Over bosgeluiden.

Over brandbaarheid van water. (Ik denk dat hij sterk water bedoelt.)

Over de melkzee. (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schijnt iets in de 
nabijheid van Banda te zijn.)

Over zieners en profeten.

Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week ijzer.

Over eb en vloed der beschaving.

Over epidemisch bederf in staathuishoudingen.

Over bevoorrechte handelmaatschappijen. (Hierin komt een en ander voor, 
dat ik nodig heb voor mijn boek.)

Over etymologie als hulpbron bij ethnologische studin.

Over de vogelnestklippen aan de Javase zuidkust.

Over de plaats waar de dag aanvangt. (Dit begrijp ik niet.)

Over persoonlijke begrippen als maatstaf der verantwoordelijkheid in de 
zedelijke wereld. (Bespottelijk! Hij zegt dat ieder zijn eigen rechter 
moet wezen. Waar zou dat heen?)

Over galanterie.

Over de versbouw der Hebreen.

Over de Century of inventions van de Markies van Worcester.

Over de niet-etende bevolking van het eiland Roti bij Timor. (Het moet 
daar goedkoop leven zijn.)

Over het menseneten der Bataks, en het koppensnellen der Alfoeren.

Over het wantrouwen op de publieke zedelijkheid (Hij wil, geloof ik, de 
slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.)

Over het recht en de rechten.

Over Branger als wijsgeer. (Dit begrijp ik weer niet.)

Over de afkeer der Maleiers van de Javaan.

Over de onwaarde van het onderwijs op de zogenaamde hogescholen.

Over de liefdeloze geest onzer voorouders, blijkbaar uit hun begrippen 
omtrent God. (Alweer een goddeloos stuk!)

Over de samenhang der zintuigen. ('t Is waar, toen ik hem zag, rook ik 
rozenolie.)

Over de puntwortel van de koffieboom. (Dit heb ik terzij gelegd voor 
mijn boek.)

Over gevoel, gevoeligheid, sensiblerie, Empfindelei,enz.

Over het verwarren van mythologie en godsdienst.

Over de sagoeweer in de Molukken.

Over de toekomst van de Nederlandse handel. (Dit is eigenlijk 't stuk 
dat me bewogen heeft, mijn boek te schrijven. Hij zegt dat er niet 
altijd zulke grote koffieveilingen zullen gehouden worden, en ik leef 
voor mijn vak.)

Over Genesis. (Een infaam stuk!)

Over de geheime genootschappen der Chinezen.

Over het tekenen als natuurlijk schrift. (Hij zegt dat een pasgeboren 
kind tekenen kan!)

Over waarheid in pozie. (Welzeker!)

Over de impopulariteit der rijstpelmolens op Java.

Over het verband tussen pozie en mathematische wetenschappen.

Over de wajangs der Chinezen.

Over de prijs van de Java-koffie. (Dit heb ik terzij gelegd.) 

Over een Europees muntstelsel.

Over besproeiing van gemene velden.

Over de invloed van de vermenging van rassen op de geest.

Over evenwicht in de handel. (Hij spreekt daarin van wisselagio. Ik heb 
het terzij gelegd voor mijn boek.)

Over het standhouden van Aziatische gewoonten. (Hij beweert dat Jezus 
een tulband droeg.)

Over de denkbeelden van Malthus omtrent het cijfer der bevolking in 
verband met de onderhoudsmiddelen

Over de oorspronkelijke bevolking van Amerika.

Over de havenhoofden te Batavia, Semarang en Soerabaja.

Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden.

Over de verhouding der Europese ambtenaren tot de regenten op 
Java.(Hiervan komt een en ander in mijn boek.)

Over het wonen in kelders te Amsterdam.

Over de kracht der dwaling.

Over de werkeloosheid van een Opperwezen bij volmaakte natuurwetten. 
Over het zoutmonopolie op Java.

Over de wormen in de sagopalm. (Die worden, zegt hij, gegeten ... bah!)

Over de Spreuken, de Prediker, het Hooglied, en de pantoens der Javanen.

Over het jus primi occupantis.

Over de armoede der schilderkunst.

Over de onzedelijkheid van het hengelen. (Wie heeft ooit daarvan 
gehoord?)

Over de misdaden der Europeers buiten Europa.

Over de wapenen der zwakkere diersoorten.

Over het jus talionis. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een gedicht 
voor, dat ik zeker allerschandelijkst zou gevonden hebben, als ik 't 
uitgelezen had.)

En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken er 
waren er in velerlei talen -- een aantal bundeltjes waaraan het 
opschrift ontbrak, romancen in het Maleis, krijgszangen in het Javaans, 
en wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan vele in talen die ik niet 
verstond. Sommige waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts 
afschriften, doch hij scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles 
was door andere personen getekend voor: gelijkluidend met het 
oorspronkelijke. Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, 
aantekeningen en losse gedachten ... sommige werkelijk heel los.

Ik had, zoals ik reeds zei, enige stukken terzij gelegd, omdat ze mij 
toeschenen in mijn vak te pas te komen, en voor mijn vak leef ik. Maar 
ik moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak 
terugzenden, kon ik niet, want ik wist niet waar hij woonde. Het was nu 
eenmaal open. Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou 
ik ook niet gedaan hebben, omdat ik zo van de waarheid houd. Ook gelukte 
't me niet het weer z te sluiten dat er van 't openen niets blijken 
kon. Bovendien mag ik niet ontveinzen dat enige stukken die over koffie 
handelden, mij belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik 
maken zou. Ik las dagelijks hier en daar enige bladzijden, en ik kwam 
hoe langer hoe meer -- Frits zegt: hoe langs zo meer maar dit doe ik 
niet -- hoe meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffie 
moet wezen, om z juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik 
ben overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit ziets onder 
de ogen hebben gehad.

Nu vreesde ik dat die Sjaalman opeens weer voor me zou staan, en dat hij 
me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spijten dat ik die 
avond de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit de 
fatsoenlijke weg verlaten moet. Natuurlijk had hij mij om geld gevraagd, 
en van zijn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hij 
mij dan de volgende dag die massa schrijverij had toegezonden, ware het 
mijn wettig eigendom geweest. Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden 
van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik nodig had voor 
mijn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik 
nu niet doen kon. Want als hij terugkwam, zou ik het moeten leveren, en 
hij, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zijn hand, zou 
zeker teveel daarvoor vorderen. Niets geeft de verkoper meer overwicht, 
dan de ontdekking dat de koper om zijn waar verlegen is. Zulk een 
positie wordt dan ook door een koopman die zijn vak verstaat, zoveel 
mogelijk vermeden.

Een ander denkbeeld -- ik sprak er reeds van -- dat bewijzen moge hoe 
ontvankelijk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor 
menslievende indrukken, was dit. Bastiaans -- dit is de derde bediende 
die zo oud en stuntelig wordt -- was de laatste tijd van de dertig dagen 
zeker geen vijfentwintig binnen geweest, en ls hij aan 't kantoor komt, 
doet hij nog dikwijls zijn werk slecht. Als eerlijk man ben ik tegenover 
de firma -- Last & Co., sedert de Meyers er uit zijn -- verplicht te 
zorgen dat ieder zijn werk doe, en ik mag niet uit verkeerd begrepen 
medelijden of overgevoeligheid, het geld van de firma wegwerpen. Zo is 
mijn principe. Ik geef liever die Bastiaans uit mijn eigen zak een drie 
gulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars uit te 
betalen die hij niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man 
sedert vierendertig jaren, aan inkomen -- zo van Last & Co., als vroeger 
van Last & Meyer, maar de Meyers zijn er uit -- de som van bijna 
vijftienduizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een 
aardig sommetje. Er zijn er weinig in die stand, die zoveel bezitten. 
Recht tot klagen heeft hij dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen 
door dat stuk van Sjaalman over de multiplicatie.

Die Sjaalman schrijft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hij zag er 
armoedig uit, en wist niet hoe laat het was ... Hoe zou 't wezen, dacht 
ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval 
zeggen dat hij mij `meneer' moest noemen, maar dit zou hij zelfwel 
begrijpen, want een bediende kan toch zijn patroon niet bij de naam 
aanspreken, en hij ware misschien voor zijn leven geholpen. Hij zou 
kunnen beginnen met vier- of vijfhonderd gulden -- onze Bastiaans heeft 
ook lang gewerkt voor hij tot zevenhonderd opklom -- en ik had een goede 
daad gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hij wel kunnen beginnen, 
want daar hij nooit in zaken geweest is, zou hij de eerste jaren als 
leertijd kunnen beschouwen, wat dan ook billijk is, want hij kan zich 
niet gelijk stellen met mensen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat 
hij met tweehonderd gulden tevreden zou zijn. Maar ik was niet gerust 
over zijn gedrag ... hij had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet 
waar hij woonde.

Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een 
boekverkoping geweest in Het Wapen van Bern.` Ik had Frits verboden iets 
te kopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met enige prullen 
thuis. Dit is zijn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hij Sjaalman 
gezien had, die bij de verkoping gemploieerd scheen. Hij had de boeken 
uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven naar de 
afslager. Frits zei dat hij zeer bleek zag, en dat een heer die daar het 
opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hij een paar jaargangen 
van de Aglaia had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig vind, want 
dit is een allerliefste verzameling van dameshandwerken. Marie heeft het 
samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit...uit de 
Aglaia meen ik. Maar onder dat kijven had Frits gehoord dat hij vijftien 
stuivers daags verdiende. `Denk je dat ik van plan ben vijftien stuivers 
daags aan jou weg te gooien?' had die heer gezegd. Ik rekende uit, dat 
vijftien stuivers daags -- ik denk dat de zon- en feestdagen niet 
meetellen, anders had hij een maand- of jaargeld genoemd -- 
tweehonderdvijfentwintig gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in mijn 
besluiten -- als men zo lang in zaken is, weet men altijd terstond wat 
men te doen heeft -- en de volgende morgen vroeg was ik bij Gaafzuiger. 
Zo heet de boekhandelaar die de verkoping gehouden had. Ik vroeg naar de 
man die de Aglaia had laten vallen.

`Die heeft zijn cong,' zei Gaafzuiger. Hij was lui, pedant en 
ziekelijk. Ik kocht een doosje ouwels, en besloot terstond het met onze 
Bastiaans nog wat aan te zien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man 
zo op straat te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, 
is altijd mijn principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te 
vernemen wat te pas kan komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan 
Gaafzuiger waar die Sjaalman woonde. Hij gaf mij 't adres, en ik schreef 
het op. Ik peinsde gedurig over mijn boek, maar daar ik van waarheid 
houd, moet ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou 
aanleggen. En ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalmans pak 
gevonden had, waren belangrijk voor de makelaars in koffie. De vraag was 
maar, hoe ik handelen moest om die bouwstoffen behoorlijk te schiften en 
bijeen te brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede 
sortering der kavelingen is.

Maar... schrijven -- buiten de correspondentie met de principalen -- 
ligt zo niet in mijn kring, en toch voelde ik dat ik schrijven moest, 
omdat misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtingen 
die ik in de bundels van Sjaalman vond, zijn niet van die aard, dat Last 
& Co. het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zo ware, 
begrijpt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken 
dat Busselinck & Waterman ook te lezen krijgen, want wie een concurrent 
op de weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Nee, ik 
zag in dat er een gevaar dreigt, dat de hele koffiemarkt bederven zou, 
een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan 
worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelijk dat deze krachten daartoe niet 
eens voldoende zijn, en dat ook de suikerraffinadeurs -- Frits zegt: 
raffineurs, maar ik schrijf nadeurs. Dit doen de Rosemeyers ook, en die 
doen in suiker. Ik weet wel dat men zegt: geraffineerde schelm, en niet: 
geraffinadeerde schelm, maar dit is omdat ieder die met schelmen te doen 
heeft, zich zo kort mogelijk van de zaak afhelpt -- dat ook de 
raffinadeurs dan, en de handelaren in indigo er bij nodig zullen wezen.

Als ik zo al schrijvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de 
scheepsrederijen er enigszins in betrokken zijn, en de koopvaardijvloot 
... zeker, dit is waar! En de zeilenmakers ook, en de minister van 
financin, en de armbesturen, en de andere ministers, en de 
pasteibakkers, en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de 
scheepsbouwmeesters, en de groothandelaars, en die in 't klein verkopen, 
en de huisbewaarders, en de tuinlui.

En -- zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schrijven in iemand 
opkomen -- mijn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees, en hen 
die Hollowaypillen verkopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, 
en de mensen die van staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de 
touwslagers, en de wevers, en de slachters, en de klerken op een 
makelaarskantoor, en de aandeelhouders van de Nederlandsche Handel-
Maatschappij, en eigenlijk, wel beschouwd, alle anderen ook.

En de Koning ook ... ja, de Koning vooral!

Mijn boek moet de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan 
Busselinck & Waterman het ook te lezen krijgen ... afgunst is mijn zaak 
niet. Maar knoeiers en onderkruipers zijn ze, dit zeg ik! Ik heb 't 
vandaag nog aan de jonge Stern gezegd, toen ik hem in Artis 
introduceerde. Hij mag 't gerust schrijven aan zijn vader.

Zo zat ik dan voor een paar dagen nog vreselijk in de brand met mijn 
boek, en zie, Frits heeft mij op de weg geholpen. Ik heb dit hem zelf 
niet gezegd, omdat ik niet goedvind, iemand te laten merken dat men 
verplichting aan hem heeft -- dit is een principe van me -- maar waar is 
het. Hij zei dat Stern zo'n knappe jongen was, dat hij zulke snelle 
vorderingen in de taal maakte, en dat hij Duitse verzen van Sjaalman in 
't Hollands vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in mijn huis: 
de Hollander had in 't Duits geschreven, en de Duitser vertaalde in 't 
Hollands. Als ieder zich bij zijn eigen taal had gehouden, zou er moeite 
gespaard zijn. Maar, dacht ik, als ik mijn boek door die Stern schrijven 
liet? Als ik er wat bij te voegen heb, schrijf ik zelf van tijd tot tijd 
een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hij heeft een lijstje van woorden 
die met twee e's geschreven worden, en Marie kan alles in 't net 
schrijven. Dit is meteen voor de lezer een waarborg tegen alle 
onzedelijkheid. Want dit begrijpt ge toch, dat een fatsoenlijk makelaar 
aan zijn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met zeden 
en fatsoen.

Ik heb toen de beide jongens over mijn plan gesproken, en ze vonden het 
goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich heeft 
-- zoals veel Duitsers -- stem te willen hebben in de wijze van 
uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de 
voorjaarsveiling ophanden is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders 
heb, wilde ik hem niet te sterk contrariren. Hij zei dat, als de borst 
hem gloeide van gevoel voor het ware en schone, geen macht ter wereld 
hem beletten kon de tonen aan te slaan, die met zulk een gevoel 
overeenstemmen, en dat hij veel liever zweeg, dan zijn woorden omklemd 
te zien door de onterende kluisters der alledaagsheid. -- Frits zegt: 
schheid, maar dit doe ik niet. 't Woord is lang genoeg zo. -- Ik vond 
dit nu wel heel gek van Stern, maar mijn vak gaat me vr alles, en de 
Oude is een goed huis. We stelden dus vast:

1. Dat hij alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor mijn boek.

2. Dat ik in zijn geschrijf niets zou veranderen.

3. Dat Frits de taalfouten verbeteren zou.

4. Dat ik nu en dan een hoofdstuk schrijven zou, om aan 't boek een 
solide voorkomen te geven.

5. Dat de titel zou wezen: De koffieveilingen der Nederlandsche Handel-
Maatschappij.

6. Dat Marie het net-afschrift zou maken voor de druk, maar dat men 
geduld met haar hebben zou, als de was kwam.

7. Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op de krans zouden worden 
voorgelezen.

8. Dat alle onzedelijkheid zou worden vermeden.

9. Dat mijn naam niet op de titel zou staan, omdat ik makelaar ben. o. 
Dat Stern een Duitse, een Franse, en een Engelse vertaling van mijn boek 
zou mogen uitgeven, omdat -- zo beweerde hij -- zulke werken beter in 't 
buitenland worden begrepen dan bij ons.

11. (Hierop drong Stern zeer sterk aan.) Dat ik Sjaalman een riem 
papier, een gros pennen, en een kruikje inkt zenden zou.

Ik nam met alles genoegen, want er was grote haast bij mijn boek. Stern 
had de volgende dag zijn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar, lezer, de 
vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffie -- Last & Co., 
Lauriergracht No 37 -- een boek schrijft, dat op een roman gelijkt.

Nauwelijks echter was Stern aan zijn werk begonnen, of hij stuitte op 
moeilijkheden. Buiten de zwarigheid om uit zoveel bouwstoffen het nodige 
uit te zoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de handschriften 
woorden en uitdrukkingen voor, die hij niet begreep, en die ook mij 
vreemd waren. Het was meestal Javaans of Maleis. Ook waren hier en daar 
verkortingen aangebracht, die moeilijk te ontcijferen waren. Ik zag in, 
dat we Sjaalman nodig hadden, en daar ik het voor een jong mens niet 
goed vind, dat hij verkeerde connectin aanknoopt, wilde ik noch Stern 
noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat overgebleven was 
van de laatste kransavond -- want ik denk altijd aan alles -- en ik 
zocht hem op. Schitterend was zijn verblijf niet, maar de gelijkheid 
voor alle mensen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een hersenschim. 
Hijzelf had dit gezegd in zijn verhandeling over de aanspraken op geluk. 
Bovendien, ik houd niet van mensen die altijd ontevreden zijn.

Het was in de Lange Leidsedwarsstraat, op een achterkamer. In 't 
onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes, 
schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en 
zoal meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zo'n geval vorderen 
de mensen altijd meer geld voor de zaken, dan ze waard zijn. Een klein 
meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of meneer 
Sjaalman daar woonde. Ze liep weg, en de moeder kwam.

`Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 't eerste 
pertaal, en dan de trap na 't tweede pertaal, en dan nog 'n trap, en dan 
is uwee-d'r, want uwee komt er vanzelf Mijntje, ga 's eefe segge datter 
'n heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?'

Ik zei dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie, van de 
Lauriergracht, maar dat ik me zelf wel zou aandienen. Ik klom zo hoog 
als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen: 
strakjes komt vader, die zoete papa. Ik klopte, en de deur werd geopend 
door een vrouw of dame -- ik weet zelf niet recht wat ik van haar maken 
moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van vermoeidheid, 
en deden me denken aan mijn vrouw als de was beredderd is. Ze was 
gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar tot de 
knien hing, en aan de voorzijde met een zwart speldje was vastgemaakt. 
Inplaats van een behoorlijke japon of rok, droeg ze daaronder een stuk 
donker gebloemd lijnwaad, dat enige malen om het lijf gewikkeld scheen, 
en haar heupen en knien vrij nauw omsloot. Er was geen spoor van 
plooien, wijdte of omvang, zoals dit bij een vrouw toch behoort. Ik was 
blij dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleding kwam me zeer 
onkies voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd door de losheid 
waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zo. Het mens scheen 
volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als andere vrouwen. Ook 
kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was over mijn komst. Ze 
verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen niet, en deed niets 
van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling komt van een deftig 
voorkomen.

Ze had, als een Chinese, de haren achterover gekamd, en die achter het 
hoofd in een soort strik of knoop saamgebonden. Later heb ik vernomen 
dat haar kleding een soort van Indische dracht is, die ze daar te lande 
sarong en kabaai noemen, maar ik vond het heel lelijk.

`Is u juffrouw Sjaalman?' vroeg ik.

`Wie heb ik de eer te spreken?' zei zij, en wel op een toon waarin iets 
lag, alsof ook ik wat eer had moeten brengen in mijn vraag.

Nu, van complimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders, 
en ik ben te lang bij de zaken, om mijn wereld niet te kennen. Maar om 
daar veel omslag te verkopen op een derde verdieping, vond ik niet 
nodig. Ik zei dus kortaf, dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in 
koffie, Lauriergracht No 37, en dat ik haar man spreken wilde. Welja, 
waarom zou ik omslag maken?

Ze wees mij een matten stoeltje aan, en nam een klein meisje op de 
schoot, dat op de grond zat te spelen. De kleine jongen die ik had horen 
zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de voeten. Die 
scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van een jaar of 
zes, ook al vreemd gekleed. Zijn wijd broekje reikte ternauwernood tot 
de helft van de dij, en de beentjes waren bloot van daar tot aan de 
enkel. Heel indecent, vind ik. `Kom je om papa te spreken?' vroeg hij 
opeens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van dat knaapje veel te 
wensen overliet, anders had hij: `Komt u' gezegd. Maar omdat ik met mijn 
houding verlegen was, en wel wat praten wilde, antwoordde ik:

`Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hij spoedig komen, denk 
je?'

`Dat weet ik niet. Hij is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te 
kopen.' (Frits zegt: verwdoos, maar dit doe ik niet. Verf is verf, en 
geen verw.)

`Stil, mijn jongen,' zei de vrouw. `Speel wat met je prenten, of met de 
Chinese speeldoos.'

`Je weet immers dat die meneer gister alles heeft meegenomen.'

Ook zijn moeder noemde hij: je, en er scheen een `heer' geweest te zijn, 
die alles `meegenomen had' ... een vrolijk bezoek! De vrouw scheen ook 
niet opgeruimd, want tersluiks wiste zij haar oog af, terwijl zij 't 
kleine meisje bij haar broertje bracht. `Dr,' zei zij, `speel wat met 
Nonni.' Een rare naam. En dit deed hij.

`Wel juffrouw,' vroeg ik, `verwacht u spoedig uw man?' `Ik kan 't niet 
bepalen,' antwoordde zij.

Daar liet opeens de kleine jongen, die met zijn zusje schuitjevaren 
gespeeld had, deze in de steek, en vroeg mij:

`Meneer, waarom zeg je tegen mama: juffrouw?'

`Hoe dan, kereltje,' zei ik, `wat moet ik dan zeggen?'

`Wel ... zoals andere mensen. De juffrouw is beneden. Ze verkoopt 
schotels en priktollen.'

Nu ben ik makelaar in koffie -- Last & Co., Lauriergracht No 37 -- we 
zijn met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen 
salaris ontvangt, zijn er veertien. Welnu, mijn vrouw is: juffrouw, en 
moest ik nu tegen dt mens: mevrouw zeggen? Dit ging toch niet! leder 
moet in zijn stand blijven, en wat meer is, gister hadden de 
deurwaarders de boel weggehaald. Ik vond mijn: juffrouw dus wl, en 
bleef erbij.

Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet bij mij had aangemeld om zijn pak 
terug te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zij op reis waren 
geweest, en wel naar Brussel. Dat hij daar voor de Indpendance gewerkt 
had, maar dat hij er niet had kunnen blijven, omdat zijn artikels 
oorzaak waren dat het blad aan de Franse grenzen zo dikwijls werd 
afgewezen. Dat ze sedert enige dagen in Amsterdam teruggekeerd waren, 
omdat Sjaalman hier een betrekking zou krijgen ...

`Zeker bij Gaafzuiger?' vroeg ik.

Ja, dat was het! Maar dat was tegengelopen, zei zij. Nu, hiervan wist ik 
meer dan zijzelf. Hij had de Aglaia laten vallen, en was lui, pedant en 
ziekelijk ... precies, daarom was hij weggejaagd.

En, ging ze voort, dat hij zeker dezer dagen bij mij komen zou, en 
misschien wel juist naar mij toe was, om antwoord te vragen op 't 
verzoek dat hij mij gedaan had.

Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hij niet moest 
schellen, want dit is zo lastig voor de meid. Als hij wat wachtte, zei 
ik, zou de deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging 
ik heen, en nam mijn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het 
beviel me daar niet. Ik voelde me niet op mijn gemak. Een makelaar is 
toch geen kruier, dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlijk uitzie. 
Ik had mijn jas met bont aan, en toch zat ze daar zo eenvoudig, en 
praatte zo kalm met haar kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien, ze 
scheen geschreid te hebben, en ontevreden mensen kan ik niet verdragen. 
Ook was 't er koud en ongezellig -- zeker omdat de boel weggehaald was 
en ik houd veel van gezelligheid in een kamer. Onder het naar huis gaan 
besloot ik het met Bastiaans nog eens aan te zien, omdat ik niet gaarne 
iemand op straat zet.

Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in 
voorkomt, dat mij niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel twee, 
en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de 
hoogte steken, omdat hij een oom heeft te Hamburg, die in suiker doet.

Sjaalman was er inderdaad geweest. Hij had Stern gesproken, en aan deze 
enige woorden en zaken uitgelegd, die hij niet begreep. Die Stern niet 
begreep, meen ik. Ik verzoek nu de lezer de volgende hoofdstukken door 
te bijten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solide aard, van 
mij, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffie: Last & Co., Lauriergracht 
No 37.


Vijfde hoofdstuk

Er was des morgens te tien uur een ongewone beweging op de grote weg die 
de afdeling Pandeglang verbindt met Lebak. `Grote weg' is misschien wat 
veel gezegd voor 't brede voetpad dat men, uit beleefdheid en bij gebrek 
aan beter, de `weg' noemde. Maar als men met een vierspannig rijtuig 
vertrok van Serang, de hoofdplaats der residentie Bantam, met het 
voornemen zich te begeven naar Rangkas-Betoeng, de nieuwe hoofdplaats 
van 't Lebakse, kon men nagenoeg zeker zijn, te eniger tijd daar aan te 
komen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in de modder, 
die in de Bantamse laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was men 
telkens genoodzaakt de hulp in te roepen van de bewoners der 
naastbijgelegen dorpen -- ook al waren ze niet zr nabij, want de 
dorpen zijn niet menigvuldig in die streken -- maar als men er dan 
eindelijk in geslaagd was, een twintigtal landbouwers uit de omtrek 
bijeen te krijgen, duurde het gewoonlijk niet zeer lang, voor men 
paarden en wagen weer op vaste grond had gebracht. De koetsier klapte 
met de zweep, de lopers -- in Europa zou men, geloof ik, zeggen 
`palfreniers', of liever, er bestaat in Europa niets wat met deze lopers 
overeenkomt -- die onvergelijkbare lopers dan, met hun korte dikke 
zweepjes, huppelden weer aan de zijde van het vierspan, kresen 
onbeschrijflijke geluiden, en sloegen de paarden ter aanmoediging onder 
de buik. Zo hoste men dan enige tijd voort, tot het verdrietig ogenblik 
weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in de modder. Dan begon 
het geroep om hulp opnieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en 
... sukkelde verder.

Dikwijls, als ik die weg langsging, was 't mij als zou ik hier of daar 
een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in de modder 
gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik 
veronderstel dus dat allen die ooit deze weg langskwamen, eindelijk zijn 
aangeland waar ze wezen wilden.

Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van de gehele grote weg op 
Java een denkbeeld vormde naar de maatstaf van die weg in 't Lebakse. De 
eigenlijke heirbaan met zijn vele zijtakken, die de maarschalk Daendels 
met grote opoffering van volk deed aanleggen is inderdaad een prachtig 
stuk werk, en men staat verbaasd over de geestkracht van de man die, 
ondanks alle bezwaren welke zijn benijders en tegenstanders in 't 
moederland hem in de weg legden, de onwil der bevolking en de 
ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets tot stand te brengen, 
dat thans nog de bewondering van iedere bezoeker opwekt en verdient.

Geen paardenposterij dan ook in Europa -- zelfs niet in Engeland, 
Rusland of Hongarije -- kan met die op Java worden gelijkgesteld. Over 
hoge bergruggen, langs diepten die u doen ijzen, vliegt de zwaar bepakte 
reiswagen in n galop voort. De koetsier zit als op de bok genageld, 
uren, ja, ganse dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met ijzeren 
arm. Hij weet juist te berekenen waar en hoeveel hij de hollende paarden 
moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan die 
hoek ...

`Mijn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond,' gilt de onervaren 
reiziger, `daar is geen weg ... daar is de diepte!'

Ja, zo schijnt het. De weg kromt zich, en juist als n galopsprong 
verder, vaste grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de 
paarden, en slingeren het voertuig de hoek om. Ze vliegen de berghoogte 
op, die ge een ogenblik vroeger niet zaagt, en ... de afgrond ligt 
achter u.

Er zijn, bij zulke gelegenheid, ogenblikken dat de wagen alleen rust op 
de raderen aan de buitenzijde van de boog die ge beschrijft: de 
middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van de grond geheven. 
Er behoort koelbloedigheid toe, de ogen niet te sluiten, en wie voor 't 
eerst op Java reist, schrijft aan zijn familie in Europa, dat hij in 
levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er thuisbehoort, lacht om die 
angst.

Het is mijn doel niet, vooral niet in het begin van mijn vertelling, de 
lezer lang bezig te houden met het beschrijven van plaatsen, 
landschappen of gebouwen. Ik vrees te zeer hem af te schrikken door wat 
zwemen zou naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hij 
voor mij gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van 
de heldin die ergens van 't balkon ener vierde verdieping springt, hem 
belang inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der 
zwaartekracht, haar zweven tussen hemel en aarde, tot ik mijn hart heb 
lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het 
landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schijnt geplaatst te zijn om 
een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzijdig vertoog over 
middeleeuwse architectuur. Al die kastelen gelijken op elkaar. 
Onveranderlijk zijn ze van heterogene bouworde. Het corps de logis 
dagtekent altijd van enige regeringen vroeger dan de aanhechtsels die 
onder deze of gene latere koning daarbij zijn gevoegd. De torens zijn in 
vervallen staat...

Waarde lezer, er zijn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een 
droom, een ideaal, een verzinsel, onverdragelijke grootspraak! Er zijn 
halve torens, en... torentjes.

De geestdrijverij die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die 
opgericht werden ter ere van deze of gene heilige, duurde niet lang 
genoeg om ze te voleinden, en de spits die de gelovigen naar de hemel 
moet wijzen, rust, gewoonlijk een paar omgangen te laag, op de massieve 
basis, 'tgeen denken doet aan de man zonder dijen op de kermis. Alleen 
torentjes, kleine naaldjes op dorpskerken, zijn afgewerkt.

Het is waarlijk niet vleiend voor de westerse beschaving, dat zelden het 
denkbeeld om een groot werk tot stand te brengen, zich lang genoeg heeft 
kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu niet van 
ondernemingen welker afwerking nodig was om de kosten te dekken. Wie 
juist weten wil wat ik bedoel, ga de Dom te Keulen zien. Hij geve zich 
rekenschap van de grootse opvatting van dat gebouw, in de ziel des 
bouwmeesters Gerhard von Riehl ... van 't geloof in de harten des volks, 
dat hem in staat stelde dat werk aan te vangen en voort te zetten ... 
van de invloed der denkbeelden die zulk een kolos nodig hadden om als 
zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig gevoel 
... en hij vergelijke deze overspanning met de richting, die enige 
eeuwen later het ogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk 
staakte...

Er ligt een diepe kloof tussen Erwin von Steinbach en onze bouwmeesters! 
Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te 
Keulen bouwt men weer aan de Dom. Maar zal men de afgebroken draad weer 
kunnen aanhechten? Zal men terugvinden in onze dagen, wat toen de kracht 
uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te 
bekomen zijn, en hiervoor is steen en kalk te koop. Men kan de 
kunstenaar betalen, die een plan ontwerpt, en de metselaar die de stenen 
legt. Maar niet voor geld te koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig 
gevoel dat in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van 
graniet, dat luid sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat daar 
stond als een onbeweeglijk voortdurend eeuwig gebed.

Op de grens tussen Lebak en Pandeglang dan, was op zekere morgen een 
ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten de weg, en 
duizend mensen voor 't minst -- wat veel was voor die plek -- liepen in 
bedrijvig wachten heen en weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en 
de districtshoofden uit het Lebakse, allen met hun gevolg, en te 
oordelen naar de schone bastaard-arabier die in zijn rijk tuig op de 
zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hogere rang op deze 
plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De regent van Lebak, Raden 
Adipati Karta Nata Negara, had met groot gevolg Rangkas-Betoeng 
verlaten, en ondanks zijn hoge ouderdom de twaalf of veertien palen 
afgelegd, die zijn woonplaats scheiden van de grenzen der naburige 
afdeling Pandeglang.

Er werd een nieuwe assistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in 
Indi meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met 
het bestuur ener afdeling belast is, feestelijk wordt ingehaald bij zijn 
aankomst. Ook de controleur, een man van middelbare leeftijd, die sedert 
enige maanden na de dood van de vorige assistent-resident, als 
eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar 
tegenwoordig.

Zodra het tijdstip der komst van de nieuwe assistent-resident bekend 
was, had men in allerijl een pendopo doen oprichten, een tafel en enige 
stoelen daarheen gebracht, en enige verversingen gereed gezet. In deze 
pendopo wachtte de regent met de controleur de aankomst van de nieuwe 
chef af.

Na een hoed met brede rand, een regenscherm, of een holle boom, is een 
pendopo zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld: dak. 
Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in de grond geslagen, die aan de 
boveneinden met elkander verbonden zijn door andere bamboes, waarop een 
deksel is vastgehecht van de lange bladen van de waterpalm die in deze 
streken atap heet, en ge zult u dusdanige pendopo kunnen voorstellen. 
Het is, zoals ge ziet, zo eenvoudig mogelijk, en het moest hier dan ook 
slechts dienen als pied--terre voor de Europese en inlandse beambten 
die daar hun nieuw opperhoofd kwamen verwelkomen aan de grenzen.

Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik de assistent-resident 
het opperhoofd, ook van de regent, noemde. Een uitweiding over 't 
mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist 
begrip van hetgeen volgen zal, noodzakelijk.

Het dusgenaamd Nederlands-Indi -- 't adjectief Nederlands komt me 
enigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen -- is, 
wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te 
splitsen in twee zeer verschillende hoofddelen. Een gedeelte bestaat uit 
stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappij van Nederland 
als suzerein erkend hebben, doch waarbij nog altijd het rechtstreeks 
bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren 
hoofden zelf Een ander gedeelte, waartoe -- met een zeer kleine, 
wellicht maar schijnbare, uitzondering -- geheel Java behoort, is 
rechtstreeks onderworpen aan Nederland. Van cijns of schatting of 
bondgenootschap is hier geen sprake. De Javaan is Nederlands onderdaan. 
De Koning van Nederland is zijn koning. De afstammelingen zijner vorige 
vorsten en heren zijn Nederlandse beambten. Ze worden aangesteld, 
verplaatst, bevorderd, door de gouverneur-generaal die in naam van de 
Koning regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnist naar een 
wet die van 's-Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan 
opbrengt, vloeit in de schatkist van Nederland.

Van dit gedeelte slechts der Nederlandse bezittingen, dat alzo inderdaad 
deel uitmaakt van het Koninkrijk der Nederlanden, zal in deze bladen 
hoofdzakelijk sprake zijn.

De gouverneur-generaal staat een raad terzijde, die echter op zijn 
besluiten geen beslissende invloed heeft. Te Batavia zijn de 
onderscheidene bestuurstakken verdeeld in `departementen' aan welker 
hoofd directeuren geplaatst zijn, die de schakel uitmaken tussen het 
opperbestuur van de gouverneur-generaal en de residenten in de 
provincin. Bij behandeling evenwel der zaken van politieke aard, wenden 
zich deze beambten rechtstreeks tot de gouverneur-generaal.

De benaming resident is herkomstig uit de tijd toen Nederland nog 
slechts middellijk als leenheer de bevolking beheerste, en zich aan de 
hoven der nog regerende vorsten door residenten liet vertegenwoordigen. 
Die vorsten bestaan niet meer, en de residenten zijn, als gewestelijke 
gouverneurs of prefecten, bestuurders van landschappen geworden. Hun 
werkkring is veranderd, doch de naam is gebleven.

Het zijn deze residenten, die eigenlijk het Nederlands gezag tegenover 
de Javaanse bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch de 
gouverneur-generaal, noch de raden van Indi, noch de directeuren te 
Batavia. Het kent slechts de resident, en de beambten die onder hem het 
besturen.

Een dusdanige residentie -- er zijn er, die bijna een miljoen zielen 
bevatten -- is verdeeld in drie, vier of vijf afdelingen of 
regentschappen, aan welker hoofd assistent-residenten geplaatst zijn. 
Onder dezen weer wordt het bestuur uitgeoefend door controleurs, 
opzieners en een tal van andere beambten die nodig zijn voor de inning 
der belastingen, voor het toezicht over de landbouw, voor het oprichten 
van gebouwen, voor de waterstaatswerken, voor de politie en voor het 
rechtswezen.

In elke afdeling staat een inlands hoofd van hoge rang met de titel van 
regent, de assistent-resident terzijde. Zodanig regent, hoewel zijn 
verhouding tot het bestuur en zijn werkkring geheel die is van een 
bezoldigd beambte, behoort altijd tot de hoge adel des lands, en 
dikwijls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in 
de nabuurschap onafhankelijk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt 
alzo gebruik gemaakt van hun aloude feodale invloed -- die in Azi over 
't geheel van groot gewicht is, en bij de meeste stammen als punt van 
godsdienst wordt aangemerkt -- dewijl door het benoemen dezer hoofden 
tot beambten, een hirarchie wordt geschapen, aan welker spits het 
Nederlands gezag staat, dat door de gouverneur-generaal wordt 
uitgeoefend. Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de rijks-, 
mark-, gouw-, en burggraven van het Duitse rijk evenzo door de Keizer 
aangesteld, en meestal gekozen uit de baronnen? Zonder uitweiding over 
de oorsprong des adels, die geheel in de natuur ligt, wens ik toch 
plaats te geven aan de opmerking hoe in ons werelddeel en ginds in 't 
verre Indi, dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet 
op verre afstand geregeerd worden, en hiertoe zijn beambten nodig, die 
't centraal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire 
willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de prefecten, in de aanvang 
gewoonlijk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden ten 
onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: provincin, dat is: 
wingewesten. Maar toen later het centraal gezag des Duitsen rijks 
behoefte voelde, enig ver gelegen volk aan zich te binden op andere 
wijze dan door stoffelijk overwicht alleen, zodra een verwijderde streek 
werd beschouwd als door gelijkheid in afkomst, taal en gewoonten tot het 
rijk te behoren, deed zich de noodzakelijkheid gevoelen, iemand met de 
leiding der zaken te belasten, die in dat land thuis behoorde niet 
alleen, maar door zijn stand boven zijn medeburgers in die streken 
verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers, 
gemakkelijk werd door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem 
die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan 
tevens geheel of gedeeltelijk de uitgaven vermeden voor een staand leger 
ten laste der algemene staatskas, of, zoals meestal geschiedde, ten 
laste van de gewesten zelf, die door zodanig leger moesten bewaakt 
worden. Zo werden de eerste graven gekozen uit de baronnen des lands, en 
strikt genomen is dus 't woord graaf geen adellijke titel, doch slechts 
de benaming van een met zeker ambt belaste persoon. Ik geloof dan ook 
dat in de middeleeuwen de mening gold, dat de Duitse Keizer wel 't recht 
had, graven d.i. landschapsbestuurders, en hertogen, d.i. 
heiraanvoerders, te benoemen, doch dat de baronnen beweerden, wat hun 
geboorte aangaat, aan de Keizer gelijk te zijn en alleen van God af te 
hangen, behoudens de verplichting de Keizer te dienen, voorzover deze 
met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf bekleedde 
een ambt waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron beschouwde zich 
als baron `door de genade Gods'. De graven vertegenwoordigden de Keizer, 
en voerden als zodanig diens banier, d.i. de standaard van het rijk. Een 
baron bracht volk op de been onder zijn eigen vaan, als baanderheer.

De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlijk uit de baronnen 
werden gekozen, bracht teweeg dat zij het gewicht hunner betrekking in 
de schaal legden bij de invloed die zij aan hun geboorte ontleenden, en 
hieruit schijnt later, vooral toen men aan de erfelijkheid dezer 
betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zijn, die deze 
titels hadden boven die van baron. Nog heden ten dage zou menige 
vrijheerlijke familie -- zonder keizerlijk of koninklijk patent, dat is 
een zodanige familie, die haar adel afleidt van het ontstaan des lands, 
die altijd van adel was omdat ze van adel was -- autochtoon -- een 
verheffing tot de gravenstand, als derogerend afwijzen. Er zijn 
voorbeelden van.

De personen die met het bestuur van zodanig graafschap belast waren, 
trachtten natuurlijk van de Keizer te verkrijgen dat hun zoons, of, bij 
gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden 
opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlijk, schoon ik niet geloof dat 
ooit het recht op deze opvolging organisch is erkend geworden, althans 
wat deze beambten in de Nederlanden aangaat, bijvoorbeeld, de graven van 
Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant, 
Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte, 
en ten slotte een noodzakelijkheid, maar nooit werd deze erfelijkheid 
wet.

Nagenoeg op gelijke wijze -- wat de keus der personen aangaat, daar hier 
geen sprake is van gelijkheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht 
zekere overeenstemming in 't oog valt -- staat aan het hoofd ener 
Afdeling op Java, een inlands beambte die de hem door het gouvernement 
gegeven rang met zijn autochtone invloed verbindt, om aan de Europese 
ambtenaar die 't Nederlands gezag vertegenwoordigt, het bestuur 
gemakkelijk te maken. Ook hier is de erfelijkheid, zonder door een wet 
vastgesteld te zijn, tot een gewoonte geworden. Reeds bij het leven van 
de regent is deze zaak meestal geregeld, en 't geldt als een beloning 
voor dienstijver en trouw, indien men hem de toezegging geeft dat hij in 
zijn betrekking door zijn zoon zal worden opgevolgd. Er moeten al zeer 
gewichtige redenen bestaan, voor er van deze regel wordt afgeweken, en 
waar dit het geval wezen mocht, kiest men toch gewoonlijk de opvolger 
uit de leden van dezelfde familie.

De verhouding tussen Europese ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste 
Javaanse groten, is van zeer kiese aard. De assistent-resident ener 
Afdeling is de verantwoordelijke persoon. Hij heeft zijn instructin, en 
wordt verondersteld het hoofd der Afdeling te zijn. Dit belet echter 
niet dat de regent, door plaatselijke kennis, door geboorte, door 
invloed op de bevolking, door geldelijke inkomsten en hiermee 
overeenstemmende levenswijze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de 
regent, als vertegenwoordiger van 't Javaanse element ener landstreek, 
en verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer 
duizend zielen, die zijn regentschap bevolken, ook in de ogen van 't 
gouvernement een veel belangrijker persoon, dan de eenvoudige Europese 
beambte, wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men 
voor hem vele anderen in de plaats bekomen kan, terwijl de minder goede 
stemming van een regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering 
of opstand.

Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlijk 
de mindere de meerdere beveelt. De assistent-resident gelast de regent, 
hem opgaven te doen. Hij gelast hem, volk te zenden tot het arbeiden aan 
bruggen en wegen. Hij gelast hem, belastingen te doen innen. Hij roept 
hem op, zitting te nemen in de landraad, waarin hij, assistent-resident, 
voorzit. Hij berispt hem, waar hij schuldig is aan plichtsverzuim. Deze 
zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelijk gemaakt door uiterst 
beleefde vormen, die evenwel noch hartelijkheid, noch, waar 't nodig 
blijken mocht, strengheid behoeven uit te sluiten, en ik geloof dat de 
toon die in deze verhouding heersen moet, vrij wel wordt aangegeven in 
't officieel voorschrift dienaangaande: de Europese ambtenaar hebbe de 
inlandse beambte die hem terzijde staat, te behandelen als zijn jongere 
broeder.

Maar hij vergete niet dat deze jongere broeder bij de ouders zeer bemind 
-- of gevreesd -- is, en dat, bij voorkomend geschil, zijn meerdere 
jaren zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te 
nemen dat hij zijn jongere broeder niet met meer inschikkelijkheid of 
tact behandelde.

De aangeboren hoffelijkheid van de Javaanse grote -- zelfs de geringe 
Javaan is veel beleefder dan zijn Europese standgenoot -- maakt evenwel 
deze schijnbaar moeilijke verhouding dragelijker dan ze anders wezen 
zou.

De Europeaan zij welopgevoed en kies, hij gedrage zich met vriendelijke 
waardigheid, en kan dan zeker zijn dat de regent van zijn kant hem 't 
bestuur gemakkelijk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekende vorm 
geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte, 
rijkdom, wordt uitgewist door de regent zelf, die de Europeaan, als 
vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en ten 
slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest 
teweegbrengen, zeer dikwijls de bron van een aangenaam verkeer.

Ik zei dat dusdanige regenten ook door rijkdom de voorrang hadden boven 
de Europese ambtenaar, en dit is natuurlijk. De Europeaan, als hij 
geroepen wordt tot het besturen ener provincie die in oppervlakte met 
vele Duitse hertogdommen gelijk staat, is gewoonlijk iemand van 
middelbare of meer dan middelbare leeftijd, gehuwd en vader. Hij 
bekleedt een ambt om den brode. Zijn inkomsten zijn juist voldoende, en 
zelfs vaak niet voldoende, om aan de zijnen het nodige te verschaffen. 
De regent is: Tomonggong, Adipati, ja zelfs Pangerang, d.i. Javaans 
prins. De vraag is voor hem niet dat hij leve, hij moet z leven als 't 
volk gewoon is dit te zien van zijn aristocratie. Waar de Europeaan een 
huis bewoont, is dikwijls zijn verblijf een kraton, met vele huizen en 
dorpen daarin. Waar de Europeaan n vrouw heeft met drie, vier 
kinderen, onderhoudt hij een tal van vrouwen met wat daarbij hoort. Waar 
de Europeaan uitrijdt, gevolgd door enige beambten, niet meer dan er bij 
zijn inspectiereis nodig zijn tot het geven van inlichtingen onderweg, 
wordt de regent vergezeld door de honderden die tot het gevolg behoren, 
dat in de ogen des volks onafscheidelijk is van zijn hoge rang. De 
Europeaan leeft burgerlijk, de regent leeft -- of wordt verondersteld te 
leven -- als een vorst. Doch dit alles moet betaald worden. Het 
Nederlands bestuur dat zich op de invloed van die regenten gegrondvest 
heeft, weet dit, en niets is dus natuurlijker dan dat het hun inkomsten 
heeft opgevoerd tot een hoogte die de niet-Indir overdreven zou 
voorkomen, maar inderdaad zelden voldoende is ter bestrijding van de 
uitgaven welke aan de levenswijze van zodanig inlands hoofd verbonden 
zijn. Het is niet ongewoon, regenten die twee-, ja drie maal 
honderdduizend gulden 's jaars inkomen hebben, in geldverlegenheid te 
zien verkeren. Hiel toe draagt veel bij de, als 't ware vorstelijke, 
onverschilligheid waarmee zij hun inkomsten verspillen, hun nalatigheid 
in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en vooral het 
misbruik dat dikwijls van deze hoedanigheden gemaakt wordt door 
Europeanen.

De inkomsten der Javaanse hoofden zou men m vier delen kunnen splitsen. 
Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som als 
schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zijn op 't 
Nederlands bestuur. Ten derde, een beloning in evenredigheid met de 
hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffie, 
suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelijk, de willekeurige beschikking 
over de arbeid en de eigendommen hunner onderhorigen.

De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen enige opheldering. De 
Javaan is uit de aard der zaak landbouwer. De grond waarop hij geboren 
werd, die veel belooft voor weinig arbeid, lokt hem hiertoe uit, en 
vooral is hij met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zijner 
rijstvelden, waarin hij dan ook zeer bedreven is. Hij groeit op temidden 
zijner sawahs en gagahs en tipars, vergezelt reeds op zeer jeugdige 
leeftijd zijn vader naar 't veld, waar hij hem behulpzaam is in de 
arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het 
bevochtigen zijner akkers. Hij telt zijn jaren bij oogsten, hij rekent 
de tijd naar de kleur zijner te veld staande halmen, hij voelt zich 
thuis onder de makkers die met hem padi sneden, hij zoekt zijn vrouw 
onder de meisjes der dessa die 's avonds onder vrolijk gezang de rijst 
stampen om ze te ontdoen van de bolster... het bezit van een paar 
buffels die zijn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ... 
kortom, de rijstbouw is voor de Javaan, wat in de Rijnstreken en in het 
zuiden van Frankrijk, de wijnoogst is. Doch daar kwamen vreemdelingen 
uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wensten voordeel 
te doen met de vruchtbaarheid van de bodem, en gelastten de bewoner een 
gedeelte van zijn arbeid en van zijn tijd toe te wijden aan het 
voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de 
markten van Europa. Om de geringe man hiertoe te bewegen, was niet meer 
dan een zeer eenvoudige staatkunde nodig. Hij gehoorzaamt zijn hoofden, 
men had dus slechts deze hoofden te winnen door hun een gedeelte van de 
winst toe te zeggen, en ... het gelukte volkomen.

Als men let op de ontzettende massa Javaanse produkten die in Nederland 
worden te koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende 
dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen 
of de landbouwer zelf een met deze uitkomst evenredige beloning geniet, 
dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De regering verplicht 
hem op zijn grond aan te kweken wat haar behaagt, ze straft hem wanneer 
hij het aldus voortgebrachte verkoopt aan wie het ook zij buiten haar, 
en zij zelf bepaalt de prijs die ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten 
op de overvoer naar Europa, door bemiddeling Van een bevoorrecht 
handelslichaam, zijn hoog. De aan de hoofden toegelegde 
aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen de inkoopprijs, en ... daar 
toch ten slotte de gehele zaak winst afwerpen moet, kan deze winst niet 
anders worden gevonden dan door juist zoveel aan de Javaan uit te 
betalen, dat hij niet sterft van honger, hetgeen de voortbrengende 
kracht der natie verminderen zou.

Ook aan de Europese beambten wordt een beloning uitbetaald in 
evenredigheid met de opbrengst.

Wel wordt dus de arme Javaan voortgezweept door dubbel gezag, wel wordt 
hij dikwijls afgetrokken van zijn rijstvelden, wel is hongersnood vaak 
't gevolg van deze maatregelen, doch ... vrolijk wapperen te Batavia, te 
Semarang, te Soerabaja, te Pasaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te 
Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen 
worden met de oogsten die Nederland rijk maken.

Hongersnood? Op het rijke vruchtbare gezegende Java, hongersnood? Ja, 
lezer. Voor weinige jaren zijn gehele districten uitgestorven van 
honger. Moeders boden hun kinderen te koop voor spijs. Moeders hebben 
hun kinderen gegeten ...

Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen 
der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de 
toenmalige landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding 
der dusgenaamde Europese-marktprodukten voortaan niet weer zou 
voortzetten tot hongersnood toe ...

Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke 
zaken kon neerschrijven zonder bitterheid?

Mij blijft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der 
inkomsten van inlandse hoofden: het willekeurig beschikken over personen 
en eigendommen hunner onderhorigen.

Volgens het algemeen begrip in bijna geheel Azi, behoort de onderdaan 
met al wat hij bezit, aan de vorst. Dit is ook op Java het geval, en de 
afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik 
van de onkunde der bevolking, die niet recht begrijpt dat haar 
Tomonggong of Adipati of Pangerang thans een bezoldigd ambtenaar is, die 
zijn eigen en haar rechten voor een bepaald inkomen verkocht heeft, en 
dat dus de schraal beloonde arbeid in koffietuin of suikerveld, in de 
plaats getreden is van de belastingen die vroeger door de heren des 
lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus gewoner dan dat 
honderden huisgezinnen van verre afstand worden opgeroepen om zonder 
betaling velden te bewerken, die de regent toebehoren. Niets is gewoner 
dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten behoeve der 
hofhouding van de regent. En wanneer die regent een gevallig oog mocht 
slaan op het paard, de buffel, de dochter, de vrouw, van de geringe man, 
zou men 't ongehoord vinden, als deze de onvoorwaardelijke afstand van 
het begeerde voorwerp weigerde.

Er zijn regenten, die van zodanige willekeurige beschikkingen een matig 
gebruik maken, en niet meer van de geringe man vorderen, dan tot het 
ophouden van hun rang volstrekt nodig is. Anderen gaan iets verder, en 
geheel en al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook 
moeilijk, ja onmogelijk, zodanig misbruik geheel uit te roeien, daar het 
diep geworteld is in de aard der bevolking zelf die er onder lijdt. De 
Javaan is gul, vooral waar het te doen is om een bewijs te geven van 
gehechtheid aan zijn hoofd, aan de afstammeling van hen wie zijn vaderen 
gehoorzaamden. Ja, hij zou menen te kort te doen aan de eerbied die hij 
aan zijn erfelijke heer verschuldigd is, wanneer hij zonder geschenken 
diens kraton betrad. Zulke geschenken zijn dan ook dikwijls van zo 
weinig waarde, dat het afwijzen iets vernederends zou in zich sluiten, 
en vaak is alzo deze gewoonte eerder te vergelijken met de hulde van een 
kind dat zijn liefde tot de vader tracht te uiten door 't aanbieden van 
een klein geschenk, dan op te vatten als schatting aan dwingelandse 
willekeur.

Maar... aldus wordt door een lief gebruik, de afschaffing van misbruik 
belemmerd.

Indien de aloen-aloen voor de woning van de regent in verwilderde staat 
lag, zou de nabijwonende bevolking hierover beschaamd wezen, en er ware 
veel gezags nodig om haar te beletten dat plein van onkruid te reinigen, 
en het te brengen in een staat die met de rang des regents overeenstemt. 
Hiervoor enige betaling te geven, zou algemeen als een belediging worden 
aangemerkt. Maar naast die aloen-aloen, of elders, liggen sawahs die op 
de ploeg wachten, of op een leiding die het water daarheen moet voeren, 
dikwijls van mijlen ver... deze sawahs behoren de regent. Hij roept, om 
zijn velden te bewerken of te besproeien, de bevolking van ganse dorpen 
op, wier eigen sawahs evenzeer behoefte hebben aan bearbeiding ... 
ziedaar het misbruik.

Dit is aan de regering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de 
wetten, instructin en handleidingen voor de ambtenaren bevat zijn, 
juicht de menslievendheid toe, die bij het ontwerpen daarvan schijnt te 
hebben voorgezeten. Alom wordt de Europeaan, met gezag in de 
binnenlanden bekleed, als een zijner duurste verplichtingen op 't hart 
gedrukt, de bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en 
de hebzucht der hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting 
voor te schrijven in 't algemeen, er wordt nog van de assistent-
residenten, bij de aanvaarding van 't bestuur ener Afdeling, een 
afzonderlijke eed gevorderd, dat zij deze vaderlijke zorg voor de 
bevolking zullen beschouwen als een eerste plicht.

Dit is voorzeker een schone roeping. Rechtvaardigheid voor te staan, de 
geringe te beschermen tegen de machtige, de zwakke te beschutten tegen 
de overmacht van de sterke, het ooilam van de arme terug te vorderen uit 
de stallen des vorstelijken rovers ... zie, 't is om 't hart te doen 
gloeien van genot, bij 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zo 
schoons! En wie in de Javaanse binnenlanden soms ontevreden moge zijn 
met standplaats of beloning, hij sla het oog op de verheven plicht die 
op hem rust, op 't heerlijk genoegen dat de vervulling van zulk een 
plicht met zich brengt, en hij zal geen andere beloning begeren.

Maar... gemakkelijk is deze plicht niet. Vooreerst heeft men juist te 
beoordelen, waar het gebruik heeft opgehouden om voor misbruik plaats te 
maken. En ... waar het misbruik bestaat, waar inderdaad roof of 
willekeur gepleegd is, zijn veelal de slachtoffers zelf hieraan 
medeplichtig, hetzij uit te ver gedreven onderwerping, hetzij uit vrees, 
hetzij uit wantrouwen op de wil of de macht der persoon die hen 
beschermen moet. Ieder weet dat de Europese beambte elk ogenblik kan 
geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de regent, de machtige 
regent, daar blijft. Voorts zijn er zovl manieren om zich het eigendom 
van een arm onnozel mens toe te eigenen! Als een mantri hem zegt dat de 
regent zijn paard begeert, met dit gevolg dat het begeerde dier weldra 
plaats heeft gekregen in de stallen van de regent, bewijst zulks nog 
volstrekt niet dat deze niet van voornemen was -- o, zeker! -- daarvoor 
een hoge prijs te betalen ... te eniger tijd. Als honderden arbeiden op 
de velden van een hoofd, zonder daarvoor betaling te ontvangen, volgt 
hieruit geenszins dat hij dit liet geschieden te zijnen behoeve. Had 
niet zijn bedoeling kunnen zijn, hun de oogst over te laten uit de 
menslievende berekening dat zijn grond beter gelegen was, vruchtbaarder 
dan de hunne, en dus hun arbeid milder belonen zou? Bovendien, vanwaar 
haalt de Europese beambte de getuigen die de moed hebben een verklaring 
te doen tegen hun heer, de gevreesde regent? En, waagde hij een 
beschuldiging, zonder die te kunnen bewijzen, waar blijft dan de 
verhouding van oudere broeder, die in zulk geval zijn jongere broeder 
zonder grond zou hebben gekrenkt in zijn eer? Waar blijft de gunst van 
de regering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat brood opzegt, 
hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hij een zo hooggeplaatst persoon 
als een Tommongong, Adipati of Pangerang, had verdacht of aangeklaagd 
met lichtvaardigheid?

Nee, nee, gemakkelijk is die plicht niet! Dit blijkt reeds hieruit, dat 
de neiging der inlandse hoofden om de grens van 't geoorloofd beschikken 
over arbeid en eigendom hunner onderhorigen te overschrijden, overal 
volmondig erkend wordt ... dat alle assistent-residenten de eed doen die 
misdadige hebbelijkheid te keer te gaan, en ... dat toch slechts zeer 
zelden een regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik van 
gezag. Er schijnt dus wel een bijna onoverkomelijke moeilijkheid te 
bestaan, om gevolg te geven aan de eed: `De inlandse bevolking te 
beschermen tegen uitzuiging en knevelarij'.


Zesde hoofdstuk

De controleur Verbrugge was een goed mens. Als men hem daar zag zitten 
in zijn blauw-lakense frak, met geborduurde eike- en oranjetakken op 
kraag en mouwopslagen, was 't moeilijk in hem de type te miskennen die 
voorheerst onder de Hollanders in Indi ... een mensensoort, in 't 
voorbijgaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in 
Holland. Traag zolang er niets te doen viel, en ver van de 
beredderingszucht die in Europa voor ijver geldt, maar ijverig waar 
bezigheid nodig was ... eenvoudig maar hartelijk voor wie tot zijn 
omgeving behoorden ... mededeelzaam, hulpvaardig en gastvrij ... 
welgemanierd zonder stijfheid ... vatbaar voor goede indrukken ... 
eerlijk en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze 
hoedanigheden te worden ... in 't kort, hij was een man die, zoals men 
't noemt, overal op zijn plaats zou wezen, zonder dat men echter op 't 
denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen, wat hij dan ook niet 
begeerde.

Hij zat in 't midden van de pendopo bij de tafel, die met een wit kleed 
bedekt, en met spijzen beladen was. Wel enigszins ongeduldig vroeg hij 
van tijd tot tijd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard, aan 
de mandoer-oppasser, dat is het hoofd van de politie- en bureaudienaren 
der assistent-residentie, of er niets in aantocht was. Dan stond hij 
eens op, beproefde vergeefs zijn sporen te doen kletteren op de 
gestampte kleivloer van de pendopo, stak voor de twintigste maal zijn 
sigaar aan, en ging, als teleurgesteld, weer zitten. Hij sprak weinig. 
En toch had hij kunnen spreken, want hij was niet alleen. Ik bedoel 
hiermee nu juist niet dat hij vergezeld was van de twintig of dertig 
Javanen, bedienden, mantri's en oppassers die op de grond gehurkt in en 
buiten de pendopo zaten, noch van de velen die aanhoudend uit- en 
inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillende rang, dat 
daar buiten de paarden vasthield, of te paard rondreed ... nee, de 
regent zelf van Lebak, Raden Adipati Karta Nata Nagara, zat tegenover 
hem.

Wachten is altijd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een 
halve dag, enzovoort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zijn. De 
regent van Lebak was een beschaafd oud man, die over veel wist te 
spreken met verstand en oordeel. Men had hem slechts aan te zien om 
overtuigd te wezen dat het merendeel der Europeanen die met hem in 
aanraking kwamen, meer van hem, dan hij van hen te leren had. Zijn 
levendige donkere ogen weerspraken door hun vuur de vermoeidheid der 
trekken van zijn gelaat en de grijsheid zijner haren. Wat hij zei, was 
gewoonlijk lang overdacht -- een eigenaardigheid trouwens die bij de 
beschaafde Oosterling algemeen is -- en wanneer men met hem in gesprek 
was, gevoelde men dat men zijn woorden te beschouwen had als brieven, 
waarvan hij de minuut in zijn archief had, om zonodig daarop te 
verwijzen. Dit nu moge onaangenaam schijnen voor wie niet gewoon is aan 
de omgang met Javaanse groten, 't is niet moeilijk alle onderwerpen van 
gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermijden, vooral daar zij van hun 
kant nooit op bruuske wijze aan de loop van 't onderhoud een andere 
richting geven zullen, omdat dit naar oosterse begrippen in strijd wezen 
zou met de goede toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van een 
bepaald punt te vermijden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te 
spreken, en hij kan verzekerd zijn dat een Javaans hoofd hem niet, door 
een onbegeerde wending in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hij 
liever niet betrad.

Over de beste wijze van omgang met die hoofden, bestaan overigens 
verschillende meningen. Het komt mij voor dat eenvoudige oprechtheid, 
zonder streven naar diplomatische voorzichtigheid, de voorkeur verdient.

Hoe dit zij, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't weer en de 
regen.

`Ja, meneer de controleur, het is westmoesson.'

Dit nu wist Verbrugge wel: men was in januari. Maar wat hij over de 
regen gezegd had, wist de regent ook. Hierop volgde weer enig zwijgen. 
De regent wenkte, met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd, een der 
bedienden die neergehurkt zaten aan de ingang der pendopo. Een kleine 
jongen, allerliefst gevat in een blauw-fluwelen buis, witte pantalon, 
met gouden lijfband die zijn kostbare sarong vasthield om de lenden, en 
op 't hoofd de behagelijke kain kepala waaronder zijn zwarte ogen zo 
ondeugend tevoorschijn kwamen, kroop hurkende tot aan de voeten des 
regents, zette de gouden doos neer, die de tabak, de kalk, de siri, de 
pinang, en de gambir bevatte, maakte de slamat,door beide handen 
saamgevoegd op te heffen tot aan het diep neergebogen voorhoofd, en bood 
daarop zijn heer de kostbare doos aan.

`De weg zal moeilijk zijn na zoveel regen,' zei de regent, als om 't 
lange wachten verklaarbaar te maken, terwijl hij een betelblad met kalk 
bestreek.

`In 't Pandeglangse is de weg zo slecht niet,' antwoordde Verbrugge die, 
als hij tenminste niets stuitends wilde aanroeren, dit antwoord wel wat 
ondoordacht gaf. Want hij had moeten bedenken dat een regent van Lebak 
niet gaarne de wegen van Pandeglang hoort roemen, al zijn die dan ook 
werkelijk beter dan in 't Lebakse.

De Adipati beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine mas 
was reeds al hurkend achterwaarts teruggekropen tot aan de ingang der 
pendopo, waar hij onder zijn makkers plaats nam ... de regent had reeds 
zijn lippen en weinige tanden bruinrood geverfd met het speeksel zijner 
siri, voor hij zei:

`Ja, er is veel volk in Pandeglang.'

Voor wie de regent en de controleur kende, voor wie de toestand van 
Lebak geen geheim was, had het duidelijk kunnen blijken dat het gesprek 
reeds een strijd was geworden. Een toespeling namelijk op de betere 
staat der wegen in een naburige afdeling, scheen het vervolg te wezen op 
vergeefse pogingen om ook in Lebak dusdanige betere wegen te doen 
aanleggen, of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de 
regent gelijk, dat Pandeglang dichter bevolkt was, vooral in verhouding 
tot de veel kleinere oppervlakte, en dat dus daar de arbeid aan de grote 
wegen door vereende krachten lichter viel dan in 't Lebakse, een 
afdeling die op honderden palen oppervlakte slechts zeventigduizend 
inwoners telde.

`Dat is waar,' zei Verbrugge, `we hebben weinig volk hier, maar...'

De Adipati zag hem aan, als wachtte hij een aanval af. Hij wist dat er 
na dat `maar' iets volgen kon, dat onaangenaam zou te horen zijn voor 
hem, die sedert dertig jaren regent van Lebak geweest was. Het scheen 
dat Verbrugge op dit ogenblik geen lust had de strijd voort te zetten. 
Althans hij brak 't gesprek af, en vroeg weer aan de mandoer-oppasser of 
hij niets komen zag?

`Ik zie nog niets van de kant van Pandeglang, meneer de controleur, maar 
daarginds aan de andere zijde rijdt iemand te paard ... het is de toean 
kommendaan.'

`Welzeker, Dongso, ` zei Verbrugge, naar buiten starende, `dat is de 
commandant! Hij jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds 
uitgegaan. H, Duclari ... Duclari!'

`Hij hoort u al, meneer, hij komt hierheen. Zijn jongen rijdt achter 
hem, met een kidang achter zich over 't paard.'

`Pegang koedahnja toean kommendaan,' gebood Verbrugge een van de 
bedienden die buiten zaten. `Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je 
geschoten? Kom binnen!'

Een krachtig man van dertigjarige leeftijd en flinke militaire houding, 
-- hoewel van uniform geen spoor was, trad de pendopo in. Het was de 
eerste luitenant Duclari, commandant van 't kleine garnizoen te Rangkas-
Betoeng. Verbrugge en hij waren bevriend, en hun gemeenzaamheid was te 
groter, daar Duclari sedert enige tijd de woning van Verbrugge betrokken 
had in afwachting der voltooiing van een nieuw fort. Hij drukte deze de 
hand, groette de regent beleefd, en ging zitten onder de vraag: `Wel, 
wat heb je alzo hier?'

`Wil je thee, Duclari?'

`Welnee, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater? Dat is frisser.'

`Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor 
heel nadelig. Je wordt er stijf en jichtig van. Zie eens de koelies die 
zware vrachten over de bergen dragen: zij houden zich vlug en lenig door 
heet water te drinken, of kopi daoen. Maar gemberthee is nog beter...'

`Wat? Kopi daoen, thee van koffiebladen? Dat heb ik nog nooit gezien.' 
`Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte.'

`Laat me dan maar thee geven ... maar niet van koffiebladen, en ook niet 
van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe assistent-
resident ook, nietwaar?'

Dit gesprek werd in 't Hollands gevoerd, een taal die de regent niet 
verstond. Hetzij Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem 
hierdoor van 't onderhoud uit te sluiten, hetzij-d-i hiermee een andere 
bedoeling had, opeenmaal ging hij, zich tot de regent wendende, in 't 
Maleis voort:

`Weet meneer de Adipati, dat meneer de controleur de nieuwe assistent-
resident kent?'

`Welnee, dt heb ik niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hij diende 
enige jaren vr mij op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat ik daar veel 
over hem heb horen spreken, anders niet!'

`Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien om 
hem te kennen. Hoe denkt meneer de Adipati hierover?'

De Adipati had juist nodig een bediende te roepen. Er verliep dus wat 
tijd voor hij zeggen kon: `Dat hij met de heer commandant instemde, maar 
dat het toch dikwijls nodig was iemand te zien voor men hem beoordelen 
kon.'

`Over 't geheel genomen is dit misschien waar,' ging nu Duclari in 't 
Hollands voort -- hetzij omdat deze taal hem gemeenzamer was en hij 
meende genoeg gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzij omdat hij 
alleen door Verbrugge verstaan wilde worden -- `dit moge in 't algemeen 
waar zijn, maar omtrent Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlijke 
kennismaking nodig ... hij is een gek!'

`Dat heb ik niet gezegd, Duclari!'

`Nee, jij hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je mij van hem 
verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te 
redden van de haaien, een gek.'

`Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar...'

`En, hoor eens, dat versje tegen de generaal Vandamme ... 't kwam niet 
te pas!'

`'t Was geestig ...'

`Tot je dienst! Maar een jong mens mag niet geestig zijn tegen een 
generaal.'

`Je moet in 't oog houden dat hij nog zeer jong was ... het is veertien 
jaar geleden. Hij was toen maar tweentwintig jaar oud.'

`En dan de kalkoen die hij stal!'

`Dat deed hij om de generaal te plagen.'

`Juist! Een jongmens mag geen generaal plagen, die bovendien, als civiel 
gouverneur, zijn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar... dat 
eeuwige duelleren!'

`Hij deed het gewoonlijk voor een ander. Hij trok altijd partij voor de 
zwakste.'.

`Wel, laat ieder voor zichzelf duelleren, als men het dan volstrekt doen 
wil! Ik voor mij geloof dat een duel zelden nodig is. Waar 't 
onvermijdelijk was, zou ook ik een uitdaging aannemen, en in zekere 
gevallen zelf uitdagen, maar om daarvan dagelijks werk te maken ... 
dankje! Het is te hopen dat hij veranderd is op dit punt.'

`Welzeker, daar is geen twijfel aan! Hij is nu zoveel ouder, daarbij 
sedert lange tijd getrouwd, en assistent-resident. Bovendien, ik heb 
altijd gehoord dat zijn hart goed was, en dat hij een warm gevoel had 
voor recht.'

`Nu, dat zal hem te pas komen in Lebak! Daar is me juist iets 
voorgekomen, dat ... zou de regent ons verstaan?'

`Ik geloof 't niet. Maar toon mij iets uit je weitas, dan denkt hij dat 
we daarover spreken.'

Duclari nam zijn weitas, haalde daaruit een paar bosduiven, en die 
vogels betastende als sprak hij over de jacht, deelde hij Verbrugge mee 
dat hij zoven in 't veld was nagelopen door een Javaan die hem gevraagd 
had of hij niet iets doen kon tot verlichting van de druk waaronder de 
bevolking zuchtte.

`En,' ging hij voort, `dit is zeer sterk. Verbrugge! Niet dat ik me 
verwonder over de zaak zelf. Ik ben lang genoeg in 't Bantamse om te 
weten wat hier voorvalt, maar dat de geringe Javaan, gewoonlijk zo 
omzichtig en terughoudend waar 't zijn hoofden geldt, zoiets vraagt aan 
iemand die er niets mee te maken heeft, dit bevreemdt mij!'

`En wat heb je geantwoord, Duclari?'

`Wel, dat het me niet aanging! Dat hij tot u moest gaan, of tot de 
nieuwe assistent-resident, als die zou aangekomen zijn te Rangkas-
Betoeng, en daar zijn klachten uiten.'

`Ini apa toean-toean datang!' riep op eenmaal de oppasser Dongso. `Ik 
zie een mantri die met zijn toedoeng wuift.'

Allen stonden op. Duclari, die niet door zijn tegenwoordigheid in de 
pendopo de schijn wilde aannemen als ware ook hij aan de grenzen ter 
verwelkoming van de assistent-resident, die wel zijn meerdere doch niet 
zijn chef, en bovendien een gek was, steeg te paard, en reed, door zijn 
bediende gevolgd, heen.

De Adipati en Verbrugge stelden zich aan de ingang van de pendopo, en 
zagen een door vier paarden getrokken reiswagen naderen, die weldra vrij 
bemodderd bij 't bamboezen gebouwtje stilhield.

Het zou moeilijk geweest zijn te raden wat er zich alzo in die wagen 
bevond, voor Dongso, geholpen door de lopers en een tal van bedienden 
die tot het gevolg van de regent behoorden, al de riemen en knoopsels 
hadden losgemaakt, die het voertuig hielden ingesloten met een zwart 
leren foedraal dat aan de discretie herinnerde waarmee in vroeger jaren 
leeuwen en tijgers de stad inkwamen, toen de zologische tuinen nog 
reizende dierenspellen waren. Leeuwen of tijgers nu waren er in de wagen 
niet. Men had alles maar zo zorgvuldig gesloten omdat het westmoesson 
was, en men dus op regen moest bedacht zijn. Nu is 't uitstappen uit een 
reiswagen waarin men lang over de weg gehotst heeft, niet zo gemakkelijk 
als iemand die nooit of weinig gereisd heeft, zich verbeelden zou. 
Nagenoeg als de arme saurirs uit de voorwereld, die door lang wachten 
ten laatste een integrerend deel uitmaken van de klei, waarin ze 
aanvankelijk niet gekomen waren met het plan om er te blijven, heeft er 
ook bij reizigers die wat nauw opngedrukt en in gedwongen houding te 
lang in een reiswagen gezeten hebben, iets plaats, wat ik u voorstel 
assimilatie te noemen. Men weet eindelijk niet juist meer waar 't leren 
kussen van de wagen ophoudt, en waar de ikheid aanvangt; ja, het 
denkbeeld is me niet vreemd dat men in zulk een wagen kiespijn of kramp 
hebben kan die men voor mot in 't laken aanziet, of omgekeerd.

Er zijn weinig omstandigheden in de stoffelijke wereld die de denkende 
mens geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op 
verstandelijk gebied, en zo heb ik mijzelf dikwijls afgevraagd of niet 
veel dwalingen die onder ons kracht van wet hebben, veel `scheefheden' 
die wij voor `recht' houden, hieruit voortvloeien dat men te lang met 
hetzelfde gezelschap in dezelfde reiswagen heeft gezeten. Het been dat 
ge daar links uitsteken moest, tussen de hoededoos en 't mandje met 
kersen ... de knie die ge tegen 't portier gedrukt hield, om de dame 
tegenover u niet te doen denken dat ge een aanval in de zin hadt op 
crinoline of deugd ... de gelikdoornde voet die zo bang was voor de 
hakken van de commis-voyageur naast u ... de hals die ge zo lang links 
moest wenden, omdat het drupt aan de rechterzijde ... zie, dat worden zo 
alle ten laatste halzen, en knien, en voeten, die iets verdraaids 
bekomen. Ik houd het voor goed van tijd tot tijd eens te wisselen van 
wagens, zitplaats en medereizigers. Men kan dan zijn hals eens anders 
wenden, men beweegt nu en dan zijn knie, en misschien zit er eens een 
juffrouw naast ons met dansschoenen, of een jongetje wiens beentjes de 
grond niet raken. Men heeft dan meer kans om recht te zien en recht te 
lopen zodra men weer vaste grond onder de voeten krijgt.

Of er ook in de wagen, die nu voor de pendopo stilhield, zich iets 
verzette tegen de `oplossing der continuteit' weet ik niet, maar zeker 
is 't dat het lang duurde voor er iets te voorschijn kwam. Er scheen een 
strijd van hoffelijkheid gevoerd te worden. Men vernam de woorden: `Als 
't u belieft, mevrouw!' en: `Resident!' Hoe dit zij, eindelijk stapte er 
een heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken 
deed aan de saurirs waarvan ik zoven gesproken heb. Daar wij hem later 
zullen weerzien, wil ik u maar terstond zeggen dat zijn onbeweeglijkheid 
niet uitsluitend moest geweten worden aan de assimilatie met de 
reiswagen, want dat hij, ook als er op mijlen afstands geen voertuig in 
de buurt was, een kalmte, een langzaamheid en een voorzichtigheid aan de 
dag lei die menige saurir jaloers maken zou, en die in de ogen van 
velen de kenmerken zijn van deftigheid, bezadigdheid en wijsheid. Hij 
was, zoals de meeste Europeanen in Indi, zeer bleek, hetgeen echter in 
die streken geenszins voor een blijk van minder goede gezondheid wordt 
gehouden, en hij had fijne trekken die wel getuigden van verstandelijke 
ontwikkeling. Alleen was er iets kouds in zijn blik, iets wat u denken 
deed aan een logaritmentafel, en hoewel zijn voorkomen over 't geheel 
niet onbehaaglijk of terugstotend was, kon men zich toch niet onthouden 
van de verdenking dat zijn vrij grote magere neus zich op dat gelaat 
verveelde, omdat er zo weinig op voorviel.

Met beleefdheid bood hij zijn hand aan een dame, om haar bij het 
uitstijgen behulpzaam te zijn, en nadat deze van een heer die nog in de 
wagen zat, een kind had aangenomen, een klein blond jongetje van een 
jaar of drie, traden zij de pendopo in. Daarop volgde die heer zelf, en 
wie op Java bekend was, zou het als een bijzonderheid in 't oog gevallen 
zijn, dat hij bij 't portier wachtte om 't uitstijgen gemakkelijk te 
maken aan een oude Javaanse baboe. Een drietal bedienden hadden zichzelf 
verlost uit het wasleren kastje, dat achter de wagen was vastgeplakt als 
een jonge oester op de rug van zijn mama.

De heer die het eerst was uitgestegen, had de regent en de controleur 
Verbrugge de hand geboden, die zij met eerbied aannamen, en in hun 
gehele houding was te bespeuren dat zij gevoelden zich in de 
tegenwoordigheid te bevinden van een gewichtig persoon. Het was de 
resident van Bantam, de grote landstreek waarvan Lebak een Afdeling, een 
regentschap, of, zoals men officieel zegt, een assistent-residentie is.

Bij 't lezen van verdichte verhalen, heb ik mij meermalen gergerd over 
de weinige eerbied der schrijvers voor de smaak van 't publiek, en 
vooral was dit het geval, waar zij blijk gaven iets te willen 
voortbrengen dat koddig of burlesk heten moest, om nu niet van humor te 
spreken, een eigenaardigheid die bijna doorgaande allerjammerlijkst 
wordt verward met het komieke. Men voert een persoon sprekende in, die 
de taal niet verstaat of slecht uitspreekt, men laat een Fransman 
zeggen: `Ka kauw na de krote krak' of `Krietje kooit keen kare kroente 
kraak wek.' Bij gebrek aan een Fransman, neemt men iemand die stamelt, 
of men `schept' een persoon die zijn stokpaardje maakt van een paar 
telkens weerkerende woorden. Ik heb een allerzotste vaudeville zien 
`russeren' omdat daarin iemand voorkwam, die gedurig zei: `Mijn naam is 
Meyer' Mij komen zulke geestigheden wat goedkoop voor, en, om de 
waarheid te zeggen, ik ben boos op u als ge zoiets grappig vindt.

Maar nu heb ik zelf u iets dergelijks voor te stellen. Ik moet van tijd 
tot tijd iemand ten tonele voeren -- ik zal 't zo weinig mogelijk doen 
-- die inderdaad een manier van spreken had, welke mij doet vrezen 
verdacht te worden van een mislukte poging om u te doen lachen, en 
hierom moet ik u uitdrukkelijk verzekeren dat het niet mijn schuld is, 
als de hoogstdeftige resident van Bantam, van wie hier de rede is, iets 
zo eigenaardigs vertoonde in zijn wijze van spreken, dat het me moeilijk 
valt dat weer te geven, zonder de schijn op me te laden dat ik effect 
van geestigheid zoek in een tic. Hij sprak namelijk op een toon, alsof 
achter elk woord een punt stond, of zelfs een lang rustteken, en ik kan 
de ruimte tussen zijn woorden niet beter vergelijken dan bij de stilte 
die er volgt op het `amen' na een lang gebed in de kerk, hetwelk zoals 
ieder weet, een sein is dat men de tijd heeft tot verzitten, hoesten of 
neussnuiten. Wat hij zei, was gewoonlijk goed overdacht, en wanneer hij 
zich die ontijdige rustpunten had kunnen afwennen, zouden zijn 
zinsneden, uit een redekunstig oogpunt althans, meestal een gezond 
aanzien gehad hebben. Maar al dat afbrokkelen, dat stoterige en 
hobbelige, maakte het aanhoren lastig. Men viel er dan ook dikwijls 
over. Want gewoonlijk, als men begonnen was te antwoorden in de goedige 
mening dat de zin uit was, en dat hij de aanvulling van 't ontbrekende 
aan de scherpzinnigheid van zijn toehoorder overliet, kwamen de nog 
ontbrekende woorden als trainards van een geslagen leger achteraan, en 
deden u gevoelen dat ge hem in de rede waart gevallen, wat altijd 
onaangenaam is. Het publiek der hoofdplaats Serang, voorzover men niet 
in dienst stond van 't gouvernement -- een verhouding die de meesten 
iets omzichtigs geeft noemde zijn gesprekken `slijmerig'. Ik vind dit 
woord niet zeer smaakvol, doch moet erkennen dat het de hoofdeigenschap 
van des residents welsprekendheid vrij juist uitdrukte.

Ik heb van Max Havelaar en zijn vrouw -- want dit waren de beide 
personen die na de resident met hun kind en de baboe uit de wagen 
gekomen waren -- nog niets gezegd, en misschien ware het voldoende, de 
kenschetsing van hun voorkomen en karakter aan de loop der 
gebeurtenissen en des lezers eigen verbeelding over te laten. Daar ik 
evenwel nu eenmaal aan 't beschrijven ben, wil ik u zeggen dat mevrouw 
Havelaar niet schoon was, dat zij echter in blik en spraak iets zeer 
lieftalligs bezat, en door de gemakkelijke ongedwongenheid van haar 
manieren het onmiskenbaar teken gaf, dat zij in de wereld was geweest, 
en in de hogere klassen der maatschappij thuisbehoorde. Zij had niet dat 
stijve el onbehaaglijke van 't burgerlijk fatsoen dat, om voor 
`gedistingeerd' door te gaan, zich en anderen meent te moeten plagen met 
gne, en ze hechtte dan ook niet aan veel uiterlijks wat voor sommige 
andere vrouwen waarde schijnt te hebben. Ook in haar kleding was zij een 
voorbeeld van eenvoudigheid. Een wit baadjoe van moesselien, met blauwe 
cordelire -- ik geloof dat men in Europa zulk een kledingstuk peignoir 
noemen zou -- was haar reiskleed. Om de hals had zij een dun zijden 
koordje, waaraan twee kleine medaljons, die ge echter niet te zien 
kreegt, daar ze verscholen waren in de plooien voor haar borst. 
Overigens, de haren  la chinoise, en een kransje melati in de kondeh 
... ziedaar al haar toilet.

Ik zei dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge haar 
voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult, zodra 
ik gelegenheid zal hebben haar voor te stellen, gloeiend van 
verontwaardiging over wat zij de `miskenning van 't genie' noemde, als 
haar aangebeden Max in 't spel was, of wanneer haar een denkbeeld 
bezielde, dat in verband stond met het welzijn van haar kind. Te 
dikwijls reeds is er gezegd dat het gelaat de spiegel der ziel is, om 
nog prijs te stellen op de portretwaarde van een onbeweeglijk gezicht, 
dat niets heeft af te spiegelen omdat er geen ziel in weerschijnt. 
Welnu, zij had een schone ziel, en wel moest men blind zijn, om niet ook 
haar gelaat voor schoon te houden als die ziel daarop te lezen stond.

Havelaar was een man van vijfendertig jaren. Hij was slank, en vlug in 
zijn bewegingen. Buiten zijn korte en beweeglijke bovenlip, en zijn 
grote flauw-blauwe ogen die, als hij in kalme stemming was, iets 
dromerigs hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem 
beheerste, viel er in zijn voorkomen niets bijzonders op te merken. Zijn 
blonde haren hingen sluik langs de slapen, en ik begrijp zeer goed dat 
weinigen, hem voor 't eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand 
voor zich te hebben, die wat hoofd en hart beide aangaat tot de 
zeldzaamheden behoorde. Hij was een `vat vol tegenstrijdigheids'. Scherp 
als een vlijm, en zacht als een meisje, voelde hijzelf altijd het eerst 
de wonde die zijn bittere woorden geslagen hadden, en hij leed daaronder 
meer dan de gekwetste. Hij was vlug van begrip, vatte terstond het 
hoogste, het ingewikkeldste, speelde gaarne met de oplossing van 
moeilijke vragen, had daarvoor alle moeite, alle studie, alle inspanning 
veil ... en dikwijls toch begreep hij de eenvoudigste zaak niet, die een 
kind hem had kunnen uitleggen. Vol liefde voor waarheid en recht, 
verwaarloosde hij menigmaal zijn eenvoudigste naastbijliggende 
verplichtingen, om een onrecht te herstellen dat hoger of verder of 
dieper lag, en dat door de vermoedelijk grotere inspanning van de strijd 
hem meer aanlokte. Hij was ridderlijk en moedig, maar verspilde, als die 
andere Don Quichot, zijn dapperheid dikwijls op een windmolen. Hij 
gloeide van onverzadelijke eerzucht die hem alle gewone onderscheiding 
in 't maatschappelijk leven, als nietig deed voorkomen, en toch stelde 
hij zijn grootst geluk in een kalm huiselijk vergeten leven. Dichter in 
de hoogste zin van 't woord, droomde hij zich zonnestelsels bij een 
vonk, bevolkte die met schepsels van zijn maaksel, voelde zich heer van 
een wereld die hijzelf had in 't leven geroepen ... en kon toch zeer 
goed terstond daarop zonder de minste dromerij een gesprek voeren over 
de prijs van de rijst, de regels der taal, of de economische voordelen 
ener Egyptische hoenderbroeierij. Geen wetenschap was hem geheel vreemd. 
Hem ahnde wat hij niet wist, en hij bezat in hoge mate de gaaf om 't 
weinige dat hij wist -- ieder weet weinig, en hij, misschien meer 
wetende dan sommige anderen, maakte op deze regel geen uitzondering -- 
om dat weinige aan te wenden op een wijs die de maat zijner kennis 
vermenigvuldigde. Hij was stipt en ordelijk, en daarbij buitengewoon 
geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem moeilijk 
vielen, daar zijn geest iets wilds had. Hij was langzaam en omzichtig in 
't beoordelen van zaken, hoewel dit niet zo scheen aan wie hem zo 
haastig zijn slotsommen hoorden uiten. Zijn indrukken waren te levendig, 
dan dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hij dikwijls 
dat ze duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem aan, en 
tegelijkertijd was hij onnozel en naef als een kind. Hij was eerlijk, 
vooral waar eerlijkheid in 't grootmoedige overging, en zou honderden 
die hij schuldig was, onbetaald laten omdat hij duizenden had 
weggeschonken. Hij was geestig en onderhoudend wanneer hij gevoelde dat 
zijn geest begrepen werd, maar anders stug en teruggetrokken. Hartelijk 
voor zijn vrienden, maakte hij -- wat te snel soms zijn vriend van al 
wat leed. Hij was gevoelig voor liefde en aanhankelijkheid ... trouw aan 
zijn gegeven woord ... zwak in kleinigheden, maar standvastig tot 
hoofdigheid toe, waar 't hem de moeite waard scheen karakter te tonen 
... nederig en welwillend voor wie zijn geestelijk overwicht erkenden, 
doch lastig wanneer men poogde zich daartegen te verzetten ... 
rondborstig uit trots, en bij vlagen achterhoudend, waar hij vreesde dat 
men zijn oprechtheid zou aanzien voor onverstand ... evenzeer vatbaar 
voor zinnelijk als voor geestelijk genot ... beschroomd en slecht 
bespraakt waar hij meende niet begrepen te worden, maar welsprekend als 
hij gevoelde dat zijn woorden op willige bodem vielen ... traag als hij 
niet werd aangespoord door enige prikkel die voortkwam uit zijn eigen 
ziel, maar ijverig, vurig, en doortastend waar dit wel het geval was ... 
voorts vriendelijk, beschaafd in zijn manieren, en onberispelijk van 
gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar!

Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeilijk zijn, geldt 
dit vooral van de beschrijving van een persoon die zeer ver van de 
dagelijkse grondvorm afwijkt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat 
romandichters hun helden gewoonlijk tot duivels of engelen maken. Zwart 
of wit laat zich gemakkelijk schilderen, maar moeilijker is 't juist 
weergeven van schakeringen die daartussen liggen, wanneer men aan 
waarheid gebonden is en dus noch te donker noch te licht mag kleuren. Ik 
gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst 
onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zijn van zo 
uiteenlopende aard, dat ze mij door overmaat van rijkdom in mijn oordeel 
belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen der 
gebeurtenissen die ik wens mee te delen, ter aanvulling terugkomen. Dit 
is zeker, hij was een ongewoon mens, en wel de moeite van 't bestuderen 
waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een zijner 
hoofdtrekken op te geven, dat hij de belachelijke en de ernstige zijde 
der dingen met dezelfde snelheid en tegelijkertijd opvatte, aan welke 
eigenschap zijn wijze van spreken, zonder dat hijzelf dit wist, een 
soort van humor ontleende, die zijn toehoorders gedurig in twijfel 
bracht, of ze getroffen waren door 't diep gevoel dat in zijn woorden 
heerste, of dat ze te lachen hadden over de koddigheid die op eenmaal de 
ernst daarvan afbrak.

Opmerkelijk was 't dat zijn voorkomen, en zelfs zijn aandoeningen, zo 
weinig sporen droegen van zijn doorgebracht leven. Het roemen op 
ondervinding is een belachelijke gemeenplaats geworden. Er zijn lieden 
.die vijftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze 
beweren te zwemmen, en die van al die tijd weinig anders zouden kunnen 
verhalen dan dat ze verhuisd zijn van de A-gracht naar de B-straat. 
Niets is gewoner dan op ervaring te horen bogen, juist door hen die hun 
grijze haren zo gemakkelijk verkregen. Anderen weer menen hun aanspraken 
op ondervinding te mogen gronden op werkelijk ondergane lotwisseling, 
zonder dat echter uit iets blijkt dat ze door die veranderingen werden 
aangegrepen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen dat het bijwonen, 
of ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig of geen invloed 
heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zijn toegerust met de 
vatbaarheid om indrukken op te vangen en te verwerken. Wie hieraan 
twijfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toekennen aan al 
de bewoners van Frankrijk, die veertig of vijftig jaren oud waren in 
1815? En zij allen waren toch personen die 't belangrijk drama dat in 
1789 aanving, hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer 
of min gewichtige rol, dat drama hadden meegespeeld. En, omgekeerd, hoe 
velen ondergaan een reeks van aandoeningen, zonder dat de uiterlijke 
omstandigheden hiertoe schenen aanleiding te geven. Men denke aan de 
Crusoe-romans, aan Silvio Pellico's gevangenschap, aan 't allerliefste 
Picciola van Saintine, aan de strijd in de borst ener `oude vrijster' 
die haar gehele leven door, n liefde koesterde, zonder ooit door een 
enkel woord te verraden wat er omging in haar hart, aan de aandoeningen 
van de mensenvriend die, zonder uiterlijk in de loop der gebeurtenissen 
betrokken te zijn, vurig belangstelt in 't welzijn van medeburger of 
medemens. Men stelle zich voor, hoe hij beurtelings hoopt en vreest, hoe 
hij elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een schoon denkbeeld, 
en gloeit van verontwaardiging, als hij het ziet wegdringen en 
vertrappen door de velen die, voor een ogenblik althans, sterker waren 
dan schone denkbeelden. Men denke aan de wijsgeer die vanuit zijn cel 
aan 't volk tracht te leren wat waarheid is, als hij bemerken moet dat 
zijn stem overschreeuwd wordt door pitistische huichelarij of 
gewinzoekende kwakzalvers. Men stelle zich Socrates voor -- niet als hij 
de gifbeker ledigt, want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, 
en niet die welke rechtstreeks door uiterlijke omstandigheden 
veroorzaakt wordt -- hoe bitter bedroefd zijn ziel moet geweest zijn, 
toen hij, die 't goede en ware zocht, zich hoorde noemen `een bederver 
der jeugd en een verachter der goden'.

Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hij zo treurig staart op 
Jeruzalem, en zich beklaagt `dat het niet gewild heeft'.

Zulk een kreet van smart -- voor gifbeker of kruishout -- vloeit niet 
uit een ongedeerd hart. Daar moet geleden zijn, daar is ondervonden!

Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en blijve. 
Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de 
verhuizing van de A-gracht! Hij had schipbreuk geleden, meer dan eens. 
Hij had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duellen, weelde, armoede, 
honger, cholera, liefde en `liefden' in zijn dagboek staan. Hij had vele 
landen bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand, 
zeden, vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur.

Wat dus de levensomstandigheden aangaat, kon hij veel ondervonden 
hebben. En dat hij werkelijk veel ondervonden hd, dat hij 't leven niet 
was doorgegaan zonder de indrukken op te vangen die 't hem zo 
ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zijn geest borg 
wezen, en de ontvankelijkheid van zijn gemoed.

Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel 
hij had bijgewoond en geleden, dat hiervan zo weinig op zijn gelaat te 
lezen was. Wel sprak er uit zijn trekken iets als vermoeienis, doch dit 
deed eer denken aan vroegrijpe jeugd dan aan naderende ouderdom. En 
naderende ouderdom had het toch moeten zijn, want in Indi is de man van 
vijfendertig jaar niet jong meer.

Ook zijn aandoeningen, zei ik, warenjong gebleven. Hij kon spelen met 
een kind, en als een kind, en meermalen klaagde hij dat `kleine Max' nog 
te jong was om vliegers op te laten, omdat hij, `de grote Max', daarvan 
zoveel hield. Met jongens sprong hij `haasje-over' en hij tekende heel 
gaarne een patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hij 
dezen meermalen de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk, 
ofschoon hij dikwijls zei dat ze wel wat beters konden doen dan dat 
`machinale steken tellen'. Bij jongelieden van achttien jaren was hij 
een jong student, die gaarne zijn Patriam canimus meezong, of Gaudeamus 
igitur ... ja, ik ben niet geheel zeker, dat hij niet nog zeer kort 
geleden, toen hij met verlof te Amsterdam was, een uithangbord heeft 
afgebroken, dat hem niet behaagde omdat er een neger op geschilderd was, 
geboeid aan de voeten van een Europeaan met een lange pijp in de mond, 
en waaronder natuurlijk te lezen stond: De rokende jonge koopman.

De baboe die hij uit de wagen had geholpen, geleek op alle baboes in 
Indi, als ze oud zijn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent, behoef 
ik u niet te zeggen hoe zij er uitzag. En als gij ze niet kent, kan ik 
het u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kindermeiden 
in Indi, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was een 
voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max 
te doen viel, deed zij zelf, tot grote verwondering van veel andere 
dames, die niet goedkeurden dat men zich maakte tot `slavin van zijn 
kinderen'.


Zevende hoofdstuk

De resident van Bantam stelde de regent en de controleur aan de nieuwe 
assistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten hoffelijk. De 
controleur -- er is altijd iets pijnlijks in de ontmoeting van een 
nieuwe chef- zette hij door enige vriendelijke woorden op zijn gemak, 
als wilde hij terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die 
't verkeer zou gemakkelijk maken. Met de regent was zijn ontmoeting 
zoals dit behoorde met een persoon die de gouden pajong voert maar die 
tegelijkertijd zijn `jongere broeder' wezen zou. Met deftige minzaamheid 
berispte hij hem over zijn te vurige dienstijver, die in zulk een weer 
hem tot aan de grenzen zijner Afdeling gevoerd had, 'tgeen dan ook de 
regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had 
behoeven te doen.

`Waarlijk, meneer de Adipati, ik ben boos op u dat ge u zoveel moeite 
gegeven hebt om mijnentwil! Ik dacht u eerst te Rangkas-Betoeng aan te 
treffen.'

`Ik wenste de heer assistent-resident zo spoedig mogelijk te zien om 
vriendschap te sluiten,' zei de Adipati.

`Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand 
van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te paard nogal!' 
`Ja, meneer de assistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog 
altijd vlug en sterk.'

`Dit is teveel van uzelf gevergd! Nietwaar, resident?'

`De heer Adipati. Is. Zeer.'

`Goed, maar er is een grens.'

`IJverig,' sleepte de resident achterna.

`Goed, maar er is een grens,' moest Havelaar nog eens zeggen, als om 't 
vorige terug te slikken. `Als u 't goed vindt, resident, zullen we 
plaats in de wagen maken. De baboe kan hier blijven, we zullen haar een 
tandoe zenden van Rangkas-Betoeng. Mijn vrouw neemt Max op de schoot ... 
nietwaar, Tine? En dan is er plaats genoeg.'

`Het. Is. Mij.'

`Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ...' `Wel!' 
zei de resident.

`Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te paard door de modder zoudt 
klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan meteen 
terstond kennis maken. Nietwaar, Tine, we zullen ons wel schikken? Hier, 
Max ... kijk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is 
mijn kleine jongen ... dat is Max!'

De resident had met de Adipati in de pendopo plaats genomen. Havelaar 
riep Verbrugge om hem te vragen wie die schimmel behoorde met rode 
schabrak? En toen Verbrugge naar de ingang van de pendopo trad, om te 
zien welk paard hij bedoelde, legde hij deze de hand op de schouder, en 
vroeg:

`Is de regent altijd zo dienstijverig?'

`'t Is een kras man voor zijn jaren, meneer Havelaar, en u begrijpt dat 
hij gaarne een goede indruk op u maken zou.'

`Ja, dat begrijp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hij is 
beschaafd, nietwaar?'

`O ja ...'

`En hij heeft een grote familie?'

Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hij deze overgang niet. Dit was 
dan ook, voor wie hem niet kende, dikwijls moeilijk. De vlugheid van 
zijn geest deed hem in gesprekken meermalen enige schakels der 
redenering overslaan, en hoe geleidelijk ook deze overgang plaats vond 
in zijn gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet 
gewoon aan zijn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men bij zulk een 
gelegenheid hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: Ben 
je gek ... of hoe is het?

Zoiets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest de 
vraag herhalen, voor hij antwoordde:

`Ja, hij heeft een zeer uitgebreide familie.'

`En zijn er medjids in aanbouw in de Afdeling?' ging Havelaar voort, 
alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf, 
scheen aan te duiden dat er verband bestond tussen die moskeen en de 
`grote familie' van de regent.

Verbrugge antwoordde dat er werkelijk veel aan moskeen gearbeid werd.

`Ja, ja, dit wist ik wel!' riep Havelaar. `En zeg me nu eens, of er veel 
achterstand is in de betaling van de landrenten?'

`Ja, dat kon wel beter zijn ...'

`Juist, en vooral in het district Parang-Koedjang,' zei Havelaar, als 
vond hij 't makkelijker zelf te antwoorden. `Hoe hoog is de aanslag van 
dit jaar?' ging hij voort, en bemerkende dat Verbrugge enigszins 
weifelde, als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, 
die in n adem aldus vervolgde:

`Goed, goed, ik weet het al ... zesentachtigduizend en enige honderden 
... vijftienduizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar zesduizend 
boven `45. We zijn sedert `43 maar achtduizend vooruitgegaan ... en ook 
de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In twaalfjaar zijn we 
maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag, want de tellingen 
waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van `50 op `51 is er zelfs 
een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ... dat is een slecht 
teken, Verbrugge! Wat drommel, zie dat paard eens springen, ik geloof 
dat het koldert ... kom eens kijken, Max!'

Verbrugge bemerkte dat hij de nieuwe assistent-resident weinig zou te 
leren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door `lokale 
ancinniteit' wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.

`Maar 't is natuurlijk,' ging Havelaar voort, terwijl hij Max op de arm 
nam. `In het Tjikandische en Bolangse zijn ze er heel blij om ... en de 
opstandelingen in de Lampongs ook. Ik beveel me zeer aan voor uw 
medewerking, meneer Verbrugge! De regent is een man van jaren, en dus 
moeten we ... zeg eens, is zijn schoonzoon nog altijd districtshoofd? 
Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelijkheid 
verdient ... de regent, meen ik. Ik ben zeer blij dat hier alles zo 
achterlijk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blijven.'

Hierop reikte hij aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkerende 
naar de tafel waar de resident, de Adipati en mevrouw Havelaar gezeten 
waren, voelde reeds iets beter dan vijfminuten vroeger, dat `die 
Havelaar zo gek niet was' als de commandant meende. Verbrugge was 
volstrekt niet misdeeld van verstand, en hij die de afdeling Lebak 
kende, nagenoeg zo goed als een zo grote landstreek waar niets gedrukt 
wordt, door n persoon gekend worden kn, begon in te zien dat er toch 
verband was tussen de schijnbaar niet samenhangende vragen van Havelaar, 
en tevens dat de nieuwe assistent-resident, hoezeer hij nooit de 
Afdeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hij nog 
altijd die vreugde niet over de armoede in Lebak, maar hij drong zich 
op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel, toen 
Havelaar hem meermalen hetzelfde zei, zag hij in hoeveel groots en edels 
er was in die vreugde.

Havelaar en Verbrugge namen plaats bij de tafel, en onder 't gebruiken 
van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso de 
resident kwam berichten dat de verse paarden waren voorgespannen. Men 
pakte zich zo goed mogelijk in de wagen, en reed heen. Door 't hotsen en 
stoten viel 't spreken moeilijk. Kleine Max werd rustig gehouden met 
pisang en zijn moeder die hem op schoot had, wilde volstrekt niet 
bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van de zware 
jongen te ontlasten. In een ogenblik van gedwongen rust in een 
moddergat, vroeg Verbrugge de resident, of hij met de nieuwe assistent-
resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering.

`Meneer. Havelaar. Heeft. Gezegd.'

`Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan bij ons blijven. Ik zou 
niet gaarne ...'

`Dat. Het. Goed. Was.' sleepte de resident er met veel moeite bij.

`Ik zou niet gaarne mijn huis ontzeggen aan een dame in haar 
omstandigheden! Zoiets spreekt vanzelf... nietwaar, Tine?'

Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.

`U heeft twee huizen te Rangkas-Betoeng,' zei Verbrugge. `Er is ruimte 
in overvloed voor twee familin.'

`Maar, al was dit zo niet ...'

`Ik. Durfde. Het. Haar.'

`Wel, resident,' riep mevrouw Havelaar, `er is geen twijfel aan!'

`Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.'

`Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen bij ons.'

`Een. Grote. Last. En. Zij. Is.'

`Maar het reizen in haar positie is onmogelijk, resident!'

Een hevige schok van de wagen die ontmodderd werd, zette een 
uitroepingsteken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelijk was 
voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelijke h! geroepen, dat op 
zulk een stoot volgt, Max had in de schoot zijner moeder de pisang 
weergevonden, die hij door de schok verloor, en reeds was men een heel 
eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident 
besluiten kon zijn zinsnede te voleinden, door er bij te voegen:

`Een. Inlandse. Vrouw.'

`O, dit is volkomen hetzelfde,' trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar 
te maken. De resident knikte, als vond hij het goed dat die zaak dus 
geregeld was, en daar het spreken zo moeilijk viel, brak men 't gesprek 
af

Die mevrouw Slotering was de weduwe van Havelaars voorganger die twee 
maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorlopig belast met 
het ambt van assistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende 
die tijd de ruime woning te betrekken, die te Rangkas-Betoeng, zoals in 
elke afdeling, van landswege voor 't hoofd van het gewestelijk bestuur 
is opgericht. Hij had dit echter niet gedaan, gedeeltelijk misschien uit 
vrees dat hij te spoedig opnieuw zou moeten verhuizen, gedeeltelijk om 
't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen over te laten. Er ware 
anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vrij grote assistent-
residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde `erf' nog een ander 
huis dat vroeger daartoe gediend had, en in weerwil van de enigszins 
bouwvallige staat, nog altijd zeer geschikt was ter bewoning.

Mevrouw Slotering had de resident verzocht haar voorspraak te zijn bij 
de opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te 
bewonen tot na haar verlossing, die zij over enige maanden tegemoet zag. 
Het was dit verzoek dat door Havelaar en zijn vrouw zo geredelijk was 
toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvrij en 
hulpvaardig waren zij in de hoogste mate.

We hoorden de resident zeggen dat mevrouw Slotering een `inlandse vrouw' 
was. Dit vereist voor niet-Indische lezers enige opheldering, daar men 
allicht tot de onjuiste mening geraken zou hier met een eigenlijk-
Javaanse te doen te hebben.

De Europese maatschappij in Nederlands-Indi is vrij scherp in twee 
delen gesplitst: de eigenlijke Europeanen, en dezulken die -- hoezeer 
wettelijk in geheel dezelfde rechtstoestand verkerende -- niet in Europa 
geboren zijn, en min of meer inlands bloed in de aderen hebben. Ter ere 
der begrippen van menselijkheid in Indi, haast ik me hier bij te voegen 
dat, hoe scherp ook de lijn zij die in 't maatschappelijk verkeer wordt 
getrokken tussen de twee soorten van individuen welke tegenover de 
inlander gelijkelijk de naam van Hollander dragen, deze afscheiding 
evenwel geenszins 't barbaars karakter vertoont, dat in Amerika bij de 
standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er nog altijd veel 
onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blijft bestaan, en dat 
het woord liplap mij meermalen in de oren klonk als een bewijs hoe ver 
de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving verwijderd is. 
Het is waar dat de liplap niet dan bij uitzondering in gezelschappen 
wordt toegelaten, en dat hij gewoonlijk, als ik me hier van een zeer 
gemeenzame uitdrukking bedienen mag: `niet voor vol wordt aangezien', 
maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting horen 
voorstellen en verdedigen als een grondbeginsel. Het staat natuurlijk 
ieder vrij, zijn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men mag het 
de eigenlijke Europeaan niet euvel duiden, wanneer hij de omgang met 
lieden van zijn landaard voortrekt boven 't verkeer met personen die -- 
hun meer of minder zedelijke en verstandelijke waarde in 't midden 
gelaten -- zijn indrukken en denkbeelden niet delen, of -- en dit is 
misschien bij vermeend verschil van beschaving, zeer dikwijls de 
hoofdzaak -- wier vooroordelen een andere richting hebben genomen dan de 
zijne.

Een liplap -- om de term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden, 
zou ik moeten zeggen een dusgenaamd inlands kind, maar ik vraag 
vergunning mij te houden aan 't spraakgebruik dat uit alliteratie 
geboren schijnt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beledigends 
bedoel, en wat betekent het woord dan ook? -- een liplap heeft veel 
goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds, 
en ook hierin alzo gelijken zij op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde 
dat aan beiden eigen is loopt teveel uit elkander, dan dat hun verkering 
over 't algemeen tot wederzijds genoegen kan strekken. Bovendien -- en 
hieraan heeft de regering veel schuld -- is de liplap dikwijls slecht 
onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen zou, als hij zo 
van de jeugd af ware belemmerd geworden in zijn ontwikkeling, maar zeker 
is het dat de geringe wetenschappelijke ontwikkeling van de liplap in 't 
algemeen zijn gelijkstelling met de Europeaan in de weg staat, ook daar 
waar hij als individu in beschaving, wetenschap of kunst, misschien de 
voorrang boven een bepaalde Europese persoon verdienen zou.

Ook hieraan is weer niets nieuws. Het lag ook bijv. in de staatkunde van 
Willem de Veroveraar, om de minstbeduidende Normandir te verheffen 
boven de beschaafdste Sakser, en elke Normandir beriep zich gaarne op 
't overwicht der Normandirs in het algemeen, om zijn persoon ook daar 
te doen gelden, waar hij de minste zou geweest zijn zonder de invloed 
zijner stamgenoten als bovenliggende partij.

Uit zoiets wordt natuurlijk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren, 
die niet zou weg te nemen zijn dan door wijsgerige onbekrompen inzichten 
en maatregelen van het bestuur.

Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan de winnende kant is, zich 
in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelijk schikt, spreekt vanzelf. 
Maar dikwijls is 't koddig, iemand die zijn beschaving en taal 
grotendeels opdeed in de Rotterdamse Zandstraat, de liplap te horen 
uitlachen omdat deze een glas water en 't gouvernement, mannelijk, of 
zon en maan onzijdig maakt.

Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zijn, of geleerd -- er zijn 
er zo! -- zodra de Europeaan, die zich ziek hield om achter te blijven 
van 't schip waarop hij borden waste, en die zijn aanspraken op 
beleefdheid baseert op `uwee' en `verexcuseer', aan het hoofd staat van 
de handelsonderneming die zo `enorm' gewonnen heeft op de indigo in 1800 
zoveel ... nee, lang voor hij de toko bezat, waarin hij hammen en 
jachtgeweren verkoopt -- wanneer zo'n Europeaan opmerkt dat de 
beschaafdste liplap moeite heeft de h en de g uit elkaar te houden, 
lacht hij over de domheid van de man die niet weet dat er onderscheid is 
tussen een gouden hek en een houten gek.

Maar om hierover niet te lachen, had hij moeten weten dat in het 
Arabisch en Maleis de cha en de hha door n karakter worden uitgedrukt, 
dat Hieronymus via Geronimo in Jerme overgaat, dat we van huano, guano 
maken, dat een want een handschoen is, dat kous van hose afstamt, en dat 
we voor Guild Heaume in 't Hollands Huillem of Willem zeggen. Zoveel 
eruditie is teveel gevergd van iemand die zijn fortuin maakte `in' de 
indigo, en z'n beschaving haalde uit het welgelukken van dobbelarij ... 
of erger!

En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!

Ik begrijp hoe Willem van Guillaume komt, en moet erkennen dat ik, 
vooral in de Molukken, zeer dikwijls `liplappen' heb leren kennen, die 
me deden verbaasd staan over de omvang hunner kennis, en die mij op 't 
denkbeeld brachten dat wij Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook ten 
dienste stonden, dikwijls -- en niet vergelijkenderwijze alleen verre 
ten achter staan bij de arme paria's, die van de wieg af hadden te 
strijden met kunstmatig-onbillijke terugzetting en 't zot vooroordeel 
tegen hun kleur.

Maar mevrouw Slotering was eens voor al gevrijwaard voor fouten in 't 
Hollands, omdat ze nooit anders dan Maleis sprak. We zullen haar later 
te zien krijgen, als we met Havelaar, Tine en kleine Max theedrinken in 
de voorgalerij der assistent-residentswoning te Rangkas-Betoeng, waar 
ons reisgezelschap, na lang hotsen en stoten, eindelijk behouden 
aankwam.

De resident, die slechts was meegekomen om de nieuwe assistent-resident 
in zijn ambt te bevestigen, gaf de wens te kennen nog diezelfde dag naar 
Serang terug te keren:

`Omdat. Hij.'

Havelaar betuigde insgelijks bereid te zijn tot alle spoed ...

`Het. Zo. Druk. Had.'

... en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de 
grote voorgalerij der woning van de regent zou bijeenkomen. Verbrugge, 
hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de districtshoofden, de 
patih, de kliwon, de djaksa, de belasting-collecteur, enige mantri's, en 
voorts aan alle inlandse beambten die deze plechtigheid moesten 
bijwonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te verzamelen. De Adipati 
nam afscheid, en reed naar zijn huis. Mevrouw Havelaar bezag haar nieuwe 
woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de tuin groot was, 
'tgeen haar zo goed voorkwam voor kleine Max die veel in de lucht moest. 
De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan om zich te 
verkleden, want bij de plechtigheid die er plaats hebben zou, scheen het 
officieel voorgeschreven kostuum een vereiste te wezen. Rondom het huis 
stonden honderden mensen, die of te paard de wagen van de resident 
hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen hoofden behoorden. 
De politie- en bureau-oppassers liepen bedrijvig heen en weer. Kortom, 
alles toonde aan dat de eentonigheid op dat vergeten plekje gronds in de 
Javase Westhoek, voor een ogenblik werd afgebroken door wat leven.

Weldra reed de fraaie wagen van de Adipati 't voorplein op. De resident 
en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat struikelend 
over hun degens, stapten erin, en begaven zich naar de woning van de 
regent, waar ze met muziek van gongs en gamelans ontvangen werden. Ook 
Verbrugge, die zich van zijn bemodderd kostuum had ontdaan, was reeds 
daar aangekomen. De mindere hoofden zaten in een grote kring, naar 
oosterse wijze op matten op de grond, en aan 't eind van de lange 
galerij stond een tafel, waaraan de resident, de Adipati, de assistent-
resident, de controleur en een zestal hoofden plaats namen. Men diende 
thee met gebak rond, en de eenvoudige plechtigheid begon.

De resident stond op, en las het besluit van de gouverneur-generaal 
voor, waarbij Max Havelaar was aangesteld tot assistent-resident van de 
afdeling Banten-Kidoel of Zuid-Bantam, zoals Lebak door de inlanders 
genoemd wordt. Hij nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot 
de aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en 
houdende: `dat men om tot het ambt van *** te worden benoemd of 
bevorderd, niemand iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; 
dat men gehouw en getrouw zal zijn aan Zijne Majesteit de Koning der 
Nederlanden; gehoorzaam aan Zijner Majesteits vertegenwoordiger in de 
Indische gewesten; dat men stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de 
wetten en bepalingen, die gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat 
men zich in alles zal gedragen gelijk een goed ... (hier: assistent-
resident) betaamt.'

Hierop volgde natuurlijk het sacramentele: `Zo waarlijk helpe mij God 
Almachtig. `

Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in deze eed begrepen, had 
eigenlijk moeten worden beschouwd de belofte: De inlandse bevolking te 
zullen beschermen tegen uitzuiging en onderdrukking. Want, zwerende dat 
men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men 
slechts het oog te slaan op de talrijke voorschriften dienaangaande, om 
in te zien dat eigenlijk een bijzondere eed hieromtrent niet te pas 
kwam. Maar de wetgever schijnt gemeend te hebben dat overvloed van goed 
niet schaden kan, althans men vordert van de assistent-residenten een 
afzonderlijke eed, waarbij die verplichting omtrent de geringe man 
nogeens uitdrukkelijk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal `God 
Almachtig' tot getuige nemen bij de belofte: dat hij de `Inlandse 
bevolking beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en 
knevelarij. `

Voor een fijne opmerker zou 't de moeite waard zijn geweest, het 
onderscheid gade te slaan tussen houding en toon van de resident en van 
Havelaar bij deze gelegenheid. Beiden hadden zij dusdanige plechtigheid 
meermalen bijgewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't 
meer of min getroffen zijn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen 
veroorzaakt door 't uiteenlopende der karakters en begrippen van deze 
beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlijk, daar 
hij 't besluit en de eden slechts behoefde vr te lezen, 'tgeen hem de 
moeite bespaarde naar zijn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde 
van zijn kant alles met een deftigheid en een ernst, die de 
oppervlakkige beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van 
't gewicht dat hij aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hij 
met opgeheven vinger de eden nasprak, had iets in gelaat, stem en 
houding, alsof hij zeggen wilde: `Dat spreekt vanzelf, ook zonder God 
Almachtig zou ik dat doen', en wie menskunde bezat, zou meer vertrouwd 
hebben op zijn ongedwongenheid en schijnbare onverschilligheid, dan op 
de ambtelijke deftigheid van de resident.

Is 't niet inderdaad bespottelijk, te menen dat de man die geroepen is 
recht te spreken, de man aan wie het wel of wee van duizenden is in 
handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken 
klanken, wanneer hij niet, ook zonder die klanken, zich daartoe 
gedrongen voelt door zijn eigen hart?

Wij geloven van Havelaar, dat hij de armen en onderdrukten, waar hij die 
mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hij bij `God Almachtig' 
het tegendeel beloofd.

Daarop volgde een toespraak van de resident tot de hoofden, waarop hij 
hun de assistent-resident als opperhoofd der Afdeling voorstelde, hen 
uitnodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt na te komen, en 
dergelijke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop n voor n 
bij name aan Havelaar voorgesteld. Hij reikte ieder de hand, en de 
`installatie' was afgelopen.

Men gebruikte ten huize van de Adipati 't middagmaal, waartoe ook de 
commandant Duclari genodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte de 
resident, die gaarne nog die avond te Serang wilde terug zijn:

`Omdat. Hij. Het. Zo. Bijzonder. Druk. Had.'

... weer in zijn reiswagen, en zo keerde Rangkas-Betoeng weldra terug 
tot een stilte, als te verwachten is van een Javase binnenpost die door 
slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan de grote 
weg gelegen was.

De kennismaking tussen Duclari en Havelaar was spoedig op een 
gemakkelijke voet gebracht. De Adipati gaf blijken van ingenomenheid met 
zijn nieuwe `oudere broeder' en Verbrugge verhaalde later dat ook de 
resident, die hij op zijn terugreis naar Serang een eindweegs uitgeleide 
had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar 
doortocht naar Lebak enige dagen te zijnen huize vertoefde, had 
uitgelaten. Ook zei hij dat Havelaar, bij de regering goed aangetekend 
staande, hoogstwaarschijnlijk spoedig tot een hoger ambt bevorderd, of 
althans naar een meer `voordelige' Afdeling verplaatst worden zou.

Max en `zijn Tine' waren eerst onlangs van een reis naar Europa 
teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer 
eigenaardig een koffertjesleven heb horen noemen. Zij achtten zich dus 
gelukkig, na veel omzwervens eindelijk weer eens een plek te bewonen 
waar zij zouden thuisbehoren. Vr hun reis naar Europa, was Havelaar 
assistent-resident van Amboina geweest, waar hij met veel moeilijkheden 
had te strijden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistende 
en oproerige toestand verkeerde tengevolge van de vele verkeerde 
maatregelen die in de laatste tijd genomen waren. Niet zonder veerkracht 
had hij deze geest van verzet weten te onderdrukken, doch uit verdriet 
over de weinige hulp die men hem hierin van hogerhand verleende, en uit 
ergernis over 't ellendig bestuur dat sedert eeuwen de heerlijke streken 
der Molukken ontvolkt en bederft ...

De belangstellende lezer trachte te lezen te krijgen wat over dit 
onderwerp reeds in 1825 door de baron Van der Capellen geschreven werd, 
en kan de publikatin van deze mensenvriend vinden in het Indische 
Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert die tijd niet beter op 
geworden!

Hoe dit zij, Havelaar deed te Amboina wat hij mocht en kon, maar uit 
ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats 
geroepen waren zijn pogingen te steunen, was hij ziek geworden, en dit 
had hem bewogen naar Europa te vertrekken. Strikt genomen had hij bij 
wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins 
welvarende Afdeling Lebak, daar zijn werkkring te Amboina van groter 
gewicht was, en hij daar, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf 
gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hij naar Amboina vertrok, 
sprake van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus 
sommigen dat hem thans het bestuur ener Afdeling werd opgedragen, die 
aan cultuur-emolumenten zo weinig opbracht, dewijl velen het belang ener 
bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hijzelf echter 
beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zijn eerzucht was geenszins 
van dien aard, dat hij bedelen zou om hogere rang of meer gewin.

En dit laatste ware hem toch goed te stade gekomen! Want op zijn reizen 
in Europa had hij het weinige uitgegeven, dat hij in vorige jaren had 
overgegaard. Zelfs had hij daar schulden achtergelaten, en hij was dus, 
in n woord, arm. Doch nooit had hij zijn ambt beschouwd als een 
geldwinning, en bij zijn benoeming naar Lebak nam hij zich met 
tevredenheid voor, het achterstallige door zuinigheid in te halen, in 
welk voornemen zijn vrouw, die zo eenvoudig was in smaak en behoeften, 
hem met groot genoegen ondersteunen zou.

Maar zuinigheid viel Havelaar moeilijk. Hij voor zich zelf kon zich tot 
het strikt nodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hij 
binnen de grens daarvan blijven, doch waar anderen hulp behoefden, was 
hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hij zelf zag dit zwak in, 
beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe onrecht 
hij deed, iemand te ondersteunen, waar hij zelf meer aanspraak zou gehad 
hebben op zijn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog levendiger, 
wanneer ook `zijn Tine' en Max, die hij beiden zo lief had, te lijden 
hadden onder de gevolgen zijner vrijgevigheid ... hij verweet zich zijn 
goedhartigheid als zwakte, als ijdelheid, als zucht om voor een verklede 
prins door te gaan ... hij beloofde zich beterschap, en toch ... telkens 
als deze of gene zich aan hem wist voor te doen als 't slachtoffer van 
tegenspoed, vergat hij alles om te helpen. En dit in weerwil der bittere 
ondervinding van de gevolgen dezer door overdrijving tot fout geworden 
deugd. Acht dagen voor de geboorte van zijn kleine Max, bezat hij 't 
nodige niet om 't ijzeren wiegje te kopen waarin zijn lieveling rusten 
zou, en weinig tijds tevoren nog had hij de weinige versierselen zijner 
vrouw opgeofferd, om iemand bij te staan, die gewis in beter 
omstandigheden verkeerde dan hijzelf.

Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zij waren aangekomen te 
Lebak! Met vrolijke kalmte hadden zij bezit genomen van het huis, `waar 
ze nu toch enige tijd hoopten te blijven'. Met een eigenaardig genot 
hadden zij te Batavia de meubelen besteld, die alles zo comfortable en 
gezellig maken zouden. Zij toonden elkaar de plekken waar ze zouden 
ontbijten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan, 
waar hij 's avonds haar zou voorlezen wat hij die dag geschreven had, 
want hij was altijd bezig met het ontwikkelen zijner denkbeelden op 't 
papier ... en: `Eens zou dat gedrukt worden', meende Tine, `en dan zou 
men zien wie haar Max was!' Maar nooit had hij iets ter perse laten 
leggen van wat er in zijn hoofd omging, omdat zekere schroom hem 
bezielde, die wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hij zelf althans wist 
deze tegenzin niet beter te beschrijven, dan door aan wie hem 
aanspoorden tot publiciteit, te vragen: `Zoudt gij uw dochter op straat 
laten lopen zonder hemd?'

Dit was dan weer een van de vele boutades, die zijn omgeving deden 
zeggen dat `die Havelaar toch een zonderling mens was,' en ik beweer het 
tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zijn ongewone wijze van 
spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van 
een meisje, wellicht de tekst gevonden hebben voor een verhandeling over 
de kuisheid van de geest, die schuw is voor de blikken van de lompe 
voorbijganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelijke 
schroomvalligheid.

Ja, ze zouden gelukkig zijn te Rangkas-Betoeng, Havelaar en zijn Tine! 
De enige zorg die hen drukte, waren de schulden die zij in Europa hadden 
achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar 
Indi, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was 
er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zijner 
inkomsten? Misschien ook, ja waarschijnlijk, zou hij spoedig resident 
worden, en dan werd alles makkelijk geregeld in weinig tijd ...

`Hoewel 't mij erg spijten zou, Tine, Lebak te verlaten, want er is hier 
veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wij misschien 
alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang hier te 
blijven, heel lang!'

Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefde hij tot haar niet te richten. 
Zij had er waarlijk geen schuld aan, dat spaarzaamheid nodig was 
geworden, doch ze had zich zo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die 
aansporing geenszins opvatte als een verwijt, wat het dan ook niet was. 
Want Havelaar wist zeer goed dat hij alleen gefaald had door zijn te ver 
gedreven vrijgevigheid, en dat haarfout -- ls er dan een fout bestond 
aan haar zijde -- alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max 
altijd alles had goedgekeurd wat hij deed.

Ja, zij had het goed gevonden, toen hij die beide arme vrouwen uit de 
Nieuwstraat, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren 
`uitgeweest' rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig 
voorwendsel dat de Koning hem belast had met: `Het amuseren van oude 
vrouwtjes die zich zo goed gedragen hadden'. Zij vond het goed dat hij 
de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk 
onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. Zij begreep volkomen dat hij 
de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug 
wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de 
harp behoorde, en de viool, en de bas, die zij zo nodig hadden voor hun 
schamel bedrijf. Zij kon het niet afkeuren dat hij 't meisje tot haar 
bracht, dat 's avonds op de straat hem had aangesproken ... dat hij haar 
te eten gaf en herbergde, en 't l te goedkoop `Ga heen, en zondig niet 
meer!' niet uitsprak, voor hij haar dat `niet zondigen' had mogelijk 
gemaakt. Zij vond het zeer schoon in haar Max, dat hij 't klavier liet 
terugbrengen in de voorkamer van de huisvader, die hij had horen zeggen 
hoe leed het hem deed, dat de meisjes verstoken waren van muziek `na dat 
bankroet'. Zij begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrijkocht 
te Menado, die zo bitter bedroefd was te moeten stijgen op de tafel des 
afslagers. Zij vond het natuurlijk dat Max paarden weergaf aan de 
Alfoeren in de Minahassa, wier paarden waren doodgereden door de 
officieren van de Bayonnaise. Zij had er niets tegen dat hij te Menado 
en te Amboina de schipbreukelingen der Amerikaanse whalers bij zich riep 
en verzorgde, en zich te grand seigneur achtte om een 
herbergiersrekening voor te leggen aan 't Amerikaanse gouvernement. Zij 
begreep volkomen waarom de officieren van bijna elk aangekomen 
oorlogsschip grotendeels bij Max logeerden, en dat zijn huis hun geliefd 
pied--terre was.

Was hij niet hr Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet 
ongerijmd, hem die zo vorstelijk dacht, te willen binden aan de regels 
van spaarzaamheid en huishoudelijkheid die voor anderen gelden? En 
bovendien, al mocht er dan soms voor 't ogenblik iets onevenredigs wezen 
tussen inkomsten en uitgaven, was Max, hr Max, niet bestemd voor een 
schitterende loopbaan? Moest hij niet weldra in omstandigheden verkeren, 
die hem zouden in staat stellen zonder overschrijding zijner inkomsten 
de vrije loop te laten aan zijn groothartige neigingen? Moest hr Max 
niet gouverneur-generaal worden van dat lieve Indi, of... een koning? 
Was 't niet vreemd zelfs, dat hij niet reeds koning ws? Als er een fout 
bij haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid met Havelaar 
schuld daaraan, en zo ooit, dan zou 't hier gelden: dat men veel 
vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!

Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te delen in de overdreven 
begrippen die zij van haar Max koesterde, mag men toch aannemen dat hij 
een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond uitzicht zich 
had verwezenlijkt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen zijner 
vrijgevigheid weldra uit de weg te ruimen geweest zijn. Maar nog een 
reden van geheel andere aard verontschuldigde haar en zijn schijnbare 
zorgeloosheid.

Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was bij haar familie 
opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mee dat zij een klein vermogen 
bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele 
brieven van vroeger tijd, en uit enige losse aantekeningen die zij in 
een van haar moeder afkomstige cassette bewaarde, dat haar familie zo 
van vaders- als van moederszijde zeer rijk was geweest, zonder dat hem 
evenwel duidelijk worden kon, waar, waardoor of wanneer die rijkdom was 
verloren gegaan. Zij zelf, die nooit belang gesteld had in zaken van 
geldelijke aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar bij 
haar aandrong op enige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van 
haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem de 
Vijfde naar Engeland uitgeweken en ritmeester geweest bij 't leger des 
hertogs van York. Hij scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlijke 
familie een vrolijk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd 
opgegeven als oorzaak van de ondergang zijner fortuin. Later, bij 
Waterloo, sneuvelde hij in een charge onder de huzaren van Boreel. 
Aandoenlijk was het, de brieven te lezen van haar vader -- toen een 
jongeling van achttienjaren, die als luitenant bij dat korps in dezelfde 
charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hij acht 
jaren later krankzinnig sterven zou -- brieven aan zijn moeder, waarin 
hij zich beklaagde hoe hij vruchteloos op het slagveld naar 't lijk 
zijns vader had gezocht.

Wat haar afkomst van moederszijde aangaat, herinnerde zij zich dat haar 
grootvader op zeer aanzienlijke voet geleefd had, en uit sommige 
papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posterijen in 
Zwitserland, op de wijze zoals thans nog in een groot gedeelte van 
Duitsland en Itali, die tak van inkomst de apanage uitmaakt der vorsten 
van Turn en Taxis. Dit deed een groot vermogen veronderstellen, maar ook 
hiervan was door geheel onbekende oorzaken niets, of zeer weinig 
althans, overgegaan op het tweede geslacht.

Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zijn 
huwelijk, en bij zijn nasporingen wekte het zijn verwondering dat de 
cassette waarvan ik zoven sprak -- en die zij met de inhoud uit een 
gevoel van piteit bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien 
stukken waren, die belang hadden uit een geldelijk oogpunt -- op 
onbegrijpelijke wijze was verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hij 
bouwde op deze en vele andere omstandigheden de mening dat hierachter 
een roman intime verscholen lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat 
hij, die voor zijn dure inborst veel behoefde, met vreugde die roman een 
blij einde had zien nemen. Hoe 't nu wezen moge met het bestaan van die 
roman, en of er al dan niet spoliatie had plaats gehad, zeker is 't dat 
er in Havelaars verbeelding iets geboren werd, wat men een rve aux 
millions zou kunnen noemen.

Doch alweer was 't eigenaardig dat hij die zo nauwkeurig en scherp het 
recht van een ander -- hoe diep ook begraven onder stoffige akten en 
dikwebbige chicanes -- zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hij hier 
waar zijn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het ogenblik 
verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hij 
scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zijn eigen voordeel 
gold, en ik geloof zeker wanneer `zijn Tine' gehuwd ware geweest met een 
ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag 
te verbreken, waarin haar voorouderlijk fortuin was blijven hangen, dat 
hij geslaagd zou zijn `de interessante wees' in 't bezit te stellen van 
het vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees zijn 
vrouw, haar vermogen was het zijne, hij vond er dus iets koopmansachtigs 
in, iets derogerends, in haar naam te vragen: `Zijt ge mij niet nog iets 
schuldig?'

En toch kon hij die miljoenendroom niet van zich schudden, al ware het 
dan ook slechts om een verontschuldiging bij de hand te hebben, bij het 
dikwijls voorkomend zelfverwijt dat hij te veel geld uitgaf

Eerst kort voor het terugkeren naar Java, toen hij reeds veel geleden 
had onder de druk van geldgebrek, toen hij zijn fier hoofd had moeten 
buigen onder de furca caudina van menige schuldeiser, had hij zijn 
traagheid of zijn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de 
miljoenen die hij meende nog te goed te hebben. En men antwoordde hem 
met een oude rekening-courant ... een argument, zoals men weet, 
waartegen niets valt in te brengen.

Maar ze zouden zo spaarzaam wezen te Lebak! En waarom ook niet? Er 
dwalen in zo'n onbeschaafd land, op de late avond geen meisjes over 
straat, die een weinig eer te verkopen hebben voor een weinig voedsel. 
Er zwerven daar zo geen mensen rond, die van problematische beroepen 
leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin opeens te gronde gaat door 
wisseling van fortuin ... en van zodanige aard toch waren gewoonlijk de 
klippen waarop de goede voornemens van Havelaar strandden. Het getal 
Europeanen in die Afdeling was zo gering dat het niet in aanmerking 
komen kon, en de Javaan te Lebak te arm, om -- bij welke lotswisseling 
ook -- belangwekkend te worden door nog groter armoede. Dit alles 
overdacht Tine zo niet -- hiertoe toch had zij zich, juister dan zij uit 
liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven van de oorzaken 
hunner min gunstige omstandigheden -- maar er lag in hun nieuwe omgeving 
iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen -- met meer of 
min vals-romaneske tint dan -- die vroeger Havelaar zo dikwijls hadden 
doen zeggen:

`Nietwaar, Tine, dt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken 
kan?'

En waarop zij altijd geantwoord had:

`Welnee, Max, draan kan je je niet onttrekken!'

We zullen zien hoe 't eenvoudige, schijnbaar onbewogen Lebak Havelaar 
meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zijn hart te zamen 
genomen. Maar dit wisten zij niet! Zij zagen de toekomst met vertrouwen 
tegemoet, en voelden zich zo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van 
hun kind ...

`Wat al rozen in de tuin,' riep Tine, `en ziedaar ook rampeh en 
tjempaka, en zoveel melati, en zie eens die schone lelin ...'

En, kinderen als ze waren, vermaakten zij zich met hun nieuwe huis. En 
toen 's avonds Duclari en Verbrugge, na een bezoek bij Havelaar, 
terugkeerden naar hun gemeenschappelijke woning, spraken zij veel over 
de kinderlijke vrolijkheid van de nieuw aangekomen familie.

Havelaar begaf zich naar zijn kantoor, en bleef daar de nacht door, tot 
de volgende morgen.


Achtste hoofdstuk

Havelaar had de controleur verzocht, de hoofden die te Rangkas-Betoeng 
aanwezig waren, uit te nodigen daar tot de volgende dag te vertoeven om 
de sebah bij te wonen, die hij beleggen wilde. Zulk een vergadering had 
gewoonlijk eens in de maand plaats, doch hetzij-d-i aan sommige hoofden 
die wat ver van de hoofdplaats woonden -- want de Afdeling Lebak is zeer 
uitgestrekt -- het onnodig heen en weer reizen wilde besparen, hetzij-d-
i wenste, terstond en zonder de vastgestelde dag af te wachten, hen op 
plechtige wijze toe te spreken, hij had de eerste sebah-dag op de 
volgende morgen bepaald.

Links voor zijn woning, doch op 'tzelfde `erf' en tegenover 't huis dat 
mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelijk de bureaus 
der assistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde, 
en gedeeltelijk bestond in een vrij ruime open galerij die een zeer 
goede gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook 
de volgende morgen de hoofden vroegtijdig verenigd. Havelaar trad 
binnen, groette, en nam plaats. Hij ontving de geschreven maandelijkse 
berichten over landbouw, veestapel, politie, en justitie, en legde die 
tot nader onderzoek terzijde.

Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op de 
vorige dag had gehouden, en het is niet geheel en al zeker dat Havelaar 
zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem bij 
zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voor te stellen hoe 
hij, bij toespraken als deze, zich opwond en door zijn eigenaardige 
wijze van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe 
zich dan zijn houding oprichtte, hoe zijn blik vuur schoot, hoe zijn 
stem van 't vleiend zachte in 't vlijmend scherpe overging, hoe de 
beelden van zijn lippen vloeiden als strooide hij iets kostbaars om zich 
heen dat toch hem niets kostte, en hoe, als hij ophield, ieder hem 
aanstaarde met open mond als om te vragen: `Mijn God, wie zijt ge?'

Het is waar dat hij zelf, die bij zulke gelegenheid sprak als een 
apostel, als een ziener, later niet juist wist hoe hij gesproken had, en 
zijn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en 
te treffen, dan door bondigheid van redenering te overtuigen. Hij zou de 
krijgslust der Atheners, zodra tot de oorlog tegen Philippus besloten 
was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed 
waarschijnlijk zou hij geslaagd zijn, als zijn taak geweest ware hen 
door redenering tot die oorlog te bewegen. Zijn aanspraak tot de Lebakse 
hoofden was natuurlijk in 't Maleis, en ontleende hieraan een 
eigenaardigheid te meer, daar de eenvoudigheid der oosterse talen aan 
veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in nze idiomen door 
literarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwijl aan de andere 
kant het zoetvloeiende van 't Maleis moeilijk in enige andere taal is 
weer te geven. Men bedenke bovendien, dat het merendeel zijner hoorders 
uit eenvoudige, doch geenszins domme mensen bestond, en tevens dat het 
oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze.

Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben:

`Mijnheer de Raden Adipati, regent van Banten-Kidoel, en gij, Radens 
demang die hoofden zijt der districten in deze Afdeling, en gij, Raden 
djaksa die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gij, Raden kliwon die 
gezag voert op de hoofdplaats, en gij Radens, mantri's, en allen die 
hoofden zijt in de afdeling Banten-Kidoel, ik groet u!

En ik zeg u dat ik vreugde voel in mijn hart, nu ik hier u allen 
vergaderd zie, luisterende naar de woorden van mijn mond.

Ik weet dat er onder ulieden zijn, die uitsteken in kennis en in 
braafheid van hart: ik hoop mijn kennis door de uwe te vermeerderen, 
want zij is niet zo groot als ik wenste. En ik heb wel de braafheid 
lief, maar dikwijls bespeur ik dat er in mijn gemoed fouten zijn, die de 
braafheid overschaduwen, en daaraan de groei benemen ... gij allen weet 
hoe de grote boom de kleine verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op 
degenen onder u, die uitstekend zijn in deugd, om te trachten beter te 
worden dan ik ben.

Ik groet u allen zeer.

Toen de gouverneur-generaal mij gelastte tot u te gaan om assistent-
resident te zijn in deze Afdeling, was mijn hart verheugd. Het kan u 
bekend zijn dat ik nooit Banten-Kidoel had betreden. Ik liet mij dus 
geschriften geven, die over uw Afdeling handelen, en heb gezien dat er 
veel goeds is in Banten-Kidoel. Uw volk bezit rijstvelden in de dalen, 
en er zijn rijstvelden op de bergen. En ge wenst in vrede te leven, en 
ge begeert niet te wonen in de landstreken die bewoond worden door 
anderen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in Banten-Kidoel!

Maar niet hierom alleen was mijn hart verheugd. Want ook in andere 
streken zou ik veel goeds gevonden hebben.

Doch ik ontwaarde dat uw bevolking arm is, en hierover was ik blijde in 
het binnenste mijner ziel.

Want ik weet dat Allah de arme liefheeft, en dat Hij rijkdom geeft aan 
wie hij beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hij wie Zijn woord 
spreekt, opdat zij zich oprichten in hun ellende.

Geeft Hij niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in de 
bloemkelk die dorst heeft?

En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken, 
die achterbleven na de arbeid en neerzonken langs de weg, daar hun 
knien niet sterk meer waren om op te gaan naar de plaats van het loon? 
Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie in de groeve 
viel, en een staf te geven aan wie de bergen beklimt? Zou niet mijn hart 
opspringen als het ziet gekozen te zijn onder velen, om van klagen een 
gebed te maken en dankzegging van geween?

Ja, ik ben zeer blijde geroepen te zijn in Banten-Kidoel!

Ik heb gezegd tot de vrouw die mijne zorgen deelt en mijn geluk groter 
maakt: ``Verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van 
ons kind! Hij heeft mij gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is 
afgelopen, en Hij keurde mij waardig daar te zijn vr de tijd van de 
oogst. Want niet in het snijden der padi is de vreugde: de vreugde is in 
het snijden der padi die men geplant heeft. En de ziel des mensen groeit 
niet van het loon, maar van de arbeid die het loon verdient.'' En ik 
zeide tot haar: ``Allah heeft ons een kind gegeven, dat eenmaal zeggen 
zal: `Weet ge dat ik zijn zoon ben?' En dan zullen er wezen in het land, 
die hem groeten met liefde, en die de hand zullen leggen op zijn hoofd, 
en zeggen zullen: `Zet u neder aan ons maal, en bewoon ons huis, en neem 
uw deel aan wat wij hebben, want ik heb uw vader gekend'.''

Hoofden van Lebak, er is veel te arbeiden in uwe landstreek!

Zegt mij, is niet de landman arm? Rijpt niet uw padi dikwerf ter voeding 
van wie niet geplant hebben? Zijn er niet vele verkeerdheden in uw land? 
Is niet het aantal uwer kinderen gering?

Is er niet schaamte in uwe zielen, als de bewoner van Bandoeng dat daar 
ten oosten ligt, uwe streken bezoekt, en vraagt: ``Waar zijn de dorpen, 
en waar de landbouwers? En waarom hoor ik de gamelan niet, die 
blijdschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der padi uwer 
dochters?''

Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de zuidkust, en de bergen 
te zien die geen water dragen op hunne zijden, of de vlakten waar nooit 
een buffel de ploeg trok?

Ja, ja, ik zeg u dat uw en mijn ziel daarover bedroefd is! En daarom 
juist zij wij Allah dankbaar dat Hij ons macht heeft gegeven om hier te 
arbeiden.

Want wij hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners weinig 
zijn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der bergen 
zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zijn rotsen die 
plaats weigeren aan de wortel, want op veel plaatsen is de grond week en 
vruchtbaar, en roept om de graankorrel die hij ons wil weergeven in 
gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die de padi vertreedt als 
ze nog groen is, noch ziekte die de patjol nutteloos maakt. Noch zijn er 
zonnestralen, heter dan nodig is om het graan te doen rijpen dat u en uw 
kinderen voeden moet, noch bandjirs die u doen jammeren: ``Wijs mij de 
plaats waar ik gezaaid heb!''

Waar Allah waterstromen uitgiet, die de akkers wegnemen ... waar Hij de 
grond hard maakt als dorre steen ... waar Hij Zijn zon doet gloeien ter 
verschroeiing ... waar Hij oorlog zendt, die de velden omkeert ... waar 
Hij slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de 
aren doodt ... daar, hoofden van Lebak, buigen wij deemoedig het hoofd, 
en zeggen: ``Hij wil het zo!''

Maar niet aldus in Banten-Kidoel!

Ik ben hier gezonden om uw vriend te zijn, uw oudere broeder. Zoudt gij 
uw jongere broeder niet waarschuwen als ge een tijger zaagt op zijn weg?

Hoofden van Lebak, we hebben dikwijls misslagen begaan, en ons land is 
arm omdat we zoveel misslagen begingen.

Want in Tjikandi en Bolang, en in het Krawangse, en in de ommelanden van 
Batavia, zijn velen die geboren zijn in ons land, en die ons land 
verlaten hebben.

Waarom zoeken zij arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders 
begroeven? Waarom vlieden zij de dessa waar zij de besnijdenis 
ontvingen? Waarom verkiezen zij de koelte van de boom die daar groeit, 
boven de schaduw onzer bossen?

En ginds in 't noordwesten over de zee, zijn velen die onze kinderen 
moesten zijn, maar die Lebak hebben verlaten om rond te dolen in vreemde 
streken met kris en klewang en schietgeweer. En ze komen ellendig om, 
want er is macht van de regering daar, die de opstandelingen verslaat.

Ik vraag u, hoofden van Banten-Kidoel waarom zijn er zovelen die 
weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zijn? Waarom 
vraagt de boom, waar de man is die hij als kind zag spelen aan zijn 
voet?'

Havelaar hield hier een ogenblik op. Om enigszins de indruk te begrijpen 
die zijn taal maakte, had men hem moeten horen en zien. Toen hij sprak 
van zijn kind, was er in zijn stem iets zachts, iets onbeschrijflijk 
roerends, dat uitlokte tot de vraag: `Waar is de kleine? Reeds nu wil ik 
't kind kussen, dat zijn vader zo spreken doet!' Maar toen hij kort 
daarna, schijnbaar met weinig geleidelijkheid, overging tot de vragen 
waarom Lebak arm was, en waarom er zoveel bewoners van die streken 
verhuisden naar elders, klonk er in zijn toon iets dat denken deed aan 
't geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt geschroefd in hard 
hout. Toch sprak hij niet luid, noch drukte hij bijzonder op enkele 
woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zijn stem, maar hetzij studie 
of natuur, juist deze eentonigheid maakte de indruk zijner woorden 
sterker op gemoederen die zo bijzonder ontvankelijk waren voor zulke 
taal.

Zijn beelden, die altijd genomen waren uit het leven dat hem omringde, 
waren voor hem werkelijk hulpmiddelen tot begrijpelijk maken van wat hij 
bedoelde, en niet, zoals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de 
zinsneden der redenaars bezwaren, zonder enige duidelijkheid toe te 
voegen aan 't begrip der zaak die men voorgeeft toe te lichten. We zijn 
thans gewoon aan de ongerijmdheid van de uitdrukking: `Sterk als een 
leeuw', maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hij 
zijn vergelijking niet had geput uit de zielepozie die beelden geeft 
voor redenering en niet anders spreken kan, doch zijn aanvullende 
gemeenplaats eenvoudig had afgeschreven uit een of ander boek -- uit de 
bijbel misschien -- waarin een leeuw voorkwam. Want niemand zijner 
hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en 't ware dus 
veeleer nodig geweest hun die sterkte te doen beseffen door vergelijking 
van de leeuw met iets waarvan de kracht hun bij ervaring bekend was, dan 
omgekeerd.

Men erkenne dat Havelaar werkelijk dichter was. Ieder gevoelt dat hij, 
sprekende van de rijstvelden die er waren op de bergen, de ogen daarheen 
richtte door de open zijde der zaal, en dat hij die velden inderdaad 
zag. Men beseft, als hij de boom liet vragen waar de man was die als 
kind aan zijn voet gespeeld had, dat die boom daar stond en voor de 
verbeelding van Havelaars toehoorders in werkelijkheid vragend 
rondstaarde naar de heengegane bewoners van Lebak. Ook verzon hij niets: 
hij hoorde de boom spreken, en meende slechts na te zeggen wat hij in 
zijn dichterlijke opvatting zo duidelijk verstaan had.

Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het 
oorspronkelijke in Havelaars wijze van spreken niet zo onbetwistbaar is, 
daar zijn taal denken doet aan de stijl der profeten van 't Oude 
Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hij in 
ogenblikken van vervoering werkelijk iets had van een ziener. Gevoed 
door de indrukken die 't leven in wouden en op bergen hem had 
meegedeeld, omgeven door de pozie-ademende atmosfeer van het Oosten, en 
alzo scheppende uit gelijksoortige bron als de vermaners der Oudheid 
waarmee men soms zich genoopt voelde hem te vergelijken, gissen wij dat 
hij niet nders zou gesproken hebben, ook wanneer hij nooit de heerlijke 
dichtstukken van het Oude Testament gelezen had. Vinden we niet reeds in 
de verzen die van zijn jeugd dagtekenen, regels als deze, die geschreven 
waren op de Salak -- een der reuzen, maar niet de grootste, onder de 
bergen van de Preanger Regentschappen -- waarin alweer de aanhef de 
zachtheid zijner aandoeningen tekent, om opeens over te gaan in 't 
naspreken van de donder die hij onder zich hoort:

't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven ...

't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij ...

Veel meer dan ginds rijst hier het hart naar boven:

Men is zijn God op bergen meer nabij!

Hier schiep Hij zelf altaar en tempelkoren,

Nog door geen tred van 's mensen voet ontwijd,

Hier doet Hij zich in 't raatlend onweer horen ...

En rollend roept Zijn donder: Majesteit!*

* Frits zegt: ijd en eit rijmt niet, althans niet in Friesland en 
Zeeland. Die Sjaalman schijnt dan niet eens verzen te maken, die deugen 
't Is waar, 't was in zijn jeugd.

B. Droogstoppel

... en gevoelt men niet, dat hij de laatste regels niet zo had kunnen 
schrijven, als hij niet werkelijk had menen te horen en te verstaan hoe 
Gods donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van 't 
gebergte toeriep?

Maar hij hield niet van verzen. `Het was een lelijk rijglijf zei hij, en 
als hij er toe gebracht werd iets te lezen van wat hij `begaan' had, 
zoals hij zich uitdrukte, schiep hij er vermaak in, zijn eigen werk te 
bederven, of door 't voor te dragen op een toon die 't belachelijk maken 
moest, of door op eenmaal, vooral bij een hoogst ernstige passus, af te 
breken, en er een kwinkslag tussen te werpen, die de toehoorders 
pijnlijk aandeed, maar die bij hem niets anders was dan een bloedige 
satire op de onevenredigheid tussen dat keurslijf en zijn ziel die zich 
daarin zo benauwd voelde.

Er waren onder de hoofden slechts weinigen die van de rondgediende 
verversingen iets gebruikten. Havelaar had namelijk met een wenk gelast, 
de bij zodanige gelegenheid onvermijdelijke thee met manisan rond te 
dienen. Het scheen dat hij met voordacht na de laatste zinsnede zijner 
toespraak een rustpunt wilde laten. En hier was reden toe. `Hoe,' 
moesten de hoofden denken, `hij weet reeds dat er zovelen onze Afdeling 
verlieten, met bitterheid in 't hart? Reeds is hem bekend hoeveel 
huisgezinnen naar naburige landstreken verhuisden, om de armoede te 
ontwijken die hier heerst? En zelfs weet hij dat er zoveel Bantammers 
zijn onder de benden die in de Lampongs de vaan des opstands hebben 
ontrold tegen 't Nederlands gezag? Wat wil hij? Wat bedoelt hij? Wie 
gelden zijn vragen?'

En er waren er die Raden Wira Koesoema, het districtshoofd van Parang-
Koedjang aanzagen. Maar de meesten sloegen de ogen ter aarde.

`Kom eens hier, Max!' riep Havelaar, die zijn kind gewaar werd, spelende 
op het erf, en de regent nam de kleine op de schoot. Maar deze was te 
wild om daar lang te blijven. Hij sprong weg, en liep de grote kring 
rond, en vermaakte de hoofden door zijn gekeuvel, en speelde met de 
gevesten van hun krissen. Toen hij bij de djaksa kwam, die de aandacht 
van 't kind trok omdat hij sierlijker dan de anderen gekleed was, scheen 
deze iets op 't hoofd van kleine Max te wijzen aan de kliwon die naast 
hem zat en een gefluisterde opmerking daarover scheen te beamen.

`Ga nu heen, Max,' zei Havelaar, `papa heeft iets aan die heren te 
zeggen.' De kleine liep weg nadat hij met kushandjes gegroet had.

Hierop ging Havelaar aldus voort:

`Hoofden van Lebak! Wij allen staan in dienst des Konings van Nederland. 
Maar hij, die rechtvaardig is, en wil dat wij onze plicht doen, is ver 
van hier. Dertigmaal duizendmaal duizend zielen, ja, meer dan zoveel, 
zijn gehouden zijn bevelen te gehoorzamen, maar hij kan niet wezen nabij 
allen die afhangen van zijn wil.

De Grote Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zijn 
plicht doe. Maar ook deze, machtig als hij is, en gebiedende over al wat 
gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de oudsten zijn, 
en beschikkende over de macht des legers en over de schepen die op zee 
varen, ook hij kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht 
blijft verre van hem.

En de resident te Serang, die heer is over de landstreek Bantam, waar 
vijfmaal honderdduizend mensen wonen, wil dat er recht geschiede in zijn 
gebied, en dat er rechtvaardigheid heerse in de landschappen die hem 
gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hij verre. En wie boosheid 
doet, verschuilt zich voor zijn aangezicht omdat hij straffe vreest.

En de heer Adipati, die regent is van Zuid-Bantam, wil dat ieder leve 
die het goede betracht, en dat er geen schande zij over de landstreek 
die zijn regentschap is.

En ik, die gisteren de Almachtige God tot getuige nam dat ik 
rechtvaardig zou zijn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder 
vrees en zonder haat, dat ik zal zijn: ``een goed assistent-
resident''... ook ik wens te doen wat mijn plicht is.

Hoofden van Lebak! Dit wensen wij allen!

Maar als er soms onder ons mochten zijn, die hun plicht verwaarlozen 
voor gewin, die het recht verkopen voor geld, of die de buffel van de 
arme nemen, en de vruchten die behoren aan wie honger hebben ... wie zal 
ze straffen?

Als een van u het wist, hij zou 't beletten. En de regent zou niet 
dulden dat zoiets geschiedde in zijn regentschap. En ook ik zal het 
tegengaan waar ik kan. Maar als noch gij, noch de Adipati, noch ik het 
wisten ... Hoofden van Lebak! Wie toch zal dan recht doen in Banten-
Kidoel?

Hoort naar mij, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan worden. 
Er komt een tijd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen bij het 
gereedmaken van ons doodskleed, en de voorbijganger zal zeggen: ``Daar 
is een mens gestorven.'' Dan zal wie aankomt in de dorpen, tijding 
brengen van de dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt, zal 
vragen: ``Wie was de man die gestorven is?'' En men zal zeggen:

``Hij was goed en rechtvaardig. Hij sprak recht en verstootte de klager 
niet van zijn deur. Hij hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf 
weder wat ontnomen was. En wie de ploeg niet drijven kon door de grond 
omdat de buffel uit de stal was gehaald, hielp hij zoeken naar de 
buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht 
hij de dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had 
onthield hij het loon niet, en hij ontnam de vruchten niet aan wie de 
boom geplant hadden. Hij kleedde zich niet met het kleed dat anderen 
dekken moest, noch voedde zich met het voedsel dat de arme behoorde.''

Dan zal men zeggen in de dorpen. ``Allah is groot, Allah heeft hem tot 
zich genomen. Zijn wil geschiede ... er is een goed mens gestorven.''

Doch andermaal zal de voorbijganger stilstaan voor een huis, en vragen: 
``Wat is dit, dat de gamelan zwijgt, en het gezang der meisjes?'' En 
wederom zal men zeggen: ``Er is een man gestorven.''

En wie rondreist in de dorpen, zal 's avonds zitten bij zijn gastheer, 
en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van 
wie het dorp bewonen, en hij zal zeggen:

``Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zijn, en hij verkocht 
het recht aan wie hem geld gaf. Hij mestte zijn akker met het zweet van 
de arbeider die hij had afgeroepen van de akker des arbeids. Hij 
onthield de werkman zijn loon, en voedde zich met het voedsel van de 
arme. Hij is rijk geworden van de armoede der anderen. Hij had veel 
gouds en zilvers en edele stenen in menigte, doch de landbouwer die in 
de nabuurschap woont, wist de honger niet te stillen van zijn kind. Hij 
glimlachte als een gelukkig mens, maar men hoorde gekners tussen de 
tanden van de klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zijn 
gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden.''

Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: ``Allah is groot ... wij 
vloeken niemand!''

Hoofden van Lebak, eens sterven wij allen!

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wij gezag hadden? En wt door 
de voorbijgangers die de begrafenis aanschouwen?

En wat zullen wij antwoorden, als er na onze dood een stem spreekt tot 
onze ziel, en vraagt: ``Waarom is er geween in de velden, en waarom 
verbergen zich de jongelingen? Wie nam de oogst uit de schuren, en uit 
de stallen de buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gij gedaan met 
de broeder die ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt 
de vruchtbaarheid zijner vrouw?'''

Hier hield Havelaar weer op, en na enig zwijgen ging hij op de 
eenvoudigste toon van de wereld, en als had er volstrekt niets plaats 
gehad dat indruk maken moest, voort:

`Ik wenste gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom 
verzoek ik u mij te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht 
hebben, kan op een zacht oordeel van mijn kant staat maken, want daar ik 
zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zijn ... niet althans in de 
gewone dienstvergrijpen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou 
worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van grovere 
aard ... over knevelarij en onderdrukking, spreek ik niet. Zoiets zal 
niet voorkomen, nietwaar, meneer de Adipati?'

`O nee, meneer de assistent-resident, zoiets zal niet voorkomen in 
Lebak.'

`Welnu dan, mijne heren hoofden van Banten-Kidoel, laat ons verheugd 
zijn dat onze Afdeling zo verachterd en zo arm is. Wij hebben iets 
schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen wij zorg 
dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg, en de 
bevolking gewillig. Als ieder in 't genot wordt gelaten van de vruchten 
zijner inspanning, lijdt het geen twijfel dat binnen weinig tijds de 
bevolking zal toenemen, zo in zielental als in bezittingen en 
beschaving, want dit gaat veelal hand aan hand. Ik verzoek u nogmaals 
mij te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hij kan, vooral 
waar onrecht moet worden te keer gegaan. En hiermede beveel ik mij zeer 
aan in uwe medewerking.

Ik zal u de ontvangen berichten over landbouw, veeteelt, politie en 
justitie met mijn beschikkingen doen teruggeworden.

Hoofden van Banten-Kidoel! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeren, ieder naar 
zijne woning. Ik groet u allen zeer!'

Hij boog, bood de oude regent de arm, en geleidde hem over het erf naar 
't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalerij. `Kom, 
Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom ... een glas madera? En ... ja, 
dit moet ik weten, Raden djaksa, hoor eens!'

Havelaar riep dit, toen alle hoofden na veel buigingen zich gereed 
maakten naar hun woningen terug te keren. Ook Verbrugge stond op 't punt 
het erf te verlaten, doch keerde met de djaksa terug.

`Tine, ik wil madera drinken, Verbrugge ook. Djaksa, laat horen, wat 
hebt ge toch aan de kliwon over mijn kleine jongen gezegd?'

`Mintah ampon, meneer de assistent-resident, ik bezag zijn hoofd, omdat 
meneer gesproken had.'

`Wat drommel heeft zijn hoofd daarmee te maken? Ik weet zelf al niet 
meer wat ik gezegd heb.'

`Meneer, ik zei tot de kliwon ...'

Tine schoof bij: er werd over kleine Max gesproken.

`Meneer, ik zei tot de kliwon dat de sinjo een koningskind was.' Dt 
deed Tine goed: zij vond het ook!

De Adipati bezag 't hoofd van de kleine, en inderdaad, ook hij zag op de 
kruin de dubbele haarwervel die, naar 't bijgeloof op Java, bestemd is 
een kroon te dragen.

Daar de etikette niet toeliet de djaksa een plaats aan te bieden in 
tegenwoordigheid van de regent, nam hij afscheid, en men was enige tijd 
bijeen zonder iets aan te roeren dat betrekking had op de `dienst'. Maar 
op eenmaal -- en dus in strijd met de zo uitermate hoffelijke volksaard 
vroeg de regent of zekere gelden die de belasting-collecteur tegoed had, 
niet konden worden uitbetaald?

`Welnee,' riep Verbrugge, `meneer de Adipati weet dat dit niet 
geschieden mag voor zijn verantwoording afgelopen is.'

Havelaar speelde met Max. Maar er bleek dat dit hem niet belette op 't 
gelaat van de regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem niet 
aanstond.

`Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen,' zei hij. En hij liet een 
klerk van 't kantoor roepen. `We zullen dat maar uitbetalen ... die 
verantwoording zal wel goedgekeurd worden.'

Nadat de Adipati vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de 
staatsbladen:

`Maar, meneer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van de 
collecteur is nog altijd te Serang in onderzoek ... als nu eens daaraan 
iets ontbreekt?'

`Dan leg ik 't erbij,' zei Havelaar.

Verbrugge begreep maar niet waaruit deze grote inschikkelijkheid voor de 
belasting-collecteur geboren werd. De klerk kwam weldra met enig 
geschrijf terug. Havelaar tekende, en zei dat men spoed moest maken met 
die uitbetaling.

`Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De regent heeft geen 
duit in huis: zijn schrijver heeft het mij gezegd, en bovendien ... dat 
bruuske vragen! De zaak is duidelijk. Hij zelf heeft dat geld nodig, en 
de collecteur wil 't hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen 
verantwoordelijkheid een vorm, dan dat ik een man van zijn rang en jaren 
in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in Lebak 
gruwelijk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't?'

Verbrugge zweeg. Hij wist het.

`Ik weet het,' ging Havelaar voort, `ik weet het! Is niet meneer 
Slotering gestorven in november? Welnu, de dag na zijn dood heeft de 
regent volk opgeroepen om zijn sawahs te bewerken ... zonder betaling! 
Ge hadt dit moeten weten, Verbrugge. Wist je 't?'

Dit wist Verbrugge niet.

`Als controleur had je 't moeten weten! Ik weet het,' ging Havelaar 
voort. `Daar liggen de maandstaten van de districten' -- en hij toonde 
't pak geschrijf dat hij ontvangen had in de vergadering -- `zie, ik heb 
niets geopend. Daarin zijn, onder andere zaken, de opgaven van op de 
hoofdplaats geleverde arbeiders tot herendienst. Welnu, zijn die opgaven 
juist?'

`Ik heb ze nog niet gezien ...'

`Ik ook niet! Maar toch vraag ik je of ze juist zijn. Waren de opgaven 
van de vorige maand juist?'

Verbrugge zweeg.

`Ik zal 't je zeggen: ze waren vals! Want er was drie maal meer volk 
opgeroepen om voor de regent te werken dan de bepalingen op de 
herendiensten toelaten, en dit durfde men natuurlijk in de staten niet 
opgeven. Is 't waar, wat ik zeg?

Verbrugge zweeg.

`Ook de staten die ik vandaag ontving, zijn vals,' ging Havelaar voort. 
`De regent is arm. De regenten van Bandoeng en Tjiandjoer zijn leden van 
't geslacht waarvan hij 't hoofd is. Die laatste heeft slechts de rang 
van Tomonggong, onze regent is Adipati, en toch laten zijn inkomsten, 
omdat Lebak niet geschikt is voor koffie en hem dus geen emolumenten 
opbrengt, niet toe in praal en luister te wedijveren met een eenvoudige 
demang in de Preanger, die de stijgbeugel houden zou als zijn neven te 
paard stijgen. Is dit waar?'

`Ja, dit is zo.'

`Hij heeft niets dan zijn traktement, en hierop is een korting ter 
afbetaling van een voorschot dat de regering hem gegeven heeft, toen hij 
... weet je 't?'

`Ja, ik weet het.'

`Toen hij een nieuwe medjid wilde laten bouwen, waartoe veel geld nodig 
was. Bovendien, veel leden zijner familie ... weet je 't?'

`Ja, dat weet ik.'

`Veel leden van zijn familie -- die eigenlijk niet in 't Lebakse thuis 
behoort, en daarom ook bij 't volk niet gezien is -- scharen zich als 
een plunderbende om hem heen, en persen hem geld af Is dit waar?'

`'t Is de waarheid,' zei Verbrugge.

`En als zijn kas leeg is, wat dikwijls gebeurt, nemen zij in zijn naam 
de bevolking af, wat hun aanstaat. Is dit zo?'

`Ja, het is zo.'

`Ik ben dus goed onderricht, doch daarover nader. De regent, die in 
jaren klimmende, de dood vreest, wordt beheerst door de zucht zich 
verdienstelijk te maken door giften aan geestelijken. Hij geeft veel 
geld uit voor reiskosten van pelgrims naar Mekka, die hem allerlei 
vodden van relieken, talismans en djimats terugbrengen. Is 't niet zo?'

`Ja, dat is waar.'

`Welnu, door dit alles is hij zo arm. De demang van Parang-Koedjang is 
zijn schoonzoon. Waar de regent zelf uit schaamte voor zijn rang niet 
durft nemen, is het die demang -- maar hij is 't niet alln -- die aan 
de Adipati zijn hof maakt door 't afpersen van geld en goed aan de arme 
bevolking, en door de lieden weg te halen van hun eigen rijstvelden om 
ze heen te drijven naar de sawahs van de regent. En deze ... zie, ik wil 
geloven dat hij gaarne anders wilde, maar de nood dwingt hem gebruik te 
maken van zulke middelen. Is dit alles niet waar, Verbrugge?'

`Ja, 't is waar,' zei Verbrugge, die hoe langer hoe meer begon in te 
zien dat Havelaars blik scherp was.

`Ik wist,' vervolgde deze, `dat hij geen geld in huis had, toen hij 
zoven over de afrekening met de ondercollecteur begon te spreken. Ge 
hebt hedenmorgen gehoord dat het mijn voornemen is, mijn plicht te doen. 
Onrecht duld ik niet, bij God, dat duld ik niet!'

En hij sprong op, en er was in zijn toon geheel iets anders dan de 
vorige dag bij zijn officile eed.

`Maar,' ging hij voort, `ik wil mijn plicht doen met zachtheid. Ik wil 
niet te nauwkeurig weten wat geschied is. Doch wat van heden af 
geschiedt, is te mijner verantwoording, daarvoor zal ik zorg dragen! Ik 
hoop lang hier te blijven.

Weet je wel, Verbrugge dat onze roeping heerlijk schoon is? Maar weet je 
ook wel dat ik alles wat ik je zoven zei, eigenlijk van u had moeten 
horen? Ik ken u even goed als ik weet wie er garem glap maken aan de 
zuidkust. Je bent een braaf mens... ook dit weet ik. Maar waarom heb je 
mij niet gezegd dat hier zoveel verkeerds was? Gedurende twee maanden 
ben je waarnemend assistent-resident geweest, en bovendien reeds lang 
hier als controleur... je moest het dus weten, nietwaar?'

`Meneer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. Ge hebt iets 
zeer bijzonders, neem het me niet kwalijk.'

`Volstrekt niet! Ik weet wel dat ik niet ben als alle mensen, maar wat 
doet dit tot de zaak?'

`Dat doet er dit toe, dat u iemand begrippen en denkbeelden meedeelt, 
die vroeger niet bestonden.'

`Nee! Die ingesluimerd waren door de vervloekte officile slender die 
zijn stijl zoekt in ``Ik heb de eer'' en de rust van zijn geweten in 
``de hoge tevredenheid van de regering'' Nee, Verbrugge, laster jezelf 
niet! Je behoeft van mij niets te leren. Heb ik je bijvoorbeeld 
hedenmorgen in de sebah iets nieuws verteld?'

`Nee, nieuws niet, maar u sprak anders dan anderen.'

`Ja, dat komt ... omdat mijn opvoeding wat verwaarloosd is: ik spreek te 
hooi en te gras. Maar je zoudt me zeggen waarom je tot nog toe zo berust 
hebt in alles wat er verkeerd was in Lebak.'

`Ik heb nooit zo de indruk gehad van een initiatief Bovendien, dat alles 
is altijd zo geweest in deze streken.'

`Ja, ja, dat weet ik wel! leder kan geen profeet of apostel wezen ... 
hm, 't hout zou duur worden van 't kruisigen! Maar je wilt me toch wel 
helpen alles terecht te brengen? Je wilt toch wel je plicht doen?'

`Zeker! Vooral bij u. Maar niet ieder zou dit zo streng vorderen of 
zelfs goed opvatten, en dan komt men zo licht in de positie van iemand 
die windmolens bestrijdt.'

`Nee! Dan zeggen zij die 't onrecht liefhebben, omdat ze daarvan leven, 
dat er geen onrecht was, om 't vermaak te hebben u en mij uit te maken 
voor Don Quichotten, en tegelijkertijd hun windmolens draaiende te 
houden. Doch, Verbrugge, je had niet op mij hoeven te wachten om je 
plicht te doen! Meneer Slotering was een bekwaam en eerlijk man: hij 
wist wat er omging, hij keurde het af en verzette zich ertegen ... 
ziehier!' Havelaar nam uit een portefeuille twee vellen papier, en deze 
aan Verbrugge tonende, vroeg hij:

`Wiens hand is dit?'

`Dat is de hand van meneer Slotering.'

`Juist! Welnu, dit zijn kladnota's, bevattende blijkbaar onderwerpen 
waarover hij met de resident spreken wilde. Daar lees ik ... zie: 1. 
Over de rijstbouw. 2. Over de woningen der dorpshoofden. 3. Over het 
innen der landrenten, enz. Daarachter staan twee uitroepingstekens. Wat 
bedoelde meneer Slotering daarmee?'

`Hoe kan ik dat weten?' riep Verbrugge.

`Ik wel! Dit beduidt dat er veel meer landrenten worden opgebracht, dan 
er in 's lands kas vloeien. Doch ik zal je dan iets tonen dat wij beiden 
weten, omdat het in letters en niet in tekens geschreven is. Ziehier:

12. Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de 
bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillende woningen ten 
koste der bevolking, enz.)

Is dit duidelijk? Ge ziet dat de heer Slotering wel iemand was, die een 
initiatief wist te nemen. Je had je dus bij hem kunnen aansluiten. 
Luister verder:

15. Dat vele personen van de familin en bedienden der inlandse hoofden 
op de uitbetalingstaten voorkomen, die inderdaad geen deel nemen in de 
cultuur, zodat de voordelen hiervan hun ten deel vallen, ten prjudice 
van de werkelijke deelhebbers. Ook worden zij gesteld in het 
onrechtmatig bezit van sawahvelden, terwijl die alleen toekomen aan 
degenen, die aandeel hebben in de cultuur.

Hier heb ik een andere nota, en wel in potlood. Zie eens, ook daarop 
staat iets zeer duidelijks:

De verloop van volk te Parang-Koedjang is alleen toe te schrijven aan 
het VERREGAAND misbruik, dat van de bevolking wordt gemaakt.

Wat zeg je daarvan? Ziet ge wel dat ik niet zo excentriek ben als 't 
schijnt, wanneer ik werk maak van recht? Zie je nu dat ook anderen dit 
deden?'

`Het is waar,' zei Verbrugge, `de heer Slotering heeft de resident 
dikwijls over dat alles gesproken.'

`En wat volgde daarop?'

`Dan werd de regent geroepen: er werd geaboucheerd...'

 `Juist! En verder?'

`De regent ontkende gewoonlijk alles. Dan moesten er getuigen komen ... 
niemand durfde tegen de regent getuigen ... och, meneer Havelaar, die 
zaken zijn zo moeilijk!'

De lezer zal, vr hij mijn boek heeft uitgelezen, even goed als 
Verbrugge weten waarom die zaken zo bijzonder moeilijk waren.

`Meneer Slotering had er veel ergernis over,' vervolgde de controleur, 
`hij schreef scherpe brieven aan de hoofden ...'

`Ik heb ze gelezen ... hedennacht,' zei Havelaar.

`En ik heb hem dikwijls horen zeggen dat hij, als er geen verandering 
kwam, en als de resident niet doortastte, zich rechtstreeks zou wenden 
tot de gouverneur-generaal. Dit heeft hij ook aan de hoofden zelf gezegd 
op de laatste sebah die hij heeft voorgezeten.'

`Daaraan zou hij zeer verkeerd hebben gedaan. De resident was zijn chef 
die hij in geen geval mocht voorbijgaan. En waarom zou hij dat ook? Het 
is toch niet te veronderstellen dat de resident van Bantam onrecht en 
willekeur zou goedkeuren?'

`Goedkeuren ... nee! Maar men klaagt niet gaarne bij de regering een 
hoofd aan.'

`Ik klaag niet gaarne iemand aan, wie ook, maar als 't moet, een hoofd 
zo goed als een ander. Doch van aanklagen is nu hier, goddank, nog geen 
sprake! Morgen ga ik de regent bezoeken. Ik zal hem 't verkeerde van 
onwettige gezagsoefening onder 't oog brengen, vooral waar 't om de 
bezitting van arme mensen te doen is. Maar in afwachting dat alles 
terechtkomt, zal ik hem in zijn netelige omstandigheden helpen zoveel ik 
kan. Je begrijpt nu immers waarom ik dat geld aan de collecteur dadelijk 
heb laten uitbetalen, nietwaar? Ook ben ik van voornemen aan de regering 
te verzoeken, de regent zijn voorschot kwijt te schelden. En u, 
Verbrugge, stel ik voor, gezamenlijk stipt onze plicht te doen. Zolang 
't kn, met zachtheid, maar als 't moet, zonder vrees! Je bent een 
eerlijk man, dit weet ik, maar je bent beschroomd. Zeg voortaan flinkuit 
waar 't op staat, advienne que pourra! Werp die halfheid van je, beste 
kerel ... en nu, blijf bij ons eten: we hebben Hollandse bloemkool in 
blik ... maar alles is zeer eenvoudig, want ik moet heel zuinig zijn ... 
ik ben erg ten achter in geldzaken: de reis naar Europa, weet je? Kom, 
Max ... sakkerloot, jongen, wat word je zwaar!'

En, met Max te paard op zijn schouder, trad hij, gevolgd door Verbrugge, 
de binnengalerij in, waar Tine hen wachtte aan de gedekte dis die, zoals 
Havelaar gezegd had, wel zeer eenvoudig was! Duclari, die aan Verbrugge 
kwam vragen of hij al dan niet dacht thuis te zijn voor 't middagmaal, 
werd meegenodigd aan tafel, en wanneer de lezer gesteld is op wat 
afwisseling in mijn vertelling, wordt hij naar 't volgend hoofdstuk 
verwezen, waarin ik meedeel wat er zoal gesproken werd bij dat maal.


Negende hoofdstuk

Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een 
heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, bij de beschrijving 
van een kasteel, mijn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te 
wachten tot het mens op de grond kwam? Als ik in mijn verhaal zulk een 
luchtsprong nodig had, zou ik voorzichtigheidshalve nog altijd een 
eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een 
kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorlopig gerust: 
Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van mijn boek -- goede 
hemel, de lieve trouwe anspruchslose Tine, een heldin! -- is nooit uit 
een venster gesprongen.

Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwijzing op wat afwisseling 
in het volgende, was dit eigenlijk meer een oratorische kunstgreep, en 
om een slot te maken dat goed `knipte' dan wel omdat ik inderdaad meende 
dat het volgend hoofdstuk alleen `ter afwisseling' waarde hebben zou. 
Een schrijver is ijdel als ... een man. Spreek kwaad van zijn moeder of 
van de kleur zijner haren, zeg dat hij een Amsterdams accent heeft -- 
wat nooit een Amsterdammer toestemt -- wellicht vergeeft hij u die 
dingen. Maar ... roer nooit aan de buitenzij van 't kleinste onderdeel 
ener bijzaak van iets dat er lag naast zijn geschrijf... want dt 
vergeeft hij u niet! Als ge dus mijn boek niet schoon vindt, en ge mocht 
mij ontmoeten, houdt u dan alsof wij elkander niet kenden.

Nee, zelfs zulk een hoofdstuk `ter afwisseling' komt me door het 
vergrootglas mijner schrijversijdelheid, hoogst belangrijk en zelfs 
onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behoren 
waart ingenomen met mijn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te 
verwijten als oorzaak dat ge mijn boek niet kondet beoordelen, want dat 
ge juist het essentile niet gelezen hadt. Z zou ik -- want ik ben man 
en schrijver -- elk hoofdstuk voor essentieel houden, dat gij hadt 
overgeslagen met onvergeeflijke lezerslichtzinnigheid.

Ik verbeeld me dat uw vrouw vraagt: `Is er nogal wat aan dat boek?' En 
ge zegt bijvoorbeeld -- horribile auditu voor mij -- met de 
woordenrijkheid die eigen is aan gehuwde mannen:

`Hm... z... ik weet nog niet.'

Welnu, barbaar, lees verder! Het belangrijke staat juist voor de deur. 
En met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de 
omgeslagen bladen, en ik zoek op uw gelaat naar de weerschijn van 't 
hoofdstuk `dat zo mooi is ...'

Nee, zeg ik, hij is er nog niet. Straks zal hij opspringen, in 
vervoering iets omhelzen, zijn vrouw misschien ...

Maar ge leest verder. Het `mooie hoofdstuk' moet voorbij wezen, dunkt 
me. Ge zijt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd ...

En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler 
wordt mijn hoop op die omhelzing ... ja, waarachtig, ik had zelfs staat 
gemaakt op een traan!

En ge hebt de roman uitgelezen tot `waar ze elkaar krijgen' toe, en ge 
zegt -- een andere vorm van welsprekendheid in de echtestaat -- 
geeuwend:

`Z ... z! 't Is een boek dat ... hm! Och, ze schrijven zovl 
tegenwoordig!'

Maar weet ge dan niet, ondier, tijger, Europeaan, lezer, weet ge dan 
niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met bijten op mijn geest als 
op een tandestoker? Met knagen en kauwen op vlees en been van uw 
geslacht? Menseneter, daarin stak mijn ziel, mijn ziel die ge hebt 
vermaald als eens gegeten gras! 't Was mijn hart dat ge daar hebt 
opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die 
ziel neergelegd, en er vielen zoveel tranen op dat handschrift, en mijn 
bloed week weg uit de ren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat 
alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers ... en ge zegt: Hm!

De lezer begrijpt dat ik hier niet spreek van mijn boek.

Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken ...

`Wie is dat, Abraham Blankaart?' vroeg Louise Rosemeyer en Frits 
vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf mij 
gelegenheid eens op te staan en, voor die avond althans een eind te 
maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffie ben -- 
Lauriergracht No 37 -- en dat ik alles over heb voor mijn vak. Ieder zal 
dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van Stern. Ik 
had op koffie gehoopt, en hij gaf ons ... ja, de hemel weet, wt!

Met zijn opstel heeft hij ons al drie kransavonden bezig gehouden, en, 
wat het ergste is, de Rosemeyers vinden het mooi. Zo zeggen ze, 
tenminste. Als ik een aanmerking maak, beroept hij zich op Louise. `Haar 
goedkeuring, zegt hij, weegt hem zwaarder dan alle koffie van de 
wereld,' en bovendien: `Als 't hart me gloeit ...' enz. -- Zie deze 
tirade op bladzijde zoveel, of liever, zie ze niet. -- Daar sta ik dan, 
en weet niet wat te doen! Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaans 
paard. Ook Frits wordt erdoor bedorven. Hij heeft, naar ik bemerk, Stern 
geholpen, want die Abraham Blankaart is veel te Hollands voor een 
Duitser. Beiden zijn ze zo pedant, dat ik waarlijk met de zaak verlegen 
word. Het ergste is, dat ik met Gaafzuiger een overeenkomst heb 
aangegaan voor het uitgeven van een boek dat over de koffieveilingen 
moet handelen -- heel Nederland wacht erop -- en daar gaat me nu die 
Stern een heel andere weg uit! Gister zei hij: `Wees gerust, alle wegen 
leiden naar Rome. Wacht nu eerst het slot van de inleiding af -- is dat 
alles nog maar inleiding? -- ik beloof u -- hij zei eigenlijk: ``Ik 
verspreek u'' -- dat ten slotte de zaak zal neerkomen op koffie, koffie, 
op niets dan koffie! Denk aan Horatius,' ging hij voort, `heeft hij niet 
reeds gezegd: omne tulit punctum, qui miscuit... koffie met wat anders? 
Handelt gijzelf niet evenzo, als ge suiker en melk in uw kopje doet?'

En dan moet ik zwijgen. Niet omdat hij gelijk heeft, maar omdat ik aan 
de firma Last & Co. verplicht ben zorg te dragen dat de oude Stern niet 
vervalle in Busselinck & Waterman, die hem slecht zouden bedienen omdat 
het knoeiers zijn.

Bij u, lezer, stort ik mijn hart uit, en opdat ge na het lezen van 
Sterns geschrijf -- hebt ge 't werkelijk gelezen? -- uw toorn niet zoudt 
uitstorten over een onschuldig hoofd -- want ik vraag u, wie zal een 
makelaar nemen, die hem voor menseneter uitscheldt? -- hecht ik eraan, 
dat ge overtuigd zijt van mijn onschuld. Ik kan toch die Stern niet uit 
de firma van mijn boek dringen, nu de zaken eenmaal zver zijn dat 
Louise Rosemeyer, als ze uit de kerk komt -- de jongens schijnen haar op 
te wachten -- vraagt of hij wat vroeg komen zal die avond, om toch recht 
veel van Max en Tine voor te lezen.

Maar omdat ge het boek hebt gekocht of gehuurd in 't vertrouwen op de 
deftige titel die wat degelijks belooft, erken ik uw aanspraken op wat 
goeds voor uw geld, en daarom schrijf ik zelf nu eens weer een paar 
hoofdstukken. Ge zijt niet in de krans van de Rosemeyers, lezer, en dus 
gelukkiger dan ik die alles moet aanhoren. U staat het vrij, de 
hoofdstukken over te slaan, die naar Duitse opgewondenheid rieken, en u 
alleen bezig te houden met wat geschreven is door mij, die een deftig 
man ben, en makelaar in koffie.

Met bevreemding heb ik uit Sterns geschrijf vernomen -- en uit Sjaalmans 
pak heeft hij me aangetoond dat het waar was -- dat er in die Afdeling 
Lebak geen koffie wordt geplant. Dit is zeer verkeerd, en ik zal mijn 
moeite ruim beloond achten, als de regering door mijn boek op die fout 
wordt opmerkzaam gemaakt. Uit de papieren van Sjaalman zou blijken, dat 
de grond in die streken voor de koffiecultuur niet geschikt is. Maar 
hierin ligt volstrekt geen verschoning, en ik beweer dat men zich 
schuldig maakt aan onvergeeflijk plichtverzuim omtrent Nederland in het 
algemeen en de koffiemakelaars in 't bijzonder, ja omtrent de Javanen 
zelf, door niet, f die grond te veranderen -- de Javaan heeft toch 
niets anders te doen -- f, als men meent dit niet te kunnen, de mensen 
die dr wonen, te zenden naar andere streken waar de grond wl goed is 
voor koffie.

Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb, en durf beweren dat ik 
hier met kennis van zaken spreek, daar ik over dit stuk rijpelijk heb 
nagedacht, vooral sedert het horen der preek van dominee Wawelaar in de 
bidstond voor 't bekeren der heidenen.

Dat was woensdagavond. Ge moet weten, lezer, dat ik mijn plichten als 
vader stipt vervul, en dat de zedelijke opleiding mijner kinderen me 
zeer na aan het hart ligt. Daar nu Frits sedert enige tijd in toon en 
manieren iets heeft aangenomen, dat me niet bevalt -- 't komt alles uit 
dat verwenste pak! -- heb ik hem eens goed onder handen genomen, en 
gezegd: `Frits, ik ben niet over je tevreden! Ik heb je altijd het goede 
voorgehouden, en toch wijk je van de rechte weg af Je bent pedant en 
lastig, en maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De 
vreze des Heren is 't beginsel van alle wijsheid, je moet dus de 
Rosemeyers niet zoenen, en niet zo pedant wezen. Zedeloosheid brengt ten 
verderve, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op die Sjaalman. Hij 
heeft de wegen van de Heer verlaten: nu is hij arm, en woont op een 
klein kamertje ... ziedaar de gevolgen van onzedelijkheid en slecht 
gedrag! Hij heeft verkeerde artikels in de Indpendance geschreven en de 
Aglaia laten vallen. Zo gaat het, als men wijs is in zijn eigen ogen. 
Hij weet nu niet eens hoe laat het is, en zijn jongetje heeft maar een 
half broekje aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is, en dat je 
vader altijd hard heeft moeten werken voor de kost -- 't is de waarheid! 
-- sla dus 't oog naar boven, en tracht op te groeien tot een 
fatsoenlijk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al die 
mensen die niet horen willen naar goede raad, die godsdienst en 
zedelijkheid met voeten trappen, en spiegel je aan die mensen. En stel 
je niet gelijk met Stern, wiens vader zo rijk is, en die altijd geld 
genoeg zal hebben, al wil hij geen makelaar worden, en al doet hij nu en 
dan eens wat verkeerds. Bedenk toch dat al het kwade gestraft wordt: zie 
maar weer die Sjaalman die geen winterjas heeft, en er uitziet als een 
komediespeler. Luister toch goed in de kerk, en zit daar niet zo heen en 
weer te draaien op je bank, alsof 't je verveelde, jongen, want ... wat 
moet God daarvan denken? De kerk is Zijn heiligdom, zie je? En wacht 
geen jonge meisjes op als 't uit is, want dit neemt de stichting weg. 
Maak ook Marie niet aan 't lachen, als ik bij 't ontbijt uit de Schrift 
lees. Dat komt in een fatsoenlijk huishouden niet te pas. Ook heb je 
poppetjes getekend op 't legblad van Bastiaans, toen de man weer niet 
binnen was -- omdat hij telkens de jicht heeft -- dat houdt de mensen op 
't kantoor van hun werk, en er staat in Gods woord dat zulke dwaasheden 
ten verderve leiden. Die Sjaalman deed ook verkeerde dingen toen hij 
jong was: hij heeft als kind op de Westermarkt een Griek geslagen ... nu 
is hij lui, pedant en ziekelijk, ziedaar! Maak dus niet zo altijd 
grappen met Stern, jongen: zijn vader is rijk, moet je denken. Houd je 
alsof je 't niet zag, als hij gezichten trekt tegen de boekhouder. En 
als hij buiten 't kantoor met verzen bezig is, zeg hem dan zo eens, dat 
hij 't hier bij ons zo goed heeft, en dat Marie pantoffels voor hem 
heeft geborduurd met echte floszij. Vraag hem -- zo eens uit je zelf, 
weet je? -- of hij gelooft dat zijn vader bij Busselinck & Waterman gaan 
zal, en zeg hem dat het knoeiers zijn. Zie je, dat is men zijn naaste 
schuldig -- zo breng je hem op de goede weg, meen ik -- en ... al dat 
verzenmaken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam, Frits, en trek de 
meid niet aan de rokken, als ze thee brengt op 't kantoor, en maak me 
niet te schande, want dan stort ze, en Paulus zegt dat nooit een zoon 
verdriet moet doen aan zijn vader. Ik bezoek twintig jaar de beurs, en 
durf zeggen dat ik geacht ben bij mijn pilaar. Hoor dus naar mijn 
vermaningen, Frits, en wees braaf, en haal je hoed, en trek je jas aan, 
en ga mee naar de bidstond, dat zal je goed doen!'

Z heb ik gesproken, en ik ben overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt 
heb, vooral daar dominee Wawelaar tot onderwerp van zijn rede had 
gekozen: de liefde Gods, blijkbaar uit Zijn toorn tegen de ongelovigen, 
naar aanleiding van Samuels berisping aan Saul: I Samuel 15: 33b.

Bij 't aanhoren van die predikatie, dacht ik gedurig hoe hemelsbreed 
toch het verschil is tussen menselijke en goddelijke wijsheid. Ik zei 
reeds dat er in het pak van Sjaalman, onder veel vodden, toch ook een en 
ander was, dat in 't oog viel door degelijkheid van redenering. Maar, 
och, hoe weinig heeft toch zoiets te beduiden, als men 't vergelijkt bij 
een taal als van dominee Wawelaar! En niet uit eigen kracht -- want ik 
ken Wawelaar, en houd hem voor iemand die waarlijk niet hoog vliegt -- 
nee, door de kracht die van boven komt. Dit onderscheid bleek te 
duidelijker, omdat hij sommige punten aanroerde, die ook door Sjaalman 
behandeld waren, want ge hebt gezien dat er in zijn pak veel over 
Javanen en andere heidenen voorkwam. Frits zegt dat de Javanen geen 
heidenen zijn, maar ik noem ieder die een verkeerd geloof heeft, een 
heiden. Want ik houd me aan Jezus Christus, en die gekruist, en dit zal 
elk fatsoenlijk lezer ook wel doen.

Zowel omdat ik uit Wawelaars redevoering mijn mening heb geput omtrent 
het ongeoorloofde der intrekking van de koffiecultuur te Lebak, waarop 
ik straks zal terugkomen, als omdat ik als eerlijk man niet wil, dat de 
lezer volstrekt niets ontvangt voor zijn geld, zal ik hier enige 
brokstukken uit de preek meedelen, die al bijzonder treffend waren.

Hij had kortelijk Gods liefde uit de aangehaalde tekstwoorden bewezen, 
en was al zeer spoedig overgegaan tot het punt, waarop 't hier eigenlijk 
aankwam, die bekering namelijk van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk 
heten moge. Ziehier wat hij daarvan zei:

`Z, mijn geliefden, was de heerlijke roeping van Isral -- hij bedoelde 
het uitroeien der bewoners van Kanan -- en z is de roeping van 
Nederland! Neen, er zal niet gezegd worden dat het licht dat ons 
bestraalt, wordt weggezet onder de korenmaat, en niet ook dat wij gierig 
zijn in het meedelen van het brood des eeuwigen levens! Slaat het oog op 
de eilanden des Indischen Oceaans, bewoond door miljoenen en miljoenen 
kinderen des verstoten zoons -- en des terecht verstoten zoons -- van de 
edele Godgevallige Noach! Dr kruipen zij rond in de walgelijke 
slangeholen van heidense onkunde, daar buigen zij het zwarte kroesharige 
hoofd onder het juk van eigenbelangzuchtige priesters! Daar aanbidden 
zij God onder aanroeping van een valse profeet, die een gruwel is voor 
de ogen des Heren! En, geliefden, zelfs zijn er die, als ware het niet 
genoeg een valse profeet te gehoorzamen, zelfs zijn er die een andere 
God, wat zeg ik, die goden aanbidden, goden van hout of steen, die zij 
zelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelijk, met platte 
neuzen en duivelachtig! Ja, geliefden, bijna beletten mij de tranen hier 
voort te gaan, nog dieper is de verdorvenheid van Chams geslachte! Er 
zijn er onder hen, die geen God kennen, onder welke naam ook! Die menen 
dat het voldoende is, de wetten te gehoorzamen der burgerlijke 
maatschappij! Die een oogstlied, waarin ze hun vreugde uitdrukken over 
het welslagen van hunne arbeid, beschouwen als voldoende dank aan het 
Opperwezen dat die oogst rijpen liet! Er leven daar verdoolden, mijne 
geliefden -- wanneer zulk een gruwelijk bestaan de naam van leven dragen 
mag! -- daar vindt men wezens die beweren dat het voldoende is, vrouw en 
kind lief te hebben en van hunne naaste niet te nemen wat hun niet 
behoort, om 's avonds gerust het hoofd te kunnen nederleggen ter slape! 
IJst ge niet bij dit tafereel? Krimpt uw hart niet ineen bij het 
bedenken wat het lot wezen zal van al die dwazen, zodra de bazuine 
schallen zal, die de doden oproept ter scheiding van rechtvaardigen en 
onrechtvaardigen? Hoort ge niet -- ja, gij hoort het, want uit de 
voorgelezen tekstwoorden hebt gij gezien dat uw God is een machtig God, 
en een God der gerechte wrake -- ja, gij hoort het gekraak der beenderen 
en het geknetter der vlammen in het eeuwig Gehenna waar wening is, en 
tandengeknars! Dr, dr branden zij, en vergaan niet, want eeuwig is 
de straffe! Dr lekt de vlam met nooit voldane tong aan de gillende 
slachtoffers van het ongeloof! Dr sterft de worm niet, die hunne 
harten dr en dr knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat er 
steeds een hart te knagen overblijve in de borst van de Godverzaker! 
Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat, 
nauwelijks geboren, werd weggeslingerd van de borst der moeder, in de 
poel der eeuwige verdoemenis ...'

Toen viel er een juffrouw flauw.

`Maar, geliefden,' ging dominee Wawelaar voort, `God is een God van 
liefde! Hij wil niet dat de zondaar verloren ga, maar dat hij zalig 
worde met de genade, in Christus, door het geloof! En daarom is 
Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat ervan te 
redden is! Drtoe heeft Hij in Zijn onnaspeurlijke Wijsheid aan een 
land, klein van omvang, maar groot en sterk door de kennisse Gods, macht 
gegeven over de bewoners dier gewesten, opdat zij door het heilig nooit 
volprezen Euangelium worden gered van de straffen der helle! De schepen 
van Nederland bevaren de grote wateren, en brengen beschaving, 
godsdienst, Christendom, aan de verdoolde Javaan! Neen, ons gelukkig 
Nederland begeert niet voor zich alleen de zaligheid: wij willen die ook 
mededelen aan de ongelukkige schepselen op verre stranden, die daar 
gebonden liggen in de kluisters van ongeloof, bijgeloof en zedeloosheid! 
Het beschouwen van de plichten die ten deze op ons rusten, zal het 
zevende deel mijner rede uitmaken.'

Want, wat voorafging was het zesde. Onder de plichten die wij ten 
aanzien van die arme heidenen te vervullen hebben, werden genoemd:

1. Het geven van ruime bijdragen in geld aan de zendelingsvereniging.

2. Het ondersteunen der bijbelgenootschappen, teneinde deze in staat te 
stellen, bijbels op Java uit te delen.

3. Het bevorderen van `Oefeningen' te Harderwijk, ten dienste van het 
koloniaal werfdepot.

4. Het schrijven van preken en godsdienstige gezangen, geschikt om 
doorsoldaten en matrozen aan de Javanen te worden voorgelezen en 
voorgezongen.

5. Het oprichten ener vereniging van invloedrijke mannen, wier taak 
zoude zijn, onze geerbiedigde Koning te smeken:

a. Slechts zulke gouverneurs, officieren en beambten te benoemen, die 
geacht kunnen worden vast te staan in het ware geloof.

b. De Javaan te doen vergunnen de kazernes, alsmede de op de reden 
liggende oorlogs- en koopvaardijschepen te bezoeken, om door 't verkeer 
met Nederlandse soldaten en matrozen te worden opgeleid tot het 
Godsrijk.

c. Te verbieden, bijbels of godsdienstige traktaatjes in drankhuizen te 
doen aannemen in betaling.

d. Te doen opnemen in de voorwaarden der amfioenpacht op Java, de 
bepaling: dat er in elk amfioenkit een voorraad bijbels moet aanwezig 
zijn, in verhouding met het vermoedelijk getal bezoekers van zodanig 
gesticht, en dat de pachter zich verbinde geen opium te verkopen, zonder 
dat de koper een godsdienstig traktaatje daarbij neme.

e. Te gelasten dat de Javaan door arbeid tot God worde gebracht.

6. Het geven van ruime bijdragen aan de zendelinggenootschappen.

Ik weet wel dat ik dit laatste punt reeds onder nummer n heb 
opgegeven, maar hij herhaalde het, en deze overtolligheid komt mij, in 
het vuur der rede, zeer verklaarbaar voor. Doch, lezer, hebt gij op 
nummer 5, e gelet? Welnu, juist die voorslag herinnerde mij zo aan de 
koffieveilingen, en aan de voorgewende onvruchtbaarheid van de grond te 
Lebak, dat het u nu niet meer zo vreemd zal voorkomen, als ik verzeker 
dat dit punt sedert woensdagavond geen ogenblik uit mijn gedachten 
geweest is. Dominee Wawelaar heeft de berichten der zendelingen 
voorgelezen, niemand kan hem dus een grondige kennis der zaken 
betwisten. Welnu, als hij, met die rapporten voor zich, en met het oog 
op God, beweert dat veel arbeids gunstig werken zal op de verovering der 
Javaanse zielen voor het Godsrijk, dan mag ik toch wel vaststellen niet 
zo geheel bezijden alle waarheid te spreken, als ik zeg dat er te Lebak 
zeer goed koffie kan geplant worden. En, sterker nog, dat misschien het 
Opperwezen juist hierom alleen die grond voor koffiecultuur ongeschikt 
heeft gemaakt, om door de arbeid die er nodig wezen zal om een andere 
grond daarheen te verleggen, de bevolking van die streek vatbaar te 
maken voor de zaligheid.

Ik hoop toch dat mijn boek onder de ogen van de Koning komt, en dat er 
weldra door grotere veilingen blijken moge hoe nauw de kennisse Gods in 
verband staat met het welbegrepen belang van de gehele burgerij! Zie 
eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar, zonder wijsheid naar de 
mens -- de man heeft nooit een voet op de beurs gezet maar voorgelicht 
door het Evangelie dat een lamp op zijn pad is, mij, makelaar in koffie, 
daar op eenmaal een wenk geeft, die voor heel Nederland belangrijk is 
niet alleen, maar die mij in staat zal stellen, als Frits goed oppast -- 
hij heeft redelijk stil gezeten in de kerk -- wellicht vijfjaren vroeger 
naar Driebergen te gaan. Ja, arbeid, arbeid, dat is mijn wachtwoord! 
Arbeid voor de Javaan, dat is mijn principe! En mijn principes zijn me 
heilig.

Is niet het Evangelie 't hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid? 
Is het dus niet onze plicht, die mensen zalig te maken? En wanneer, als 
hulpmiddel hiertoe, arbeid nodig is -- ikzelf heb twintig jaar de beurs 
bezocht -- mogen we dan de Javaan arbeid weigeren, waar zijn ziel 
daaraan zo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht 
zou het wezen, schandelijke zelfzucht, als we niet alle pogingen 
aanwendden om die arme verdoolde mensen te behoeden voor de 
verschrikkelijke toekomst die dominee Wawelaar zo welsprekend geschetst 
heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hij van dat zwarte kind 
sprak ... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag. 
Vrouwen zijn zo! En zou ik niet aandringen op arbeid, ik die zelf van de 
morgen tot de avond aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek -- dat 
Stern me zo zuur maakt -- een bewijs hoe goed ik het meen met de 
welvaart van ons vaderland, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik 
zo zwaar moet arbeiden, ik die gedoopt ben -- in de Amstelkerk -- zou 
men dan van de Javaan niet mogen vorderen dat hij die zijn zaligheid nog 
verdienen moet, de handen uitsteekt?

Als die vereniging -- van nummer 5, e meen ik -- tot stand komt, sluit 
ik me daarbij aan. En ik zal ook de Rosemeyers hiertoe trachten over te 
halen, omdat de suikerraffinadeurs er ook belang bij hebben, schoon ik 
niet geloof dat ze zeer zuiver zijn in hun begrippen -- de Rosemeyers 
meen ik -- want ze houden een roomse meid.

Hoe het zij, ik zal mijn plicht doen. Dit heb ik mezelf beloofd, toen ik 
met Frits van de bidstond naar huis ging. In mijn huis zal de Here 
gediend worden, daarvoor zal ik zorgen. En dit met te meer ijver, omdat 
ik hoe langer hoe meer inzie hoe wijs alles geregeld is, hoe liefderijk 
de wegen zijn waarlangs wij worden geleid aan Gods hand, en hoe Hij ons 
behouden wil voor het eeuwige en voor het tijdelijke leven, want die 
grond te Lebak kan zeer goed geschikt worden gemaakt voor de 
koffiecultuur.



Tiende hoofdstuk

Hoewel ik, waar 't principes geldt, niemand ontzie, heb ik toch begrepen 
dat ik met Stern een andere weg moet inslaan dan met Frits, en daar het 
te voorzien is dat mijn naam -- de firma is Last & Co., maar ik heet 
Droogstoppel: Batavus Droogstoppel -- in aanraking komen zal met een 
boek waarin zaken voorkomen, die niet stroken met de eerbied die elk 
fatsoenlijk man en makelaar zich zelf verschuldigd is, acht ik het mijn 
plicht u mee te delen, hoe ik getracht heb ook die Stern terug te 
brengen op de ware weg.

Ik heb hem niet van de Heer gesproken -- omdat hij luthers is -- maar ik 
heb gewerkt op zijn gemoed en zijn eer. Ziehier hoe ik dit heb 
aangelegd, en merk daarbij op, hoever men het brengt met menskunde. Ik 
had hem horen zeggen: Auf Ehrenwort, en vroeg wat hij daarmee bedoelde.

`Wel,' zei hij, `dat ik mijn eer verpand voor de waarheid van wat ik 
zeg.'

`Dat is zeer veel,' hernam ik. `Ben je zo overtuigd, altijd de waarheid 
te zeggen?'

`Ja,' verklaarde hij, `de waarheid zeg ik altijd. Als de borst me gloeit 
...' De lezer weet de rest.

`Dat is waarlijk zeer schoon,' zei ik, en ik hield me heel onnozel alsof 
ik het geloofde.

Maar hierin lag juist de fijnheid van de strik, die ik hem spande met 
het doel om, zonder gevaar te lopen de oude Stern in handen van 
Busselinck & Waterman te zien vallen, toch dat jonge kereltje eens goed 
op zijn plaats te zetten, en hem te doen gevoelen hoe groot de afstand 
is tussen iemand die pas begint -- al doet dan ook zijn vader grote 
zaken -- en een makelaar die twintig jaar de beurs bezocht heeft. Het 
was me namelijk bekend dat hij allerlei tuig van verzen uit het hoofd 
wist -- hij zegt: `uitwendig' -- en daar verzen altijd leugens bevatten, 
was ik zeker dat ik hem zeer spoedig zou betrappen op onwaarheid. Dit 
duurde dan ook niet lang. Ik zat in de zijkamer, en hij was in de suite 
... want we hebben een suite. Marie was aan 't breien, en hij zou haar 
wat vertellen. Ik luisterde aandachtig toe, en toen 't uit was, vroeg ik 
hem of hij 't boek bezat, waarin het ding stond, dat hij daar zoven had 
opgedeund. Hij zei ja, en bracht het mij. Het was een deeltje der werken 
van zekere Heine. De volgende morgen gaf ik hem -- aan Stern, meen ik -- 
de onderstaande:

Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het volgend prul 
van Heine vrzegt aan een jong meisje dat in de suite zit te breien.

Auf Flgeln des Gesanges,

Herzliebchen, trag ich dich fort,

Herzliebchen? Marie, jouw Herzliebchen? Weten je ouwelui daarvan, en 
Louise Rosemeyer? Is het braaf, dit te zeggen aan een kind, dat door 
zoiets al zeer licht ongehoorzaam zou worden aan haar moeder, door zich 
in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: Herzliebchen 
noemt? Wat beduidt dat: voortdragen op je vleugels? Je hebt geen 
vleugels, en je gezang ook niet. Probeer 't eens over de Lauriergracht, 
die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke 
dingen voorstellen aan een meisje dat haar belijdenis nog niet gedaan 
heeft? En al ws 't kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van 
wegvliegen samen? Foei!

Fort nach den Fluren des Ganges,

Da weiss ich den schnsten Ort;

Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje 
mee, dat haar moeder moet helpen in 't huishouden! Maar je meent het ook 
niet! Vooreerst heb je nooit de Ganges gezien, en kunt dus niet weten of 
't daar goed leven is. Wil ik je eens zeggen hoe de zaken staan? Het 
zijn alles leugens, die je alleen drom vertelt, omdat je in al dat 
gevrs je tot slaaf maakt van maat en rijm. Als de eerste regel 
geindigd was op koek, wijn, kina, zou je aan Marie gevraagd hebben of 
ze meeging naar Broek, Berlijn, China, enzovoort. Je ziet dus dat je 
voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt 
op een laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Hoe zou 't 
wezen, als Marie nu eens werkelijk lust kreeg om die malle reis te doen? 
Ik spreek nu nog niet eens van de ongemakkelijke manier die je 
voorstelt! Maar zij is, de Hemel zij dank, te verstandig om naar een 
land te verlangen, waarvan Je zegt:

Da liegt ein rotblhender Garten

Im stillen Mondesschein;

Die Lotosblumen erwarten

Ihr trautes Schwesterlein;

Die Veilchen kichern und kosen,

Und schau'n nach den Sternen empor;

Heimlich erzhlen die Rosen

Sich duftende Mrchen ins Ohr.

Wat wou je in die tuin bij maneschijn met Marie uitvoeren, Stern? Is dat 
zedelijk, is dat braaf, is dat fatsoenlijk? Wil je dat ik beschaamd moet 
staan, evenals Busselinck & Waterman, met wie geen fatsoenlijk 
handelshuis iets te doen wil hebben, omdat hun dochter weggelopen is, en 
omdat het knoeiers zijn? Wat zou ik moeten antwoorden, als men mij op de 
beurs vroeg, waarom mijn dochter zo lang in die rooie tuin is gebleven? 
Want dit begrijp je toch, dat niemand me geloven zou, als ik zei dat zij 
daar wezen moest om een bezoek te brengen aan de lotusbloemen die, zoals 
je zegt, haar al lang gewacht hebben. Evenzo zou ieder verstandig mens 
mij uitlachen, als ik gek genoeg was om te zeggen: Marie is daar in die 
rooie tuin -- waarom rood, en niet geel of paars? -- om te luisteren 
naar 't snappen en giechelen van de viooltjes, of naar de sprookjes die 
de rozen elkaar heimelijk in 't oor blazen. Al kon zoiets waar zijn, wat 
zou Marie eraan hebben, als het toch zo heimelijk geschiedt, dat zij er 
niets van verstaat? Maar leugens zijn het, flauwe leugens! En lelijk 
zijn ze ook, want neem eens een potlood, en teken een roos met een oor, 
en zie eens hoe dat er uitziet? En wat beduidt het, dat die Mrchen zo 
duftend zijn? Wil ik je dat eens zeggen in goed rond Hollands. Dat wil 
zeggen dat er een luchtje is aan die malle sprookjes... z is het!

Da hpfen herbei, und lauschen

Die frommen, klugen Gazellen;

Und in der Ferne rauschen

Des heiligen Stromes Wellen...

Da wollen wir niedersinken

Unter den Palmenbaum,

Und Ruhe und Liebe trinken,

Und trumen seligen Traum.

Kan je niet naar Artis gaan -- je hebt immers aan je vader geschreven 
dat ik lid ben? -- zeg, kan je niet in Artis terecht, als je dan 
volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan de 
Ganges wezen, die toch in 't wild nooit zo goed zijn waar te nemen, als 
in een nette omheining van gekoolteerd ijzer? Waarom noem je die dieren 
vroom en verstandig? Het laatste laat ik gelden -- ze maken althans 
zulke zotte verzen niet -- maar: vroom? Wat betekent dat! Is 't niet 
misbruik maken van een heilige uitdrukking die alleen mag gebruikt 
worden voor mensen van 't ware geloof? En dan die heilige stroom? Mag je 
aan Marie dingen vertellen, die haar tot een heidin zouden maken? Mag je 
haar doen wankelen in de overtuiging dat er geen ander heilig water is, 
dan dat van de doop, en geen andere heilige rivier dan de Jordaan? Is 
dit niet ondermijnen van zedelijkheid, deugd, godsdienst, christendom en 
fatsoen?

Denk over dit alles eens na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis, 
en ik ben zeker dat hij 't goedvindt dat ik zo op je gemoed werk, en dat 
hij gaarne zaken doet met iemand die deugd en godsdienst voorstaat. Ja, 
principes zijn me heilig, en ik heb geen schroom om ronduit te zeggen 
wat ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg, schrijf 't gerust 
aan je vader dat je hier in een solide familie bent, en dat ik je zo op 
't goede wijs. En vraag je zelf eens af, wat er van je zou geworden 
zijn, als je bij Busselinck & Waterman waart gekomen? Dr zou je ook 
zulke verzen opgezegd hebben, en dr had men niet op je gemoed gewerkt, 
omdat het knoeiers zijn. Schrijf dit gerust aan je vader, want als er 
principes in 't spel zijn, ontzie ik niemand. Dr zouden de meisjes met 
je meegegaan zijn naar de Ganges, en dan lag je daar nu misschien onder 
die boom in 't natte gras, terwijl je nu, omdat ik je zo vaderlijk 
waarschuwde, hier bij ons kunt blijven in een fatsoenlijk huis. Schrijf 
dat alles aan je vader, en zeg hem dat je zo dankbaar bent dat je bij 
ons zijt gekomen, en dat ik zo goed voor je zorg, en dat de dochter van 
Busselinck & Waterman is weggelopen, en groet hem zeer van mij, en 
schrijf dat ik nog 1/l6 procent courtage zal laten vallen beneden hun 
bod, omdat ik geen onderkruipers lijden kan, die een concurrent het 
brood uit de mond stelen door gunstiger voorwaarden.

En doe me toch 't genoegen, in je voorlezingen uit Sjaalmans pak wat 
meer degelijks te brengen. Ik heb er opgaven gezien van de 
koffieproduktie der laatste twintig jaren, uit alle residentin op Java: 
lees ziets eens voor! Zie je, dan kunnen de Rosemeyers, die in suiker 
doen, eens te horen krijgen wat er eigenlijk omgaat in de wereld. En je 
moet ook de meisjes en ons allen niet zo uitmaken voor kannibalen die 
wat van je hebben opgeslikt ... dit is niet fatsoenlijk, mijn beste 
jongen. Geloof toch iemand die weet wat er in de wereld te koop is! Ik 
heb je vader reeds bediend voor zijn geboorte -- zijn firma, meen ik, 
nee ... nze firma, meen ik: Last & Co. -- vroeger was het Last & Meyer, 
maar de Meyers zijn er lang uit -- je begrijpt dus dat ik 't goed met je 
meen. En spoor Frits aan, dat hij wat beter oppast, en leer hem geen 
verzen maken, en houd je alsof je het niet zag, als hij gezichten trekt 
tegen de boekhouder, en al zulke dingen meer. Geef hem een goed 
voorbeeld, omdat je zoveel ouder bent, en tracht hem bedaardheid en 
deftigheid in te prenten, want hij moet makelaar worden.

Ik ben je vaderlijke vriend,

Batavus Droogstoppel

(firma: Last & Co., makelaars in koffie,

Lauriergracht No 37)


Elfde Hoofdstuk

Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik 
dit hoofdstuk als `essentieel' beschouw, omdat het, naar ik meen, 
Havelaar beter doet kennen, en hij schijnt nu toch eenmaal de held van 
de historie te zijn.

`Tine, wat is dat voor ketimon? Lieve meid, doe nooit plantezuur bij 
vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pompelmoes met zout, al 
wat uit de grond komt, met zout. Azijn bij vis en bij vlees... er staat 
iets van in Liebig...'

`Beste Max,' vroeg Tine lachend, `hoe lang meen je wel dat we hier zijn? 
Die ketimon is van mevrouw Slotering.'

En Havelaar had moeite zich te herinneren dat hij pas gister was 
aangekomen, en dat Tine met de beste wil nog niets had kunnen regelen in 
keuken of huishouding. Hij zelfwas reeds lang te Rangkas-Betoeng! Had 
hij niet de ganse nacht doorgebracht met lezen in 't archief, en was er 
niet reeds te veel door zijn ziel gegaan, dat in verband stond met 
Lebak, dan dat hij zo terstond weten kon dat hij eerst sedert gisteren 
dr was? Tine begreep dit wel: zij begreep hem altijd!

`Ach ja, dat is waar,' zei hij. `Maar toch moetje eens wat van Liebig 
lezen. Verbrugge, heb jij veel gelezen van Liebig?'

`Wie is dat?' vroeg Verbrugge.

`Dat is iemand die veel geschreven heeft over 't inleggen van augurken. 
Ook heeft hij ontdekt hoe men gras in wol verandert ... je begrijpt 
wel?'

`Nee,' zeiden Verbrugge en Duclari tegelijk.

`Wl, de zaak zelf was toch altijd bekend: stuur een schaap 't land 
in... en je zult zien! Maar hij heeft de manier nagespoord, waarp het 
geschiedt. Andere wijzen zeggen weer dat hij er weinig van weet. Nu is 
men bezig met zoeken naar middelen om 't hele schaap in de bewerking 
over te slaan... o, die geleerden! Molire wist het wel... ik houd veel 
van Molire. Als je wilt, zullen we samen een leercursus houden, 's 
avonds, een paar maal in de week. Tine doet ook mee, als Max naar bed 
is.'

Duclari en Verbrugge wilden dit gaarne. Havelaar zei dat hij niet veel 
boeken had, maar daaronder waren toch Schiller, Goethe, Heine, Vondel, 
Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shakespeare, Byron ...

Verbrugge zei dat hij geen Engels las.

`Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al die tijd 
gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je geweest zijn op Padang, waar 
zoveel Engels gesproken wordt. Heb je miss Mata-api gekend?

`Nee, ik ken die naam niet.'

`'t Was ook haar naam niet. We noemden haar zo, in 1843, omdat haar ogen 
zo schitterden. Ze zal wel getrouwd zijn ... 't is al zo lang geleden! 
Nooit heb ik zoiets gezien ... ja toch, te Arles... dr moet je eens 
heen gaan! Dat is 't schoonste wat ik gevonden heb op al mijn reizen. Er 
bestaat niets, dunkt me, wat je zo klaar de schoonheid in 't 
afgetrokkene voorstelt, als zichtbaar beeld van het ware, van 't 
onstoffelijk-reine, als een schone vrouw. Gelooft me, gaat eens naar 
Arles en Nmes...'

Duclari, Verbrugge en -- ik moet het erkennen! -- ook Tine, konden een 
luide lach niet onderdrukken bij de gedachte zo opeens uit de westhoek 
van Java over te stappen naar Arles of Nmes in 't zuiden van Frankrijk. 
Havelaar, waarschijnlijk in zijn verbeelding op de toren staande, die 
door de Saracenen gebouwd is op de omgang van de arena te Arles, had 
zich enigszins in te spannen, voor hij de oorzaak van die lach begreep, 
en toen ging hij voort:

`Nu ja, ik meen ... als je daar in de buurt komt. Ziets heb ik nooit 
ergens meer ontmoet. Ik was gewoon aan teleurstellingen bij 't zien van 
alles wat zo hoog wordt opgehemeld. Ziet eens, bijvoorbeeld, de 
watervallen waarvan men zoveel spreekt en schrijft. Wat mij betreft, ik 
heb weinig of niets gevoeld te Tondano, te Maros, te Schaffhausen, bij 
de Niagara. Men moet zijn boekje inzien om daarbij de vereiste maat 
zijner bewondering bij de hand te hebben, over ``zoveel voeten vals'' en 
``zveel kubiek-voeten waters in de minuut'' en als die cijfers dan hoog 
zijn, moet men h zeggen. Ik wil nooit weer watervallen zien, althans 
niet als ik er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! 
Gebouwen spreken me wat luider toe, vooral wanneer 't bladzijden uit de 
geschiedenis zijn. Maar hierbij spreekt een gevoel van heel andere aard! 
Men roept de vergangenheid op, en laat de schimmen van 't verledene de 
revue passeren. Hieronder zijn zeer afschuwelijke, en dus, hoe 
belangrijk dit soms wezen moge, men vindt in zijn gewaarwordingen niet 
altijd voldoening voor schoonheidsgevoel ... onvermengd althans nooit! 
En zonder de geschiedenis erbij te roepen, is er wel veel schoons in 
sommige gebouwen, maar 't wordt gewoonlijk bedorven door gidsen -- van 
papier, van vlees en been ... 't komt overeen uit! -- gidsen, die je de 
indruk wegstelen door hun eentonig: ``Deze kapel is opgericht door de 
bisschop van Munster in 1423 ... de zuilen zijn 63 voeten hoog, en 
rusten op...'' ik weet niet wat, en het kan me niet schelen ook. Dat 
gebabbel is vervelend, want men voelt dat men dan juist drienzestig 
voet bewondering moet gereed hebben, om niet in de ogen van sommigen 
door te gaan voor een Vandaal of Geschfts-reiziger... dt is een ras!'

`De Vandalen?'

`Nee, die anderen. Nu zou men zeggen, houd dan je gids in de zak, als 
hij gedrukt is, en laat hem buiten staan of zwijgen in 't andere geval, 
maar behalve dat men werkelijk tot enigszins juist oordelen, dikwijls 
inlichting nodig heeft, zou men, ook al kon men die inlichting altijd 
missen, toch tevergeefs in enig gebouw iets zoeken, dat langer dan een 
zeer kort ogenblik beantwoordt aan ons verlangen naar het schone, omdat 
het niet beweegt. Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk en 
schilderstukken. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen, is 
beweging... stilstand is de dood! Zonder beweging, geen smart, geen 
genot, geen aandoening! Beproef eens daar te zitten zonder u te 
verroeren, ge zult zien hoe spoedig je een spookachtige indruk maakt op 
ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. Bij 't mooiste tableau 
vivant verlangt men al gauw naar een volgend nummer, hoe heerlijk ook de 
indruk was in 't begin. Daar nu onze schoonheidszucht niet voldaan is 
met n blik op iets schoons, maar behoefte heeft aan een reeks van 
opvolgende blikken, op de beweging van het schone, lijden wij aan iets 
onvoldaans bij 't aanschouwen van die soort van kunstwerken, en daarom 
beweer ik dat een schone vrouw -- mits geen portretschoonheid die 
stilstaat -- het naast komt aan het ideaal van 't goddelijke. Hoe groot 
de behoefte is aan de beweging die ik bedoel, kan men enigszins opmaken 
uit de walging die een danseres veroorzaakt, al ware zij Elssler of 
Taglioni, wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en 't publiek 
toegrijnst.'

`Dit geldt hier niet,' zei Verbrugge, `want dat is absoluut lelijk.'

`Dat vind ik ook. Maar zij geeft het toch als schoon, en als climax op 
al 't vorige, waarin werkelijk veel schoons kan geweest zijn. Ze geeft 
het als de pointe van 't epigram, als 't aux armes! van de Marseillaise 
die zij zong met haar voeten, als 't ruisen van de wilgen op het graf 
der zoven besprongene liefde. O, misselijk! En dat ook de toeschouwers, 
die gewoonlijk -- zoals wij allen, meer of min -- hun smaak gronden op 
gewoonte en navolging, dt ogenblik beschouwen als het treffendste, 
blijkt hieruit dat men juist dn uitberst in toejuiching, alsof men 
wilde te kennen geven: ``Al het vorige was ook wel heel mooi, maar nu 
kan ik 't waarachtig niet langer uithouden van bewondering!'' Je zei dat 
die slot-pose volstrekt lelijk was -- ik ook! Doch vanwaar komt dit? Het 
is omdat de beweging ophield, en daarmee de geschiedenis die de danseres 
verhaalde. Geloof me, stilstand is de dood!'

`Maar', bracht Duclari in 't midden, `ge hebt ook de watervallen 
verworpen als uitdrukking van het schone. Watervallen bewegen toch!'

`Ja, maar... zonder geschiedenis! Ze bewegen, maar komen niet van de 
plaats. Ze bewegen zich als een hobbelpaard, minus nog het va et vient. 
Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: hrroe.... hrroe... 
hrroe... en nooit iets anders! Roep jij eens zesduizend jaar, of langer: 
hrroe, hrroe... en zie eens hoe weinigen je voor een onderhoudend mens 
zullen aanzien.

`Ik zal de proef niet nemen,' zei Duclari. `Maar ik ben het toch nog 
niet met u eens, dat de door u gevorderde beweging zo volstrekt 
noodzakelijk wezen zou. Ik schenk u nu de watervallen, maar een goed 
schilderstuk kan toch, dunkt me, veel uitdrukken.'

`Welzeker, maar slechts voor n ogenblik. Ik zal trachten mijn mening 
te verklaren door een voorbeeld. Het is vandaag 18 februari ...'

`Welnee,' zei Verbrugge, `we hebben nog januari ...'

`Nee, nee, het is heden de 18de februari 1587, en je bent opgesloten in 
't kasteel Fotheringhay...'

`Ik?' vroeg Duclari, die meende niet goed verstaan te hebben.

`Ja, gij. Ge verveelt u, en zoekt afleiding. Dr in die muur is een 
opening, maar zij is te hoog om er door te zien, en dit wil je toch. Ge 
zet uw tafel ervoor, en daarop een stoel met drie poten, waarvan n wat 
zwak. Je zag eens op de kermis een acrobaat die zeven stoelen op elkaar 
zette, en zichzelf daarop met het hoofd naar beneden. Eigenliefde en 
verveling dringen u iets dergelijks te doen. Ge beklimt waggelend die 
stoel ... bereikt uw oogmerk ... slaat een blik door de opening, en 
roept: ``O, god!'' En je valt! Weet je me nu te zeggen waarom je: ``O 
god!'' riep, en gevallen bent?'

`Ik denk dat de derde poot van de stoel brak,' zei Verbrugge 
sententieus.

`Nu ja, die poot brak misschien, maar niet drom ben je gevallen. Die 
poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere opening had je 
't een jaar lang op die stoel uitgehouden, en nu moest je vallen, al 
waren er dertien poten onder die stoel geweest, ja, al had je op de 
grond gestaan.'

`Ik neem er genoegen mee,' zei Duclari. `Ik zie dat ge u in 't hoofd 
hebt gezet, mij cote que cote te laten vallen. Ik lig daar nu zo lang 
ik ben ... maar ik weet waarachtig niet waarom.'

`Wel, dat is toch zeer eenvoudig! Ge zaagt daar een vrouw, gekleed in 't 
zwart, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank 
als zilver was de hals die afstak bij 't zwart fluweel. En daar stond 
een man met een groot zwaard, en hij hield het hoog, en zijn blik 
staarde op die blanke hals, en hij zocht de boog die zijn zwaard 
beschrijven zou, om dr... dr, tussen die wervels heen, te worden 
doorgedreven met juistheid en kracht ... en toen viel je, Duclari. Je 
viel omdat je dat alles zag, en drom riep je: ``O god!'' Volstrekt 
niet omdat er maar drie poten aan je stoel waren. En lang nadat je uit 
Fotheringhay werd verlost -- op voorspraak van je neef, denk ik, of 
omdat het de mensen verveelde je daar langer onverplicht de kost te 
geven, als een kanarievogeltje -- lang daarna, ja, tot heden toe, droom 
je wakend van die vrouw, en in je slaap zelfs schrik je op, en valt met 
zware schok neer op je legerstede, omdat je de arm wilt grijpen van de 
beul. Is dit niet waar?'

`Ik wil 't wel geloven, maar bepaald zeker kan ik 't waarlijk niet 
zeggen, omdat ik nooit te Fotheringhay door een gat in de muur heb 
gezien.'

`Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schilderij die 't 
onthoofden van Maria Stuart voorstelt. Laat ons aannemen dat de 
voorstelling volmaakt is. Daar hangt ze, in vergulde lijst, aan een rood 
koord als je verkiest ... ik weet wat je zeggen wilt, goed! Nee, nee, ge 
ziet die lijst niet, ge vergeet zelfs dat ge uw rotting hebt afgegeven 
aan de ingang van de schilderzaal ... ge vergeet uw naam, uw kind, het 
nieuw-model politiemuts, en dus alles, om niet te zien een schilderij, 
maar om werkelijk daarop Maria Stuart te aanschouwen: geheel juist als 
te Fotheringhay. De beul staat er volkomen z als hij werkelijk moet 
gestaan hebben, ja, ik wil zover gaan dat je de arm uitstrekt om de slag 
af te weren! Zver dat je roept: ``Laat die vrouw leven, misschien 
betert zij zich!'' Je, ziet, ik geef je beau jeu wat de uitvoering van 
't schilderstuk aangaat...'

`Ja, maar wat dan verder? Is dan de indruk niet even treffend, als toen 
ik 'tzelfde in werkelijkheid zag te Fotheringhay?'

`Nee, volstrekt niet, en wel omdat je niet waart geklommen op een stoel 
met drie poten. Je neemt een stoel -- met vier poten ditmaal, en liefst 
een fauteuil -- je gaat voor de schilderij zitten, om goed en lang te 
genieten -- we genieten nu eenmaal bij 't aanschouwen van iets akeligs 
-- en welke indruk meent ge dat zij op je maakt?'

`Wl, schrik, angst, medelijden, ontroering ... evenals toen ik door de 
opening van de muur zag. We hebben gesteld dat de schilderij volmaakt 
is, ik moet dus daarvan geheel dezelfde indruk hebben als van de 
werkelijkheid.'

`Nee! Binnen twee minuten voel je pijn in je rechterarm, uit sympathie 
met de beul die zo lang dat zwaar stuk staal onbewegelijk omhoog moet 
houden.'

`Sympathie met de beul?'

`Ja! evenlijdendheid, gelijkvoeligheid, weet je? En tevens met de vrouw 
die daar zo lang in ongemakkelijke houding, en waarschijnlijk in 
onaangename stemming, voor dat blok ligt. Je hebt nog altijd medelijden 
met haar, maar ditmaal niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat 
men haar zo lang laat wachten vr ze onthoofd wordt, en als je nog iets 
zeggen of roepen zou, in 't eind -- gesteld dat je aandrift voelt je met 
de zaak te bemoeien -- zou 't niets anders wezen dan: ``Sla toch in 
godsnaam toe, man, 't mens wacht er op!'' En wanneer je later die 
schilderij weerziet, en meermalen weerziet, is zelfs reeds je eerste 
indruk: ``Is die historie nog niet afgelopen? Staat hij, en ligt zij 
daar ng?''`

`Maar wat is er dan voor beweging in de schoonheid der vrouwen te 
Arles?' vroeg Verbrugge.

`O, dt is iets anders! Zij spelen een geschiedenis uit in haar trekken. 
Carthago bloeit en bouwt schepen op haar voorhoofd ... hoor de 
Hannibals-eed tegen Rome... daar vlechten zij koorden voor de bogen ... 
daar brandt de stad...'

`Max, Max, ik geloof waarlijk dat je te Arles je hart verloren hebt,' 
plaagde Tine.

`Ja, voor een ogenblik ... maar ik vond het terug; dat zult ge horen. 
Verbeeldt u... ik zeg niet: ``Daar heb ik een vrouw gezien, die z of z 
schoon was,'' nee: allen waren zij schoon, en 't was dus een 
onmogelijkheid daar pour tout de bon verliefd te worden, omdat elke 
volgende weer de vorige uit je bewondering verdrong, en ik dacht daarbij 
waarlijk aan Caligula of Tiberius -- van wie vertellen ze 't fabeltje? 
-- die 't hele menselijk geslacht maar n hoofd toewenste. Z namelijk 
kwam onwillekeurig de wens in mij op, dat de vrouwen te Arles...'

`Maar n hoofd hadden samen?'

`Ja...'

Om t af te slaan?'

`Welnee! Om... het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar dat 
is het niet! Nee, om er op te staren, en er van te dromen, en om... goed 
te zijn!'

Duclari en Verbrugge vonden waarschijnlijk dit slot weer bijzonder 
vreemd. Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort:

`Want z edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde, 
slechts een mens te wezen, en niet een vonk: ... een straal -- nee, dat 
ware stof! -- een gedachte! Maar... dan zat daar opeens een broer of een 
vader naast die vrouwen, en ... godbewaarme, ik heb er een gezien die 
haar neus snoot!'

`Ik wist wel dat je er weer een zwarte streep over halen zou,' zei Tine. 
`Kan ik 't helpen? Ik had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een 
meisje zich profaneren?'

`Maar, meneer Havelaar,' vroeg Verbrugge, `als ze nu eens verkouwen is?

Wl, ze moest niet verkouwen zijn met zulk een neus!'

Ja, maar...

Alsof 't boze spel sprak, opeens moest Tine niezen, en ... voor ze er 
aan dacht, had ze haar neus gesnoten!

`Beste Max, wil je er niet boos om worden?' vroeg ze met teruggehouden 
lach.

Hij antwoordde niet. En, hoe gek het schijnt of is ... ja, hij was er 
boos om! En, wat k vreemd klinkt, Tine was blij dat hij boos was, en 
van haar vergde meer te zijn dan de Focese vrouwen te Arles, al was 't 
dan ook niet omdat ze reden had groots op haar neus te wezen.

Als Duclari nog meende dat Havelaar `gek' was, had men 't hem niet ten 
kwade kunnen duiden wanneer hij zich in deze mening versterkt voelde, 
bij 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat 
neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was 
teruggekeerd van Carthago, en hij las -- met de snelheid waarmee hij 
lezen kon, als hij niet te ver van huis was met zijn geest -- op de 
gezichten van zijn gasten, dat zij de twee volgende stellingen 
opwierpen:

1 Wie niet wil dat zijn vrouw haar neus snuit, is een gek.

2. Wie gelooft dat een in schone lijnen getekende neus niet mag gesnoten 
worden, doet verkeerd dit geloof toe te passen op mevrouw Havelaar, wier 
neus een beetje en pomme de terre is.

De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar... de tweede!

`O', riep hij, alsof hij te antwoorden had, schoon zijn gasten te 
beleefd waren geweest hun stellingen uit te spreken, `dt zal ik u 
verklaren. Tine is ...'

`Beste Max!' zei zij smekend.

Dit betekende: `Vertel toch niet aan die heren waarom ik in uw schatting 
verheven moest zijn boven verkoudheid!'

Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hij antwoordde: `Goed, 
kind! Maar weet je wel, heren, dat men zich dikwijls bedriegt in 't 
beoordelen der aanspraken van sommige mensen op stoffelijke 
onvolkomenheid?'

Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden. `Ik 
heb op Sumatra een meisje gekend,' ging hij voort, `de dochter van een 
datoe; welnu, ik houd het ervoor dat zij op die onvolkomenheid geen 
recht had. En toch heb ik haar in 't water zien vallen bij een 
schipbreuk ... evenals een ander. Ik, een mens, heb haar moeten helpen 
om aan land te komen.'

`Maar... had ze dan moeten vliegen als een meeuw?'

`Welzeker, of... nee, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat ik 
u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in `42. Ik was controleur 
van Natal. . . ben je daar geweest, Verbrugge?'

`Welnu, dan weet je dat er pepercultuur in 't Natalse is. De pepertuinen 
liggen te Taloh-Baleh, benoorden Natal, aan de kust. Ik moest ze 
inspecteren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in de prahoe 
een datoe mee, die er meer van wist. Zijn dochtertje, toen een kind van 
dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en verveelden ons 
...'

`En toen hebt ge schipbreuk geleden?'

`Welnee, 't was mooi weer, l te mooi. De schipbreuk waarop je doelt, 
viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zo zeilden 
we langs de kust, en 't was stikheet. Zo'n prauw biedt weinig 
gelegenheid tot afleiding, en daarbij was ik juist in een verdrietige 
stemming, waartoe veel oorzaken het hare bijdroegen. Ik had, primo, een 
ongelukkige liefde, ten tweede, een ... ongelukkige liefde, ten derde 
... nu ja, ng iets van die aard, enz. Och, dat hoort er zo bij. Maar 
bovendien bevond ik mij in een statie tussen twee aanvallen van 
eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een 
toren geklommen, en weer op de grond gevallen ... ik zal nu maar 
overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur 
gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitsers noemen: 
``ungeniessbar''. Ik vond onder andere dat het niet te pas kwam mij 
pepertuinen te laten inspecteren, en dat ik lang had moeten aangesteld 
zijn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierbij kwam het me voor als 
zedelijke moord, een geest als de mijne in n prauw te zetten met die 
domme datoe en zijn kind. Ik moet je zeggen, dat ik anders de Maleise 
hoofden wl lijden mocht, en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten 
zij veel dat mij hen doet voortrekken boven de Javaanse groten. Ja, ik 
weet wel, Verbrugge, dat je dit niet met mij eens bent, er zijn slechts 
weinigen die 't me toestemmen ... maar dit laat ik nu dr.

Als ik dat reisje op een andere dag gedaan had -- met wat minder 
muizenesten in 't hoofd, meen ik -- zou ik waarschijnlijk terstond met 
die datoe in gesprek zijn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hij 
mijn omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisje aan 't 
spreken gebracht, en dit had mij misschien onderhouden en vermaakt, want 
een kind heeft meestal iets oorspronkelijks ... schoon ik erkennen moet 
dat ik zelf toen nog teveel kind was, om belang te stellen in 
oorspronkelijkheid. Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van 
dertien jaren een manuscript waarin nog weinig of niets is 
doorgestreken. Men verrast de auteur en nglig, en dit is dikwijls 
aardig.

Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarbij 
nodig te hebben. Drie rode, n zwarte ... drie rode, n zwarte: 't was 
mooi!

Ze heette Si Oepi Keteh. Dit beduidt op Sumatra zoveel als: kleine 
freule... ja, Verbrugge, jij weet het wel, maar Duclari heeft altijd op 
Java gediend. Ze heette Si Oepi Keteh, maar in mijn gedachten noemde ik 
haar ``stumperd'' of zoiets, omdat ik naar mijn schatting zo hemelhoog 
boven haar verheven was.

't Werd middag ... avond bijna, en de kralen werden opgeborgen. Het land 
schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de Ophir 
rechts achter ons. Links in 't westen boven de wijde, wijde zee, die 
geen grens heeft tot waar Madagascar ligt, en Afrika daarachter, zakte 
de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen over 
de golven, en zij zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook weer 
dat ding?'

`Wat voor ding ... de zon?'

`Ach, nee ... ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelijk! Hoor eens:

Ge vraagt waarom toch de Oceaan Die Natals ree bespoelt,

Schoon elders minzaam en gedwee,

Onstuimig slechts op Natals ree, Gedurig kookt en woelt?

Ge vraagt, en de arme vissersknaap Heeft nauw uw vraag verstaan,

Of wenkend met het donker oog,

Wijst hij u aan d'onmeetbren boog Het verre westen aan.

Hij wendt den blik van 't donker oog En staart naar 't westen heen,

En toont u, daar ge rondsom ziet,

Slechts water, water, in 't verschiet, En zee, en zee alleen!

En daarom schuurt hier de Oceaan Zo fel het oeverzand:

't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet,

En water, water, anders niet, Tot Madagascars strand!

En menig offer werd gebracht Ten zoen voor d'Oceaan!

En menig kreet, in 't nat gesmoord,

Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord, Werd slechts door God 
verstaan!

En menig hand voor 't laatst gestrekt Rees opwaarts uit het meer, En 
voelde en greep en plaste in 't rond, En zocht of ze ergens steunsel 
vond, En zonk voor eeuwig neer!

En ...

En ... en ... ik weet de rest niet meer.'

`Die is weer te vinden door er om te schrijven aan Krijgsman, uw klerk 
te Natal. Hij heeft het,' zei Verbrugge.

`Hoe komt hij daaraan? vroeg Max.

`Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dt hij het heeft! Volgt 
er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed 
waardoor vroeger de rede van Natal werd beschermd? De geschiedenis van 
Djiwa met de twee broeders?'

`Ja, dt is waar. Die legende... was geen legende. Het was een parabel 
die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal 
als Krijgsman dat ding wat veel opdeunt. Z begonnen alle mythologien. 
Djiwa is: ziel zoals je weet, ziel, geest of zoiets. Ik maakte er een 
vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva...'

`Wel, Max, waar blijft onze kleine freule met haar kraaltjes?' vroeg 
Tine. `De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de 
evennachtslijn -- Natal ligt op weinige minuten noord: als ik over land 
naar Ajer-Bangie ging, stapte ik te paard over de linie heen, of 
nagenoeg ... 't Was om er over te struikelen, waarachtig! -- Dr was 
zes uur 't sein tot avondgedachten. Nu vind ik dat een mens 's avonds 
altijd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit 
is natuurlijk. 's Morgens houdt men zich te zamen -- ik weet dat dit een 
germanismus is, maar hoe moet ik het zeggen in 't Hollands? -- men is 
... deurwaarder of controleur, of... nee, dit is genoeg! Een deurwaarder 
hlt sich zusammen om die dag eens terdege zijn plicht te doen ... god, 
welk een plicht! Hoe moet dat zusammen gehalten hart er uitzien! Een 
controleur -- ik zeg dit niet voor u, Verbrugge! -- een controleur 
wrijft zich de ogen uit, en ziet er tegenop de nieuwe assistent-resident 
te ontmoeten, die een bespottelijk overwicht wil aannemen op een paar 
jaren diensttijd meer, en van wie hij zoveel zonderlings gehoord heeft 
... op Sumatra. Of hij moet die dag velden opmeten, en staat in dubio 
tussen zijn eerlijkheid -- jij weet dit zo niet, Duclari, omdat je 
militair bent, maar er zijn werkelijk eerlijke controleurs! -- dan staat 
hij te waggelen tussen die eerlijkheid en de vrees dat Raden demang z 
of z hem de schimmel zal terugvragen, die zo goed telt. Of wel, hij 
moet die dag kordaat ja of nee zeggen in antwoord op missive nummer 
zoveel. Kortom, 's morgens bij 't ontwaken valt je de wereld op 't hart, 
en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avonds heeft men 
een pauze. Er liggen tien volle uren tussen nu en 't ogenblik dat men 
zijn rok weerziet. Tien uren: zesendertigduizend seconden om mens te 
zijn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't ogenblik waarop ik hoop te sterven, 
om ginder aan te komen met een inofficieel gezicht. Dit is 't ogenblik 
waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar ving toen ze 
je die zakdoek behouden liet met een gekroonde E op de punt ...'

`En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen,' zei Tine.

`Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avonds gemtlicher 
is.'

`Toen alzo de zon langzamerhand verdween,' ging Havelaar voort, `werd ik 
een beter mens. En als eerste blijk van die beterschap moge gelden, dat 
ik tot de kleine freule zei:

``Het zal nu gauw wat koeler worden.''

``Ja, toean!'' antwoordde zij.

Maar ik boog mijn hoogheid nog dieper tot die ``stumperd'' neer, en ving 
een gesprek met haar aan. Mijn verdienste was te groter omdat zij heel 
weinig antwoordde. Ik had gelijk in al wat ik zei... dat ook al 
vervelend wordt, al is men ng zo verwaand.

``Zou je graag een volgende keer weer meegaan naar Taloh-Baleh?' vroeg 
ik.

``Zoals toean kommandeur beveelt.''

``Nee, ik vraag u of gij zo'n reisje aangenaam vindt?''

``Als mijn vader het verkiest,'' antwoordde zij.

Zegt eens, heren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet dol. 
De zon was onder, en ik voelde mij gemtlich genoeg om nog niet 
afgeschrikt te worden door zoveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik 
begon vermaak te scheppen in 't horen van mijn stem -- er zijn weinigen 
onder ons, die niet gaarne luisteren naar zich zelf -- maar na mijn 
mutisme van de hele dag, meende ik, nu ik eindelijk aan 't spreken 
geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnozele antwoorden 
van Si Oepi Keteh.

Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ik zelf het 
meteen, en ik heb niet nodig dat ze mij antwoordt. Nu weet ge dat, 
evenals bij het lossen van een schip de laatst ingeladen krandjang 
suiker 't eerst weer voor de dag komt, ook wij gewoonlijk die gedachte 
of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen. In het 
Tijdschrift van Nerlands Indi had ik kort tevoren een verhaal gelezen 
van Jeronimus: ``De Japanse steenhouwer''.

Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zijn 
``Vendutie in een sterfhuis'' gelezen? En zijn: ``Graven''? En, vooral: 
``De pedati''? Ik zal 't u geven.

Ik dan had pas ``De Japanse steenhouwer'' gelezen. Ach, nu herinner ik 
mij op eenmaal hoe ik zoven verdwaald ben geraakt in dat liedje, waarin 
ik 't ``donker oog'' van die vissersknaap tot scheelwordens toe ``rondom 
laat dwalen'' in n richting... heel gek! Dat was een aaneenschakeling 
van denkbeelden. Mijn verstoordheid van die dag stond in verband met het 
gevaarlijke der Natalse ree... je weet, Verbrugge, dat geen oorlogsschip 
die rede mag aandoen, vooral niet in juli ... ja, Duclari, de 
westmoesson is daar in juli 't sterkst, juist andersom dan hier. Welnu, 
't gevaarlijke van die rede schakelde zich vast aan mijn gekrenkte 
eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedje over Djiwa. Ik 
had de resident herhaaldelijk voorgesteld te Natal een zeewering te 
maken, of althans een kunsthaven in de monding van de rivier, met het 
doel om handel te brengen in de Afdeling Natal die de zo belangrijke 
Bataklanden met de zee verbindt. Anderhalf miljoen mensen in 't 
binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de Natalse ree -- en 
terecht! -- in zulk een slecht blaadje stond. Welnu, die voorstellen 
waren door de resident niet goedgekeurd, of althans hij beweerde dat de 
regering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat behoorlijke residenten 
nooit iets voorstellen, dan wat ze vooruit kunnen berekenen dat aan 't 
gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven te Natal streed in 
principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel verre van schepen 
daarheen te lokken, was 't zelfs verboden -- tenzij in geval van force 
majeure -- raschepen op de rede toe te laten. Als er nu toch een schip 
kwam -- 't waren meestal Amerikaanse walvisvangers, of Fransen die peper 
hadden geladen in de onafhankelijke rijkjes op de Noordhoek -- liet ik 
mij altijd door de kapitein een brief schrijven, waarin hij verlof vroeg 
om drinkwater in te nemen. De verstoordheid over 't mislukken mijner 
pogingen om iets ten voordele van Natal te bewerken of liever de 
gekrenkte ijdelheid ... was 't niet hard voor me, nog zo weinig te 
betekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik wilde? Nu, 
dit alles, in verband met mijn kandidatuur voor 't regelen van een 
zonnestelsel, had me die dag zo onbeminnelijk gemaakt. Toen ik door 't 
ondergaan der zon enigszins genas -- want ontevredenheid is een ziekte 
-- bracht juist die ziekte mij ``De Japanse steenhouwer'' voor de geest, 
en misschien dacht ik alleen drom die geschiedenis overluid, om, me 
zelf wijsmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind, 
tersluiks de laatste druppel in te nemen van het drankje dat ik voelde 
nodig te hebben. Maar zij, dat kind, genas me -- voor een dag of wat 
althans beter dan mijn vertelling, die ongeveer aldus moet geluid 
hebben:

``Oepi, er was een man die steen hieuw uit de rots. Zijn arbeid was zeer 
zwaar, en hij arbeidde veel, doch zijn loon was gering, en tevreden was 
hij niet.

Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was. En hij riep: `Och, dat ik rijk 
ware, om te rusten op een baleh-baleh met klamboe van rode zijde. En er 
kwam een engel uit de hemel, die zeide: `U zij gelijk gij gezegd hebt.' 
En hij was rijk. En hij rustte op een baleh-baleh en de klamboe was van 
rode zijde.

En de koning des lands toog voorbij, met ruiters voor zijn wagen. En ook 
achter de wagen waren ruiters, en men hield de gouden pajong boven het 
hoofd van de koning.

En toen de rijke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden pajong 
werd gehouden boven zijn hoofd. En tevreden was hij niet.

Hij zuchtte, en riep: `Ik wenste koning te zijn.'

En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: `U zij gelijk gij gezegd 
hebt.'

En hij ws koning. En voor zijn wagen reden vele ruiters, en ook waren 
er ruiters achter zijn wagen, en boven zijn hoofd hield men de gouden 
pajong.

En de zon scheen met hete stralen, en verbrandde het aardrijk, zodat de 
grasscheut dor werd.

En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht 
had boven hem. En tevreden was hij niet.

Hij zuchtte, en riep: `Ik wenste de zon te zijn.'

En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: `U zij gelijk gij gezegd 
hebt.'

En hij ws de zon. En hij zond zijn stralen naar boven, en naar beneden, 
naar de rechterzijde en naar de linkerzijde, en alom.

En hij verschroeide de grasscheut op het aardrijk, en het gelaat der 
vorsten die op de aarde waren.

En een wolk stelde zich tussen de aarde en hem, en de stralen van de zon 
stuitten daarop terug.

En hij werd toornig dat zijner macht weerstaan werd, en hij klaagde dat 
die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hij niet.

Hij wilde de wolk zijn, die zo machtig was.

En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: `U zij gelijk gij gezegd 
hebt.'

En hij werd een wolk, en plaatste zich tussen de zon en de aarde, en 
ving de stralen op, zodat het gras groen werd.

En de wolk regende in grote druppen op het aardrijk, en deed de rivieren 
zwellen, en bandjirs voerden de kudden weg.

En hij verwoestte door veel waters het veld.

En hij viel neer op een rots, die niet week. En hij klaterde in grote 
stromen, maar de rots week niet.

En hij werd toornig omdat de rots niet wijken wilde, en omdat de sterkte 
van zijn stromen ijdel was. En tevreden was hij niet.

Hij riep: `Aan die rots is macht gegeven boven mij. Ik wenste die rots 
te zijn.'

En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: `U zij gelijk gij gezegd 
hebt.'

En hij wrd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het 
regende.

En daar kwam een man met houweel, en met puntige beitel, en met zware 
hamer, die stenen hieuw uit de rots.

En de rots zeide: `Wat is dit, dat die man macht heeft boven mij, en 
stenen houwt uit mijn schoot?' En tevreden was hij niet.

Hij riep: `Ik ben zwakker dan deze... ik wenste die man te zijn.'

En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: `U zij gelijk gij gezegd 
hebt.'

En hij was een steenhouwer. En hij hieuw stenen uit de rots, met zware 
arbeid, en hij arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hij was 
tevreden.''`

`Heel aardig,' riep Duclari, `maar nu zijt ge ons 't bewijs schuldig dat 
die kleine Oepi imponderabel had moeten wezen.'

`Nee, ik heb u dat bewijs niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen 
hoe ik kennis met haar maakte. Toen mijn verhaaltje uit was, vroeg ik:

``En jij, Oepi, wat zou jij kiezen, als een engel uit de hemel je kwam 
vragen wat je begeerde?''

``Voorzeker, meneer, ik zou hem bidden mij mee te nemen naar de

hemel.'' '

`Is dat niet beeldig?' vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel 
gek vonden ...

Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd.


Twaalfde hoofdstuk

`Beste Max,' zei Tine, `ons dessert is zo schraal. Zou je niet... je 
weet wel... Madame Geoffrin?'

`Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben hees. De 
beurt is aan Verbrugge.'

`Ja, meneer Verbrugge! Lost u Max wat af,' verzocht mevrouw Havelaar.

Verbrugge bedacht zich even, en begon:

`Er was eens een man, die een kalkoen stal...'

`O, deugniet,' riep Havelaar, `dat heb je van Padang! En hoe is 't 
verder?' `'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?'

`Wl, ik! Ik heb hem opgegeten, samen met... iemand. Weet je waarom ik 
te Padang gesuspendeerd was?'

`Men zei dat er een deficit was in uw kas te Natal,' hernam Verbrugge. 
`Dit was niet geheel onwaar, doch waar was 't ook niet. Ik was te Natal 
door allerlei oorzaken heel slordig geweest in mijn geldelijke 
verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar 
dit viel in die dagen zo dikwijls voor! De omstandigheden in de Noord 
van Sumatra waren kort na 't innemen van Baroes, Tapoes en Singkel z 
verward, alles was zo onrustig, dat men het een jongmens, die liever te 
paard zat dan dat hij geld telde of kasboeken bijhield, niet kwalijk 
nemen kon dat alles niet zo ordelijk en geregeld ging als men zou kunnen 
vorderen van een Amsterdamse boekhouder die niet anders te doen heeft. 
De Bataklanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe altijd alles 
wat in de Bataks gebeurt, terugwerkt op 't Natalse. Ik sliep 's nachts 
geheel gekleed om spoedig bij de hand te zijn, wat dan ook dikwijls 
nodig was. Daarbij heeft het gevaar -- enige tijd voor mijn komst was er 
een complot ontdekt, om mijn voorganger te vermoorden en opstand te 
maken -- het gevaar heeft iets aantrekkelijks, vooral wanneer men 
slechts tweentwintig jaren oud is. Dit aantrekkelijke maakt dan iemand 
wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de stijve nauwkeurigheid die 
nodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei 
gekheden in 't hoofd...'

`Traoessa,' riep mevrouw Havelaar een bediende toe. `Wt hoeft niet?'

`Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken ... een omelet of 
zoiets.'

`Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van mijn gekheden begin? Je bent 
ondeugend, Tine! 't Is mij wel, maar die heren hebben ook een stem. 
Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?'

 `Dat is een moeilijke positie voor een beleefd mens,' zei Verbrugge.

`En ook ik zou liever niet kiezen,' voegde Duclari er bij, `want het is 
hier te doen om een uitspraak tussen meneer en mevrouw, en: entre 
l'corce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt.'

 `Ik zal u helpen, heren, de omelet is...'

`Mevrouw,' zei de zeer beleefde Duclari, `de omelet zal toch wel zoveel 
waard zijn als...'

 `Als de historie? Zeker als ze wat waard was! Doch er is een 
bezwaar...'

`Ik wed dat er nog geen suiker in huis is,' riep Verbrugge. `Och, laat 
toch bij mij halen wat ge nodig hebt!'

`Suiker is er... van mevrouw Slotering. Nee, daaraan hapert het niet. 
Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zijn, maar...'

`Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?'

`Ik wou dat het waar was! Nee, ze kan niet in 't vuur vallen. Ze is...' 
`Maar, Tine,' riep Havelaar, `wat is ze dan toch?'

`Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles... wezen moesten! Ik 
heb geen omelet ... ik heb niets meer!'

`Dan in 's hemelsnaam de historie!' zuchtte Duclari met koddige wanhoop.

`Maar koffie hebben we', riep Tine.

`Goed! Koffiedrinken in de voorgalerij, en laat ons mevrouw Slotering 
met de meisjes daarbij roepen,' zei Havelaar, waarop 't kleine 
gezelschap naar buiten toog.

`Ik gis dat ze bedanken zal, Max! Je weet dat ze ook liever niet met ons 
eet, en ik kan haar geen ongelijk geven.'

`Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel,' zei Havelaar, `en dat 
heeft haar afgeschrikt.'

`Welnee, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen Hollands. Nee, 
ze heeft mij gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blijven voeren, en 
dit begrijp ik heel goed. Weet je nog hoe je mijn naam vertaald hebt?'

`E. H. V. W: eigen haard veel waard.'

`Daarom! Ze heeft groot gelijk. Bovendien, ze komt me wat mensenschuw 
voor. Verbeeld je dat zij alle vreemden die 't erf betreden, laat 
wegjagen door de oppassers...'

`Ik verzoek om de historie of de omelet,' zei Duclari.

`Ik ook!' riep Verbrugge. `Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben 
aanspraak op een volledig maal, en daarom eis ik de geschiedenis van de 
kalkoen.'

`Die heb ik je reeds gegeven,' zei Havelaar. `Ik had het beest gestolen 
van de generaal Vandamme, en heb 't opgegeten... met iemand.'

`Voor die ``iemand'' ten hemel voer,' zei Tine schalk.

`Nee, dat is tricheren,' riep Duclari. `We moeten weten waarom ge die 
kalkoen ... weggenomen hebt.'

`Wl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van de generaal 
Vandamme die me gesuspendeerd had.'

`Als ik er niet meer van te weten krijg, breng ik een volgende keer zelf 
een omelet mee,' klaagde Verbrugge.

`Geloof me, er stak niets meer achter dan dt. Hij had zeer vl 
kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorbij mijn deur... ik 
nam er een, en zei tot de man die zich verbeeldde er op te passen: ``Zeg 
de generaal dat ik, Max Havelaar, deze kalkoen neem omdat ik eten 
wil.''`

`En dan dat epigram?'

`Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?'

`Ja.'

`Dat had niets met de kalkoen uit te staan. Ik maakte dat ding omdat hij 
zoveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op Padang zeker zeven of 
acht die hij met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst 
had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De assistent-
resident van Padang zelf was gesuspendeerd, en wel om een reden die, 
naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit opgegevene. 
Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan dat ik alles 
juist weet, en alleen verzeg wat men in de Chinese kerk te Padang voor 
waar hield, en wat dan ook -- vooral met het oog op de bekende 
eigenschappen van de generaal -- waar kan geweest zijn.

Hij had, moet ge weten, zijn vrouw getrouwd om een weddenschap te 
winnen, en daarmee een anker wijn. Hij ging dus dikwijls 's avonds uit, 
om... overal rond te lopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een 
straatje nabij 't meisjesweeshuis zijn incognito z stipt geerbiedigd 
hebben, dat hij hem een pak slaag heeft gegeven evenals een gewone 
straatschender. Niet ver van daar woonde Miss X Er liep een gerucht dat 
die Miss 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat ... verdwenen 
was. De assistent-resident was als hoofd der politie verplicht, en ook 
inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en schijnt van dit 
voornemen iets gezegd te hebben op een whistpartij bij de generaal. Doch 
zie, de volgende dag ontvangt hij de last zich naar zekere Afdeling te 
begeven, welker gezagvoerende controleur wegens ware of veronderstelde 
oneerlijkheid geschorst was in zijn beheer, om in loco zekere zaken te 
onderzoeken en daarvan ``te dienen van bericht.'' Wel was de assistent-
resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zijn Afdeling in 't 
geheel niet aanging, doch daar hij strikt genomen deze opdracht kon 
beschouwen als een vererende onderscheiding, en dewijl hij met de 
generaal op zeer vriendschappelijke voet stond zodat hij geen oorzaak 
had aan een valstrik te denken, berustte hij in deze zending, en begaf 
zich naar... ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem bevolen 
was. Na enige tijd keert hij terug, en biedt een verslag aan dat niet 
ongunstig luidde voor die controleur. Doch ziet, er was gedurende die 
tijd op Padang door 't publiek -- dat is: door niemand en iedereen -- 
ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een gelegenheid 
te scheppen de assistent-resident van de plaats te verwijderen, ten 
einde zijn voorgenomen onderzoek naar de verdwijning van dat kind te 
voorkomen, of althans te verschuiven tot een tijdstip dat die zaak 
moeilijker zou op te helderen zijn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of 
dit waar was, doch naar de kennis die ik zelf later van de generaal 
Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval mij geloofbaar voor. Op 
Padang was er niemand die hem niet -- wat het peil aangaat, waartoe zijn 
zedelijkheid was afgedaald -- tot zoiets in staat keurde. De meesten 
kenden hem slechts n goede hoedanigheid toe, die van 
onverschrokkenheid in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien 
heb, van mening ware dat hij aprs tout een dapper man was, zou dit 
alleen mij bewegen u deze geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, 
hij had op Sumatra veel laten ``sabreren'', doch wie sommige 
gebeurtenissen van nabij gezien had voelde neiging om wat af te dingen 
op zijn dapperheid, en, hoe vreemd het schijne, ik geloof dat hij zijn 
krijgsmansroem grotendeels te danken had aan de zucht tot tegenstelling, 
die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne: ``'t Is waar dat 
Peter of Paul dit, dit of dit is, maar... dt is hij, dt moet men hem 
laten!'' En nooit kan men zo zeker zijn geprezen te worden, dan wanneer 
men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jij, Verbrugge, bent alle 
dagen dronken ...'

`Ik?' vroeg Verbrugge, die een voorbeeld was van matigheid.

`Ja, ik maak je nu dronken, alle dagen! Je vergeet je zver, dat Duclari 
's avonds in de galerij over je struikelt. Dit zal hij onaangenaam 
vinden, maar terstond zal hij zich herinneren iets goeds in je gezien te 
hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en 
ik vind je zo erg ... horizontaal, dan zal hij mij de hand op de arm 
leggen, en uitroepen: ``Och, geloof toch dat hij overigens zo'n beste 
brave knappe jongen is!''`

`Dat zeg ik toch van Verbrugge,' riep Duclari, `al is hij verticaal.''

`Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwijls men 
hoort zeggen: ``O als die man op zijn zaken wilde passen, dt zou iemand 
wezen! Maar...'' En dan volgt het betoog hoe hij niet op zijn zaken past 
en dus niemand is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook van de doden 
verneemt men altijd goede hoedanigheden waarvan we vroeger niets 
bemerkten. De oorzaak zal wel zijn dat ze niemand in de weg staan. Alle 
mensen zijn min of meer mededingers. We zouden gaarne lk ander geheel 
en in alles onder ons plaatsen. Dit echter te uiten, verbiedt de goede 
toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou niemand ons geloven 
ook al beweerden wij iets waars. Er moet dus een omweg gezocht worden, 
en ziet hier hoe we dit doen. Als gij, Duclari, zegt: ``De luitenant 
Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hij is een goed soldaat, ik kan 
je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de luitenant Slobkous is... 
maar een theoreticus is hij niet ...'' Heb je niet zo gezegd, Duclari?'

`Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien.'

`Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.'

`Wel, ik schep hem, en zeg het.'

`Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jij, Duclari,  
cheval bent op de theorie. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen 
onrecht zo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden 
onder ons zijn 't slechte zo na! Laat eens de volmaaktheid nul heten, en 
honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan -- wij, die 
dobberen tussen acht- en negenennegentig! -- haro te roepen over iemand 
die op honderdenn staat! En nog geloof ik dat velen die honderdste 
graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede eigenschappen, aan moed 
bijvoorbeeld om geheel te zijn wat men is.'

`Op hoeveel graden sta ik, Max?'

`Ik heb een loep nodig voor de onderdelen, Tine.'

`Ik reclameer,' riep Verbrugge -- `nee, mevrouw, niet tegen uw nabijheid 
aan de nul! -- nee, maar er zijn ambtenaren gesuspendeerd, er is een 
kind zoek, een generaal in staat van beschuldiging... ik vraag: la 
pice!'

`Tine, zorg toch dat er een volgende keer wat in huis is! Nee, 
Verbrugge, je krijgt la pice niet, voor ik nog een beetje heb 
rondgereden op mijn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk 
mens in zijn medemens een soort van concurrent ziet. Men mag niet altijd 
laken -- wat in 't oog vallen zou! -- daarom verheffen wij gaarne een 
goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker 
openbaring ons eigenlijk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen, 
zonder de schijn op ons te laden van partijdigheid. Als iemand zich bij 
mij beklaagt omdat ik gezegd heb: ``Zijn dochter is zeer schoon, maar 
hij is een dief'', dan antwoord ik: ``Hoe kan je drover zo boos wezen! 
Ik heb immers gezegd dat je dochter een lief meisje is!'' Zie je, dat 
wint dubbel! Wij beiden zijn kruideniers, ik neem hem zijn klanten af, 
die geen rozijnen willen kopen bij een dief, en tegelijkertijd zegt men 
van mij dat ik een goed mens ben, omdat ik de dochter prijs van een 
concurrent.'

`Nee, z erg is 't niet,' zei Duclari, `dt is wat sterk!'

`Dit komt u nu zo voor, omdat ik de vergelijking wat kort en bruusk 
gemaakt heb. We moeten ons dat: ``Hij is een dief'' enigszins 
omzwachteld voorstellen. De strekking der gelijkenis blijft waar. 
Wanneer we genoodzaakt zijn iemand zekere eigenschappen toe te kennen 
die aanspraak geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons 
genoegen naast die eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van de 
verschuldigde cijns voor een gedeelte of geheel ontslaat. ``Voor zulk 
een dichter zou men 't hoofd buigen, maar... hij slaat zijn vrouw!'' 
Ziet ge, dan gebruiken wij gaarne de blauwe plekken van die vrouw als 
voorwendsel om ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons 
zelfs plezier dat hij 't mens slaat, wat toch anders heel lelijk is. 
Zodra wij erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer 
van een voetstuk waardig maken, zodra we zijn aanspraken daarop niet 
langer kunnen loochenen zonder door te gaan voor onkundig, gevoelloos, 
of naijverig... dan zeggen we ten laatste: ``Goed, zet hem erop!'' Maar 
reeds onder dat opzetten, en als hij zelf nog meent dat we verrukt staan 
over zijn uitstekendheid, hebben we reeds de strik gelegd in de lasso 
die dienen moet om hem bij de eerste gunstige gelegenheid naar beneden 
te halen. Hoe meer mutatie onder de Inhabers der voetstukken, hoe groter 
de kans voor anderen om k eens aan de beurt te komen, en dit is z 
waar dat wij uit gewoonte, en tot oefening -- evenals een jager die op 
kraaien schiet, welke hij toch liggen laat -- ook die standbeelden 
gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden. 
Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing 
in de klacht: ``Alexander ws niet groot ... hij was onmatig'', zonder 
dat er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te 
concurreren in wereldverovering.

Hoe dit zij, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen 
zijn, de generaal Vandamme voor zo dapper te houden, als zijn dapperheid 
niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altijd daarbij gevoegde: 
``Maar... zijn zedelijkheid!'' En tevens, dat deze onzedelijkheid niet 
zo hoog zou opgenomen zijn door de velen die zelf niet zo onaantastbaar 
waren op dit stuk, wanneer men ze niet had nodig gehad tot het opwegen 
tegen zijn roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen.

En eigenschap bezat hij werkelijk in hoge mate: wilskracht. Wat hij 
zich voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlijk. doch -- 
zie je wel dat ik weer terstond de tegenstelling bij de hand heb? -- 
doch in de keuze der middelen was hij dan ook wat ... vrij, en, zoals 
Van der Palm -- naar ik geloof, ten onrechte -- van Napoleon zei: 
``Hinderpalen der zedelijkheid stonden hem nooit in de weg!'' Nu, dan is 
't zeker gemakkelijker zijn doel te bereiken, dan wanneer men zich door 
zoiets wl gebonden acht.

De assistent-resident van Padang dan had een bericht uitgebracht, dat 
gunstig luidde voor die gesuspendeerde controleur, wiens suspensie 
hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangse praatjes 
duurden voort: men sprak nog altijd over 't verdwenen kind. De 
assistent-resident voelde zich opnieuw geroepen die zaak op te vatten, 
maar voor hij iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hij een 
besluit waarbij hij door de gouverneur van Sumatra's Westkust werd 
gesuspendeerd ``wegens oneerlijkheid in ambtsbetrekking''. Het heette 
dat hij uit vriendschap of medelijden de zaak van die controleur, tegen 
beter weten aan, in een vals daglicht had gesteld.

Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet 
dat de assistent-resident niet in de minste betrekking met die 
controleur stond, hetgeen reeds hieruit blijkt dat men juist hem had 
gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hij een 
achtenswaardig persoon was, en dat ook de regering hem hiervoor hield, 
hetgeen blijkt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders 
dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die controleur is later 
geheel in zijn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die mij 't 
puntdicht ingaf, dat ik op de ontbijttafel van de generaal liet 
neerleggen door iemand die toen bij hem, en vroeger bij mij in dienst 
was.

Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,

Jan Schors-al, gouverneur, de weerwolf onzer dagen,

Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd ...

Als 't niet voor lange tijd finaal reeds ware ontslagen.'

`Neem me niet kwalijk, meneer Havelaar, ik vind dat zoiets niet te pas 
kwam,' zei Duclari.

`Ik ook ... maar ik moest toch iets doen! Verbeeld je dat ik geen geld 
had, niets ontving, en van dag tot dag vreesde te sterven van honger, 
wat dan ook nabij genoeg geweest is. Ik had weinig of geen betrekkingen 
op Padang, en bovendien, ik had de generaal geschreven dat hij 
verantwoordelijk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van niemand 
hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende hoe 't 
met mij gesteld was, mij uitnodigden te hunnent te komen, maar de 
generaal verbood dat men mij daarheen een pas zou geven. Naar Java 
vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en 
misschien ook dr als men niet zo bevreesd ware geweest voor de 
machtige generaal. Het scheen zijn plan te zijn mij te laten 
verhongeren. Dat heeft negen maanden geduurd!'

`En hoe hebt ge u zolang in 't leven gehouden? Of had de generaal vl 
kalkoenen?'

`O ja! Maar dit hielp me niet ... zoiets doet men maar ns, nietwaar? 
Wat ik gedurende die tijd uitrichtte? Och ... ik maakte verzen, schreef 
komedies ... en zo al voort.'

`En was daarvoor op Padang rijst te koop?'

`Nee, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet hoe 
ik geleefd heb.'

Tine drukte hem de hand, zij wist het.

`Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven 
hebben achter op een kwitantie,' zei Verbrugge.

`Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen mijn positie. Er bestond in 
die dagen een tijdschrift, De kopiist, waarop ik intekenaar was. Het 
stond onder de bescherming van de regering -- de redacteur was ambtenaar 
bij de Algemene Secretarie -- en hierom werden de intekeningsgelden in 
's lands kas gestort. Men bood mij een kwitantie van twintig gulden aan. 
Daar nu dit geld op de bureaus van de gouverneur moest worden 
verhandeld, en dus de kwitantie, als zij onbetaald bleef, die bureaus te 
passeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die 
gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteren tegen mijn 
armoede:

Vingt florins ... quel trsor! Adieu, littrature,

Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:

Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,

Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!

Si j'avais vingt florins je serais mieux chauss,

Mieux nourri, mieux log, j'en ferais bonne chre ...

Il faut vivre avant tout, soit vie de misre:

Le crime fait la honte, et non la pauvret!

Maar toen ik later te Batavia bij de redactie van De kopiist mijn 
twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schijnt dat de 
generaal zelf dat geld voor mij betaald heeft, om niet gedwongen te zijn 
die gellustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.'

`Maar wat deed hij na 't ... na 't ... wegnemen van die kalkoen? 't Was 
toch ... een diefstal! En na dat epigram?'

`Hij strafte me vreselijk! Wanneer hij mij voor die zaken had laten 
terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens de gouverneur van 
Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goede wil had 
kunnen worden uitgelegd als ``poging tot ondermijning van 't Nederlands 
gezag, en aanhitsing tot opstand'' of aan ``diefstal op de publieke 
weg'' zou hij getoond hebben een goedhartig mens te zijn. Maar nee, hij 
strafte me beter... akelig! Aan de man die op de kalkoenen passen moest, 
liet hij gelasten voortaan een andere weg te kiezen. En mijn puntdicht 
... ach, dt is nog erger! Hij zei niets, en deed niets! Ziet ge, dit 
was wreed! Hij gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet 
belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door 
verregaande geestigheid! O, Duclari ... o, Verbrugge ... 't was om eens 
voor al te walgen van puntdichten en kalkoenen! Z weinig aanmoediging 
dooft de vlam van 't genie uit tot op de laatste vonk ... inclusief: ik 
heb 't nooit weer gedaan!'


Dertiende hoofdstuk

`En mag men nu weten waarom ge eigenlijk gesuspendeerd waart?' vroeg 
Duclari.

`O ja, gaarne! Want daar ik alles wat ik u hiervan te zeggen heb, voor 
wr geven en zelfs nog gedeeltelijk bewijzen kan, zult ge daaruit zien 
dat ik niet lichtvaardig handelde toen ik, in mijn verhaal over dat 
vermiste kind, de praatjes van Padang niet verwierp als volstrekt 
ongerijmd. Men zal ze zeer geloofbaar vinden, zodra men onze dappere 
generaal leert kennen in de zaken die mij betreffen.

Er waren dan in mijn kasrekening te Natal onnauwkeurigheden en 
verzuimen. Ge weet hoe elke onnauwkeurigheid op nadeel uitloopt: nooit 
heeft men door slordigheid geld over. De chef van de comptabiliteit te 
Padang -- die nu juist mijn bijzondere vriend niet was -- beweerde dat 
er duizenden tekort kwamen. Maar let wel dat men mij, zolang ik te Natal 
was, daarop niet had opmerkzaam gemaakt. Geheel onverwachts ontving ik 
een overplaatsing naar de Padangse bovenlanden. Je weet, Verbrugge, dat 
op Sumatra een plaatsing in de bovenlanden van Padang als voordeliger en 
aangenamer wordt beschouwd dan in de noordelijke residentie. Daar ik nog 
slechts weinig maanden vroeger de gouverneur bij mij had gezien -- 
straks zult ge horen waarom, en hoe -- en omdat er gedurende zijn 
verblijf te Natal, en zelfs in mij huis, zaken waren voorgevallen 
waarin ik meende mij al zeer flink gedragen te hebben, nam ik die 
overplaatsing als een gunstige onderscheiding op, en vertrok van Natal 
naar Padang. Ik deed de reis met een Frans schip, de Baobab van 
Marseille, dat te Atjeh peper had ingeladen, en ... natuurlijk te Natal 
``gebrek had aan drinkwater''. Zodra ik te Padang aankwam, met het doel 
vandaar terstond naar de binnenlanden te vertrekken, wilde ik volgens 
gebruik en plicht de gouverneur bezoeken, maar hij liet me zeggen dat 
hij me niet ontvangen kon, en tevens dat ik mijn vertrek naar mijn 
nieuwe standplaats moest uitstellen tot nader bevel. Ge begrijpt dat ik 
hierover zeer verwonderd was, temeer daar hij te Natal mij verlaten had 
in een stemming die me deed menen nogal goed bij hem aangeschreven te 
staan. Ik had slechts weinig kennissen te Padang, maar van deze weinigen 
vernam ik -- of liever, ik bemerkte het aan hen -- dat de generaal zeer 
verstoord op me was. Ik zeg dat ik 't bemerkte omdat op een buitenpost 
als Padang toen was, de welwillendheid van velen dienen kon als 
graadmeter der genade die men gevonden had in de ogen des gouverneurs. 
Ik gevoelde dat er een storm in aantocht was, zonder te weten uit welke 
hoek de wind komen zou. Daar ik geld nodig had, verzocht ik deze en gene 
me daarmee te hulp te komen, en ik stond werkelijk verbaasd dat men mij 
overal een weigerend antwoord gaf. Op Padang, niet minder dan elders in 
Indi, waar over 't geheel het krediet een zelfs te grote rol speelt, 
was de stemming op dat stuk anders vrij ruim. Men zou in elk ander geval 
met genoegen enige honderden guldens hebben voorgeschoten aan een 
controleur die op reis was en tegen verwachting ergens werd opgehouden. 
Doch mij weigerde men alle hulp. Ik drong bij sommigen op 't noemen der 
oorzaken van dit wantrouwen aan, en de fil en aiguille kwam ik eindelijk 
te weten dat men in mijn geldelijk beheer te Natal fouten en verzuimen 
had ontdekt, die me verdacht maakten van ontrouwe administratie. Dat er 
fouten in mijn administratie waren, bevreemdde me volstrekt niet. Juist 
het tegendeel zou me verwonderd hebben, maar wel vond ik 't zonderling 
dat de gouverneur, die persoonlijk getuige was geweest hoe ik gedurig 
ver van mijn bureau had te kampen gehad met de ontevredenheid der 
bevolking en aanhoudende pogingen tot opstand ... dat hij die zelf mij 
geprezen had over wat hij ``kordaatheid'' noemde, aan de ontdekte fouten 
de naam geven kon van ontrouw of oneerlijkheid. Niemand beter toch dan 
hij kon weten dat er in deze zaken nooit sprake kon zijn van iets anders 
dan van force majeure.

En, al loochende men deze force majeure, al wilde men mij 
verantwoordelijk stellen voor fouten die begaan waren op ogenblikken dat 
ik -- in levensgevaar dikwijls! -- ver van de kas en wat ernaar geleek, 
het beheer daarvan moest toevertrouwen aan anderen, al zou men eisen dat 
ik, het ene doende, het andere niet had mogen nalaten, dan ng zou ik 
alleen schuldig geweest zijn aan een slordigheid die niets gemeen had 
met ``ontrouw''. Er bestonden bovendien, in die dagen vooral, talrijke 
voorbeelden dat de regering deze moeilijkheid der positie van de 
ambtenaren op Sumatra inzag, en 't scheen dan ook in grondbeginsel 
aangenomen bij zulke gelegenheden iets door de vingers te zien. Men 
vergenoegde zich met van de betrokken ambtenaren de terugbetaling van 't 
ontbrekende te vorderen, en er moesten al zeer duidelijke bewijzen zijn 
voor men 't woord ``ontrouw'' uitsprak of zelfs daaraan dacht. Dit was 
dan ook z als regel aangenomen, dat ik te Natal de gouverneur zelf 
gezegd had bevreesd te zijn dat ik, na 't onderzoeken van mijn 
verantwoording op de bureaus te Padang, veel zou te betalen hebben, 
waarop hij schouderophalend antwoordde: ``Och ... die geldzaken!'', als 
gevoelde hij zelf dat het mindere voor 't meerdere wijken moest.

Nu erken ik dat geldzaken gewichtig zijn. Maar hoe gewichtig ook, ze 
waren in dit geval ondergeschikt aan andere takken van zorg en 
bezigheid. Als er door slordigheid of verzuim enige duizenden tekort 
waren in mijn beheer, noem ik dit op zichzelf geen kleinigheid. Maar als 
deze duizenden ontbraken ten gevolge van mijn gelukte pogingen om de 
opstand te voorkomen, die de landstreek van Mandeling dreigde in vuur en 
vlam te zetten, en de Atjinezen te doen terugkeren in de oorden waaruit 
wij hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan 
vervalt het gewicht van zodanig tekort, en 't werd zelfs reeds enigszins 
onbillijk de terugbetaling daarvan op te leggen aan iemand die oneindig 
groter belangen gered had.

En toch had ik vrede met zodanige terugbetaling. Want door die niet te 
vorderen, zou men een te wijde deur openstellen voor oneerlijkheid.

Na dagen toevens -- ge begrijpt in welke stemming! -- ontving ik van de 
secretarie des gouverneurs een brief, waarin men mij te kennen gaf dat 
ik van ontrouw werd verdacht gehouden, met last mij te verantwoorden op 
tal van aanmerkingen die er gevallen waren op mijn beheer. Enkele 
daarvan kon ik terstond ophelderen. Voor andere evenwel had ik inzage 
van zekere stukken nodig, en vooral was 't voor mij van belang die zaken 
na te sporen te Natal zelf, om bij mijn gemploieerden naar de oorzaken 
der gevonden verschillen onderzoek te doen, en waarschijnlijk zou ik 
dr geslaagd wezen in mijn pogingen om alles tot klaarheid te brengen. 
Het verzuim ener afschrijving bijvoorbeeld van naar Mandeling gezonden 
gelden -- je weet, Verbrugge, dat de troepen in 't binnenland uit de 
Natalse kas worden betaald -- of iets dergelijks, dat me 
hoogstwaarschijnlijk terstond zou gebleken zijn als ik onderzoek had 
kunnen doen op de plaats zelf, had misschien tot die verdrietige fouten 
aanleiding gegeven. Maar de generaal wilde mij niet naar Natal laten 
vertrekken. Deze weigering deed mij te meer letten op 't vreemde der 
wijze waarop die beschuldiging van ontrouw tegen mij was ingebracht.

Waarom toch was ik van Natal onverwachts overgeplaatst, en wel onder 
verdenking van ontrouw? Waarom deelde men mij dit onterend vermoeden 
eerst mee, toen ik ver van de plaats was waar ik gelegenheid zou gehad 
hebben mij te verantwoorden? En bovenal, waarom tegen mij die zaken zo 
terstond in het ongunstigst daglicht gesteld, in tegenspraak met de 
aangenomen gewoonte en de billijkheid?

Voor ik nog al die aanmerkingen, zo goed me zonder archief of mondelinge 
inlichtingen mogelijk was, beantwoord had, vernam ik zijdelings dat de 
generaal zo verstoord op me was: ``Omdat ik hem te Natal zo 
gecontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men er bij, zeer verkeerd 
had gedaan ``

Toen ging er een licht voor mij op. Ja, ik had hem gecontrarieerd, maar 
in 't naef denkbeeld dat hij me daarom achten zou! Ik hd hem 
gecontrarieerd, maar bij zijn vertrek had niets me doen gissen dat hij 
daarover verstoord was! Dom genoeg had ik de gunstige overplaatsing naar 
Padang aangenomen als een bewijs dat hij mijn ``contrariren'' schoon 
gevonden had. Ge zult zien, hoe weinig ik hem toen kende.

Maar zodra ik vernam dat dit de oorzaak was van de scherpte waarmee men 
mijn geldelijke administratie beoordeeld had, was ik in vrede met mij 
zelf Ik beantwoordde punt voor punt zo goed ik kon, en eindigde mijn 
brief -- ik bezit daarvan nog de minuut -- met de woorden:

``Ik heb de op mijn administratie gevallen aanmerkingen, zo goed het mij 
zonder archief of lokale nasporing mogelijk was, beantwoord. Ik verzoek 
Uhoog edelgestrenge mij van alle welwillende consideratin te 
verschonen. Ik ben jong, en onbeduidend in vergelijking met de macht der 
heersende begrippen waartegen mijn principes me noodzaken op te staan, 
maar blijf niettemin trots op mijn zedelijke onafhankelijkheid, trots op 
mijn eer.''

De volgende dag was ik gesuspendeerd wegens ``ontrouwe administratie''. 
De officier van justitie -- we zeiden nog fiscaal in die tijd -- werd 
gelast omtrent mij ``ambt en plicht'' te betrachten.

En zo stond ik dus daar te Padang, nauw drientwintig jaren oud, en 
staarde de toekomst aan, die mij eerloosheid brengen zou! Men raadde mij 
aan, me te beroepen op mijn jonge jaren -- ik was nog onmondig toen de 
voorgegeven vergrijpen hadden plaatsgehad -- maar dit wilde ik niet. Ik 
had immers reeds teveel gedacht en geleden, en ... ik durf zeggen: 
teveel reeds gewerkt, dan dat ik me verschuilen zou achter mijn jeugd. 
Ge ziet uit het zoven aangehaald slot van die brief. dat ik niet wilde 
behandeld zijn als een kind, ik die te Natal tegenover de generaal mijn 
plicht had gedaan als een man. En tevens kunt ge uit die brief zien hoe 
ongegrond de beschuldiging was, die men tegen mij inbracht. Waarlijk, 
wie schuldig is aan lage vergrijpen, schrijft anders!

Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het 
ernst ware geweest met die criminele verdenking. Misschien echter was 
dit schijnbaar verzuim niet zonder grond. De gevangene immers is men 
onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik Padang niet verlaten kon, was ik 
in werkelijkheid tch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en 
zonder brood. Ik had herhaaldelijk, doch telkens zonder baat, aan de 
generaal geschreven dat hij mijn vertrek van Padang niet beletten mcht, 
want dat, al ware ik schuldig aan 't allerergste, geen misdaad mocht 
gestraft worden met hongerlijden.

Nadat de rechtsraad, die blijkbaar met de zaak verlegen was, de uitweg 
had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgingen wegens 
misdrijf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging 
van de regering te Batavia, hield mij de generaal, zoals ik zei, negen 
maanden te Padang. Hij ontving eindelijk van hogerhand de last me naar 
Batavia te laten vertrekken.

Toen ik een paar jaren daarna wat geld had -- beste Tine, jij had het me 
gegeven! -- betaalde ik enige duizenden guldens om de Natalse 
kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zei mij iemand 
die geacht kon worden de regering van Nederlands-Indi voor te stellen: 
``Dat had ik in uw plaats niet gedaan... ik zou een wissel op de 
eeuwigheid gegeven hebben''. Ainsi va le monde!

Juist wilde Havelaar een aanvang maken met het verhaal dat zijn gasten 
van hem wachtten, en dat ophelderen zou waarin en waarom hij de generaal 
Vandamme te Natal zo `gecontrarieerd' had, toen mevrouw Slotering zich 
in de voorgalerij van haar woning vertoonde, en de politie-oppasser 
wenkte, die naast Havelaars huis op een bank zat. Deze begaf zich tot 
haar, en riep daarop iets tot een man die zoven het erf betreden had, 
waarschijnlijk met het doel om zich naar de keuken te begeven die achter 
't huis gelegen was. Ons gezelschap zou hierop waarschijnlijk niet gelet 
hebben, wanneer niet Tine die middag aan tafel gezegd had dat mevrouw 
Slotering zo schuw was, en een soort van toezicht scheen uit te oefenen 
over ieder die 't erf betrad. Men zag de man die door de oppasser 
geroepen was, tot haar gaan, en 't scheen wel dat ze hem in een verhoor 
nam dat niet in zijn voordeel afliep. Althans hij wendde zijn schreden 
en liep naar buiten terug.

`'t Spijt me wel,' zei Tine. `Dat was misschien iemand die kippen te 
koop had, of groente. Ik heb nog niets in huis.'

`Wel, laat dan daartoe maar iemand uitzenden,' antwoordde Havelaar. `Je 
weet dat inlandse dames gaarne gezag oefenen. Haar man was vroeger de 
eerste persoon hier, en hoe weinig een assistent-resident eigenlijk 
beduidt, in zijn Afdeling is hij een kleine koning: zij is nog niet 
gewoon aan de onttroning. Laat ons die arme vrouw dit klein genoegen 
niet ontnemen. Houd je maar alsof je 't niet bemerkte.'

Dit nu viel Tine niet zwaar: zij hield niet van gezag.

Een uitweiding is hier nodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over 
uitweidingen. Het valt een schrijver soms niet gemakkelijk, Juist door 
te zeilen tussen de twee klippen van het teveel of te weinig, en deze 
moeilijkheid wordt te groter als men toestanden beschrijft, die de lezer 
verplaatsen moeten op onbekende bodem. Er is een te nauw verband tussen 
plaatsen en gebeurtenissen, dan dat men de beschrijving van die plaatsen 
geheel zou kunnen ontberen, en 't vermijden der beide klippen waarop ik 
doelde, wordt dubbel moeilijk voor iemand die Indi tot toneel zijner 
vertelling gekozen heeft. Want waar een schrijver die Europese 
toestanden behandelt, veel zaken als bekend kan veronderstellen, moet 
hij, die zijn stuk in Indi spelen laat, zich gedurig vragen of de niet-
Indische lezer deze of gene omstandigheid juist opvatten zal. Wanneer de 
Europese lezer zich mevrouw Slotering voorstelt als `logerende' bij de 
Havelaars, zoals dit zou plaatsvinden in Europa, moet het hem 
onbegrijpelijk voorkomen dat ze niet tegenwoordig was bij 't gezelschap 
dat de koffie gebruikte in de voorgalerij. Wel heb ik reeds gezegd dat 
zij een afzonderlijk huis bewoonde, doch tot juist begrip hiervan en 
tevens van latere gebeurtenissen, is 't inderdaad nodig dat ik hem 
Havelaars huis en erf enigszins doe kennen.

De beschuldiging die zo vaak wordt ingebracht tegen de grote meester die 
de Waverley schreef, dat hij dikwijls van 't geduld zijner lezers 
misbruik maakt door teveel bladzijden aan plaatsbeschrijving te wijden, 
komt me ongegrond voor, en ik geloof dat men zich tot het beoordelen van 
de juistheid ener zodanige aanmerking, eenvoudig de vraag hebbe voor te 
leggen: was deze beschrijving nodig tot juist opvatten van de indruk die 
de schrijver u wilde meedelen? Zo ja, men duide dan hem niet ten kwade 
dat hij van u de moeite verwacht te lezen wat hij zich de moeite gaf te 
schrijven. Zo nee, dan werpe men 't boek weg. Want de schrijver die leeg 
genoeg van hoofd is, om zonder noodzaak topografie te geven voor 
denkbeelden, zal zelden de moeite van 't lezen waard zijn, ook daar waar 
ten laatste zijn plaatsbeschrijving een eind neemt. Maar men vergete 
niet dat het oordeel van de lezer over 't al of niet noodzakelijke ener 
afwijking, dikwijls vals is, omdat hij vr de catastrofe niet weten kan 
wat al of niet vereist wordt tot geleidelijke ontwikkeling der 
toestanden. En wanneer hij n de catastrofe 't boek weer opneemt -- van 
boeken die men slechts nmaal leest, spreek ik niet -- en zelfs dan nog 
meent dat deze of gene afwijking wel had kunnen gemist worden zonder 
schade voor de indruk van 't geheel, blijft het altijd de vraag of hij 
van 't geheel dezelfde indruk zou verkregen hebben, wanneer niet de 
schrijver op meer of min kunstige wijze hem daartoe gebracht had, juist 
door de afwijkingen die de oppervlakkig oordelende lezer overtollig 
voorkomen.

Meent ge dat Amy Robsarts dood u zo treffen zou, als ge vreemdeling 
waart geweest in de hallen van Kenilworth? En gelooft ge dat er geen 
verband is -- verband door tegenstelling -- tussen de rijke kleding 
waarin de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwartheid 
zijner ziel? Gevoelt ge niet dat Leicester -- ieder weet dit, die de man 
kent uit andere bronnen dan uit de roman alleen -- dat hij oneindig 
lager stond dan hij geschetst wordt in de Kenilworth? Maar de grote 
romanschrijver die liever boeide door kunstige rangschikking van kleuren 
dan door grofheid van kleur, achtte het beneden zich zijn penseel te 
dopen in al het slijk en in al het bloed dat er kleefde aan de 
onwaardige gunsteling van Elizabeth. Hij wilde slechts n stip 
aanwijzen in de poel van vuil, maar verstond het, zulke stippen te doen 
in 't oog vallen door de tinten die hij in zijn onsterfelijke 
geschriften daarnst legde. Wie nu al dat daarnaast gelegde als 
overtollig meent te kunnen verwerpen, verliest geheel uit het oog dat 
men dan, om effect teweeg te brengen, zou moeten overgaan tot de school 
die sedert 1830 zolang in Frankrijk gebloeid heeft, schoon ik ter ere 
van dat land zeggen moet dat de schrijvers die in dit opzicht het meest 
zondigden tegen de goede smaak, juist in 't buitenland, en niet in 
Frankrijk zelf, de grootste opgang maakten. Die school -- ik hoop en 
geloof dat ze uitgebloeid heeft -- vond het gemakkelijk met volle hand 
te grijpen in plassen van bloed, en daarmee grote kladden te werpen op 
de schilderij, dat men die zien zou in de verte! Ze zijn dan ook met 
minder inspanning te schilderen, die ruwe strepen van rood en zwart, dan 
de fijne trekken te penselen die er staan in de kelk ener lelie. Drom 
dan ook koos die school meestal koningen tot helden van haar verhalen, 
liefst uit de tijd toen de volkeren nog onmondig waren. Zie, de 
droefheid des konings vertaalt men op 't papier in volksgehuil ... zijn 
toorn biedt de schrijver gelegenheid tot het doden van duizenden op 't 
slagveld ... zijn fouten geven ruimte tot het schilderen van hongersnood 
en pest ... dat alles geeft werk aan grove penselen! Als ge niet 
getroffen zijt door de stomme akeligheid van een lijk dat daar ligt, er 
is plaats in mijn verhaal voor een slachtoffer dat nog stuiptrekt en 
gilt! Hebt ge niet geweend bij die moeder, vruchteloos zoekend naar haar 
kind ... wl, ik toon u een andere moeder die haar kind ziet 
vierendelen! Bleeft ge ongevoelig bij de marteldood van die man ... ik 
vermenigvuldig uw gevoel honderdmalen door negenennegentig andere mannen 
te laten martelen naast hem! Zijt ge verstokt genoeg om niet te ijzen 
bij 't zien van de soldaat die in een belegerde vesting uit honger zijn 
linkerarm verslindt ...

Epicurist! Ik stel u voor, te commanderen: `Rechts en links, formeert de 
kring! Ieder ete de linkerarm op van zijn rechternevenman ... mars!' Ja, 
z gaat de kunst-akeligheid over in zotternij ... wat ik in 't 
voorbijgaan bewijzen wilde.

En drin toch zou men vervallen door te spoedig een schrijver te 
veroordelen, die u geleidelijk wilde voorbereiden op zijn catastrofe 
znder zijn toevlucht te nemen tot die schreeuwende kleuren.

Het gevaar evenwel aan de andere kant is ng groter. Ge veracht de 
pogingen der grove letterkunde die met zo ruwe wapenen op uw gevoel 
meent te moeten instormen, maar... als de schrijver in 't ander uiterste 
vervalt, als hij zondigt door teveel afwijking van de hoofdzaak, door 
teveel penseel-gemanierdheid, dan is uw toorn nog sterker, en terecht. 
Want dan heeft hij u verveeld, en dit is onvergeeflijk.

Wanneer wij te zamen wandelen, en ge wijkt telkens af van de weg, en 
roept mij in 't kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te 
rekken, vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in 't vervolg alleen 
te gaan. Maar als ge me daar een plant weet aan te wijzen die ik niet 
kende, of waaraan voor mij iets te zien valt dat vroeger mijn aandacht 
ontsnapte... als ge mij van tijd tot tijd een bloem toont, die ik gaarne 
pluk en meedraag in 't knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwijken van de 
weg, ja, ik ben er dankbaar voor.

En, zelfs zonder bloem of plant, zodra ge mij terzijde roept om me door 
't geboomte heen het pad te wijzen, dat we straks zullen betreden, doch 
dat nu nog verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar 
streepje zich slingert door 't veld daarbeneden ... ook dan neem ik u de 
afwijking niet euvel. Want als wij eindelijk zver zullen gekomen zijn, 
zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door 't gebergte, wat de 
oorzaak is dat wij de zon die zoven dr stond, nu links van ons 
hebben, wrom die heuvel nu achter ons ligt, welks top we vroeger vr 
ons zagen ... zie, dan hebt ge mij door de afwijking 't begrijpen mijner 
wandeling gemakkelijk gemaakt, en begrijpen is genot.

Ik, lezer, heb u in mijn verhaal dikwijls op de grote weg gelaten, 
schoon 't mij moeite kostte u niet mee te voeren in 't kreupelhout. Ik 
vreesde dat de wandeling u verdrieten zou, daar ik niet wist of ge 
vermaak zoudt scheppen in de bloemen of planten die ik u wijzen wilde. 
Maar omdat ik geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien 
te hebben dat we straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te 
zeggen van Havelaars huis.

Men zou verkeerd doen, zich van een huis in Indi een voorstelling te 
maken naar Europese begrippen, en zich daarbij een steenmassa te denken 
van op elkander gestapelde kamers en kamertjes, met de straat er voor, 
rechts en links buren wier huisgoden tegen de onze aanleunen, en een 
tuintje met drie bessenboompjes erachter. Op weinig uitzonderingen na, 
hebben de huizen in Indi geen verdieping. Dit komt de Europese lezer 
vreemd voor, want het is een eigenaardigheid van beschaving -- of van 
wat hiervoor doorgaat -- alles vreemd te vinden wat natuurlijk is. De 
Indische huizen zijn geheel anders dan de onze, doch niet zij zijn 
vreemd, onze huizen zijn vreemd. Wie 't eerst zich de weelde kon 
veroorloven niet in n kamer te slapen met zijn koeien, heeft de tweede 
kamer van zijn huis niet op, maar naast de eerste gezet, want het bouwen 
gelijkvloers is eenvoudiger en biedt ook meer gemak aan in 't bewonen. 
Onze hoge huizen zijn geboren uit gebrek aan ruimte: we zoeken in de 
lucht wat er op de grond ontbreekt, en zo is eigenlijk elk dienstmeisje 
dat 's avonds het venster sluit van 't dakkamertje waar ze slaapt, een 
levend protest tegen de overbevolking ... al denkt zij zelf aan iets 
anders, wat ik wel geloven wil.

In landen dus, waar beschaving en overbevolking nog niet door 
samenpersing beneden, 't mensdom naar boven hebben opgeknepen, zijn de 
huizen zonder verdieping, en dat van Havelaar behoorde niet tot de 
weinige uitzonderingen op deze regel. Bij 't binnentreden ... doch nee, 
ik wil een bewijs geven dat ik afstand doe van alle aanspraken op 
schilderachtigheid. Is gegeven: een langwerpig vierkant dat ge wel wilt 
verdelen in eenentwintig vakken, drie breed, zeven diep. We nummeren die 
vakken, beginnende van de linker-bovenhoek rechtsuit, zodat vier onder 
n kome, vijf onder twee, en zo vervolgens.

De eerste drie nummers te zamen vormen de voorgalerij die aan drie 
kanten open is, en welker dak aan de voorzijde op zuilen rust. Vandaar 
treedt men door twee dubbeldeuren in de binnengalerij die door de drie 
volgende vakken wordt voorgesteld. De vakken 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16 en 
18 zijn kamers, waarvan de meeste door deuren met de daarnaast liggende 
in verbinding staan. De drie hoogste nummers vormen de open 
achtergalerij, en wat ik oversloeg is een soort van ongesloten 
binnengalerij, gang of doorloop. Ik ben recht groots op deze 
beschrijving.

Het is moeilijk te zeggen welke uitdrukking in Nederland het denkbeeld 
teruggeeft, dat men in Indi aan 't woord `erf' hecht. Er is dr noch 
tuin, noch park, noch veld, noch bos, maar f iets daarvan, f alles te 
zamen, f niets van dat alles. Het is de grond die tot het huis behoort, 
voorzover die niet door dat huis bedekt is, zodat in Indi de 
uitdrukking: `tuin en erve' zou doorgaan voor een pleonasmus. Er zijn 
daar geen of weinige huizen zonder zodanig erf Sommige erven bevatten 
bos en tuin en weiland, en doen aan een park denken. Andere zijn 
bloemtuinen. Elders weer is 't gehele erf n groot grasveld. En 
eindelijk zijn er die, al zeer eenvoudig, geheel en al zijn gemaakt tot 
een gemacadamiseerd plein, dat misschien minder aangenaam is voor 't 
oog, doch de zindelijkheid in de huizen bevordert, omdat veel 
insektensoorten door gras en bomen worden aangetrokken.

Havelaars erf nu was zeer groot, ja, hoe vreemd het klinke, aan een der 
zijden kon men 't oneindig noemen, daar het aan een ravijn grensde die 
zich uitstrekte tot aan de oevers van de Tjioedjoeng, de rivier die 
Rangkas-Betoeng in een zijner vele bochten omsluit. Het viel moeilijk te 
bepalen waar 't erf van de assistent-residentswoning ophield, en waar de 
gemeentegrond aanving, daar 't groot verval van water in de Tjioedjoeng 
die dan eens zijn oevers een gezichtsverheid terugtrok, en dan weer de 
ravijn vulde tot zeer nabij Havelaars huis, gedurig de grenzen 
veranderde.

Deze ravijn was dan ook altijd een doorn geweest in de ogen van mevrouw 
Slotering, wat zeer begrijpelijk is. De plantengroei, reeds overal 
elders in Indi zo snel, was op die plaats door de telkens achtergelaten 
slib bijzonder welig, z zelfs dat, al had het op- of aflopen des waters 
plaats gehad met een kracht die 't kreupelhout ontwortelde en meevoerde, 
er maar zeer weinig tijd nodig was om de grond weer te bedekken met al 
de ruigte die 't reinhouden van het erf, ook in de onmiddellijke 
nabijheid van 't huis, zo moeilijk maakte. En dit veroorzaakte geen 
gering verdriet, zelfs aan wie geen huismoeder was. Want zonder te 
spreken van allerlei insekten, die gewoonlijk des avonds om de lamp 
vlogen in zo grote menigte dat lezen en schrijven onmogelijk werd iets 
wat op vl plaatsen in Indi lastig is -- hielden zich in dat 
kreupelhout een tal van slangen en ander gedierte op, dat zich niet 
bepaalde bij de ravijn, maar telkens ook in de tuin naast en achter 't 
huis werd gevonden, of in het grasperk op 't voorplein.

Dit plein had men recht vr zich als men in de buitengalerij met de rug 
naar 't huis gekeerd stond. Links daarvan lag het gebouw met de bureaus, 
de kas en de vergaderzaal waar Havelaar die morgen de hoofden had 
toegesproken, en daarachter breidde zich de ravijn uit, die men overzag 
tot aan de Tjioedjoeng toe. Juist tegenover de bureaus stond de oude 
assistent-residentswoning die nu tijdelijk door mevrouw Slotering 
bewoond werd, en dewijl de toegang van de grote weg tot het erf plaats 
had door twee wegen die langs beide zijden van 't grasveld liepen, volgt 
hieruit vanzelf dat ieder die het erf betrad om zich naar de achter het 
hoofdgebouw gelegen keuken of stallen te begeven, f de bureaus f de 
woning van mevrouw Slotering moest voorbijgaan. Terzijde van 't 
hoofdgebouw en daarachter, lag de vrij grote tuin die de vreugde van 
Tine had opgewekt door de vele bloemen die ze daar vond, en vooral omdat 
kleine Max daar zo dikwijls spelen zou.

Havelaar had zich bij mevrouw Slotering laten verontschuldigen dat hij 
haar nog geen bezoek had gebracht. Hij nam zich voor, de volgende dag 
daarheen te gaan, maar Tine was er geweest en had kennis gemaakt. We 
vernamen reeds dat die dame een zogenaamd `inlands kind' was, die geen 
andere dan de Maleise taal sprak. Ze had haar verlangen te kennen 
gegeven haar eigen huishouding te blijven voeren, waarin Tine gaarne 
berustte. En niet uit ongastvrijheid kwam deze berusting voort, doch 
voornamelijk uit de vrees dat zij, pas te Lebak aangekomen, en dus nog 
niet `op orde', mevrouw Slotering niet zo goed zou kunnen ontvangen als 
wenselijk gemaakt werd door de bijzondere omstandigheden waarin deze 
dame verkeerde. Wel zou ze -- geen Hollands verstaande -- niet `gedeerd' 
worden door de vertellingen van Max, zoals Tine 't genoemd had, maar zij 
begreep dat er meer nodig was dan de familie Slotering niet te deren, en 
de schrale keuken in verband met de voorgenomen zuinigheid deden haar 
werkelijk 't voornemen van mevrouw Slotering zeer verstandig vinden. Of 
nu overigens, wanneer de omstandigheden anders waren geweest, de omgang 
met iemand die slechts n taal sprak, waarin niets gedrukt is dat de 
geest beschaaft, geleid zou hebben tot wederzijds genoegen, blijft 
twijfelachtig. Tine zou haar zo goed mogelijk gezelschap gehouden, en 
veel met haar gesproken hebben over keukenzaken, over sambal-sambal, 
over 't inmaken van ketimon -- zonder Liebig, o goden! -- maar zoiets 
blijft toch altijd een opoffering, en men vond het dus zeer goed dat de 
zaken door mevrouw Sloterings vrijwillige afzondering geschikt waren op 
een wijze die aan beide partijen volkomen vrijheid liet. Zonderling 
echter was het, dat die dame niet alleen geweigerd had deel te nemen aan 
de gemeenschappelijke maaltijden, maar dat zij zelfs geen gebruik maakte 
van 't aanbod om haar spijzen te doen gereed maken in de keuken van 
Havelaars huis. `Deze bescheidenheid,' zei Tine, `was wat ver gedreven, 
want de keuken was ruim genoeg.'


Veertiende hoofdstuk

`Ge weet,' begon Havelaar, `hoe de Nederlandse bezittingen ter Westkust 
van Sumatra aan de onafhankelijke rijken in de Noordhoek grenzen, 
waarvan Atjeh het aanzienlijkste is. Men zegt dat een geheim artikel in 
het tractaat van 1824, ons jegens de Engelsen de verplichting oplegt, de 
rivier van Singkel niet te overschrijden. De generaal Vandamme, die met 
een faux-air Napolon gaarne zijn gouvernement zo ver mogelijk 
uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelijke 
hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel geloven, 
omdat het me anders bevreemden zou dat de radjahs van Troemon en 
Analaboe, wier provincin niet zonder gewicht zijn door de peperhandel 
die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder Nederlandse 
souvereiniteit zijn gebracht. Ge weet hoe gemakkelijk men een 
voorwendsel vindt om zulke landjes de oorlog aan te doen, en zich 
daarvan meester te maken. Het stelen van een landschap zal altijd 
makkelijker blijven dan van een molen. Ik geloof van de generaal 
Vandamme, dat hij zelfs een molen zou weggenomen hebben als hij daarin 
lust gevoeld had, en begrijp dus niet dat hij die landschappen in de 
Noord zou hebben verschoond, wanneer niet daarvoor steviger gronden 
hadden bestaan dan recht en billijkheid. Hoe dit zij, hij richtte zijn 
veroveraarsblikken niet noord- maar oostwaarts. De landstreken Mandeling 
en Ankola -- dit was de naam der assistent-residentie die gevormd was 
uit de pas tot rust gebrachte Bataklanden -- waren wel nog niet 
gezuiverd van Atjinese invloed -- want waar dweepzucht eens wortel 
schiet, is 't uitroeien moeilijk -- maar de Atjinezen zelfwaren er toch 
niet meer. Dit was evenwel de gouverneur niet genoeg. Hij breidde zijn 
gezag tot aan de oostkust uit, en er werden Nederlandse beambten en 
Nederlandse garnizoenen gezonden naar Bila en Pertibi, welke posten 
echter -- zoals je weet, Verbrugge -- later weer ontruimd zijn.

Toen er op Sumatra een regeringscommissaris aankwam, die deze 
uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wijl ze in 
strijd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland 
zozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die 
uitbreiding geen bezwarende invloed behoefde te hebben op de begroting, 
want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen waarvoor toch 
reeds gelden waren toegestaan, zodat hij een zeer grote landstreek onder 
Nederlands bestuur had gebracht, zonder dat hieruit geldelijke uitgaven 
waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelijk ontbloten van andere 
plaatsen aanging, voornamelijk in 't Mandelingse, meende hij genoeg te 
kunnen rekenen op de trouw en de aanhankelijkheid van Jang di Pertoean, 
't voornaamste hoofd in de Bataklanden, om hierin geen bezwaar te zien.

Met weerzin gaf de regeringscommissaris toe, en wel op de herhaalde 
betuigingen van de generaal dat hij persoonlijk zich tot borg stelde 
voor Jang di Pertoeans trouw.

Nu was de controleur die vr mij de afdeling Natal bestuurde, de 
schoonzoon van de assistent-resident in de Bataklanden, welke ambtenaar 
met Jang di Pertoean in onmin leefde. Later heb ik veel horen spreken 
van klachten die tegen die assistent-resident waren ingebracht, doch men 
moest voorzichtig wezen met geloofslaan aan deze beschuldigingen, omdat 
ze grotendeels uit de mond kwamen van Jang di Pertoean, en wel op een 
ogenblik toen deze zelf van veel zwaarder vergrijpen was aangeklaagd, 
hetgeen hem misschien noopte zijn verdediging te zoeken in de fouten van 
zijn beschuldiger... wat meer gebeurt. Hoe dit zij, de gezaghebber van 
Natal omhelsde de partij van zijn schoonvader tegen Jang di Pertoean, en 
dit te vuriger misschien omdat die controleur zeer bevriend was met 
zekere Soetan Salim, een Natals hoofd dat ook zeer op de Batakse chef 
gebeten was. Sedert lang heerste er een vete tussen de familin dezer 
beide hoofden. Er waren huwelijksvoorstellen afgeslagen, er bestond 
ijverzucht over invloed, trots aan de kant van Jang di Pertoean die van 
betere geboorte was, en meer andere oorzaken nog liepen samen om Natal 
en Mandeling tegen elkander opgezet te houden.

Op eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in Mandeling een complot 
was ontdekt, waarin Jang di Pertoean zou betrokken wezen, en dat ten 
doel had de heilige vaan des opstands uit te steken en alle Europeanen 
te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te Natal plaats gehad, 
wat natuurlijk is, daar men in nabijliggende provincin altijd beter van 
de stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats zelf, dewijl velen 
die thuis door vrees voor een betrokken hoofd zich laten weerhouden van 
de openbaring ener hun bekende omstandigheid, die vrees enigermate 
overwinnen zodra ze zich op een grondgebied bevinden waar dat hoofd geen 
invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de 
zaken van Lebak, en dat ik redelijk veel wist van wat hier omgaat, voor 
ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't 
Krawangse, en heb veel rondgedwaald in de Preanger waar ik reeds in 1840 
Lebakse uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met sommige eigenaren 
van particuliere landen in 't Buitenzorgse en in de Bataviase 
ommelanden, en ik weet hoe van oudsher die landheren verheugd zijn over 
de slechte toestand dezer Afdeling, omdat dit hun landerijen bevolkt.

Z ook zou dan te Natal de samenzwering ontdekt wezen, die -- als ze 
bestaan heeft, wat ik niet weet -- Jang di Pertoean deed kennen als 
verrader. Volgens door de controleur van Natal afgenomen verklaringen 
van getuigen zou hij gezamenlijk met zijn broer Soetan Adam de Batakse 
hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bos, waarin zij zouden 
gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der ``christen-honden'' in 
Mandeling vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hij hiertoe een 
ingeving van de hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit bij zulke 
gelegenheden nooit uitblijft.

Of nu inderdaad dit voornemen bij Jang di Pertoean bestaan heeft, kan ik 
niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge 
zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelijk geloof mag 
worden geslagen. Zker is 't dat de man, wat zijn Islamse dweepzucht 
aangaat, wel tot zoiets kan in staat geweest zijn. Hij was, met de 
gehele Batakse bevolking, eerst kort te voren door de padri's 
overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zijn gewoonlijk 
fanatiek. Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat Jang 
di Pertoean door de assistent-resident van Mandeling werd gevangen 
genomen en naar Natal gezonden. Hier sloot de controleur hem voorlopig 
in 't fort op, en liet hij hem met de eerste geschikte 
scheepsgelegenheid gevankelijk naar Padang vervoeren. Het spreekt 
vanzelf dat men de gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zo 
bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de 
genomen maatregelen moesten wettigen. Onze Jang di Pertoean was dus van 
Mandeling vertrokken als een gevangene. Te Natal was hij gevangen. Aan 
boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hij ook natuurlijk 
een gevangene. Hij verwachtte dus -- schuldig of niet, dit doet niets 
tot de zaak, daar hij in wettige vorm en door bevoegde autoriteit was 
beschuldigd van hoogverraad -- ook te Padang als een gevangene te zullen 
aankomen. Wel moet hij dus zeer verwonderd hebben gestaan, bij de 
ontscheping te vernemen dat hij vrij was niet alleen, maar dat de 
generaal, wiens rijtuig hem bij 't aan wal stappen opwachtte, het zich 
tot een eer rekenen zou hem bij zich aan huis te ontvangen en te 
herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer 
verrast geworden. Kort hierop werd de assistent-resident van Mandeling 
in zijn betrekking geschorst wegens allerlei vergrijpen die ik hier niet 
beoordeel. Jang di Pertoean echter, na op Padang enige tijd ten huize 
van de generaal te hebben vertoefd, en na door deze met de meeste 
onderscheiding te zijn behandeld, keerde over Natal naar Mandeling 
terug, niet met het zelfgevoel van de onschuldig-verklaarde, maar met de 
trots van iemand die z hoog staat dat hij geen verklaring van onschuld 
nodig heeft. Immers, onderzocht was de zaak niet! Aannemende dat men de 
tegen hem ingebrachte beschuldiging voor vals hield, dan had reeds dit 
vermoeden een onderzoek vereist, ten einde de valse getuigen te 
straffen, en vooral hen die blijken zouden zodanige valsheid te hebben 
uitgelokt. Het schijnt dat de generaal zijn redenen had om dit onderzoek 
niet te doen plaatshebben. De tegen Jang di Pertoean ingebrachte 
aanklacht werd beschouwd als non avenu, en ik houd voor zeker dat de 
daarop doelende stukken nooit onder de ogen der regering te Batavia 
gebracht zijn.

Kort na Jang di Pertoeans terugkeer kwam ik te Natal aan om 't bestuur 
van die Afdeling over te nemen. Mijn voorganger verhaalde me natuurlijk 
wat er kort geleden in 't Mandelingse was voorgevallen, en gaf mij de 
nodige inlichtingen over de staatkundige verhouding tussen die 
landstreek en mijn Afdeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hij 
zich zeer beklaagde over de zijns inziens onrechtvaardige behandeling 
die zijn schoonvader ten deel viel, en over de onbegrijpelijke 
bescherming die Jang di Pertoean van de generaal bleek te genieten. Noch 
hij noch ik wisten op dt ogenblik dat de opzending van Jang di Pertoean 
naar Batavia, een vuistslag in 't gelaat van die generaal zou geweest 
zijn, en dat deze -- persoonlijk voor de trouw van dat hoofd hebbende 
ingestaan -- gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te 
vrijwaren tegen een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor de 
generaal des te belangrijker, omdat inmiddels de zoven bedoelde 
regeringscommissaris zelf gouverneur-generaal was geworden, en hem dus 
hoogstwaarschijnlijk uit zijn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit 
verstoordheid over 't ongegrond vertrouwen op Jang di Pertoean, en over 
de hierop steunende hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't 
ontruimen van de oostkust verzet had.

``Doch'', zei mijn voorganger, ``wat ook de generaal moge bewegen al de 
beschuldigingen tegen mijn schoonvader voetstoots aan te nemen, en de 
veel zwaarder grieven tegen Jang di Pertoean niet eens een onderzoek 
waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te Padang, zoals ik 
gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders 
dat niet vernietigd worden kan.''

En hij toonde mij een vonnis van de rapat-raad te Natal waarvan hij 
voorzitter was, houdende: veroordeling van zekere Si Pamaga tot de straf 
van geseling en brandmerk, en -- ik meen -- twintigjarige dwangarbeid, 
wegens poging tot moord op de toeankoe van Natal.

``Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting,'' zei mijn 
voorganger, ``en beoordeel dan of mijn schoonvader niet zal geloofd 
worden te Batavia, als hij dr Jang di Pertoean aanklaagt van 
hoogverraad!''

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en ``de bekentenis 
van de beklaagde'' was Si Pamaga omgekocht om te Natal de toeankoe, 
diens pleegvader Soetan Salim en de gezaghebbende controleur te 
vermoorden. Hij had zich, om dit opzet uit te voeren, naar de woning van 
de toeankoe begeven, en daar met de bedienden die op de trap der 
buitengalerij zaten, een gesprek aangeknoopt over een sewah met het doel 
zijn tegenwoordigheid te rekken tot hij de toeankoe zou gewaar worden, 
die zich dan ook weldra, omgeven van enige verwanten en bedienden, 
vertoonde. Pamaga was met zijn sewah op de toeankoe losgegaan, doch had 
uit onbekende oorzaken zijn moorddadige opzet niet kunnen volvoeren. De 
toeankoe was verschrikt uit het venster gesprongen, en Pamaga nam de 
vlucht. Hij verschool zich in 't bos, en werd enige dagen later door de 
Natalse politie opgevat.

``Aan de beschuldigde gevraagd: wat hem tot deze aanslag en de 
voorgenomen moord op Soetan Salim en de controleur van Natal had 
bewogen'' antwoordt hij ``daartoe te zijn omgekocht door Soetan Adam, 
uit naam van diens broeder Jang di Pertoean van Mandeling.''

``Is dit duidelijk of niet?'' vroeg mijn voorganger. ``Het vonnis is na 
fiat executie van de resident, ten uitvoer gelegd wat de geseling en 't 
brandmerk aangaat, en Si Pamaga is op weg naar Padang, om vandaar als 
kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelijk met hem komen de 
processtukken van de zaak te Batavia, en dan kan men dr zien wie de 
man is, op wiens aanklacht mijn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat 
vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hij.''

Ik nam het bestuur der Natalse Afdeling over, en mijn voorganger 
vertrok. Na enige tijd ontving ik bericht dat de generaal met een 
oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook Natal bezoeken zou. Hij 
stapte met veel gevolg te mijnen huize af, en verlangde ogenblikkelijk 
de oorspronkelijke processtukken te zien van: ``De arme man die men zo 
vreselijk mishandeld had.''

``Zijzelf hadden een geseling en een brandmerk verdiend!'' voegde hij 
erbij.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van de strijd over Jang di 
Pertoean waren mij toen nog onbekend, en 't kon dus niet in mijn 
gedachten opkomen, evenmin dat mijn voorganger willens en wetens een 
onschuldige zou veroordeeld hebben tot z zware straf, als dat de 
generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig 
vonnis. Ik ontving de last, Soetan Salim en de toeankoe te doen gevangen 
nemen. Daar de jonge toeankoe bij de bevolking zeer bemind was, en we 
slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik de generaal hem 
op vrije voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan. Doch voor 
Soetan Salim, de bijzondere vijand van Jang di Pertoean, was geen 
genade. De bevolking was in grote spanning. De Natallers vermoedden dat 
de generaal zich verlaagde tot een werktuig van Mandelingse haat, en 't 
was in die omstandigheden dat ik van tijd tot tijd iets doen kon, wat 
hij ``kordaat'' vond, vooral daar hij de weinige macht die er uit het 
fort kon gemist worden, en het detachement mariniers dat hij van boord 
had meegebracht, niet aan mij afstond ter bedekking als ik naar de 
plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb bij die gelegenheid 
opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor zijn eigen 
veiligheid, en 't is drom dat ik zijn roem van dapperheid niet 
onderschrijven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hij vormde in grote overhaasting een raad, die ik ad hoc zou kunnen 
noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de 
officier van justitie of fiscaal, die hij van Padang had meegenomen, en 
ik. Deze raad zou een onderzoek instellen naar de wijze waarop onder 
mijn voorganger 't proces tegen Si Pamaga was gevoerd geworden. Ik moest 
een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe nodig 
waren. De generaal, die natuurlijk vrzat, ondervroeg en de proces-
verbalen werden geschreven door de fiscaal. Daar evenwel deze beambte 
weinig Maleis verstond -- en volstrekt niet het Maleis dat in de Noord 
van Sumatra wordt gesproken -- was 't dikwijls nodig hem de antwoorden 
der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf deed. Uit de 
zittingen van die raad zijn stukken voortgekomen, die ten duidelijkste 
schijnen te bewijzen: dat Si Pamaga nooit het voornemen gekoesterd had 
iemand, wie het ook zij, te vermoorden. Dat hij noch Soetan Adam, noch 
Jang di Pertoean ooit had gezien of gekend. Dat hij niet op de toeankoe 
van Natal was toegesprongen. Dat deze niet uit het venster gevlucht was 
... enzovoort! Verder: dat het vonnis tegen de ongelukkige Si Pamaga was 
geslagen onder de pressie van de voorzitter -- mijn voorganger -- en van 
't raadslid Soetan Salim, welke personen de voorgewende misdaad van Si 
Pamaga hadden verzonnen om aan de gesuspendeerde assistent-resident van 
Mandeling een wapen te zijner verdediging in de hand te stellen, en om 
lucht te geven aan hun haat jegens Jang di Pertoean.

De wijze nu waarop de generaal bij die gelegenheid ondervroeg, deed 
denken aan de whistpartij van zekere keizer van Marokko die zijn partner 
toevoegde: ``Speel harten, of ik snij je de hals af.'' Ook de 
vertalingen, zoals hij die de fiscaal in de pen gaf, lieten veel te 
wensen over.

Of nu Soetan Salim en mijn voorganger pressie hebben uitgeoefend op de 
Natalse rechtsraad om Si Pamaga schuldig te verklaren, is mij onbekend. 
Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft uitgeoefend op 
de verklaringen die 's mans onschuld moesten bewijzen. Zonder op dat 
ogenblik nog de strekking daarvan te begrijpen, heb ik me tegen die... 
onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zver gegaan is dat ik heb moeten 
weigeren enige verbalen mee te ondertekenen, en ziedaar nu de zaak 
waarin ik de generaal zo ``gecontrarieerd'' had. Ge begrijpt nu ook 
waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de 
aanmerkingen die er op mijn geldelijk beheer gemaakt waren, de woorden 
waarin ik verzocht van alle welwillende consideratin verschoond te 
blijven.'

`Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren,' zei Duclari. 
`Ik vond het natuurlijk. Doch zeker is 't dat de generaal Vandamme niet 
aan zoiets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak 
veel geleden. O nee, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, berouwd heeft 
het me nooit. Zelfs moet ik hierbij voegen dat ik me niet zou bepaald 
hebben tot eenvoudig protesteren tegen de wijze waarop de generaal de 
getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren mijner handtekening op enkele 
verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat ik eerst later te weten 
kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf vastgestelde toeleg om mijn 
voorganger te bezwaren. Ik meende dat de generaal, overtuigd van Si 
Pamaga's onschuld, zich liet meeslepen door de achtenswaardige zucht om 
een onschuldig slachtoffer te redden van de gevolgen ener rechtsdwaling, 
voorzover dit na de geseling en 't brandmerk nog mogelijk was. Deze 
mening deed mij wel in verzet komen tegen valsheid, maar ik was daarover 
niet z verontwaardigd als ik zou geweest zijn indien ik geweten had dat 
het hier geenszins te doen was om een onschuldige te redden, maar dat 
deze valsheid de strekking had om ten koste van de eer en 't welzijn 
mijns voorgangers, de bewijzen te vernietigen die de politiek van de 
generaal in de weg stonden.'

`En hoe ging 't verder met uw voorganger?' vroeg Verbrugge.

`Gelukkig voor hem was hij reeds naar Java vertrokken voor de generaal 
te Padang terugkeerde. Hij schijnt zich bij de regering te Batavia te 
hebben kunnen verantwoorden, althans hij is in dienst gebleven. De 
resident van Ajer-Bangie die op 't vonnis fiat executie verleend had, 
werd ...'

`Gesuspendeerd?'

`Natuurlijk! Ge ziet dat ik niet zo heel onrecht had, in mijn puntdicht 
te zeggen dat de gouverneur ons schorsend regeerde.'

`En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?'

`O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zijn in 
hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer 
aanzienlijke ambten bekleed.'

`En Soetan Salim?'

`De generaal voerde hem gevankelijk mee naar Padang, en vandaar werd hij 
als balling naar Java gezonden. Hij is thans nog te Tjiandjoer in de 
Preanger Regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek 
gebracht. Weet je nog wat ik te Tjiandjoer kwam doen, Tine?'

`Nee, Max, dat is me glad ontgaan.'

`Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heren!'

`Maar,' vroeg Duclari, `daar ge nu toch aan 't vertellen zijt, mag ik 
vragen of 't waar is dat ge te Padang zo dikwijls geduelleerd hebt?'

`Ja, zeer dikwijls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat 
de gunst van de gouverneur op zodanige buitenpost de maatstaf is, 
waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor mij 
zeer onwelwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van mijn kant 
was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de 
``zotternij van iemand die 't wil opnemen tegen de generaal'', een 
toespeling op mijn armoede, op mijn hongerlijden, op 't ``slechte 
voedsel dat er scheen te liggen in zedelijke onafhankelijkheid''... dit 
alles, begrijpt ge, maakte mij bitter. Velen, vooral onder de 
officieren, wisten dat de generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd 
werd, en vooral met iemand die zo in ongenade was als ik. Misschien 
wekte men dus mijn gevoeligheid met voordacht op. Ook duelleerde ik wel 
eens voor een ander die ik voor verongelijkt hield. Hoe dit zij, het 
duel was daar in die tijd aan de orde van de dag, en meer dan eens is 't 
gebeurd dat ik twee samenkomsten had op een ochtend. O, er is iets zeer 
aantrekkelijks in het duel, vooral met de sabel, of ``op'' de sabel, 
zoals ze 't noemen ... ik weet niet waarom. Ge begrijpt echter dat ik nu 
zoiets niet meer doen zou, ook al ware daartoe zoveel aanleiding als in 
die dagen ... kom eens hier, Max -- nee, vang dat beestje niet -- kom 
hier! Hoor eens, je moet nooit kapellen vangen. Dat arme dier heeft 
eerst lange tijd als rups op een boom rondgekropen, dat was geen vrolijk 
leven! Nu heeft het pas vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in 
de lucht, en zich vermaken en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet 
niemand leed ... kijk, is 't niet veel aardiger het daar zo te zien 
rondfladderen?'

Zo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des 
rechtvaardigen over zijn vee, op het dierenplagen, op de loi-Grammont, 
op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de 
republiek, en op wat niet al!

Eindelijk stond Havelaar op. Hij verontschuldigde zich bij zijn gasten, 
wijl hij bezigheden had. Toen de controleur hem de volgende morgen op 
zijn kantoor bezocht, wist hij niet dat de nieuwe assistent-resident de 
vorige dag na de gesprekken in de voorgalerij, was uitgereden naar 
Parang-Koedjang -- het district der `verregaande misbruiken' -- en eerst 
die ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.


Ik verzoek de lezer te geloven dat Havelaar te wellevend was om aan zijn 
eigen tafel zoveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb 
opgegeven, en waardoor ik op hem de schijn laad alsof hij zich meester 
zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarlozing der plichten van 
een gastheer, die voorschrijven aan zijn gasten de gelegenheid te laten 
of te verschaffen `zich te doen uitkomen'. Ik heb uit de vele 
bouwstoffen die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang 
de tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't 
afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde 
voldoende wezen zal om enigermate de beschrijving te rechtvaardigen, die 
ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer 
niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem 
en de zijnen wachtten te Rangkas-Betoeng.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwijls overdag uit, 
en bracht halve nachten op zijn bureau door. De verhouding tussen hem en 
de commandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook in de 
huiselijke omgang met de controleur was geen spoor te ontdekken van 't 
rangverschil dat anders in Indi zo vaak het verkeer stijf en vervelend 
maakt, terwijl bovendien Havelaars zucht om hulp te verlenen waar hij 
maar enigszins kon, dikwijls de regent te stade kwam, die dan ook zeer 
met zijn `oudere broeder' was ingenomen. En ten slotte bracht de 
lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam verkeer 
met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de inlandse hoofden. 
De dienstcorrespondentie met de resident te Serang droeg blijken van 
wederzijdse welwillendheid, terwijl de bevelen van de resident, met 
heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de 
meubels van Batavia aangekomen, en waren ketimons in zout gelegd, en als 
Max aan tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet meer uit 
gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altijd de levenswijs van 
't klein gezin duidelijke blijken droeg dat de voorgenomen spaarzaamheid 
zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts enige 
malen de thee bij de familie Havelaar in de voorgalerij. Ze sprak 
weinig, en bleef altijd een wakend oog houden op ieder die haar of 
Havelaars woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar 
monomanie begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't 
vergelijkenderwijze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die 
op een niet aan de grote weg gelegen binnenpost onvermijdelijk zijn. 
Daar er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men 
had het van Serang kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer 
waren te hoog. Max wist zo goed als ieder ander dat er veel middelen te 
vinden waren om znder betaling brood naar Rangkas-Betoeng te laten 
brengen, maar onbetaalde arbeid, die Indische kanker, was hem een 
gruwel. Zo was er veel te Lebak, dat wel door gezag te verkrijgen was om 
niet, maar niet te koop voor billijke prijs, en onder zulke gegevens 
schikten zich Havelaar en zijn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel 
andere ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht 
aan boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan 't 
scheepsdek, zonder andere beschutting tegen zonnehitte, en west-
moessonsbuien, dan een tafeltje tussen welks poten ze zich moest 
vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een 
klein rantsoen droge rijst en vuil water? En was ze niet in die en vele 
andere omstandigheden altijd tevreden geweest, als ze maar mocht samen 
wezen met haar Max?

En omstandigheid echter was er te Lebak, die haar verdriet berokkende: 
kleine Max kon niet in de tuin spelen omdat daar zoveel slangen waren. 
Toen ze dit bemerkte en hierover zich bij Havelaar beklaagde, loofde 
deze aan de bedienden een prijs uit voor elke slang die ze vangen 
zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hij zveel aan premin dat 
hij zijn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in gewone 
omstandigheden en dus zonder de voor hem zo noodzakelijke zuinigheid, 
zou die betaling spoedig zijn middelen zijn te boven gegaan. Er werd 
alzo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou verlaten, 
en dat hij zich, om frisse lucht te scheppen, vergenoegen moest met 
spelen in de voorgalerij. In weerwil van deze voorzorg was Tine toch 
altijd angstig, en vooral 's avonds, daar men weet hoe slangen dikwijls 
in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de slaapkamers 
verbergen.

Slangen en dergelijk ongedierte vindt men weliswaar in Indi overal, 
maar op de grotere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander 
woont, komen zij natuurlijk zeldzamer voor dan in meer wilde streken, 
zoals te Rangkas-Betoeng. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten 
zijn erf van onkruid te doen reinigen tot aan de rand van de ravijn toe, 
zouden toch wel de slangen zich van tijd tot tijd in de tuin vertoond 
hebben, maar niet in z groten getale als dit nu 't geval was. De natuur 
dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven 't licht 
van open plaatsen, zodat, als Havelaars erf zindelijk ware gehouden, de 
slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de ruigte in de 
ravijn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was niet 
zindelijk, en ik wens de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een blik 
temeer doet slaan op de misbruiken die bijna alom in de Nederlands-
Indische bezittingen heersen.

De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die 
aan de gemeenten toebehoren, voorzover men van gemeente-eigendom spreken 
kan in een land waar de regering zich alles toeigent. Genoeg, dat die 
erven niet toebehoren aan de ambtelijke bewoner zelf. Deze toch zou, als 
dit het geval ware, zich wachten een grond te kopen of te huren, waarvan 
't onderhoud boven zijn krachten ging. Wanneer nu het erf van de hem 
aangewezen woning te groot is om behoorlijk te worden onderhouden, zou 
dit, bij de welige tropische plantengroei, binnen weinig tijd in een 
wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit zodanig erf in 
slechte staat. Ja, dikwijls zelfs staat de reiziger verbaasd over 't 
schone park dat een residentswoning omringt. Geen beambte in de 
binnenlanden heeft inkomen genoeg om de hiertoe nodige arbeid te doen 
verrichten tegen behoorlijke betaling, en daar nu toch een deftig 
aanzien van de woning des gezaghebbers een vereiste is, opdat niet de 
bevolking, die zoveel hecht aan uiterlijkheden, in slordigheid grond 
vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel bereikt 
wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te beschikken over 
enige kettinggangers; dat zijn elders veroordeelde misdadigers, een 
soort van werklieden echter dat in Bantam om meer of min geldige redenen 
van politieke aard niet aanwezig was. Doch ook op plaatsen waar zich wel 
zodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal, vooral met het oog op de 
behoefte aan andere arbeid, zelden in evenredigheid met het werk dat zou 
vereist worden tot het goed onderhouden van een groot erf. Er moeten dus 
andere middelen gevonden worden, en de oproeping van arbeiders tot het 
verrichten van herendienst ligt voor de hand. De regent of de demang die 
zodanige oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hij 
weet zeer goed dat het de gezaghebbende ambtenaar die van dat gezag 
misbruik maakt, later moeilijk vallen zou een inlands hoofd te 
bestraffen over een gelijke fout. En alzo strekt het vergrijp van de een 
tot vrijbrief voor de ander.

Het komt mij echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber in 
sommige gevallen niet al te streng, en vooral niet naar Europese 
begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou 't -- 
misschien uit ongewoonte -- zeer vreemd vinden als hij altijd en in alle 
gevallen zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor zijn 
erf bestemde herendienstplichtigen voorschrijven, daar er omstandigheden 
kunnen voorkomen die bij deze bepalingen niet waren voorzien. Maar zodra 
eenmaal de grens van 't strikt wettige is overschreden, wordt het 
moeilijk een punt vast te stellen, waarop zodanige overschrijding zou 
overgaan in misdadige willekeur, en vooral wordt grote omzichtigheid 
nodig zodra men weet dat de hoofden alleen wachten op een slecht 
voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding na te volgen. De 
vertelling over zekere koning die niet wilde dat men de betaling 
verzuimde van n korrel zout die hij bij zijn eenvoudig maal gebruikt 
had, toen hij aan 't hoofd zijns legers het land doortrok -- omdat, naar 
hij zei, dit het begin was van een onrecht dat ten laatste zijn gehele 
rijk zou vernietigen -- hij moge dan Timoerleng, Noereddien of Djengis-
Khan geheten hebben, zeker is f die fabel, f als 't geen fabel is, het 
voorval zelf, van Aziatische oorsprong. En evenals 't aanschouwen van 
zeedijken aan de mogelijkheid van hoog water doet geloven, mag men 
aannemen dat er neiging bestaat tot zulke misbruiken in een land waar 
zulke lessen worden gegeven.

Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht, 
konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zijn erf, in de 
onmiddellijke nabijheid der woning, van onkruid en kreupelhout 
vrijhouden. Het overige was binnen weinige weken een volslagen 
wildernis. Havelaar schreef aan de resident over de middelen om hierin 
te voorzien, hetzij door een geldelijke toelage, hetzij door aan de 
regering voor te stellen evenals elders kettinggangers in de residentie 
Bantam te doen arbeiden. Hij ontving hierop een weigerend antwoord, met 
de opmerking dat hij immers 't recht had de personen die door hem bij 
politievonnis waren veroordeeld tot `arbeid aan de publieke weg' op zijn 
erf te werk te stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem 
meer dan voldoende bekend dat zodanige beschikking over gecondemneerden 
overal de gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hij, noch te 
Rangkas-Betoeng, noch te Amboina, noch te Menado, noch te Natal van dat 
vermeende recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zijn tuin te 
laten onderhouden als boete voor kleine vergrijpen, en meermalen had hij 
zich afgevraagd hoe de regering bepalingen kon laten bestaan, die de 
ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten te 
straffen, niet in evenredigheid met het vergrijp, maar met de toestand 
of de uitgestrektheid van zijn erf. Het denkbeeld alleen dat de 
gestrafte, ook zelfs hij die rechtvaardig gestraft was, vermenen zou dat 
er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hij 
straffen moest, altijd de voorkeur geven aan de anders zeer 
afkeurenswaardige opsluiting.

En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in de tuin, en dat 
ook Tine van de bloemen niet zoveel genoegen smaakte als ze zich had 
voorgesteld op de dag van haar aankomst te Rangkas-Betoeng.

Het spreekt vanzelf dat deze en dergelijke kleine verdrietelijkheden 
geen invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zoveel 
bouwstoffen bezat om zich een gelukkig huiselijk leven te verschaffen, 
en 't was dan ook niet toe te schrijven aan zulke kleinigheden, wanneer 
Havelaar soms met een bewolkt voorhoofd binnentrad, bij het terugkeren 
van een uitstap, of na 't aanhoren van deze en gene die verzocht hadden 
hem te spreken. We hebben uit zijn toespraak aan de hoofden gehoord dat 
hij zijn plicht wilde doen, dat hij onrecht wilde tekeer gaan, en tevens 
hoop ik dat de lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leren 
kennen als iemand die wel in staat was iets uit te vinden en tot 
klaarheid te brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't 
duister lag. Er was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in 
Lebak omging zijn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hij vele jaren 
vroeger op die Afdeling gelet had, zodat hij reeds de eerste dag, toen 
Verbrugge hem ontmoette in de pendopo waar mijn verhaal aanvangt, toonde 
in zijn nieuwe werkkring geen vreemdeling te zijn. Hij had door 
nasporing op de plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hij 
vroeger vermoedde, en vooral uit het archief was hem gebleken dat de 
landstreek waarvan het bestuur aan zijn zorg was toevertrouwd, werkelijk 
in een hoogst treurige toestand verkeerde.

Uit brieven en aantekeningen van zijn voorganger bemerkte hij dat deze 
dezelfde opmerkingen gemaakt had. De correspondentie met de hoofden 
bevatte verwijt op verwijt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed 
begrijpen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich 
rechtstreeks tot de regering te zullen wenden indien niet aan die stand 
van zaken een einde werd gemaakt.

Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zijn 
voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de assistent-
resident van Lebak in geen geval de resident van Bantam mocht 
voorbijgaan, en hij had daarbij gevoegd dat dit ook door volstrekt niets 
zou gewettigd zijn, daar het toch niet te denken was dat die hoge 
beambte partij zou trekken voor afpersing en knevelarij.

Zodanig partijtrekken was dan ook waarlijk niet te veronderstellen in de 
zin zoals Havelaar 't bedoelde, niet namelijk alsof de resident enig 
voordeel of gewin zou ten deel vallen van die vergrijpen. Doch wel 
bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de 
klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe 
die voorganger meermalen met de resident over de heersende misbruiken 
had gesproken -- geaboucheerd, zei Verbrugge -- en hoe weinig hem dit 
gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom 
een zo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de gehele residentie 
evenzeer als de assistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was 
te zorgen dat er recht geschiedde, bijna altijd reden meende te hebben 
om de loop van dat recht te stuiten.

Reeds te Serang, toen Havelaar daar ten huize van de resident vertoefde, 
had hij deze over de Lebakse misbruiken gesproken, en hierop ten 
antwoord bekomen, `dat dit alles in meer of mindere mate overal 't geval 
was.' Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou beweren een land 
te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar hij meende dat dit 
geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond, te laten bestaan, 
vooral niet wanneer men uitdrukkelijk tot het tegengaan daarvan geroepen 
was, en tevens dat, na al wat hij van Lebak wist, hier geen sprake was 
van meer of mindere, doch van zeer grote mate, waarop de resident hem 
onder andere antwoordde, `dat het in de Afdeling Tjiringin -- ook tot 
Bantam behorende -- nog erger gesteld was.'

Wanneer men nu aanneemt, zoals men aannemen kan, dat een resident geen 
rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken 
over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zovelen beweegt in 
tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder 
daarvan aan de regering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet 
het al zeer vreemd vinden dat men zo koelbloedig 't bestaan van die 
misbruiken erkent, als ware er sprake van iets dat buiten bereik of 
bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen.

In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tijdingen iets 
onaangenaams, en 't schijnt wel of er van de ongunstige indruk die ze 
veroorzaken, iets blijft kleven op wie de verdrietige taak te beurt viel 
zulke tijdingen mee te delen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen 
een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets 
ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer 
men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op de hals te halen die 
nu eenmaal 't lot schijnt des overbrengers van slechte berichten, doch 
tevens als de oorzaak te worden aangezien van de ongunstige toestand die 
men plichtshalve openbaart.

De regering van Nederlands-Indi schrijft bij voorkeur aan haar meesters 
in 't moederland dat alles naar wens gaat. De residenten melden dit 
gaarne aan de regering. De assistent-residenten, die zelf van hun 
controleurs bijna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden ook op 
hun beurt liefst geen onaangename tijdingen aan de residenten. Hieruit 
wordt in de officile en schriftelijke behandeling der zaken een 
gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de 
waarheid, maar ook met de eigen mening van die optimisten zelf, zodra 
zij dezelfde zaken mondeling behandelen, en -- nog vreemder! -- dikwijls 
zelfs in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel 
voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die de gunstige toestand van 
een residentie ten hoogste verheffen, doch tegelijkertijd, vooral waar 
de cijfers spreken, zich zelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden, 
als niet de zaak om de eindelijke gevolgen te ernstig ware, aanleiding 
geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naveteit waarmee 
vaak in zodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en 
aangenomen, al biedt dan ook de schrijver zelf weinig zinsneden verder 
de wapens aan waarmee die onwaarheden te bestrijden zijn. Ik zal me tot 
een enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer vele zou kunnen 
vermeerderen. Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het 
jaarverslag van een residentie. De resident roemt de handel die daar 
bloeit, en beweert dat in de gehele landstreek de grootste welvaart en 
bedrijvigheid worden waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende 
over de geringe middelen die hem ten dienste staan om sluikerij te 
weren, wil hij terstond de onaangename indruk wegnemen, die op de 
regering zou worden teweeggebracht door de mening dat er dus in die 
residentie veel inkomend-recht wordt ontdoken. `Nee,' zegt hij, 
`drvoor behoeft men niet bezorgd te zijn! Er wordt in mijn residentie 
weinig of niets ingevoerd tersluiks, want ... er gaat in deze streken z 
weinig om, d't niemand hier zijn kapitaal in de handel wagen zou.'

Ik heb een dergelijk verslag gelezen dat aanving met de woorden: `In 't 
afgelopen jaar is de rust rustig gebleven.' Zulke zinsneden getuigen wel 
van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelijkheid van de regering 
voor ieder die haar onaangename tijdingen spaart, of die, zoals de term 
luidt, `haar niet bemoeilijkt' met verdrietige berichten!

Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toe te schrijven aan onjuistheid 
der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stijgen, maakt 
men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lage aanslag de 
landbouw aan te moedigen, die zich juist nu gaat ontwikkelen, en weldra 
-- liefst als de berichtgever zal afgetreden zijn -- onbegrijpelijke 
vruchten moet afwerpen. Waar onordelijkheid heeft plaats gehad die niet 
verborgen blijven kon, was dit het werk van enige weinige 
kwalijkgezinden die voor 't vervolg niet meer te vrezen zijn daar er een 
algemene tevredenheid heerst. Waar gebrek of hongersnood de bevolking 
heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte, regen of 
zoiets, nooit van wanbestuur.

De nota van Havelaars voorganger, waarin deze `het verloop van volk uit 
het district Parang-Koedjang' toeschreef aan `verregaand misbruik' ligt 
voor mij. Deze nota was inofficieel, en bevatte punten waarover die 
ambtenaar met de resident van Bantam te spreken had. Maar vergeefs zocht 
Havelaar in 't archief naar een blijk dat zijn voorganger diezelfde zaak 
ruiterlijk bij de ware naam had genoemd in een openbare dienstmissive.

Kortom, de officile berichten van de beambten aan het gouvernement, en 
dus ook de daarop gegronde rapporten aan de regering in 't moederland, 
zijn voor het grootste en belangrijkste gedeelte: onwaar.

Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en 
voel me volkomen in staat haar met bewijzen te staven. Wie verstoord 
mocht zijn over dit onbewimpeld uiten mijner mening, bedenke hoeveel 
miljoenen schats en hoeveel mensenlevens er zouden gespaard zijn aan 
Engeland, indien men dr tijdig de ogen der natie voor de ware 
toedracht der zaken in Brits-Indi geopend had, en hoe grote 
dankbaarheid men zou schuldig geweest zijn aan de man die de moed had 
getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't 
verkeerde te herstellen op minder bloedige wijze dan nu wel noodzakelijk 
geworden was.

Ik zei mijn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't nodig is, zal ik 
aantonen dat er vaak hongersnood heerste in streken die geroemd werden 
als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die als 
rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uit te bersten in 
woede. Het is mijn voornemen niet deze bewijzen te leveren in dit boek, 
schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te 
geloven dat ze bestaan.

Voor 't ogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het 
belachelijk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door 
ieder, hij zij dan al of niet bekend met zaken van Indi, gemakkelijk 
zal kunnen begrepen worden.

Iedere resident dient maandelijks een opgaaf in van de rijst die in zijn 
landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. Bij deze 
opgave wordt dat vervoer in twee delen gesplitst, naarmate het zich 
bepaalt tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de 
hoeveelheid rijst welke volgens die opgaven is overgevoerd uit 
residentin op Java naar residentin op Java, zal men bevinden dat deze 
hoeveelheid vele duizenden pikols meer bedraagt dan de rijst die, 
volgens dezelfde opgaven, in residentin op Java uit residentin op Java 
is ingevoerd.

Ik ga nu met stilzwijgen voorbij, wat men te denken hebbe van het 
doorzicht der regering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil 
de lezer alleen opmerkzaam maken op de strekking van deze valsheid. De 
procentsgewijze beloning aan Europese en inlandse beambten voor 
produkten die in Europa moeten verkocht worden, had de rijstbouw zodanig 
op de achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een hongersnood 
geheerst heeft, die niet voor de ogen der natie weggegoocheld worden 
kon. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften zijn gegeven, de 
zaken niet weer te laten komen tot zver. Tot de vele uitvloeisels van 
deze voorschriften behoorden ook de door mij genoemde opgaven van uit- 
en ingevoerde rijst, opdat de regering voortdurend het oog houden kon op 
de eb en de vloed van dat levensmiddel. Uitvoer uit een residentie stelt 
welvaart voor, invoer: betrekkelijk gebrek.

Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelijkt, blijkt daaruit dat 
de rijst overal z overvloedig is, dat alle residentin tezamen meer 
rijst uitvoeren dan er in alle residentin tezamen wordt ingevoerd. Ik 
herhaal dat hier geen sprake is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf 
afzonderlijk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerijmde 
stelling: dat er op Java meer rijst is dan er rijst is. Dt is toch 
welvaart!

Ik zei reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de 
regering mee te delen, zou overgaan in 't belachelijke, als niet de 
gevolgen van dit alles zo treurig waren. Welke verbetering immers is er 
te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen 
bestaat, in de berichten aan 't bestuur alles om te buigen en te 
verdraaien? Wat is er bijvoorbeeld te verwachten van een bevolking die, 
uit de aard zacht en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over 
onderdrukking, als zij de ene resident vr, de andere n ziet aftreden 
met verlof of met pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat 
er iets geschied is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! 
Moet niet de gebogen veer eindelijk terugspringen? Moet niet de zolang 
onderdrukte ontevredenheid -- onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan 
ze te loochenen! -- eindelijk overslaan in woede, in wanhoop, in 
razernij? Ligt er niet een Jacquerie op 't eind van deze weg?

En waar zullen dan de beambten zijn, die sedert jaren elkander opvolgen, 
zonder ooit op 't denkbeeld te zijn gekomen, dat er iets hogers bestaat 
dan de `gunst der regering'? Iets hogers dan de `tevredenheid van de 
gouverneur-generaal'? Waar zullen zij dan wezen, de flauwe-
berichtenschrijvers die de ogen van 't bestuur door hun onwaarheden 
verblindden? Zullen dan zij die vroeger de moed misten om een kordaat 
woord op 't papier te stellen, te wapen vliegen en de Nederlandse 
bezittingen behouden voor Nederland? Zullen zij aan Nederland de 
schatten weergeven die er zullen nodig wezen tot demping van oproer, tot 
het voorkomen van omwenteling? Zullen zij 't leven weergeven aan de 
duizenden die er vielen door hun schuld?

En die ambtenaren, die controleurs en residenten, zijn niet de meest 
schuldigen! Het is de regering zelf die, als geslagen met 
onbegrijpelijke blindheid, het indienen van gunstige berichten 
aanmoedigt, uitlokt en beloont. Vooral is dit het geval, waar sprake is 
van onderdrukking der bevolking door inlandse hoofden.

Door velen wordt dit beschermen van de hoofden toegeschreven aan de 
onedele berekening dat zij, pracht en praal moetende ten toon spreiden 
om op de bevolking de invloed uit te oefenen die de regering nodig heeft 
om hr gezag staande te houden, daartoe een veel hogere bezoldiging 
zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de 
vrijheid liet het ontbrekende aan te vullen door onwettige beschikking 
over de bezittingen en de arbeid van 't volk. Hoe dit zij, de regering 
gaat niet dan node over tot het toepassen der bepalingen die de Javaan 
tegen afpersing en roof heten te beschermen. Meestal weet men in 
onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde, 
een oorzaak te vinden om die regent of dat hoofd te sparen, en 't is dan 
ook in Indi een tot spreekwoord geijkte mening dat het gouvernement 
liever tien residenten zou ontslaan dan n regent. Ook die voorgewende 
politieke redenen -- als ze op iets gevestigd zijn -- steunen gewoonlijk 
op valse opgaven, daar iedere resident belang heeft bij 't verheffen van 
de invloed zijner regenten op de bevolking, om daarachter zich te 
verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te grote 
inschikkelijkheid omtrent die hoofden.

Ik ga nu de afschuwelijke huichelarij voorbij van de menslievend 
luidende bepalingen -- en van de eden! -- die de Javaan tegen willekeur 
beschermen ... op 't papier, en verzoek de lezer zich te herinneren hoe 
Havelaar bij 't naspreken van die eden iets te kennen gaf dat denken 
deed aan minachting. Voor 't ogenblik wil ik alleen wijzen op het 
moeilijke van de toestand des mans die, geheel nders dan uit kracht 
ener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zijn plicht.

En voor hem was deze moeilijkheid groter nog dan ze voor sommige anderen 
zou geweest zijn, omdat zijn gemoed zacht was, geheel in tegenspraak met 
zijn doorzicht dat de lezer nu wel als vrij scherp zal hebben leren 
kennen. Hij had dus niet alleen te strijden met vrees voor mensen of met 
de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen met de plichten 
die hij als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hij moest een 
vijand overwinnen in zijn eigen hart. Hij kon niet zonder lijden leed 
zien, en 't zou mij te ver leiden als ik de voorbeelden wilde aanvoeren 
hoe hij immer, ook waar hij gekrenkt en beledigd was, de partij van een 
tegenstander beschermde tegen zich zelf. Hij verhaalde aan Duclari en 
Verbrugge hoe hij in zijn jeugd iets aantrekkelijks had gevonden in het 
duel met de sabel, 'tgeen de waarheid was... doch hij zei er niet bij 
hoe hij na 't wonden van zijn tegenpartij gewoonlijk schreide, en zijn 
gewezen vijand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik 
zou kunnen verhalen hoe hij te Natal de kettingganger die op hem 
geschoten had bij zich nam, de man vriendelijk toesprak, hem voeden liet 
en vrijheid gaf boven alle anderen, omdat hij meende te ontdekken dat de 
verbittering van die veroordeelde 't gevolg was van een, elders 
geslagen, te streng vonnis. Gewoonlijk werd de zachtheid van zijn gemoed 
f ontkend, f belachelijk gevonden. Ontkend door wie zijn hart verwarde 
met zijn geest. Belachelijk gevonden door wie niet begrijpen kon hoe een 
verstandig mens zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt 
was in het web ener spin. Ontkend weer door ieder -- buiten Tine -- die 
hem daarna hoorde schimpen op die `domme dieren' en op de `domme natuur' 
die zulke dieren schiep.

Maar nog een andere wijze bestond er om hem neer te halen van 't 
voetstuk waarop zijn omgeving -- men mocht hem beminnen of niet -- wel 
gedwongen was hem te plaatsen. `Ja, hij is geestig, maar... er is 
vluchtigheid in zijn geest.' Of: `Hij is verstandig, maar... hij 
gebruikt zijn verstand niet goed.' Of: `Ja, hij is goedhartig, maar... 
hij koketteert ermee!'

Voor zijn geest, voor zijn verstand, trek ik geen partij. Maar zijn 
hart? Arme spartelende vliegjes die hij redde als hij geheel alleen was, 
wilt gij dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar ge zijt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gij die 
niet weten kon dat hij eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!

Was 't koketterie van Havelaar, toen hij te Natal een hond -- Sappho 
heette het dier -- nasprong in de riviermonding, omdat hij vreesde dat 
het nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te 
ontwijken die daar zo menigvuldig zijn? Ik vind zulk koketteren met 
goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt -- wanneer ge niet 
verstijfd zijt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of 
verdroogd door de hitte daarginds onder de linie! -- ik roep u op om 
getuigenis te geven van zijn hart, gij allen die hem hebt gekend! Thans 
vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer nodig hebt te 
zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neer te halen van 
welke luttele hoogte ook.

Intussen, hoe bont het schijne, zal ik hier plaats geven aan enige 
regels van zijn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken. 
Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hij had haar in Indi 
moeten achterlaten, en bevond zich in Duitsland. Met de vlugheid die ik 
hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht willen 
aantasten, maakte hij zich meester van de taal des lands waar hij enige 
maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die tegelijkertijd de 
innigheid schetsen van de band die hem aan de zijnen hechtte.

-- Mein Kind, da schlgt die neunte Stunde, hr!

Der Nachtwind suselt, und die Luft wird khl,

Zu khl fr dich vielleicht: dein Stirnchen glht!

Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,

Und bist wohl mude, komm, dein Tikar harret.

-- Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!

Es is so sanft zu ruhen hier... und dort,

Da drin auf meiner Matte, schlaf ich gleich,

Und weiss nicht einmal was ich trume! Hier

Kann ich doch gleich dir sagen was ich trume,

Und fragen was mein Trum bedeutet ... hr,

Was war das?

-- 's War ein Klapper der da fiel.

-- Tut das dem Klapper weh?

-- Ich glaube nicht,

Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefuhl.

-- Doch eine Blume, fhlt die auch nicht?

-- Nein, Man sagt, sie fhle nicht.

-- Warum denn, Mutter,

Als gestern ich die Pukul ampat brach

Hast du gesagt: es tut der Blume weh?

-- Mein Kind, die Pukul ampat war so schn

Du zogst die zarten Blttchen roh entzwei,

Das tat mir fr die arme Blume leid.

Wenngleich die Blume selbst es nicht gefhlt,

Ich fuhlt' es fr die Blume, weil sie schn war.

-- Doch, Mutter, bist du auch schn?

-- Nein, mein Kind,

Ich glaube nicht.

-- Allein du hast Gefhl?

-- Ja, Menschen haben's ... doch nicht alle gleich.

-- Und kann dir etwas weh tun? Tut dir's weh,

Wenn dir im Schoss so schwer mein Kpfchen ruht?

-- Nein, das tut mir nicht weh!

-- Und, Mutter, ich ...

Hab ich Gefhl?

-- Gewiss! Erinn're dich

Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein

Dein Hndchen hast verwundet, und geweint.

Auch weintest du, als Saudien dir erzahlte

Dass auf den Hgeln dort, ein Schflein tief

In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.

Da hast du lang geweint ... das war Gefhl.

-- Doch, Mutter, ist Gefhl denn Schmerz?

-- Ja, oft!

Doch ... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,

Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,

Und krhend dir 's Gesichtchen nahe drckt,

Dann lachst du freudig, das ist auch Gefhl.

-- Und dann mein Schwesterlein ... es weint so oft,

Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefhl?

-- Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,

Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.

-- Doch, Mutter... hre, was war das?

-- Ein Hirsch

Der sich versptet im Gebsch, und jetzt

Mit Eile heimwrts kehrt, und Ruhe sucht

Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.

-- Mutter,

Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?

Und eine Mutter auch;

-- Ich weiss nicht, Kind.

-- Das wrde traurig sein, wenn's nicht so wre!

Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im strauch?

Seh' wie es hpft und tanzt ... ist das ein Funk?

-- 's Ist eine Feuerfliege.

-- Darf ich 's fangen?

-- Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,

Du wirst gewiss es weh tun, und sobald

Du 's mit den Fingern allzu roh berhrst,

Ist 's Tierchen krank, und stirbt, und glnzt nicht mehr.

-- Das ware Schade! Nein, ich fang' es nicht!

Seh', da verschwand es ... nein, es kommt hierher...

Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,

Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!

Da fliegt es ... hoch! Hoch, oben ... was ist das,

Sind das auch Feuerflieglein dort?

-- Das sind

Die Sterne.

-- Ein, und zehn, und tausend!

Wieviel sind denn wohl da?

-- Ich weiss es nicht,

Der Sterne Zahl hat niemand noch gezhlt.

-- Sag', Mutter, zhlt auch Er die Sterne nicht?

-- Nein, liebes Kind, auch Er nicht.

-- Ist das weit,

Dort oben wo die Sterne sind?

-- Sehr weit!

-- Doch haben diese Sterne auch Gefhl?

Und wrden sie, wenn ich sie mit der Hand

Berhrte, gleich erkranken, und den Glanz

Verlieren, wie das Flieglein? -- Seh', noch schwebt es! --

Sag', wrd' es auch den Sternen weh tun?

-- Nein,

Weh tut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit

Fr deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.

-- Kann Er die Sterne fangen mit der Hand?

-- Auch Er nicht: das kann niemand!

-- Das ist Schade!

Ich gb' so gern dir einen! Wenn ich gross bin,

Dann will ich so dich lieben dass ich 's kann.

Das Kind schlief ein. Ihm trumte von Gefuhl,

Von Sternen die es fasste mit der Hand ...

Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch trumte

Auch sie, und dacht' an den der fern war...

Ja, op 't gevaar af van bont te schijnen, heb ik aan die regels hier 
plaats gegeven. Ik wens geen gelegenheid te verzuimen om de man te doen 
kennen die de hoofdrol vervult in mijn verhaal, opdat hij de lezer enig 
belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken over 
zijn hoofd.


Vijftiende hoofdstuk

Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hoge 
ongenade van de regering enigszins scheen gevreesd te hebben -- de man 
had veel kinderen, en geen vermogen -- had alzo liever met de resident 
gesproken over wat hij zelf verregaande misbruiken noemde, dan die 
ronduit te noemen in een officieel bericht. Hij wist dat een resident 
niet gaarne een schriftelijk rapport ontvangt, dat in zijn archief 
blijft liggen en later kan gelden als bewijs dat hij tijdig was 
opmerkzaam gemaakt op deze of gene verkeerdheid, terwijl een mondelinge 
mededeling hem zonder gevaar de keus laat tussen 't al of niet gevolg 
geven aan een klacht. Zulke mondelinge mededelingen hadden gewoonlijk 
een onderhoud ten gevolge met de regent, die natuurlijk alles ontkende 
en op bewijzen aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de 
stoutheid hadden gehad zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van 
de Adipati, baden zij om verschoning. `Nee, die buffel was hun niet 
afgenomen om niet, ze geloofden wel dat daarvoor een dubbele prijs zou 
betaald worden'. `Nee, ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder 
betaling te arbeiden in de sawahs van de regent, ze wisten zeer goed dat 
de Adipati hen later ruim zou beloond hebben.' `Ze hadden hun aanklacht 
ingebracht in een ogenblik van ongegronde wrevel... ze waren waanzinnig 
geweest, en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande 
oneerbiedigheid!'

Dan wist de resident wel wat hij over die intrekking der aanklacht te 
denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schone gelegenheid 
om de regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename 
taak bespaard de regering te `bemoeilijken' met een ongunstig bericht. 
De roekeloze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de regent had 
gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met het 
aangenaam bewustzijn die zaak alweer zo goed `geschipperd' te hebben.

Maar wat moest nu de assistent-resident doen, als de volgende dag weer 
andere klagers zich bij hem aanmeldden? Of -- en dit geschiedde dikwijls 
-- als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken? Moest 
hij weer die zaak op zijn nota schrijven, om weer daarover te spreken 
met de resident, om weer dezelfde komedie te zien spelen, alles op 't 
gevaar af van in het eind door te gaan voor iemand die -- dom en 
boosaardig dan -- telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig 
moesten worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zo 
nodige vriendschappelijke verhouding tussen 't voornaamste inlandse 
hoofd en de eerste Europese ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te 
geven aan valse aanklachten tegen dat hoofd? En vooral, wat werd er van 
die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de macht 
van het districts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als 
uitvoerder van des regents willekeur? Wat er van die klagers werd? Wie 
vluchten kon, vluchtte. Drom zwierven er zoveel Bantammers in de 
naburige provincin! Drom waren er zoveel bewoners van Lebak onder de 
opstandelingen in de Lampongse districten! Drom had Havelaar in zijn 
toespraak aan de hoofden gevraagd: `Wat is dit, dat er zoveel huizen 
ledig staan in de dorpen, en waarom verkiezen velen de schaduw der 
bossen elders, boven de koelte der wouden van Banten Kidoel?'

Doch niet ieder kon vluchten. De man wiens lijk 's morgens de rivier 
afdreef, nadat hij de vorige avond, in 't geheim, schoorvoetend, 
angstig, verzocht had om gehoor bij de assistent-resident ... hij had 
geen behoefte meer aan vlucht. Misschien ware het als menslievendheid te 
achten, hem door ogenblikkelijke dood te onttrekken aan nog enige tijd 
leven. Hem bleef de mishandeling gespaard die hem wachtte bij terugkeer 
in zijn dorp, en de rottingslagen die de straf zijn voor al wie een 
ogenblik menen kon geen beest te wezen, geen onbezield stuk hout of 
steen. De straf van wie in een aanval van dwaasheid geloofd had dat er 
Recht in 't land was, en dat de assistent-resident de wil had, en de 
macht, om dat Recht te handhaven ...

Was 't niet inderdaad beter die man te beletten de volgende dag bij de 
assistent-resident terug te keren -- zoals deze hem 's avonds zeggen 
liet -- en zijn klacht te smoren in 't gele water van de Tjioedjoeng, 
dat hem zachtkens zou afvoeren van haar monding, gewoon als ze was 
overbrengster te wezen van die broederlijke groetgeschenken der haaien 
in 't binnenland aan de haaien in zee?

En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zijn gemoed 
omging bij 't bedenken dat hij tot recht-doen geroepen, en daarvoor 
verantwoordelijk was aan een hogere macht dan de macht van een regering 
die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altijd even 
gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hij werd geslingerd 
door twijfel, niet aan wt hem te doen stond, maar aan de wijze waarop 
hij te handelen had?

Hij had aangevangen met zachtheid. Hij had tot de Adipati gesproken als 
`oudere broeder' en wie menen mocht dat ik, ingenomen met de held mijner 
geschiedenis, de wijze waarop hij sprak, tracht te verheffen boven mate, 
hore hoe eens na zodanig onderhoud, de regent zijn patih tot hem zond om 
voor de welwillendheid zijner woorden dank te zeggen, en hoe nog lang 
daarna die patih, sprekende met de controleur Verbrugge -- nadat 
Havelaar had opgehouden assistent-resident van Lebak te zijn, nadat er 
dus van hem niets meer te hopen of te vrezen was -- hoe die patih bij de 
herinnering aan zijn woorden getroffen uitriep: `Nog nooit heeft enig 
heer gesproken als hij!'

Ja, hij wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hij had 
medelijden met de regent. Hij, die wist hoe geldgebrek kan drukken, 
vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van 
verschoning. De regent was oud, en 't hoofd van een geslacht dat op 
grote voet leefde in naburige provincin, waar veel koffie geoogst en 
dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in 
levenswijs zo ver te moeten achterstaan bij zijn jongere verwanten? 
Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerst, bij 't klimmen zijner 
jaren het heil van zijn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en 
voor aalmoezen aan gebedzingende leeglopers te kunnen inkopen. De 
ambtenaren die Havelaar in Lebak waren voorafgegaan, hadden niet altijd 
goede voorbeelden gegeven. En eindelijk maakte de uitgebreidheid der 
Lebakse familie van de regent, die geheel te zijnen laste leefde, hem 
het terugkeren tot de goede weg moeilijk.

Z zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uit te stellen, en 
nogeens en ngeens te beproeven wat er kon bereikt worden met zachtheid.

En hij ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de 
fouten herinnerde waardoor hij zo arm gemaakt was, schoot hij de regent 
gedurig op eigen verantwoordelijkheid geld voor, opdat niet behoefte al 
te sterk zou dringen tot vergrijp, en hij vergat als gewoonlijk zich 
zelf z ver dat hij aanbood zich en de zijnen tot het strikt nodige te 
bekrimpen, om de regent te hulp te komen met het weinige dat hij nog van 
zijn inkomsten zou kunnen uitsparen.

Indien 't nog nodig schijnen mocht, de zachtmoedigheid te bewijzen 
waarmee Havelaar zijn moeilijke plicht vervulde, zou dit bewijs kunnen 
gevonden worden in een mondelinge boodschap die hij de controleur 
opdroeg, toen deze eens naar Serang zou vertrekken: `Zeg de resident, 
dat hij, horende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet gelove 
dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond 
officile melding omdat ik de regent, met wie ik medelijden heb, wens te 
bewaren voor te grote strengheid, daar ik eerst beproeven wil hem door 
zachtheid tot zijn plicht te brengen.'

Havelaar bleef dikwijls dagen achtereen uit. Als hij thuis was, vond men 
hem meestal in de kamer die wij op onze plattegrond vinden voorgesteld 
door 't zevende vak. Daar zat hij gewoonlijk te schrijven, en ontving de 
personen die om gehoor lieten vragen. Hij had die plek gekozen omdat hij 
daar in de nabijheid was van zijn Tine die zich gewoonlijk in de kamer 
daarnaast ophield. Want z innig waren zij verbonden dat Max, ook als 
hij bezig was met enige arbeid die aandacht en inspanning vorderde, 
gedurig behoefte voelde haar te zien of te horen. Het was dikwijls 
koddig hoe hij op eenmaal tot haar een woord richtte dat in zijn 
gedachten over de onderwerpen die hem bezighielden opkwam, en hoe snel 
zij, zonder te weten wat hij behandelde, de zin van zijn mening wist te 
vatten, die hij haar dan ook gewoonlijk niet toelichtte, als sprak het 
vanzelf dat zij wel weten zou wat hij bedoelde. Dikwijls ook, als hij 
ontevreden was over eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, 
sprong hij op en zei iets onvriendelijks tot haar... die toch geen 
schuld had aan zijn ontevredenheid! Maar dit hoorde zij gaarne omdat het 
een bewijs temeer was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook 
was er sprake van berouw over zodanige schijnbare hardheid, of van 
vergiffenis aan de andere zijde. Dit zou hun geweest zijn, als had 
iemand vergeving gevraagd aan zich zelf, omdat hij in wrevel zich had 
geslagen voor zijn eigen hoofd.

Zij kende hem dan ook zo goed, dat ze juist wist wanneer ze dr moest 
zijn om hem een ogenblik verpozing te verschaffen ... juist, wanneer hij 
behoefte had aan haar raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen 
moest laten.

In die kamer zat Havelaar op zekere morgen toen de controleur bij hem 
binnentrad, met een zoven ontvangen brief in de hand.

`Dat is een moeilijke zaak, meneer Havelaar,' zei hij onder 't 
binnentreden. `Zeer moeilijk!'

Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om op 
te helderen waarom er een verandering was gekomen in de prijzen van 
houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de controleur 
Verbrugge al zeer spoedig iets moeilijk vond. Ik haast me dus hierbij te 
voegen dat veel anderen evenzeer moeilijkheid zouden gevonden hebben in 
't beantwoorden van die eenvoudige vraag.

Voor enige jaren was er te Rangkas-Betoeng een gevangenis gebouwd. Nu is 
't van algemene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van Java 
de kunst verstaan gebouwen op te richten die duizenden waard zijn, 
zonder meer dan evenzovele honderden daarvoor uit te geven. Men 
verkrijgt daardoor de roep van bekwaamheid en ijver voor 's lands 
dienst. Het verschil tussen de uitgegeven gelden en de waarde van het 
daarvoor verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of 
onbetaalde arbeid. Sedert enige jaren bestaan er voorschriften die dit 
verbieden. Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de 
regering zelf wil dat ze nagekomen worden met een stiptheid die 
bezwarend werken zou op de begroting van 't bouwdepartement. Het zal 
hiermee wel gaan zoals met veel andere voorschriften die er zo 
menslievend uitzien op 't papier.

Nu moesten er te Rangkas-Betoeng nog veel andere gebouwen worden 
opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe 
belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselijke prijzen der 
arbeidslonen en materialen. Havelaar had de controleur belast met een 
nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de prijzen op te 
geven naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen 
Verbrugge aan deze last had voldaan, bleek er dat die prijzen niet 
overeen kwamen met de opgaven van enige jaren vroeger. Van dit verschil 
nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zo moeilijk. Havelaar, 
die zeer goed wist wat er achter deze schijnbaar eenvoudige zaak 
schuilde, antwoordde dat hij zijn denkbeelden over die moeilijkheid 
schriftelijk zou meedelen, en ik vind onder de voor mij liggende stukken 
een afschrift van de brief die 't gevolg schijnt van deze toezegging.

Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een correspondentie 
over de prijzen van houtwerken, waarmee hij schijnbaar niet te maken 
heeft, moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier 
eigenlijk sprake is van geheel iets anders, van de toestand namelijk der 
ambtelijke Indische huishouding, en dat de brief die ik meedeel niet 
alleen een straal van licht temeer werpt op 't kunstmatig optimismus 
waarvan ik gesproken heb, maar tevens de moeilijkheden schetst, waarmee 
iemand te kampen had die zoals Havelaar rechtuit en zonder omzien zijn 
weg wilde gaan.

No 114	Rangkas-Betoeng, 15 maart 1856

 Aan de controleur van Lebak,

Toen ik de brief van de directeur der Openbare Werken van de 16de 
februari l.l., No 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht het 
daarbij gevraagde, na overleg met de regent, te beantwoorden met 
inachtneming van wat ik schreef in mijn missive van 5 dezer No 97.

Die missive bevatte enige algemene wenken omtrent hetgeen als billijk en 
rechtvaardig te beschouwen is bij 't bepalen der prijzen van materialen, 
door de bevolking te leveren aan, en op last van, het bestuur.

Bij uw missive van 8 dezer, No 6, hebt ge daaraan -- en naar ik geloof, 
volgens uw beste weten -- voldaan, zodat ik, vertrouwende op uw lokale 
kennis en die des regents, die opgaven, zoals ze door u waren gesteld, 
de resident heb aangeboden.

Daarop volgde een missive van die hoofdambtenaar, van 11 dezer, No 326, 
waarbij inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het verschil 
tussen de door mij opgegeven prijzen, en die welke in 1853 en 1854 bij 
het opbouwen ener gevangenis besteed werden.

Ik stelde natuurlijk die brief in uw handen, en gelastte u mondeling, 
alsnu uw opgave te justificeren, hetgeen u te minder moeilijk moest 
vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften u in mijn 
schrijven van de se dezer gegeven, en die we mondeling meermalen 
uitvoerig bespraken.

Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelijk.

Maar gisteren kwaamt ge te mijnen kantore, met de gerenvoieerde brief 
des residents in de hand, en begon te spreken over de moeilijkheid der 
afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde bij u wederom zekere 
schroom om sommige zaken bij de ware naam te noemen, iets waarop ik u 
reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder andere onlangs in 
tegenwoordigheid van de resident, iets wat ik ter bekorting halfheid 
noem, en waartegen ik u reeds dikwijls vriendschappelijk waarschuwde.

Halfheid leidt tot niets. Half-goed is niet goed. Half-waar is onwaar.

Voor vol traktement, voor volle rang, na een duidelijke volledige eed, 
doe men zijn volle plicht.

Is er soms moed nodig die te volvoeren, men bezitte die.

Ik voor mij zou de moed niet hebben die moed te missen. Want, 
afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van 
plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelijker omwegen, 
de zucht om altijd en overal botsing te ontgaan, de begeerte om te 
`schipperen' meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op de rechte 
weg ontmoeten zal.

Gedurende de loop ener zeer belangrijke zaak, die thans bij 't 
gouvernement in overweging is, en waarin gij eigenlijk ambtshalve 
behoorde betrokken te zijn, heb ik u stilzwijgend als het ware neutraal 
gelaten, en slechts lachend van tijd tot tijd daarop gezinspeeld.

Toen, bijvoorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en 
hongersnood onder de bevolking bij mij was ingekomen, en ik daarop 
schreef: `Dit alles moge de waarheid zijn, het is niet al de waarheid, 
noch de voornaamste waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper', stemdet gij 
dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van mijn recht, te eisen 
dat ge dan ook die hoofdwaarheid noemen zoudt.

Ik had tot mijn inschikkelijkheid vele redenen, en onder andere deze, 
dat ik 't onbillijk vond op eenmaal iets van u te vorderen, wat vele 
anderen in uw plaats evenmin zouden presteren, u te dwingen zo op 
eenmaal de routine van achterhoudendheid en mensenvrees vaarwel te 
zeggen, die niet zozeer uw schuld is als wel die der leiding welke u te 
beurt viel. Ik wilde eindelijk eerst u een voorbeeld geven hoeveel 
eenvoudiger en gemakkelijker het is, zijn plicht geheel te doen dan 
half:

Thans echter, nu ik de eer heb u weer zoveel dagen langer onder mijn 
bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelijk in de gelegenheid stelde, 
principes te leren kennen die -- tenzij ik dwaal -- ten laatste zullen 
zegevieren, wenste ik dat ge die aannaamt, dat gij u de niet 
ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maaktet die er nodig 
schijnt om altijd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er te zeggen 
valt, en dat ge dus geheel en al varen liet die onmannelijke schroom om 
flink voor een zaak uit te komen.

Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar volledige opgave van wat u 
voorkomt de oorzaak te wezen van 't prijsverschil tussen nu en 1853 of 
1854

Ik hoop ernstig dat gij geen enkele zinsnede van deze brief zult 
opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw 
dat ge mij genoeg hebt leren kennen om te weten dat ik niet meer of 
minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten overvloede de 
verzekering dat mijn opmerkingen eigenlijk minder u betreffen, dan de 
school waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zijt.

Deze circonstance attnuante zou echter vervallen wanneer ge, langer met 
mij omgaande en 't gouvernement onder mijn leiding dienende, voortgingt 
de slender te volgen waartegen ik mij verzet.

Ge hebt opgemerkt dat ik mij van het `Uwedelgestrenge' heb ontslagen: 't 
verveelde mij. Doe het ook, en laat onze `weledelheid' en waar 't nodig 
is onze `gestrengheid' elders en vooral nders blijken, dan uit die 
vervelende, zinstorende titulatuur.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR


Het antwoord op deze brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers, 
en bewees dat hij niet zo onrecht had, toen hij de `slechte voorbeelden 
van vroegere tijd' mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter 
verschoning van de regent.

Ik ben in 't meedelen van deze brief de tijd vooruitgelopen, om reeds nu 
te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van de controleur te 
verwachten had, zodra geheel andere, meer belangrijke, zaken zouden 
moeten genoemd worden bij de rechte naam, wanneer reeds deze ambtenaar, 
die zonder twijfel een braaf mens was, zo moest worden toegesproken om 
de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der prijzen van hout, 
steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzo dat hij niet alleen te 
strijden had met de macht der personen die voordeel genoten van 
misdrijf, maar tevens met de beschroomdheid dergenen die -- hoezeer dat 
misdrijf evenzeer afkeurende als hij -- zich niet geroepen of geschikt 
achtten daartegen met de vereiste moed op te treden. Misschien ook zal 
men na 't lezen van die brief, enigszins terugkomen van de minachting 
voor de slaafse onderworpenheid van de Javaan die in tegenwoordigheid 
van zijn hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe gegrond ook, lafhartig 
terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zoveel oorzaak was tot vrees, 
zelfs voor de Europese beambte, die dan toch geacht kon worden iets 
minder bloot te staan aan wraak, wat wachtte dan de arme landbewoner, 
die in een dorp ver van de hoofdplaats geheel en al in de macht zijner 
aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is 't wonder dat die arme mensen, 
verschrikt over de gevolgen van hun stoutheid, die gevolgen zochten te 
ontwijken of te verzachten door deemoedige onderwerping?

En 't was niet alleen de controleur Verbrugge, die zijn plicht deed met 
een schuwheid als voegen zou aan plichtsverzuim. Ook de djaksa, 't 
inlands hoofd dat bij de Landraad het ambt van publieke aanklager 
vervult, trad liefst 's avonds, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars 
woning. Hij, die diefstal moest tegengaan, die 't was opgedragen de 
sluipende dief te betrappen, hij sloop, als ware hij zelf de dief die 
betrapping vreesde, met zachte tred het huis aan de achterzijde in, na 
zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later 
hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.

Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit 
nodig had zijn kamer binnen te treden om hem op te beuren, als ze zag 
hoe hij daar zat met de hand onder 't hoofd?

En toch was voor hem 't grootste bezwaar niet gelegen in de 
schroomvalligheid van wie hem ter zijde stonden, noch in de 
medeplichtige lafhartigheid van wie zijn hulp hadden ingeroepen. Nee, 
geheel alleen desnoods zou hij recht doen, met of zonder hulp van 
anderen dan, ja, tegen allen, al ware 't ook tegen hen zelf die behoefte 
hadden aan dat recht! Want hij wist hoe hij invloed had op het volk, en 
hoe -- als eenmaal de arme onderdrukten, opgeroepen om luid en voor 't 
gerecht te herhalen wat ze hem 's avonds en 's nachts hadden 
toegefluisterd in eenzaamheid -- hij wist hoe hij de macht had op hun 
gemoederen te werken, en hoe de kracht zijner woorden sterker zijn zou 
dan de angst voor wraak van districtshoofd of regent. De vrees dat zijn 
beschermelingen zouden afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus 
niet. Maar 't kostte hem zoveel die oude Adipati aan te klagen: dt was 
de reden van zijn tweestrijd! Want ook aan de andere kant mocht hij niet 
toegeven in deze weerzin, daar de gehele bevolking, afgescheiden nog van 
haar goed recht, evenzeer aanspraak had op medelijden.

Vrees voor eigen leed had geen deel in zijn twijfel. Want al wist hij 
hoe ongaarne in 't algemeen de regering een regent ziet aanklagen, en 
hoeveel gemakkelijker 't sommigen valt de Europese beambte brodeloos te 
maken dan een inlands hoofd te straffen, hij had een bijzondere reden om 
te geloven dat er juist op dit ogenblik bij de beoordeling van zulke 
zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheersen. Het is 
waar dat hij, ook zonder deze mening, evenzeer zijn plicht zou gedaan 
hebben, te liever zelfs als hij 't gevaar voor zich en de zijnen groter 
had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeilijkheid hem aantrok, en 
hoe hij dorstte naar opoffering. Doch hij meende dat de aanlokkelijkheid 
van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde -- als hij in 't eind 
zou moeten overgaan tot ernstige strijd tegen 't onrecht -- zich te 
moeten spenen van 't ridderlijk genoegen die strijd te hebben 
aangevangen als de zwakste.

Ja, dit vreesde hij. Hij meende dat er aan 't hoofd van de regering een 
gouverneur-generaal stond die zijn bondgenoot wezen zou, en 't was een 
eigenaardigheid temeer in zijn karakter, dat deze mening hem van strenge 
maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou weerhouden 
hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aan te grijpen op een ogenblik 
dat hij 't Recht voor sterker hield dan gewoonlijk. Ik zei immers reeds 
in de proeve der beschrijving van zijn inborst, dat hij naef was bij al 
zijn scherpte?

Laat ons trachten op te helderen hoe Havelaar tot die mening gekomen


Zeer weinig Europese lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van 
de hoogte waarop een gouverneur-generaal staan moet als mens, om niet 
beneden de hoogte zijner bediening te blijven, en 't gelde dan ook niet 
als een te streng oordeel wanneer ik de mening aankleef dat zeer 
weinigen, geen misschien, aan z zware eis hebben kunnen beantwoorden. 
Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen die daartoe 
nodig zijn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende hoogte 
waarop zo eensklaps de man wordt geplaatst, die gisteren nog eenvoudig 
burger -- heden macht heeft over miljoenen onderdanen. Hij die voor 
weinig tijd nog verscholen was onder zijn omgeving, zonder daarboven uit 
te steken in rang of gezag, voelt zich op eenmaal, onverwachts meestal, 
opgeheven boven een menigte, oneindig groter dan de kleine kring die hem 
vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten 
onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan 
de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of 
aan de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden 
overgebracht van diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke 
overgangen zijn de zenuwen van gezicht of hersenen niet bestand, ook al 
waren zij overigens van buitengewone sterkte.

Indien alzo reeds in zich zelf de benoeming tot gouverneur-generaal 
veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van dezulke die uitstekend 
was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van personen die 
reeds voor die benoeming leden aan veel gebreken? En al stellen we voor 
een ogenblik dat de Koning altijd goed is voorgelicht, als hij zijn hoge 
naam tekent onder de akte waarin hij zegt overtuigd te wezen van de 
`goede trouw, de ijver en de bekwaamheden' des benoemden stedehouders, 
al nemen wij aan dat de nieuwe onderkoning ijverig, trouw en bekwaam is, 
dan nog blijft het de vraag of die ijver, en vooral of die bekwaamheid, 
bij hem bestaat in een mate, hoog genoeg verheven boven middelmatigheid, 
om aan de eisen van zijn roeping te voldoen.

Want de vraag kan niet zijn of de man die te 's-Gravenhage voor 't eerst 
als gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dt ogenblik 
de bekwaamheid bezit die nodig zal wezen voor zijn nieuwe ambt ... dit 
is onmogelijk! Met de betuiging van vertrouwen op zijn bekwaamheid kan 
slechts de mening bedoeld zijn dat hij in een geheel nieuwe werkkring, 
op een gegeven ogenblik, bij ingeving als 't ware, weten zal wat hij te 
's-Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere woorden: dat hij een 
genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en kunnen, wat het kende 
noch kon. Zulke genien zijn zeldzaam, zelfs onder personen die in 
gunste staan bij koningen.

Daar ik van genien spreek, gevoelt men dat ik wil overslaan wat er zou 
te zeggen vallen van zo menige landvoogd. Ook zou 't me stuiten in mijn 
boek bladzijden in te voegen die 't ernstige doel van dit werk zouden 
blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de 
bijzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorbij, maar als 
algemene ziektegeschiedenis van de gouverneurs-generaal, meen ik te 
mogen opgeven: Eerste stadium. Duizeling. Wierook-dronkenschap. 
Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van 
`oud-gasten'. Tweede stadium. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging 
tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op de Raad van Indi. 
Afhankelijkheid van de Algemene Secretarie. Heimwee naar een Hollandse 
buitenplaats.

Tussen deze beide stadin in, en als overgang -- misschien zelfs als 
oorzaak van die overgang -- liggen dysenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indi me dankbaar zullen wezen voor deze 
diagnose. Ze is nuttig toe te passen, want men kan voor zeker houden dat 
de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een 
mug, later -- na de buikziekte! -- zonder bezwaar kemels zal verdragen. 
Of, om duidelijker te spreken, dat een beambte die `geschenken aanneemt, 
niet met het doel zich te verrijken' -- bijvoorbeeld een bos pisang ter 
waarde van enige duiten -- met smaad en schande zal worden weggejaagd in 
de eerste periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft het 
laatste tijdperk af te wachten, zeer gerust en zonder enige vrees voor 
straf, zich zal kunnen meester maken van de tuin waar de pisang groeide, 
met de tuinen die daarnaast liggen erbij ... van de huizen die in de 
omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog een en ander 
meer, ad libitum.

Ieder doe met deze pathologisch-wijsgerige opmerking zijn voordeel, en 
houde mijn raad geheim, ter voorkoming van te grote mededinging...

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zo vaak zich moeten kleden 
in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om begrepen te 
worden, moet verzeld gaan van gegrijns! Of is 't de schuld mijner 
onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de 
wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder mijn stijl te zoeken 
bij Figaro of Polichinelle?

Stijl ...ja! Daar liggen stukken voor mij, waarin stijl is. Stijl die 
aantoonde dat er een mens in de buurt was, een mens wie het de moeite 
waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die stijl de arme 
Havelaar gebaat? Hij vertaalde zijn tranen niet in gegrijns, hij spotte 
niet, hij zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door de 
grappen van de uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem 
gebaat?

Kon ik schrijven zoals hij, ik zou nders schrijven dan hij.

Stijl? Hebt ge gehoord hoe hij sprak tot de hoofden? Wat heeft het hem 
gebaat?

Kon ik spreken zoals hij, ik zou nders spreken dan hij.

Weg met gemoedelijke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, 
duidelijkheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius' 
justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, 
en gesis van vuurpijlen, en gekras van valse snaren, en hier en daar een 
waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van 
zoveel getrommel en zoveel gefluit?

Stijl? Hij had stijl! Hij had teveel ziel om zijn gedachten te 
verdrinken in de `ik heb de eers' en de `edelgestrengheden' en de 
`eerbiedig-in-overweging-gevingen' die de wellust uitmaken van de kleine 
wereld waarin hij zich bewoog. Als hij schreef, doordrong u iets bij 't 
lezen, dat u begrijpen deed hoe er wolken dreven bij dat onweer, en dat 
ge niet het gerammel hoorde van een blikken toneeldonder. Als hij vuur 
sloeg uit zijn denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzij men 
geboren kommies was, of gouverneur-generaal, of schrijver van 't 
walgelijkste verslag over `rustige rust'. En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord -- en verstaan vooral! -- moet ik nders 
schrijven dan hij. Maar hoe dan?

Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat hoe, en daarom heeft mijn 
boek een zo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later 
zal ik u geel of blauw of rood geven naar uw wens.

Havelaar had de gouverneurs-ziekte reeds zo dikwijls waargenomen bij 
zovl lijders -- en vaak in anima vili, want er zijn analogische 
residents-, controleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in 
verhouding staan als mazelen tot pokken, en eindelijk: hijzelf had aan 
die ziekte geleden! -- reeds z dikwijls had hij dat alles waargenomen, 
dat hij de verschijnselen daarvan vrijwel kende. Hij had de 
tegenwoordige gouverneur-generaal in 't begin van de ongesteldheid 
minder duizelig gevonden dan de meeste anderen, en hij besloot hieruit 
dat ook de verdere loop der ziekte een andere richting nemen zou.

Het was om deze reden dat hij vreesde de sterkste te zullen zijn, 
wanneer hij in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed 
recht der inwoners van Lebak.


Zestiende hoofdstuk

Havelaar ontving een brief van de regent van Tjiandjoer, waarin deze hem 
meedeelde dat hij een bezoek wenste te brengen aan zijn oom, de Adipati 
van Lebak. Deze tijding was hem zeer onaangenaam. Hij wist hoe de 
hoofden in de Preanger Regentschappen gewoon waren een grote weelde ten 
toon te spreiden, en hoe de Tjiandjoerse Tomonggong zulk een reis niet 
zou doen zonder een gevolg van vele honderden, die allen met hun paarden 
moesten geherbergd en gevoed worden. Gaarne alzo had hij dit bezoek 
verhinderd, doch hij peinsde vruchteloos op middelen die 't konden 
voorkomen zonder de regent van Rangkas-Betoeng te kwetsen, daar deze 
zeer trots was en zich diep beledigd zou gevoeld hebben wanneer men zijn 
betrekkelijke armoede had opgegeven als beweegreden om hem met te 
bezoeken. En wanneer dit bezoek niet te ontwijken was zou 't onmisbaar 
aanleiding geven tot verzwaring van de druk waaronder de bevolking 
gebukt ging.

Het is te betwijfelen of Havelaars toespraak een blijvende indruk op de 
hoofden gemaakt had. Bij velen was dit zeker niet het geval, waarop hij 
zelf dan ook niet gerekend had. Doch even zeker is 't, dat er een roep 
was opgegaan in de dorpen, dat de toean die gezag had te Rangkas-
Betoeng, recht wilde doen, en al hadden dus zijn woorden de kracht 
gemist om terug te houden van misdaad, ze hadden toch aan de 
slachtoffers daarvan de moed gegeven zich te beklagen, al geschiedde dit 
dan ook slechts schoorvoetend en in 't geheim.

Ze kropen 's avonds door de ravijn, en als Tine in haar kamer zat, werd 
ze meermalen opgeschrikt door onverwacht geruis, en ze zag door 't open 
venster donkere gedaanten die voorbij slopen met schuwe tred.

Weldra schrikte ze niet meer, want ze wist wat het beduidde als die 
gestalten zo spookachtig om 't huis waarden en bescherming zochten bij 
haar Max! Dan wenkte zij deze, en hij stond op om de klagers tot zich te 
roepen. De meesten kwamen uit het district Parang-Koedjang, waar des 
regents schoonzoon hoofd was, en hoewel dat hoofd gewis niet verzuimde 
zijn aandeel van 't afgeperste te nemen, was het toch voor niemand een 
geheim dat hij meestal roofde uit naam en ten behoeve van de regent. Het 
was aandoenlijk hoe die arme lieden op Havelaars ridderlijkheid 
vertrouwden en overtuigd waren dat hij hen niet roepen zou om de 
volgende dag in 't openbaar te herhalen wat ze des nachts of de vorige 
avond in zijn kamer gezegd hadden. Dit toch ware mishandeling geweest 
voor allen, en voor velen de dood! Havelaar tekende aan wat ze zeiden, 
en daarna gelastte hij de klagers naar hun dorp terug te keren. Hij 
beloofde dat er recht zou geschieden, mits zij zich niet verzetten, en 
niet uitweken zoals 't voornemen was van de meesten. Meestal was hij 
kort daarna op de plaats waar 't onrecht geschiedde, ja, vaak was hij 
reeds daar geweest en had -- gewoonlijk des nachts -- de zaak 
onderzocht, voor nog de klager zelf in zijn woonstede was teruggekeerd. 
Zo bezocht hij in die uitgestrekte Afdeling, dorpen die twintig uren 
verwijderd waren van Rangkas-Betoeng, zonder dat noch de regent noch 
zelfs de controleur Verbrugge wisten dat hij afwezig was van de 
hoofdplaats. Zijn bedoeling hiermee was, 't gevaar der wraak van de 
klagers af te wenden en tevens de regent de schaamte te besparen van een 
openlijk onderzoek dat gewis onder hem niet als vroeger met een 
intrekking van de klacht zou afgelopen zijn. Zo hoopte hij nog altijd 
dat de hoofden zouden terugkeren van de gevaarlijke weg die zij reeds 
zolang betraden, en hij zou in dat geval zich vergenoegd hebben met het 
vorderen van schadeloosstelling aan de beroofden... voorzover 't 
vergoeden der geleden schade mogelijk wezen zou.

Maar telkens nadat hij opnieuw met de regent had gesproken, deed hij de 
overtuiging op dat de beloften van beterschap ijdel waren, en hij was 
bitter bedroefd over 't mislukken van zijn pogingen.

We zullen hem nu enige tijd aan die droefheid en zijn moeilijke arbeid 
overlaten, om de lezer de geschiedenis te verhalen van de Javaan Sadjah 
in de dessa Badoer. Ik kies de namen van dat dorp en die Javaan uit de 
aantekeningen van Havelaar. Er zal daarin sprake zijn van afpersing en 
roof, en wanneer men -- wat de hoofdstrekking aangaat -- bewijskracht 
mocht willen ontzeggen aan een verdichtsel, geef ik de verzekering dat 
ik in staat ben de namen op te geven van tweendertig personen in het 
district Parang-Koedjang alleen, aan welke in n maand tijd zesendertig 
buffels zijn afgenomen ten behoeve van de regent. Of, juister nog, dat 
ik de namen kan noemen van de tweendertig personen uit dat district, 
die zich in n maand hebben durven beklagen, en wier klacht door 
Havelaar onderzocht en gegrond bevonden is.

Er zijn vijf zodanige districten in de afdeling Lebak...

Wanneer men nu verkiest aan te nemen dat het getal geroofde buffels 
minder hoog was in de streken die niet de eer hadden bestuurd te worden 
door een schoonzoon van de Adipati wil ik dit we, toegeven, hoezeer het 
de vraag blijft of niet de onbeschaamdheid van andere hoofden op even 
vaste gronden rustte als hoge verwantschap. Het districtshoofd 
bijvoorbeeld, van Tjilang-kahan aan de zuidkust kon, bij gebreke van een 
gevreesde schoonvader, steunen op de moeilijkheid van 't inbrengen ener 
klacht, voor arme lieden die veertig tot zestig palen hadden af te 
leggen voor zij 's avonds zich konden verbergen in de ravijn naast 
Havelaars huis. En als men hierbij acht geeft op de velen die op weg 
gingen om nooit dat huis te bereiken ... op de velen die niet eenmaal 
vertrokken uit hun dorp, afgeschrikt als ze waren door eigen 
ondervinding of door 't aanschouwen van het lot dat andere klagers te 
beurt viel, dan geloof ik dat men onrecht hebben zou in de mening dat de 
vermenigvuldiging met vijf van 't getal gestolen buffels uit n 
district, een te hoge maatstaf opleverde voor wie naar de statistiek 
vraagt van 't getal runderen dat elke maand geroofd werd in vijf 
districten, om te voorzien in de behoeften der hofhouding des regents 
van Lebak.

En 't waren niet buffels alleen die gestolen werden, noch zelfs was 
buffelroof 't voornaamste. Er is -- in Indi vooral, waar nog altijd 
herendienst wettelijk bestaat -- een geringer mate van onbeschaamdheid 
nodig om de bevolking onwettig op te roepen tot onbetaald werk, dan er 
vereist wordt tot het wegnemen van eigendom. Het is gemakkelijker de 
bevolking diets te maken dat de regering behoefte heeft aan haar arbeid 
zonder die te willen betalen, dan dat ze haar buffels eisen zou om niet. 
En al durfde de vreesachtige Javaan nasporen of de zogenaamde 
herendienst die men van hem vordert, overeenstemt met de bepalingen 
daaromtrent, dan nog zou hem dit onmogelijk wezen daar de een niet weet 
van de ander, en hij dus niet berekenen kan of 't vastgesteld getal 
personen tien- ja vijftigvoud overschreden is. Waar dus 't meer 
gevaarlijke, het lichter te ontdekken feit wordt uitgevoerd met zulke 
stoutheid, wat is er dan te denken van de misbruiken die gemakkelijker 
zijn aan te wenden en minder gevaar lopen van ontdekking?

Ik zei te zullen overgaan tot de geschiedenis van de Javaan Sadjah. 
Vooraf echter ben ik genoodzaakt tot een der afwijkingen die zo moeilijk 
kunnen vermeden worden bij 't beschrijven van toestanden welke de lezer 
geheel vreemd zijn. Ik zal tevens daaruit aanleiding nemen tot het 
wijzen op een der beletselen die 't juist beoordelen van Indische zaken 
aan niet-Indische personen zo bijzonder moeilijk maken.

Herhaaldelijk heb ik van Javanen gesproken, en hoe natuurlijk dit de 
Europese lezer moge toeschijnen, toch zal deze benaming als een fout 
hebben geklonken in de oren van wie op Java bekend is. De westelijke 
residentin Bantam, Batavia, Preanger, Krawang en een gedeelte van 
Cheribon -- te zamen genomen Soendalanden genaamd -- worden geacht niet 
tot eigenlijk Java te behoren, en om nu niet van de over zee gekomen 
vreemdelingen in die gewesten te spreken, de oorspronkelijke bevolking 
is inderdaad een geheel andere dan op midden-Java en in de zogenaamde 
Oosthoek. Kleding, volksaard en taal zijn zo geheel anders dan meer 
oostwaarts, dat de Soendanees of orang-goenoeng van de eigenlijk gezegde 
Javaan meer verschilt dan een Engelsman van de Hollander. Dusdanige 
verschillen geven dikwijls aanleiding tot onenigheid in 't oordeel over 
Indische zaken. Immers wanneer men nagaat dat Java alleen reeds zo 
scherp is afgedeeld in twee ongelijksoortige delen, zonder nog te letten 
op de vele onderdelen van die splitsing, kan men berekenen hoe groot het 
onderscheid moet wezen tussen volksstammen die verder van elkander wonen 
en zelfs door de zee gescheiden zijn. Wie Nederlands-Indi alleen kent 
van Java, kan zich evenmin een juist denkbeeld vormen van de Maleier, de 
Amboinees, de Batak, de Alfoer, de Timorees, de Dajak, de Boegi of de 
Makassaar, alsof hij nooit Europa verlaten had, en 't is voor iemand die 
in de gelegenheid was 't onderscheid tussen deze volkeren waar te nemen, 
dikwijls vermakelijk om de gesprekken aan te horen -- grappig en 
bedroevend tevens, de redevoeringen te lezen! -- van personen die hun 
kennis der Indische zaken opdeden te Batavia of te Buitenzorg. Meermalen 
heb ik me verwonderd over de moed waarmee bijvoorbeeld een gewezen 
gouverneur-generaal, in de Kamer der Volksvertegenwoordiging, gewicht 
tracht bij te zetten aan zijn woorden door voorgewende aanspraak op 
plaatselijke kennis en ondervinding. Ik stel hoge prijs op wetenschap 
die door ernstige studie in 't boekvertrek verkregen is, en vaak stond 
ik verbaasd over de uitgebreidheid der kennis van Indische zaken, die 
sommigen tonen te bezitten zonder ooit Indische grond betreden te 
hebben. Zodra nu een gewezen gouverneur-generaal blijken geeft zich 
zulke kennis te hebben eigengemaakt op die wijze, behoort men voor hem 
de eerbied te gevoelen die 't rechtmatig loon is van veeljarige 
nauwgezette vruchtbare arbeid. Groter nog zij die eerbied voor hem dan 
voor de geleerde die minder moeilijkheden te overwinnen had omdat hij, 
op verre afstand zonder aanschouwing, minder gevaar liep te vervallen in 
de dwalingen die 't gevolg zijn ener gebrekkige aanschouwing zoals 
onmisbaar ten deel viel aan de gewezen gouverneur-generaal.

Ik zei dat ik verwonderd was over de moed die sommigen bij de 
behandeling van Indische zaken ten toon spreiden. Zij weten immers dat 
hun woorden ook door anderen worden gehoord, dan wie menen mochten dat 
het genoeg is een paar jaren te Buitenzorg te hebben doorgebracht om 
Indi te kennen. Het moet hun toch bekend zijn dat die woorden ook 
gelezen worden door de personen die in Indi zelf getuigen waren van hun 
onbedrevenheid, en die evenzeer als ik verbaasd staan over de stoutheid, 
waarmee iemand die nog zo kort geleden vergeefs trachtte zijn 
onbekwaamheid weg te steken onder de hoge rang die hem de Koning gaf, nu 
zo op eenmaal spreekt alsof hij werkelijk kennis droeg van de zaken die 
hij behandelt.

Telkens hoort men dan ook klachten over onbevoegde inmenging. Telkens 
wordt deze of gene richting in de koloniale staatkunde bestreden door 't 
loochenen der bevoegdheid van hem die zulke richting vertegenwoordigt, 
en misschien ware het niet onbelangrijk een gezet onderzoek in te 
stellen naar de eigenschappen die iemand bevoegd maken om... bevoegdheid 
te beoordelen. Meestal wordt een belangrijke vraag getoetst, niet aan de 
zaak waarover ze handelt, maar aan de waarde welke men toekent aan de 
mening van de man die daarover 't woord voert, en daar dit meestal de 
persoon is die doorgaat voor een specialiteit, bij voorkeur iemand `die 
in Indi een zo gewichtige betrekking heeft bekleed' volgt hieruit dat 
de slotsom ener stemming meestal de kleur draagt van de dwalingen die nu 
eenmaal schijnen te kleven aan `die gewichtige betrekkingen'. Indien dit 
reeds geldt waar de invloed van zodanige specialiteit slechts wordt 
uitgeoefend door een lid der Volksvertegenwoordiging, hoe groot wordt 
dan niet de voorbeschikking tot verkeerd oordelen, als zulke invloed 
gepaard gaat met het vertrouwen des Konings die zich dwingen liet zulk 
een specialiteit aan 't hoofd van zijn Ministerie van Kolonin te 
plaatsen.

Het is een eigenaardig verschijnsel -- wellicht voortspruitende uit een 
soort van traagheid die de moeite van 't zelfoordelen schuwt -- hoe 
licht men vertrouwen schenkt aan personen die zich de schijn weten te 
geven van meerdere kennis, zodra slechts die kennis kan geput wezen uit 
bronnen die niet voor ieder toegankelijk zijn. De oorzaak ligt misschien 
hierin, dat de eigenliefde minder gekwetst wordt door 't erkennen van 
zodanig overwicht, dan 't geval wezen zou wanneer men van dezelfde 
hulpmiddelen had kunnen gebruik maken, waardoor iets als wedijver 
ontstaan zou. Het valt de volksvertegenwoordiger gemakkelijk zijn 
gevoelen op te geven, zodra 't bestreden wordt door iemand die geacht 
kan worden een juister oordeel te vellen dan het zijne, wanneer slechts 
zulke veronderstelde meerdere juistheid niet behoeft te worden 
toegeschreven aan persoonlijke meerderheid -- waarvan de erkenning 
moeilijker vallen zou -- doch alleen aan de bijzondere omstandigheden 
waarin zodanige tegenstander verkeerd heeft.

En zonder te spreken van hen `die zulke hoge betrekkingen in Indi 
vervulden', het is inderdaad vreemd hoe men meermalen waarde toekent aan 
de mening van personen die volstrekt niets bezitten wat die toekenning 
rechtvaardigt dan de `herinnering aan een zveeljarig verblijf in die 
gewesten'. Dit is te meer zonderling omdat zij die gewicht hechten aan 
dusdanige bewijsgrond, toch niet geredelijk alles zouden aannemen wat 
hun bijvoorbeeld zou gezegd worden over de huishouding des Nederlandsen 
staats, door ieder die aantoonde dat hij veertig of vijftig jaren in 
Nederland gewoond had. Er zijn personen die bijna evenzoveel tijd in 
Nederlands-Indi doorbrachten, zonder ooit in aanraking gekomen te zijn, 
noch met de bevolking, noch met inlandse hoofden, en 't is bedroevend, 
dat de Raad van Indi zeer dikwijls geheel of grotendeels uit zodanige 
personen is samengesteld, ja dat men zelfs middel heeft gevonden, de 
Koning benoemingen te laten tekenen tot gouverneur-generaal, van iemand 
die tot deze soort van specialiteiten behoorde.

Toen ik zei dat de veronderstelde bekwaamheid van een nieuwbenoemde 
gouverneur-generaal moest geacht worden de mening in te sluiten dat men 
hem voor een genie hield, was mijn bedoeling geenszins het benoemen van 
genien aan te prijzen. Buiten het bezwaar toch dat er liggen zou in 't 
gedurig onvervuld laten van een zo gewichtige betrekking, pleit nog een 
andere reden hiertegen. Een genie zou niet kunnen werken onder het 
Ministerie van Kolonin, en dus als gouverneur-generaal onbruikbaar 
wezen ... zoals genien wel meer zijn.

Het ware misschien te wensen dat de door mij in de vorm ener 
ziektegeschiedenis opgegeven hoofdfeilen de aandacht trokken dergenen 
die tot de keuze van een nieuwe landvoogd geroepen zijn. Op de voorgrond 
stellende dat al de personen die daarvoor worden in aanmerking gebracht, 
rechtschapen zijn, en in 't bezit van een bevattingsvermogen dat hen 
enigermate zal in staat stellen te leren wat ze zullen moeten weten, 
houd ik 't voor hoofdzaak dat men met enig gegrond vertrouwen van hen de 
vermijding kunne verwachten van die aanmatigende betweterij in 't begin, 
en vooral van die apathische slaperigheid in de laatste jaren van hun 
bestuur. Ik heb er reeds op gewezen dat Havelaar in zijn moeilijke 
plicht meende te kunnen steunen op de hulp van de gouverneur-generaal, 
en ik voegde er bij `dat deze mening naef was'. Die gouverneur-generaal 
wachtte zijn opvolger: de rust in Nederland was nabij! We zullen zien 
wat deze neiging tot slaap berokkend heeft aan de Lebakse Afdeling, aan 
Havelaar, en aan de Javaan Sadjah, tot wiens eentonige geschiedenis -- 
n onder zeer vele! -- ik thans overga.

Ja, eentonig zal ze wezen! Eentonig als 't verhaal van de werkzaamheid 
der mier die haar bijdrage tot de wintervoorraad moet opslepen tegen de 
aardkluit -- voor haar een berg -- die er ligt op de weg naar de 
voorraadschuur. Telkens valt ze terug met haar vracht, om telkens weer 
te beproeven of ze eindelijk vaste voet zou kunnen zetten op dat 
steentje daarboven ... op de rots die de berg kroont. Maar tussen haar 
en die top is een afgrond die moet worden mgetrokken ... een diepte die 
duizend mieren niet vullen zouden. Daartoe moet zij, die nauwelijks 
kracht heeft haar last voort te slepen op gelijke grond -- een last vele 
malen zwaarder dan eigen lijf -- die omhoog heffen, en zich overeind 
houden op een beweeglijke plek. Ze moet het evenwicht bewaren als ze 
zich opricht met haar vracht tussen de voorpoten. Ze moet die 
mslingeren in schuinse richting naar boven, om ze te doen neerkomen op 
de punt die uitsteekt aan de rotswand. Ze wankelt, waggelt, schrikt, 
bezwijkt ... tracht zich te houden aan de half ontwortelde boomstam die 
met zijn kruin naar de diepte wijst -- een grasspriet! -- ze mist het 
steunpunt dat ze zoekt: de boom slingert terug -- de grasspriet wijkt 
onder haar tred -- ach, de tobster valt in de diepte met haar vracht. 
Dan is zij een ogenblik stil, wel een seconde... dat lang is in het 
leven van een mier. Zou ze verdoofd wezen van pijn door haar val? Of 
geeft ze toe in wat droefheid dat zoveel inspanning ijdel was? Maar ze 
verliest de moed niet. Weer grijpt ze haar last, en weer sleept zij die 
naar boven, om straks nogeens, en ngeens, neer te vallen in de diepte.

Z eentonig is mijn verhaal. Maar ik zal niet spreken van mieren, welker 
vreugde of leed door de grofheid onzer zintuigen aan onze waarneming 
ontsnapt. Ik zal verhalen van mensen, van wezens die gelijke beweging 
hebben als wij. 't Is waar, wie aandoening schuwt en vermoeiend 
medelijden ontgaan wil, zal zeggen dat die mensen geel zijn, of bruin -- 
velen noemen ze zwart -- en voor dezulken is 't verschil van kleur 
beweegreden genoeg om hun oog af te keren van die ellende, of tenminste, 
ls zij erop neerzien, daarop neer te zien zonder aandoening. Mijn 
vertelling is dus alleen gericht aan hen die in staat zijn tot het 
moeilijke geloof dat er harten kloppen onder die donkere opperhuid, en 
dat, wie gezegend is met blankheid en de daarmee samengaande beschaving, 
edelmoedigheid, handels- en Godskennis, deugd... zijn blanke 
hoedanigheden zou kunnen aanwenden op ndere wijze dan tot nog toe 
ondervonden werd door wie minder gezegend zijn in huidskleur en 
zielevoortreffelijkheid. Mijn vertrouwen op medegevoel met de Javanen 
gaat echter niet zver, dat ik bij de beschrijving hoe men de laatste 
buffel rooft uit de kndang bij dag, zonder schroom, onder bescherming 
van 't Nederlands gezag... als ik 't weggevoerd rund laat volgen door de 
eigenaar en zijn schreiende kinderen... als ik hem laat neerzitten op de 
trap van 't huis des rovers, sprakeloos en wezenloos en verzonken in 
smart... als ik hem van daar laat wegjagen met hoon en smaad, met 
bedreiging van rottingslag en blokgevangenis... zie, ik eis niet -- noch 
verwacht, o Nederlanders! -- dat ge daardoor zult aangegrepen zijn in 
gelijke mate als wanneer ik u het lot schetste van een boer wie men zijn 
koe ontnam. Ik vraag geen traan bij de tranen die er vloeien op zo 
donkere gezichten, noch edele toorn als ik zal spreken van de 
vertwijfeling der beroofden. Evenmin verwacht ik dat ge zult opstaan, en 
met mijn boek in de hand tot de Koning gaan, en zeggen: `Zie, o Koning, 
dat geschiedt in uw rijk, in uw schoon rijk van Insulinde!'

Nee, nee, nee, dat alles verwacht ik niet! Teveel leed in de nabijheid 
maakt zich meester van uw gevoel, om u zveel gevoel over te laten voor 
wat zo ver is! Worden niet al uw zenuwen in spanning gehouden door de 
akeligheid der keus van een nieuw kamerlid? Dobbert niet uw verscheurde 
ziel tussen de wereldberoemde verdiensten van Nietigheid A en 
Onbeduidendheid B? En hebt ge niet uw dure tranen nodig voor ernstiger 
zaken dan ... maar wat hoef ik mr te zeggen! Was er niet gister slapte 
op de beurs, en dreigde niet ietwat overvoer de koffiemarkt met daling?

`Schrijf toch zulke zinneloze dingen niet aan je papa, Stern!' heb ik 
gezegd, en misschien zei ik 't wat driftig, want ik kan geen onwaarheid 
lijden, dit is altijd een vast principe van me geweest. Ik heb die avond 
terstond aan de oude Stern geschreven dat hij haast moest maken met zijn 
orders, en vooral zich in acht nemen tegen valse berichten, want de 
koffie staat heel goed.

De lezer gevoelt wat ik bij 't aanhoren van die laatste hoofdstukken 
weer heb uitgestaan. Ik heb in de kinderkamer een solitairspelletje 
gevonden, en dt neem ik voortaan mee naar de krans. Had ik niet gelijk, 
toen ik zei dat die Sjaalman allen had gek gemaakt met zijn pak? Zou men 
in al dat geschrijf van Stern -- en Frits doet ook mee, dit is zeker! -- 
jongelieden herkennen, die opgebracht worden in een deftig huis? Wat 
zijn dat voor malle uitvallen tegen een ziekte, die zich openbaart in 't 
verlangen naar een buitenplaats? Is dat op mij gemunt? Mag ik niet naar 
Driebergen gaan, als Frits makelaar is? En wie spreekt van 
buikaandoeningen, in gezelschap van vrouwen en meisjes? Het is een vast 
principe van me altijd bedaard te blijven -- want ik houd dit voor 
nuttig in de zaken -- maar ik moet erkennen, dat het me dikwijls veel 
moeite kostte, bij 't aanhoren van al de gekheid die Stern voorleest. 
Wat wil hij toch? Wat moet het eind zijn? Wanneer komt er nu eindelijk 
iets degelijks? Wat gaat het mij aan, of die Havelaar zijn tuin schoon 
houdt, en of de mensen voor of achter bij hem binnenkomen? Bij 
Busselinck & Waterman moet men door een nauw gangetje, naast een 
oliepakhuis, waar 't altijd heel vuil is. En dan dat gemaal over die 
buffels! Wat hoeven ze buffels te hebben, die zwarten? Ik heb nog nooit 
een buffel gehad, en toch ben ik tevreden. Er zijn mensen die altijd 
klagen. En wat dat schimpen op gedwongen arbeid aangaat, men ziet wel 
dat hij de preek van dominee Wawelaar niet gehoord heeft, anders zou hij 
weten hoe nuttig dat werken is voor de uitbreiding van 't Godsrijk. 't 
Is waar, hij is luthers.

O, zeker, als ik had kunnen gissen hoe hij 't boek schrijven zou, dat zo 
gewichtig worden moet voor alle makelaars in koffie -- en anderen -- had 
ik 't liever zelf gedaan. Maar hij heeft een steun in de Rosemeyers, die 
in suiker doen, en dit maakt hem zo boud. Ik heb ronduit gezegd -- want 
ik ben oprecht in die dingen -- dat wij de geschiedenis van die Sadjah 
wel kunnen missen, maar daar begon opeens Louise Rosemeyer tegen mij op 
te staan. Het schijnt dat Stern haar gezegd heeft dat er van liefde zou 
inkomen, en daar zijn zulke meisjes dol op. Ik zou me echter hierdoor 
niet hebben laten afschrikken, als maar niet de Rosemeyers me gezegd 
hadden, gaarne kennis te willen aanknopen met Sterns vader. Dit is 
natuurlijk om door de vader te komen tot de oom, die in suiker doet. Als 
ik nu te sterk partij trek voor 't gezond verstand tegen de jonge Stern, 
laad ik de schijn op mij, alsof ik hen van hem wil aftrekken, en dit is 
volstrekt het geval niet, want ze doen in suiker.

Ik begrijp volstrekt Sterns bedoeling niet met zijn geschrijf. Er zijn 
altijd ontevreden mensen, en staat het hem nu fraai, hij die zoveel 
goeds geniet in Holland -- van de week nog heeft mijn vrouw kamillenthee 
voor hem gezet -- om te schimpen op de regering? Wil hij daarmee de 
algemene ontevredenheid aanvuren? Wil hij gouverneur-generaal worden? 
Hij is er verwaand genoeg toe ... om het te willen, meen ik. Ik vroeg 
hem dit eergister, en zei er ronduit bij, dat zijn Hollands nog zo 
gebrekkig was. `O, dit is geen bezwaar,' antwoordde hij. `Er schijnt 
maar zelden een gouverneur-generaal daarheen gezonden te worden, die de 
taal van 't land verstaat.' Wat moet ik nu doen met zo'n wijsneus? Hij 
heeft niet de minste eerbied voor mijn ondervinding. Toen ik hem van de 
week zei dat ik reeds zeventien jaar makelaar was, en al twintig jaar de 
beurs bezocht, haalde hij Busselinck & Waterman aan, die al achttien 
jaar makelaars zijn, en, zei hij, `die hebben dus n jaar ondervinding 
meer.' Zo ving hij me, want ik moet erkennen, omdat ik van de waarheid 
houd dat Busselinck & Waterman weinig van de zaken weten, en dat het 
knoeiers zijn.

Marie is ook in de war. Verbeeld u, dat ze van de week -- het was haar 
beurt van voorlezen aan 't ontbijt, en we waren aan de geschiedenis van 
Lot -- opeens stilhield en niet verder lezen wilde. Mijn vrouw, die 
evenzeer als ik op godsdienst gesteld is, trachtte haar met zachtheid 
tot gehoorzaamheid over te halen, omdat het toch voor een zedig meisje 
niet past, zo hoofdig te wezen. Alles vergeefs! Toen moest ik als vader 
met grote strengheid haar beknorren, omdat ze door haar hardnekkigheid 
de stichting van 't ontbijt bedierf, wat altijd slecht werkt op de hele 
dag. Maar er was niets aan te doen, en ze ging zver dat ze zei, liever 
doodgeslagen te willen worden dan voort te lezen. Ik heb haar gestraft 
met drie dagen kamerarrest op koffie en brood, en hoop dat het haar goed 
zal doen. Om tevens die straf te doen strekken tot zedelijke 
verbetering, heb ik haar gelast, het kapittel dat ze niet lezen wilde, 
tien maal af te schrijven, en ik ben tot deze strengheid vooral 
overgegaan, omdat ik bemerkt heb dat ze in de laatste tijd -- of 't van 
Stern komt, weet ik niet -- begrippen heeft aangenomen, die me 
gevaarlijk voorkomen voor de zedelijkheid, waarop mijn vrouw en ik zo 
bijzonder gesteld zijn. Ik heb haar onder andere een Frans liedje horen 
zingen -- van Branger, geloof ik -- waarin een arme oude bedelaarster 
beklaagd wordt, die in haar jeugd op een theater zong, en gister was zij 
aan 't ontbijt zonder korset -- Marie, meen ik -- dat toch niet 
fatsoenlijk is.

Ook moet ik erkennen dat Frits weinig goeds heeft thuisgebracht van de 
bidstond. Ik was redelijk tevreden geweest over zijn stilzitten in de 
kerk. Hij verroerde zich niet, en wendde geen oog van de preekstoel, 
maar later vernam ik dat Betsy Rosemeyer in 't doophek had gezeten. Ik 
heb er niets van gezegd, want men moet voor jongelieden niet al te 
streng zijn, en de Rosemeyers zijn een fatsoenlijk huis. Ze hebben aan 
hun oudste dochter die met Bruggeman in drogerijen getrouwd is, iets 
heel aardigs meegegeven, en daarom geloof ik dat zoiets Frits van de 
Westermarkt afhoudt, wat me heel aangenaam is, omdat ik zo op 
zedelijkheid gesteld ben.

Maar dit belet niet, dat het me ergert, Frits zijn hart te zien 
verharden, evenals Farao, die minder schuldig was dan hij, omdat hij 
geen vader had die hem zo gedurig de rechte weg wees, want van de oude 
Farao zegt de Schrift niets. Dominee Wawelaar klaagt over zijn 
verwaandheid -- van Frits, meen ik -- op de catechisatie, en de jongen 
schijnt -- uit dat pak van Sjaalman alweer! -- een neuswijzigheid 
gehaald te hebben, dat de gemoedelijke Wawelaar dol maakt. Het is 
aandoenlijk hoe de waardige man, die dikwijls koffie bij ons drinkt, bij 
Frits op 't gevoel tracht te werken, en hoe de kwajongen telkens nieuwe 
vragen gereed heeft, die de weerbarstigheid van zijn gemoed aantonen ... 
't komt alles uit dat vervloekte pak van Sjaalman! Met tranen van gevoel 
op de wangen, tracht de ijverige dienaar des Euangeliums hem te bewegen, 
af te zien van de wijsheid naar de mens, om te worden ingeleid in de 
geheimenissen der wijsheid Gods. Met zachtheid en tederheid smeekt hij 
hem, toch niet te verwerpen het brood des eeuwigen levens, en dusdoende 
te vervallen in de klauwen van Satan, die met zijn engelen het vuur 
bewoont, dat hem bereid is tot in eeuwigheid. `O,' zei hij gisteren -- 
Wawelaar meen ik -- `o, jonge vriend, open toch de ogen en de oren, en 
hoor en zie wat de Heer u geeft te zien en te horen door mijn mond. Let 
op de getuigenissen der heiligen die gestorven zijn voor 't ware geloof! 
Zie Stefanus, als hij nederzinkt onder de keien die hem verpletteren! 
Zie, hoe nog zijn blik ten hemel is gericht en hoe nog zijn tong 
psalmzingt...' `Ik had liever weeromgegooid!' zei Frits daarop. Lezer, 
wat moet ik met die jongen aanvangen?

Een ogenblik later begon Wawelaar opnieuw, want hij is een ijverig 
dienstknecht, en laat niet af van de arbeid. `O,' zei hij, `jonge vriend 
open toch...' de aanhef was als zoven. `Maar,' ging hij voort, `kunt 
gij ongevoelig blijven bij 't bedenken wat er van u worden zal, als gij 
eenmaal zult gerekend worden tot de bokken aan de linkerzijde ...'

Daar berstte de deugniet uit in gelach -- Frits meen ik -- en ook Marie 
begon te lachen. Zelfs meende ik iets wat naar lachen geleek, te 
bespeuren op 't gelaat van mijn vrouw. Maar toen ben ik Wawelaar te hulp 
gekomen, ik heb Frits gestraft met een boete uit zijn spaarpot, aan 't 
zendelinggenootschap.

Och, lezer dat alles treft me diep. En men zou, bij zlk lijden, zich 
kunnen vermaken met het aanhoren van vertelsels over buffels en Javanen? 
Wat is een buffel in vergelijk met de zaligheid van Frits? Wat gaan mij 
de zaken aan van die mensen in de verte, als ik vrezen moet dat Frits 
door zijn ongeloof mijn eigen zaken zal bederven, en dat hij nooit een 
flink makelaar worden zal? Want Wawelaar zelf heeft gezegd, dat God 
alles z bestiert, dat rechtzinnigheid tot rijkdom voert. `Zie maar,' 
zei hij, `is er niet veel rijkdom in Nederland? Dat komt door 't geloof. 
Is niet in Frankrijk telkens moord en doodslag? Dat is omdat ze daar 
katholiek zijn. Zijn niet de Javanen arm? 't Zijn heidenen. Hoe langer 
de Hollanders met de Javanen omgaan, hoe meer rijkdom er zal komen hier, 
en hoe meer armoede daarginder. Dat is Gods wil zo!'

Ik sta verbaasd over Wawelaars doorzicht in zaken. Want het is de 
waarheid dat ik, die stipt op de godsdienst ben, mijn zaken zie 
vooruitgaan van jaar tot jaar, en Busselinck & Waterman, die om God noch 
gebod geven, zullen knoeiers blijven hun leven lang. Ook de Rosemeyers, 
die in suiker doen en een roomse meid houden, hebben onlangs weer 27% 
moeten aannemen uit de massa van een jood die fout was. Hoe meer ik 
nadenk, hoe verder ik kom in 't doorgronden van Gods onnaspeurlijke 
wegen. Onlangs is gebleken dat er weer dertig miljoen zuiver gewonnen is 
op de verkoop van produkten die door de heidenen geleverd zijn, en 
daarbij is niet eens gerekend wat ik daarop verdiend heb, en de vele 
anderen die van deze zaken leven. Is dit nu niet alsof de Heer zei: 
`Ziedaar dertig miljoen ter beloning van uw geloof?' Is dit niet 
duidelijk de vinger Gods, die de boze laat arbeiden om de rechtvaardige 
te behouden? Is dit niet een wenk om voort te gaan op de goede weg ? Om 
ginds veel te laten voortbrengen, en hier te volharden in 't ware 
geloof? Heet het niet daarom: `Bidt en werkt', opdat wij zouden bidden, 
en 't werk laten doen door 't zwarte goedje dat geen `Onze Vader' kent?

O, hoe heeft Wawelaar gelijk, als hij Gods juk zacht noemt! Hoe licht 
wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig, 
en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie 
eens hoe 't met anderen afloopt, die de Heer verlieten? Gisteren heb ik 
Sjaalman gezien met zijn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als 
spoken. Hij is bleek als de dood, zijn ogen puilen uit, en zijn wangen 
staan hol. Zijn houding is gebogen, schoon hij nog jonger is dan ik. Ook 
zij was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. 
Nu, ik had terstond bemerkt dat zij ontevreden van natuur is, want ik 
behoef iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordelen. Dat komt van de 
ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zijde om, en 't was toch 
vrij koud. Van crinoline was geen spoor. Haar lichte japonnetje hing 
slap om de knien, en aan de rand was franje. Hij had zelfs zijn sjaal 
niet meer om, en zag eruit alsof 't zomer was. Toch schijnt hij nog een 
soort van trots te bezitten, want hij gaf iets aan een arme vrouw, die 
op de sluis zat -- Frits zegt `brug', maar wat van steen is zonder een 
wip, noem ik `sluis' -- en wie zelf zo weinig heeft, doet zonde als hij 
nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat -- dit is 
een principe van me -- want ik zeg altijd, als ik zo arme mensen zie: 
wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet stijven in 
verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor 
de kerk. Z behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar 
ik ging snel voorbij, en keek naar boven, en dacht aan de 
rechtvaardigheid van God, die hem toch niet zo zou laten lopen zonder 
winterjas, als hij beter had opgepast en niet lui, pedant en ziekelijk 
was.

Wat nu mijn boek aangaat, moet ik waarlijk de lezer om verschoning 
vragen voor de onvergeeflijke wijze, waarop Stern misbruik maakt van ons 
contract. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen de eerste kransavond 
en de liefdesgeschiedenis van die Sadjah. De lezer weet reeds, welke 
gezonde begrippen ik over liefde heb... men denke slechts aan mijn 
beoordeling van dat uitstapje naar de Ganges. Dat jonge meisjes zoiets 
aardig vinden, kan ik wel begrijpen, maar 't is mij onverklaarbaar dat 
mannen van jaren zulke zotheden zonder walg aanhoren. Ik ben zeker, dat 
ik op de aanstaande krans de triolet vind van mijn solitairspel.

Ik zal beproeven niets van die Sadjah te horen, en hoop dat de man gauw 
trouwt, als hij tenminste de held is van de liefdeshistorie. 't Is nog 
al wel van Stern, dat hij vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een 
eentonige geschiedenis wezen zal. Zodra hij dan later aan wat anders 
begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't bestuur 
verveelt me bijna evenzeer als liefdesgeschiedenissen. Men ziet uit 
alles, dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed 
te beoordelen, moet men alles van nabij zien. Toen ik trouwde, ben ik 
zelf in Den Haag geweest, en heb met mijn vrouw 't Mauritshuis bezocht. 
Ik ben daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappij, 
want ik heb de Minister van Financin zien voorbijrijden, en we hebben 
samen flanel gekocht in de Venestraat -- ik en mijn vrouw, meen ik -- en 
nergens heb ik 't minste blijk bespeurd van ontevredenheid met de 
regering. Die juffrouw in de winkel zag er welvarend en tevreden uit, en 
toen dus in 1848 sommigen ons trachtten wijs te maken dat in Den Haag 
niet alles was zoals 't behoorde, heb ik op de krans over die 
ontevredenheid het mijne gezegd. Ik vond geloof, want ieder wist dat ik 
bij ondervinding sprak. Ook op de terugreis met de diligence heeft de 
conducteur `Schep vreugd' geblazen, en dat zou de man toch niet gedaan 
hebben, als er zoveel verkeerds was. Z heb ik op alles gelet, en wist 
dus terstond wat ik te denken had van al dat morren in 1848.

Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een toko doet in de Oost, 
zoals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zo slecht ging als 
Stern zegt, zou zij er ook wel wat van weten, en 't schijnt toch dat het 
mens zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen. 
Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, en dat hij 
lid is van de kerkeraad, en dat hij haar een pauweveren sigarenkoker 
heeft gezonden, die hij zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont 
toch duidelijk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook 
ziet men daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog 
wel wat te verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook dr al lui, 
pedant en ziekelijk geweest is, anders zou hij niet zo arm zijn 
thuisgekomen, en hier rondlopen zonder winterjas. En de neef van die 
juffrouw tegenover ons, is de enige niet, die in de Oost fortuin heeft 
gemaakt. In `Polen' zie ik velen die daar geweest zijn, en waarlijk heel 
knap in de kleren steken. Maar dit begrijpt zich, op de zaken moet men 
passen, ginder zogoed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven 
niemand in de mond vliegen: er moet gewerkt worden! En wie dt niet wil, 
is arm en blijft arm, dat spreekt vanzelf.


Zeventiende hoofdstuk

Sadjahs vader had een buffel, waarmee hij zijn veld bewerkte. Toen deze 
buffel hem was afgenomen door het districtshoofd van Parang-Koedjang, 
was hij zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen lang. Want de 
tijd van ploegen was nabij, en 't was te vrezen, als men de sawah niet 
tijdig bewerkte, dat ook de tijd van zaaien zou voorbijgaan, en 
eindelijk dat er geen padi zou te snijden zijn, om die te bergen in de 
loemboeng van het huis.

Ik moet hierbij voor lezers, die wel Java doch niet Bantam kennen, de 
opmerking maken dat in deze residentie persoonlijk grondeigendom 
bestaat, wat elders niet het geval is.

Sadjahs vader nu was zeer bekommerd. Hij vreesde dat zijn vrouw 
behoefte zou hebben aan rijst, en ook Sadjah, die nog een kind was, en 
de broertjes en zusjes van Sadjah.

Ook zou het districtshoofd hem aanklagen bij de assistent-resident, als 
hij achterlijk was in de betaling van zijn landrenten. Want daarop staat 
straf bij de wet.

Toen nam Sadjahs vader een kris die poesaka was van zijn vader. De kris 
was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de schede, en ook 
op de punt der schede was een plaatje zilver. Hij verkocht deze kris aan 
een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam thuis met 
vierentwintig gulden, voor welk geld hij een andere buffel kocht. 
Sadjah, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met de nieuwe buffel 
spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel: vriendschap, want 
het is inderdaad treffend te zien hoe de Javase kerbo zich hecht aan de 
kleine jongen die hem bewaakt en verzorgt. Het sterke dier buigt 
gewillig de zware kop rechts of links of omlaag naar de vingerdruk van 
't kind, dat hij kent, dat hij verstaat, waarmee hij is opgegroeid.

Zulke vriendschap dan had ook de kleine Sadjah spoedig weten in te 
boezemen aan de nieuwe gast, en Sadjahs aanmoedigende kinderstem scheen 
meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften van 't sterke dier, 
als het de zware kleigrond opscheurde en zijn weg tekende in diepe 
scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hij aan 't eind was van 
de akker, en verloor geen duimbreed grond bij het terugploegen van de 
nieuwe voor, die altijd naast de oude lag als ware de sawah een 
tuingrond geweest, geharkt door een reus.

Daarnaast lagen de sawahs van Adinda's vader, de vader van 't kind dat 
met Sadjah huwen zou. En als Adinda's broertjes aankwamen aan de 
tussenliggende grens, juist als ook Sadjah dr was met zijn ploeg, dan 
riepen zij elkander vrolijk toe, en roemden om strijd de kracht en de 
gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van Sadjah de 
beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de anderen wist toe te 
spreken. Want buffels zijn zeer gevoelig voor goede toespraak. Sadjah 
was negen jaar oud geworden, en Adinda reeds zes jaren, voor deze buffel 
aan Sadjahs vader werd afgenomen door het districtshoofd van Parang-
Koedjang.

Sadjahs vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee 
zilveren klamboe-haken, poesaka van de ouders zijner vrouw, voor 
achttien gulden. En voor dat geld kocht hij een nieuwe buffel.

Maar Sadjah was bedroefd. Want hij wist van Adinda's broertjes, dat de 
vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hij had zijn 
vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hij dr was om de 
klamboe-haken te verkopen? Op welke vraag Sadjahs vader niet had willen 
antwoorden. Daarom vreesde hij dat zijn buffel geslacht was, zoals de 
andere buffels die het districtshoofd afnam aan de bevolking. En Sadjah 
schreide veel als hij dacht aan de arme buffel waarmee hij twee jaren zo 
innig had omgegaan. En hij kon niet eten, lange tijd, want zijn keel was 
te nauw als hij slikte.

Men bedenke dat Sadjah een kind was.

De nieuwe buffel leerde Sadjah kennen, en nam in de genegenheid van 't 
kind zeer spoedig de plaats in van zijn voorganger... al te spoedig 
eigenlijk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zo licht 
gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zij, de 
nieuwe buffel was wel niet zo sterk als de vorige ... wel was 't oude 
juk te ruim voor zijn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zijn 
voorganger die geslacht was, en al kon dan Sadjah niet meer roemen op 
de kracht van zijn buffel bij 't ontmoeten van Adinda's broertjes aan de 
grens, hij beweerde toch dat geen ander de zijne overtrof in goede wil. 
En wanneer de vore niet zo rechtlijnig liep als voorheen, of als er 
aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hij dat gaarne bij met 
zijn patjol zoveel hij kon. Bovendien, geen buffel had een oeser-oeseran 
als de zijne. De penghoeloe zelf had gezegd dat er oentoeng was in de 
loop van die haarwervels op de achterschoften

Eens, in 't veld, riep Sadjah tevergeefs zijn buffel toe, wat spoed te 
maken. Het dier stond pal. Sadjah, verstoord over zo grote en vooral zo 
ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een belediging te 
uiten. Hij riep: a. s. Ieder die in Indi geweest is, zal mij verstaan. 
En wie me niet verstaat, wint erbij dat ik hem de uitlegging spaar van 
een grove uitdrukking.

Sadjah bedoelde evenwel niets kwaads daarmee. Hij zei 't maar omdat hij 
't zo dikwijls had horen zeggen door anderen, als ze ontevreden waren 
over hun buffels. Maar hij had het niet behoeven te zeggen, want het 
baatte niets: zijn buffel deed geen stap verder. Hij schudde de kop als 
om 't juk af te werpen ... men zag de adem uit zijn neusgaten ... hij 
blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zijn blauwe oog, en de 
bovenlip was opgetrokken zodat het tandvlees bloot lag ...

`Vlucht, vlucht,' riepen op eenmaal Adinda's broertjes, `Sadjah, 
vlucht! Daar is een tijger!'

En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op 
de brede ruggen, en galoppeerden weg door sawahs, over galangans, door 
modder, door kreupelhout en bos en alang-alang, langs velden en wegen. 
En toen ze hijgend en zwetend binnenrenden in het dorp Badoer, was 
Sadjah niet bij hen.

Want toen deze zijn buffel, bevrijd van het juk, had bestegen als de 
anderen om te vluchten als zij, had een onverwachte sprong van het dier 
hem 't evenwicht benomen en ter aarde geworpen. De tijger was zeer na 
... Sadjahs buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot enige 
sprongen voorbij de plek waar zijn kleine meester de dood wachtte. Maar 
door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder 
gegaan dan Sadjah. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle 
stof beheerst, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde, 
of 't keerde terug, zette zijn lomp lijf op zijn lompe poten als een dak 
over het kind, en keerde zijn gehoornde kop naar de tijger. Deze sprong 
... maar hij sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zijn hoornen, 
en verloor slechts wat vlees dat de tijger hem uitsloeg aan de hals. De 
aanvaller lag daar met opgescheurde buik en Sadjah was gered. Wel was 
er oentoeng geweest in de oeser-oeseran van die buffel!

Toen deze buffel aan Sadjahs vader was afgenomen, en geslacht ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is.

... toen deze buffel geslacht was, telde Sadjah twaalf jaar en Adinda 
weefde sarongs, en batikte die met puntige kepala. Ze had reeds 
gedachten te brengen in de loop van haar verfschuitje, en ze tekende 
droefheid op haar weefsel, want ze had Sadjah zeer treurig gezien.

En ook Sadjahs vader was bedroefd, doch zijn moeder het meest. Deze 
toch had de wonde genezen aan de hals van het trouwe dier dat haar kind 
ongedeerd had thuisgebracht, nadat zij op de mare van Adinda's broertjes 
gemeend had dat het was weggevoerd door de tijger. Ze had die wond zo 
dikwijls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zver indrong in 
de ruwe vezelen van de buffel, zou voortgedreven zijn in 't weke lijf 
van haar kind, en telkens als ze verse geneeskruiden had gelegd op de 
wonde, streelde zij de buffel en sprak hem enige vriendelijke woorden 
toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe dankbaar een moeder 
is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht verstaan hebben, want 
dan had hij ook haar schreien begrepen toen hij werd weggevoerd om 
geslacht te worden, en hij had geweten dat het niet Sadjahs moeder was, 
die hem slachten liet.

Enige tijd daarna vluchtte Sadjahs vader uit het land. Want hij was 
zeer bevreesd voor de straf als hij zijn landrenten niet betalen zou, en 
hij had geen poesaka meer om een nieuwe buffel te kopen, daar zijn 
ouders altijd in Parang-Koedjang woonden, en hem dus weinig hadden 
nagelaten. Ook de ouders van zijn vrouw woonden altijd in hetzelfde 
district. Na 't verlies van de laatste buffel hield hij zich nog enige 
jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een 
zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't 
bezit van eigen buffels geweest is. Sadjahs moeder stierf van verdriet, 
en toen maakte zijn vader in een moedeloos ogenblik zich weg uit Lebak 
en uit Bantam, om werk te zoeken in 't Buitenzorgse. Hij werd met 
rottingslagen gestraft omdat hij Lebak verlaten had zonder pas, en door 
de politie teruggebracht naar Badoer. Hier werd hij in de gevangenis 
geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zo onverklaarbaar 
niet zou geweest zijn, en omdat men vreesde dat hij in een ogenblik van 
mata-glap, misschien amok maken of andere verkeerdheden begaan zou. Maar 
hij was niet lang gevangen, wijl hij kort daarop stierf.

Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van Sadjah, weet ik niet. 
Het huisje dat zij bewoonden te Badoer, stond enige tijd leeg, en 
spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en gedekt 
met atap. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel geleden werd. 
Er zijn veel zulke plekken in Lebak.

Sadjah was reeds vijftien jaar, toen zijn vader naar Buitenzorg 
vertrok. Hij had deze niet daarheen vergezeld omdat hij groter plannen 
in zijn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te Batavia zoveel 
heren waren die in bendi's reden, en dat er dus misschien voor hem een 
dienst zou te vinden zijn als bendi-jongen, waartoe men gewoonlijk 
iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel 
zwaarte achter op het tweewielig rijtuig, 't evenwicht te breken. Er 
was, had men hem verzekerd, bij goed gedrag veel te winnen in zodanige 
bediening. Misschien zelfs zou hij op deze wijze binnen drie jaren geld 
kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te kopen. Dit vooruitzicht 
lachte hem toe. Met fiere tred, zoals iemand gaat die grote zaken in de 
zin heeft, trad hij na 't vertrek zijns vaders bij Adinda binnen, en 
deelde haar zijn plan mede.

`Denk eens,' zei hij, `als ik weerkom zullen wij oud genoeg zijn om te 
trouwen, en we zullen twee buffels hebben!'

`Heel goed, Sadjah! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt. Ik 
-- zal spinnen, en sarongs en slendangs weven, en batikken, en heel 
vlijtig zijn al die tijd.'

`O, ik geloof je, Adinda! Maar... als ik je getrouwd vind?'

`Sadjah, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Mijn vader 
heeft me toegezegd aan uw vader.'

`En jij zelf?'

`Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!'

`Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte...'

`Wie zal dat horen, als we rijst stampen in 't dorp?'

`Dat is waar. Maar Adinda ... o, ja, dit is beter: wacht me bij het 
djati-bos, onder de ketapan waar je mij de melati hebt gegeven.'

`Maar, Sadjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te 
wachten bij de ketapan?'

Sadjah bedacht zich een ogenblik, en zei:

`Tel de manen. Ik zal uitblijven driemaal twaalf manen ... deze maan 
rekent niet mee. Zie, Adinda, kerf een streep in je rijstblok bij elke 
nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik de 
dag die drop volgt, aankomen onder de ketapan. Beloof je, dr te 
zijn?'

`Ja, Sadjah! Ik zal onder de ketapan bij het djati-bos wezen als je 
terugkomt.

Nu scheurde Sadjah een strook van zijn blauwe hoofddoek, die zeer 
versleten was, en hij gaf dat stukje lijnwaad aan Adinda, dat ze 't 
bewaren zou als een pand. En toen verliet hij haar en Badoer.

Hij liep vele dagen voort. Hij ging Rangkas-Betoeng voorbij, dat nog 
niet de hoofdplaats was van Lebak, en Waroeng-Goenoeng, waar toen de 
assistent-resident woonde, en de volgende dag zag hij Pandeglang dat 
daar ligt als in een tuin. Weer een dag later kwam hij te Serang aan, en 
stond verbaasd over de pracht van zulke grote plaats met vele huizen, 
gebouwd van steen, en gedekt met rode pannen. Sadjah had nooit zoiets 
gezien. Hij bleef daar een dag omdat hij vermoeid was, maar 's nachts in 
de koelte ging hij verder, en kwam tot Tangerang de volgende dag, voor 
nog de schaduw gedaald was tot zijn lippen, hoewel hij de grote toedoeng 
droeg die zijn vader hem had achtergelaten.

te Tangerang baadde hij zich in de rivier nabij de overvaart, en hij 
rustte uit in 't huis van een bekende zijns vaders, die hem wees hoe men 
strohoeden vlecht, evenals die van Manilla komen. Hij bleef maar een dag 
om dit te leren, omdat hij bedacht hiermee later iets te kunnen 
verdienen, ingeval hij niet slagen mocht te Batavia. De volgende dag 
tegen de avond toen 't koel werd, bedankte hij zijn gastheer zeer, en 
ging verder. Zodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou, 
haalde hij het blad tevoorschijn, waarin hij de melati bewaarde, die 
Adinda hem gegeven had onder de ketapan-boom. Want hij was bedroefd 
geworden omdat hij haar niet zien zou in z lange tijd. De eerste dag, 
en ook de tweede, had hij minder sterk gevoeld hoe alln hij was, omdat 
zijn ziel geheel was ingenomen door 't grote denkbeeld geld te verdienen 
tot het kopen van twee buffels, daar zijn vader zelf nooit meer bezeten 
had dan n, en zijn gedachten richtten zich teveel op 't weerzien van 
Adinda, om plaats te bieden aan veel droefheid over 't afscheid. Hij had 
dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zijn gedachten het 
vastgeknoopt aan 't eindelijk terugzien onder de ketapan. Want z grote 
rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zijn hart, dat hij, bij 't 
verlaten van Badoer die boom voorbijgaande, iets vrolijks voelde, als 
waren ze reeds voorbij, de zesendertig manen die hem scheidden van dat 
ogenblik. Het was hem voorgekomen dat hij slechts om te keren had alsof 
hij reeds terugkwam van de reis, om Adinda te zien, hem wachtende onder 
die boom.

Maar hoe verder hij zich verwijderde van Badoer, en hoe meer hij lette 
op de vreselijke duur van n dag, hoe meer hij de zesendertig manen die 
voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zijn ziel, dat hem 
minder snel deed voortstappen. Hij voelde droefheid in zijn knien, en 
al was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die 
niet ver is van moedeloosheid. Hij dacht eraan, terug te keren, maar wat 
zou Adinda zeggen van z weinig hart?

Daarom liep hij door, al ging hij minder snel dan de eerste dag. Hij had 
de melati in de hand, en drukte die dikwijls tegen zijn borst. Hij was 
veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hij 
vroeger zo kalm geleefd had, daar toch Adinda zo nabij hem was en hij 
haar zien kon telkens en zo lang hij wilde. Want n zou hij niet kalm 
wezen als hij verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook 
begreep hij niet dat hij na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om 
haar nog nmaal aan te zien. Ook kwam hem voor de geest hoe hij nog 
kort geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor de 
lalajang van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hij 
meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddenschap was 
verloren gegaan tegen de kinderen uit Tjipoeroet. `Hoe was 't mogelijk,' 
dacht hij, `hierover boos te worden op Adinda.' Want al had zij een fout 
gesponnen in de koord, en al ware de weddenschap van Badoer tegen 
Tjipoeroet verloren daardoor, en niet door de glasscherf -- zo ondeugend 
en handig dan geworpen door de kleine Djamien die zich verschool achter 
de pagger -- had ik zelfs dn zo hard mogen wezen tegen haar, en haar 
noemen met onbehoorlijke namen? Wat zal 't zijn, als ik sterf te Batavia 
zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zo grote ruwheid? Zal 't 
niet wezen alsof ik een slecht mens ben die scheldwoorden werpt op een 
meisje? En zal niet, als men hoort dat ik gestorven ben in een vreemd 
land, ieder te Badoer zeggen: `Het is goed dat Sadjah stierf, want hij 
heeft een grote mond gehad tegen Adinda'?

Zo namen zijn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige 
overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden 
binnensmonds, weldra in een alleenspraak, en eindelijk in de weemoedige 
zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was mijn voornemen 
wat maat en rijm te brengen in die overzetting, doch evenals Havelaar 
vind ik beter dat keurslijf weg te laten.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb de grote zee gezien aan de zuidkust, toe ik daar was met mijn 
vader om zout te maken.

Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe water, 
zullen er haaien komen.

Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen: `Wie van ons zal het 
lichaam verslinden dat daar daalt in het water?'

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het huis zien branden van Pa-ansoe, dat hij zelf had aangestoken 
omdat hij mata-glap was.

Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout 
neervallen op mijn lijk.

En buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen die water werpen 
om het vuur te doden.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb de kleine Si-oenah zien vallen uit de klappa-boom, toen hij een 
klappa plukte voor zijn moeder.

Als ik val uit een klappa-boom, zal ik dood nederliggen aan de voet in 
de struiken, als Si-oenah.

Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood. Maar anderen zullen 
roepen: `Zie, daar ligt Sadjah!' met harde stem.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb het lijk gezien van Pa-lisoe, die gestorven was van hoge 
ouderdom, want zijne haren waren wit.

Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om 
mijn lijk staan.

En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij Pa-lisoe's lijk. En 
ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.

Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men kleedde hen in 
een wit kleed, en begroef hen in de grond.

Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessa, oostwaarts 
tegen de heuvel, waar 't gras hoog is,

Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong zal 
zachtkens voortschuiven langs het gras...

Ik zal het horen.

Sadjah kwam te Batavia aan. Hij verzocht een heer hem in dienst te 
nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hij Sadjah niet verstond. 
Want te Batavia heeft men gaarne bedienden, die nog geen Maleis spreken 
en dus nog niet zo bedorven zijn als anderen die langer in aanraking 
waren met Europese beschaving. Sadjah leerde spoedig Maleis, maar paste 
braaf op want hij dacht altijd aan de twee buffels die hij kopen wilde, 
en aan Adinda. Hij werd groot en sterk omdat hij alle dagen at, wat te 
Badoer niet altijd wezen kon. Hij was bemind in de stal, en zou zeker 
niet afgewezen zijn als hij de dochter van de koetsier ten huwelijk 
gevraagd had. Zijn heer zelf hield zoveel van Sadjah, dat deze spoedig 
werd verheven tot huisbediende. Men verhoogde zijn loon, en gaf hem 
bovendien gedurig geschenken, omdat men zo bijzonder tevreden was over 
zijn diensten. Mevrouw had de roman van Sue gelezen die zoveel kort 
gerucht maakte, en dacht altijd aan prins Djalma wanneer ze Sadjah zag. 
Ook de jonge meisjes begrepen beter dan vroeger hoe de Javaanse schilder 
Raden Saleh zo grote opgang had gemaakt te Parijs.

Maar men vond Sadjah ondankbaar toen hij, na bijna drie jaren dienst, 
zijn ontslag vroeg en om een bewijs verzocht dat hij zich goed gedragen 
had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en Sadjah ging met een 
vrolijk hart op reis.

Hij ging voorbij Pising, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar 
dit wist Sadjah niet. En al had hij 't geweten, hij droeg heel iets 
anders in de ziel dat hem bezig hield. Hij telde de schatten die hij 
thuisbracht. In een bamboezen rol had hij zijn pas en 't getuigschrift 
van goed gedrag. In een koker die aan een leren riem bevestigd was, 
scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zijn schouder, maar hij 
voelde dit gaarne... ik geloof 't wl! Drin waren dertig Spaanse 
matten, genoeg om drie buffels te kopen. Wat zou Adinda zeggen! En dit 
was nog niet alles. Op zijn rug zag men de met zilver beslagen schede 
van een kris die hij in de gordel droeg. Het gevest was zeker van fijn 
uitgesneden kamoening, want hij had het met veel zorg gewikkeld in een 
zijden omhulsel. En hij bezat nog meer schatten. In de wrong van de kain 
om zijn lendenen bewaarde hij een buikband van brede zilveren schakels, 
met gouden ikat-pending. Het is waar dat de band kort was: maar ze was 
zo slank... Adinda!

En aan een koordje om de hals, onder zijn voor-badjoe droeg hij een 
zijden zakje, waarin enige verdroogde melati.

Was 't wonder dat hij te Tangerang zich niet langer ophield dan nodig 
was tot het bezoeken van de bekende zijns vaders, die zo fijne 
strohoeden vlocht? Was 't wonder dat hij weinig zei tot de meisjes op 
zijn weg, die hem vroegen: `Waarheen, vanwaar?' zoals de groet is in die 
streken? Was 't wonder dat hij Serang niet meer zo voornaam vond, hij 
die Batavia had leren kennen? Dat hij niet meer wegkroop in de pagger, 
zoals hij deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbijrijden, hij 
die de veel grotere heer had gezien, die te Buitenzorg woont en de 
grootvader is van de Soesoehoenan van Solo? Was 't wonder dat hij weinig 
acht sloeg op de vertellingen van wie een eindweegs met hem gingen en 
spraken van al 't nieuws in Banten-Kidoel? Dat hij nauwelijks luisterde 
toen men hem verhaalde dat de koffiecultuur na veel onbeloonde moeite 
geheel was ingetrokken? Dat het districtshoofd van Parang-Koedjang 
wegens roof op de publieke weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest 
ten huize van zijn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar 
Rangkas-Betoeng? Dat er een nieuwe assistent-resident gekomen was, omdat 
de vorige was gestorven, enige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte 
gesproken had op de eerste sebah-vergadering? Hoe er sedert enige tijd 
niemand was gestraft wegens klachten, en hoe men onder de bevolking 
hoopte dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?

Nee, schoner beelden vertoonden zich voor 't oog zijner ziel. Hij zocht 
de ketapan-boom in de wolken, te vr nog als hij was om die te zoeken 
bij Badoer. Hij greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hij de 
gestalte omvatten die hem wachten zou onder die boom. Hij tekende zich 
Adinda's gelaat, haar hoofd, haar schouder... hij zag de zware kondeh, 
zo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in haar hals... 
hij zag haar grote oog, schitterend in donkere weerschijn ... de 
neusvleugels die ze zo fier optrok als kind, wanneer hij -- hoe was 't 
mogelijk! haar plaagde, en de hoek van haar lippen waarin zij een 
glimlach bewaarde. Hij zag haar borst, die nu zwellen zou onder de 
kabaai.. hij zag hoe de sarong, die zij zelf geweven had, haar heupen 
nauw omsloot, en, de dij volgend in gebogen lijn, langs de knie neerviel 
in heerlijke golving op de kleine voet ...

Nee, hij hoorde weinig van wat men hem zei. Hij hoorde geheel andere 
tonen. Hij hoorde hoe Adinda zeggen zou: `Zij wl gekomen, Sadjah! Ik 
heb aan u gedacht bij spinnen en bij weven, en bij 't stampen van de 
rijst in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van mijn hand. Hier 
ben ik onder de ketapan, de eerste dag der nieuwe maan. Zij wl gekomen, 
Sadjah: ik wil uw vrouw zijn!'

Dt was de muziek die in zijn oren weerklonk, en hem belette te 
luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zijn weg.

Eindelijk zag hij de ketapan. Of liever, hij zag een donkere plek die 
veel sterren bedekte voor zijn oog. Dat moest het djati-bos wezen, bij 
de boom waar hij Adinda zou weerzien, de volgende dag na 't opgaan van 
de zon. Hij zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra vond 
hij een bekende oneffenheid aan de zuidzijde van een boom, en hij legde 
de vinger in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, 
om de pontianak te bezweren die schuld had aan de tandpijn van Panteh's 
moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje. Dt was de ketapan die 
hij zocht.

Ja, wl was dit de plek waar hij voor 't eerst Adinda anders had 
aangezien dan zijn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst 
geweigerd had deel te nemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met 
alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dr had ze hem de 
melati gegeven.

Hij zette zich neer aan de voet van de boom, en zag op naar de sterren. 
En als er een verschoot, nam hij dit aan als een groet bij zijn 
weerkomst te Badoer. En hij dacht eraan, of Adinda nu slapen zou? En of 
ze wel goed de manen had ingesneden in haar rijstblok? Het zou hem zo 
smarten wanneer zij een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg 
ware... zesendertig! En of ze schone sarongs en slendangs zou gebatikt 
hebben? En ook vroeg hij zich, wie er toch wel wonen zou in zijns vaders 
huis? En zijn jeugd kwam hem voor de geest, en zijn moeder, en hoe die 
buffel hem had gered van de tijger, en hij bepeinsde wat er toch zou 
geworden zijn van Adinda als die buffel minder trouw ware geweest? Hij 
lette zeer op het dalen van de sterren in 't westen, en bij elke ster 
die aan de kim verdween, berekende hij hoe de zon weer iets nader was 
aan haar opgang in het oosten, en hoeveel nader hij zelf aan 't weerzien 
van Adinda.

Want zeker zou ze komen bij de eerste straal, ja, bij 't schemeren reeds 
zou ze daar zijn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen de vorige 
dag?

Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgelopen, het schone ogenblik 
dat hem driejaren lang de ziel had voorgelicht met onbeschrijflijke 
glans. En, onbillijk als hij was in de zelfzucht zijner liefde, scheen 
't hem toe dat Adinda had moeten daar zijn, wachtende op hem, hij die 
zich nu beklaagde -- voor de tijd reeds! -- dat hij te wachten had op 
haar.

Maar hij beklaagde zich ten onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan, 
nog had het oog van de dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel 
verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind 
komen zou aan haar heerschappij ... wel vloeiden er vreemde kleuren over 
de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper 
afstaken op lichtere grond ... wel vloog er hier en daar door de wolken 
in het oosten iets gloeiends -- pijlen van goud en van vuur die heen en 
weer werden geschoten, evenwijdig aan de kim -- maar ze verdwenen weer 
en schenen neer te vallen achter de ondoordringbare gordijn die nog 
altijd de dag bleef verbergen voor de ogen van Sadjah.

Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hij zag reeds het 
landschap, en reeds kon hij de kuif onderscheiden van het klappa-bosje 
waarin Badoer verscholen ligt ... daar sliep Adinda!

Nee, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat 
Sadjah haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen de ganse nacht! 
Zeker had de dorpswacht geklopt aan haar deur, om te vragen waarom de 
pelita voortbrandde in haar huisje, en met lieve lach had ze gezegd dat 
een gelofte haar wakker hield om de slendang af te weven waaraan ze 
bezig was, en die gereed moest zijn voor de eerste dag der nieuwe maan 
...

Of ze had de nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rijstblok, 
en tellende met begerige vinger dat er wel waarlijk daarin zesendertig 
diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had zich vermaakt 
met kunstige schrik of ze zich misschien verrekende, of er wellicht nog 
een ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weer te genieten van de 
heerlijke zekerheid dat er wel degelijk driemaal twaalfmanen waren 
voorbijgegaan sedert Sadjah haar zag voor het laatst.

Ook zij zou thans, nu 't al zo licht werd, haar ogen inspannen met 
vruchteloze vermoeienis om de blikken te buigen ver de kim, opdat ze de 
zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef... wegbleef...

Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken, 
en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer 
schoten er pijlen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neer 
ditmaal, ze hechtten zich vast op de donkere grond, en deelden hun gloed 
mee in groter en grotere kringen, en ontmoetten elkander, kruisend, 
slingerend, wendend, dwalend, en ze verenigden zich tot vuurbundels, en 
weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer, en er was 
rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat alles ... 
o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van Adinda!

Sadjah had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem 
dat te leren, want heiliger gebed en vuriger dank dan er lag in de 
sprakeloze opgetogenheid zijner ziel, was niet te vatten in menselijke 
taal. Hij wilde niet naar Badoer gaan. Het weerzien zelf van Adinda kwam 
hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien. 
Hij zette zich aan de voet van de ketapan, en liet zijn ogen dwalen over 
de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te heten 
als een moeder haar teruggekeerd kind. En evenals deze haar vreugde 
schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbijgegane smart, bij 
't vertonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het afzijn, liet 
ook Sadjah zich vermaken door 't weerzien van zovele plekken die 
getuigen waren van zijn kort leven. Maar hoe ook zijn ogen of zijn 
gedachten ronddwaalden, telkens viel zijn blik en zijn verlangen terug 
op het pad dat van Badoer leidt naar de ketapan. Alles wat zijn zinnen 
waarnamen, heette Adinda. Hij zag de afgrond links, waar de aarde zo 
geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar hadden de 
dorpelingen zich verzameld om het dier te redden -- want het is geen 
geringe zaak een jonge buffel te verliezen -- en ze hadden zich 
neergelaten aan sterke rotan-koorden. Adinda's vader was de moedigste 
geweest ... o, hoe zij in de handen klapte, Adinda!

En daarginds, aan de andere zijde, waar 't kokosbosje wuift over de 
hutten van het dorp, daar ergens was Si-Oenah uit een boom gevallen, en 
gestorven. Hoe schreide zijn moeder, `omdat Si-Oenah nog zo klein was,' 
jammerde zij ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zijn als Si-Oenah 
groter geweest ware. Maar klein was hij, dt is waar, want hij was 
kleiner en zwakker nog dan Adinda...

Niemand betrad het wegje dat van Badoer leidde naar de boom. Straks zou 
ze komen: o, zeker... 't was nog zo vroeg!

Sadjah zag een badjing die met dartele vlugheid heen en weer sprong 
tegen de stam van een klappa-boom. Het diertje -- de ergernis van de 
eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging -- klauterde 
onvermoeid op en neer. Sadjah zag het, en dwong zich er naar te blijven 
zien, wijl dit aan zijn gedachten rust gaf van de zware arbeid die ze 
verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend wachten. 
Welhaast uitten zich zijn indrukken in woorden, en hij zong wat er 
omging in zijn ziel. Het ware mij liever u zijn lied te kunnen voorlezen 
in 't Maleis, dat Italiaans van het Oosten, doch ziehier de vertaling:

Zie hoe de badjing zijn levensonderhoud zoekt

Op de klappa-boom. Hij stijgt, daalt, dartelt links en rechts,

Hij draait om de boom, springt, valt, klimt, en valt weder:

Hij heeft geen vleugels, en is toch zo vlug als een vogel.

Veel geluk, mijn badjing, ik wens u heil!

Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt ...

Maar ik zit alleen bij het djati-bos,

Wachtende op levensonderhoud van mijn hart.

Reeds lang is het buikje van mijn badjing verzadigd ...

Reeds lang is hij teruggekeerd in zijn nestje...

Maar nog altijd is mijn ziel

En mijn hart bitter bedroefd ... Adinda!

Nog was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de ketapan. 
Sadjahs oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het 
begon warm te worden.

Zie hoe de vlinder daar rondfladdert.

Zijn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem.

Zijn hartje is verliefd op de bloesem der kenari.

Zeker zoekt hij zijn welriekende geliefde.

Veel geluk, mijn vlinder, ik wens u heil!

Ge zult gewis vinden wat gij zoekt ...

Maar ik zit alleen bij het djati-bos,

Wachtende op wat mijn hart liefheeft.

Reeds lang heeft de vlinder gekust

De kenari-bloesem die hij zozeer bemint ...

Maar nog altijd is mijn ziel

En mijn hart bitter bedroefd ... Adinda!

En er was niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de boom. De zon 
begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.

Zie, hoe de zon schittert daar omhoog,

Hoog boven de waringin-heuvel!

Ze voelt zich te warm, en wenst neer te dalen,

Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.

Veel geluk, o zon, ik wens u heil!

Wat gij zoekt, zult ge gewis vinden ...

Maar ik zit alleen bij het djati-bos,

Wachtende op rust voor mijn hart.

Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen,

En slapen in de zee, als alles duister is...

En nog altijd zal mijn ziel

En mijn hart bitter bedroefd zijn ... Adinda!

Nog was er niemand op de weg die leidt van Badoer naar de ketapan.

Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,

Als de sterren niet meer zullen schitteren,

Als de melati niet meer welriekend zal wezen,

Als er niet langer bedroefde harten zijn,

Noch wild gedierte in het woud ...

Als de zon verkeerd zal lopen,

En de maan vergeten wat oost en west is...

Als dn Adinda nog niet gekomen is,

Dan zal een engel met blinkende vleugelen

Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.

Dan zal mijn lijk hier liggen onder de ketapan...

Mijn ziel is bitter bedroefd ... Adinda!

Nog was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de ketapan.

Dan zal mijn lijk door de engel gezien worden.

Hij zal het zijn broederen aanwijzen met de vinger:

`Ziet, daar is een gestorven mens vergeten,

Zijn verstijfde mond kust een melati-bloem.

Komt, dat wij hem opnemen en ten hemel dragen,

Hem, die op Adinda gewacht heeft tot hij dood was.

Gewis, hij mag niet daar achterblijven,

Wiens hart de kracht had z te beminnen!'

Dan zal nog ns mijn verstijfde mond zich openen

Om Adinda te roepen, die mijn hart lief heeft...

Nog nmaal zal ik de melati kussen

Die zij me gaf... Adinda... Adinda!

En nog altijd was er niemand op het pad dat van Badoer leidde naar de 
boom.

O, ze was gewis tegen de morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't 
waken gedurende de nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker 
had ze niet geslapen sedert weken: z was het!

Zou hij opstaan en naar Badoer gaan? Nee! Mocht het schijnen alsof er 
twijfel was aan haar komst? Als hij de man riep die daarginds zijn 
buffel naar 't veld dreef? Die man was te ver. En bovendien, Sadjah 
wilde niet spreken over Adinda, niet vragen naar Adinda... hij wilde 
hr weerzien, hr alleen, haar het eerst! O zeker, zker zou ze nu 
spoedig komen!

Hij zou wachten, wachten ...

Maar als ze ziek was, of... dood?

Als een aangeschoten hert vloog Sadjah 't pad op, dat van de ketapan 
leidt naar het dorp waar Adinda woonde. Hij zag niets en hoorde niets, 
en toch had hij iets kunnen horen, want er stonden mensen op de weg bij 
de ingang van het dorp, die riepen: `Sadjah, Sadjah!'

Maar... was 't zijn haast, zijn drift, die hem belette Adinda's huis te 
vinden? Hij was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van de weg waar het 
dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hij terug, en sloeg zich voor 't 
hoofd omdat hij hr huis had kunnen voorbijgaan zonder het te zien. 
Maar weer was hij aan de ingang, en -- mijn God, was 't een droom? -- 
weer had hij Adinda's huis niet gevonden! Nogeens vloog hij terug, en op 
eenmaal bleef hij staan, greep met beide handen zijn hoofd, als om 
daaruit de waanzin weg te persen die hem beving, en riep luid: `Dronken, 
dronken, ik ben dronken!'

En de vrouwen van Badoer kwamen uit haar huizen, en zagen met deernis de 
arme Sadjah staan, want zij herkenden hem, en begrepen dat hij Adinda's 
huis zocht, en wisten dat er geen huis van Adinda was in het dorp 
Badoer.

Want, toen het districtshoofd van Parang-Koedjang de buffel van Adinda's 
vader had weggenomen ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is.

... toen was Adinda's moeder gestorven van verdriet. En haar jongste 
zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En Adinda's 
vader, die vreesde voor de straf als hij zijn landrenten niet 
betaalde...

Ik weet het wel, ik weet het wel, dat mijn verhaal eentonig is!

... Adinda's vader was heengegaan uit het land. Hij had Adinda 
meegenomen, met haar broers. Maar hij had vernomen hoe de vader van 
Sadjah te Buitenzorg was gestraft met rottingslagen omdat hij Badoer 
verlaten had zonder pas. En daarom was Adinda's vader niet gegaan naar 
Buitenzorg, noch naar Krawang, noch naar de Preanger, noch naar de 
Bataviase Ommelanden ... hij was gegaan naar Tjilang-kahan, het district 
van Lebak, dat aan de zee grenst. Daar had hij zich verscholen in de 
bossen, en gewacht op de komst van Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-
Ansioe, Abdoel-Isma en nog enige anderen die door het districtshoofd van 
Parang-Koedjang beroofd waren van hun buffels, en die allen vreesden 
voor straf als ze hun landrenten niet betaalden. Daar hadden ze zich bij 
nacht meester gemaakt van een vissersprauw, en waren in zee gestoken. Ze 
hadden westelijk gestuurd, en hielden het land rechts van zich, tot aan 
Javapunt. Van hier waren zij noordwaarts gestevend tot ze Tanah-Itam 
voor zich zagen, dat de Europese zeelieden Prinsen-eiland noemen. Zij 
waren dat eiland omgezeild aan de oostzijde, en hadden toen aangehouden 
op de Keizersbaai zich richtende op de hoge piek in de Lampongs. Z 
althans was de weg die men elkander fluisterend vrzei in 't Lebakse, 
wanneer er gesproken werd over officile buffelroof en onbetaalde 
landrenten.

Maar de verbijsterde Sadjah verstond niet duidelijk wat men hem zei. 
Zelfs begreep hij niet goed het bericht van de dood zijns vaders. Er was 
een gegons in zijn oren als had men op een gong geslagen in zijn hoofd. 
Hij voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan 
zijn slapen, die dreigden te bezwijken onder de druk van zo zware 
uitzetting. Hij sprak niet, en staarde met verdoofde blik rond zonder te 
zien wat om en bij hem was, en berstte eindelijk uit in akelig gelach.

Een oude vrouw nam hem mee naar haar huisje en verpleegde de arme dwaas. 
Weldra lachte hij niet meer zo akelig, maar toch sprak hij niet. Alleen 
's nachts werden de hutgenoten opgeschrikt door zijn stem, als hij 
toonloos zong: `Ik weet niet waar ik sterven zal' en enige bewoners van 
Badoer legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de boaja's van 
de Tjioedjoeng voor de genezing van Sadjah, die men voor zinneloos 
hield.

Maar zinneloos was hij niet.

Want eens bij nacht, toen de maan helder lichtte, stond hij op van de 
baleh-baleh, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar 
Adinda gewoond had. Het was niet gemakkelijk die te vinden, omdat er 
zovl huizen waren ingestort. Doch hij scheen de plaats te herkennen 
aan de wijdte van de hoek die sommige lichtlijnen door 't geboomte 
vormden bij haar ontmoeting in zijn oog, zoals de zeeman peiling neemt 
op vuurtorens of uitstekende bergpunten.

Ja, dr moest het zijn ... dr had Adinda gewoond!

Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen 
dak, baande hij zich een weg naar 't heiligdom dat hij zocht. En, 
waarlijk, hij vond nog iets terug van de opstaande pagger waarnaast 
Adinda's baleh-baleh gestaan had, en zelfs stak in die pagger nog de 
bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen legde...

Maar de baleh-baleh was ingestort als het huis, en bijna vergaan tot 
stof. Hij nam een handvol daarvan, drukte het aan zijn geopende lippen, 
en ademde zeer diep...

De volgende dag vroeg hij aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar 
't rijstblok was dat er gestaan had op het erf van Adinda's huis. De 
vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om 
dat blok te zoeken. Toen zij de nieuwe eigenaar aan Sadjah kon 
aanwijzen, volgde deze haar zwijgend, en bij 't rijstblok gebracht, 
telde hij daarop tweendertig ingekorven strepen ...

Toen gaf hij die vrouw zoveel Spaanse matten als nodig was tot het kopen 
van een buffel, en verliet Badoer. Te Tjilang-kahan kocht hij een 
vissersprauw, en kwam daarmee na enige dagen zeilens in de Lampongs aan, 
waar de opstandelingen zich verzetten tegen het Nederlands gezag. Hij 
sloot zich aan bij een bende Bantammers, niet om te strijden zozeer, als 
om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en meer ontvankelijk 
voor droefenis dan voor bitterheid.

Op zekere dag dat de opstandelingen opnieuw waren geslagen, doolde hij 
rond in een dorp dat pas veroverd was door het Nederlandse leger, en dus 
in brand stond. Sadjah wist dat de bende die daar vernietigd was 
geworden, grotendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook waarde 
hij rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond het 
lijk van Adinda's vader met een klewang-bajonetwonde in de borst. Naast 
hem zag Sadjah de drie vermoorde broers van Adinda, jongelingen, bijna 
kinderen nog, en een weinig verder lag het lijk van Adinda, naakt, 
afschuwelijk mishandeld ...

Er was een smal strookje blauw lijnwaad gedrongen in de gapende 
borstwond die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling...

Toen liep Sadjah enige soldaten tegemoet, die met geveld geweer de 
laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen. 
Hij omvademde de brede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met 
kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen 
de gevesten stuitten tegen zijn borst.

En weinig tijd later was er te Batavia groot gejubel over de nieuwe 
overwinning die weer zoveel lauweren had gevoegd bij de lauweren van 't 
Nederlands-Indisch leger. En de landvoogd schreef naar 't moederland dat 
de rust in de Lampongs hersteld was. En de Koning van Nederland, 
voorgelicht door zijn staatsdienaren, beloonde wederom zoveel heldenmoed 
met vele ridderkruisen.

En waarschijnlijk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der 
vromen dankgebeden ten hemel, bij 't vernemen dat `de Heer der 
heirscharen' weer had meegestreden onder de banier van Nederland ...

Maar God, met zoveel wee begaan,

Nam de offers van die dag niet aan!

Ik heb 't slot der geschiedenis van Sadjah korter gemaakt, dan ik had 
kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs. 
De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwijlde bij de beschrijving van 
het wachten onder de ketapan, als schrikte ik terug voor de treurige 
ontknoping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch was 
dit mijn voornemen niet, toen ik begon over Sadjah te spreken. Want 
aanvankelijk vreesde ik, sterker kleuren nodig te hebben om de lezer te 
treffen bij 't beschrijven van zo vreemde toestanden. Gaandeweg echter 
gevoelde ik dat het een belediging voor mijn publiek wezen zou, te 
geloven dat ik meer bloed had moeten brengen in mijn schilderij.

Toch had ik dit kunnen doen, want ik heb stukken voor mij liggen ... 
doch nee: liever een bekentenis.

Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of Sadjah Adinda liefhad. Niet 
of hij naar Batavia ging. Niet of hij in de Lampongs werd vermoord met 
Nederlandse bajonetten. Ik weet niet of zijn vader bezweek tengevolge 
van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hij Badoer had 
verlaten zonder pas. Ik weet niet of Adinda de manen telde door kerven 
in haar rijstblok ...

Dit alles weet ik niet!

Maar ik weet meer dan dat alles. Ik weet en kan bewijzen dat er veel 
Adinda's waren en veel Sadjahs, en dat, wat verdichtsel is in 't 
bijzonder, waarheid wordt in 't algemeen. Ik zei reeds dat ik de namen 
kan opgeven van personen die, zoals de ouders van Sadjah en Adinda, 
door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is mijn doel niet, 
in dit werk mededelingen te geven als voegen zouden voor een vierschaar 
die uitspraak te doen had over de wijze waarop 't Nederlands gezag in 
Indi wordt uitgeoefend, mededelingen die slechts kracht van bewijs 
zouden hebben voor wie het geduld had die met aandacht en belangstelling 
door te lezen, zoals niet verwacht kan worden van een publiek dat 
verstrooiing zoekt in zijn lectuur. Daarom heb ik, in plaats van dorre 
namen van personen en plaatsen, met de dagtekening erbij, in plaats van 
een afschrift der lijst van diefstallen en afpersingen, die voor me 
ligt, getracht een schets te geven van wat er kn omgaan in de harten 
der arme lieden die men berooft van wat dienen moet tot onderhoud van 
hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen, vrezende mij te 
zeer te bedriegen in het tekenen der omtrekken van aandoeningen die ik 
nooit ondervond. Maar wat de hoofdzaak aangaat? O, dat ik opgeroepen 
werde om te staven wat ik schreef! O, dat men zei: `Ge hebt die Sadjah 
verdicht ... hij zong nooit dat lied ... er woonde geen Adinda te 
Badoer!' Maar dat het gezegd werd met de macht en de wil om recht te 
doen, zodra ik zou bewezen hebben geen lasteraar te zijn!

Is er logen in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, omdat er 
misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een Samaritaans 
huis? Is er logen in de parabel van de zaaier, omdat geen landbouwer 
zijn zaad zal uitwerpen op een rots? Of -- om af te dalen tot meer 
gelijkheid met mijn boek -- mag men de waarheid ontkennen die de 
hoofdzaak uitmaakt van de Negerhut, omdat er misschien nooit een 
Evangeline bestaan heeft? Zal men tot de schrijfster van dat 
onsterflijke pleidooi -- onsterflijk, niet om kunst of talent, maar door 
strekking en indruk -- zal men tot haar zeggen: `Ge hebt gelogen, de 
slaven worden niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek: het 
is een roman!' Moest niet ook zij, in plaats ener optelling van dorre 
daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef 
der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar 
boek gelezen zijn, als ze daaraan de vorm had gegeven van een 
processtuk? Is 't haar schuld -- of de mijne -- dat de waarheid, om 
toegang te vinden, zo vaak het kleed moet borgen van de leugen?

En aan sommigen die misschien beweren dat ik Sadjah en zijn liefde heb 
gedealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen. Slechts zeer 
weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neer te buigen 
tot waarneming der aandoeningen van de koffie- en suikerwerktuigen die 
men `inlanders' noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zulke 
bedenkingen aanvoert als bewijs tegen de hoofdstrekking van mijn boek, 
geeft mij een grote zegepraal. Want ze luiden, vertaald: `Het kwaad dat 
gij bestrijdt, bestaat niet, of niet in zo hoge mate, omdat de inlander 
niet is als uw Sadjah... er ligt in de mishandeling der Javanen geen zo 
groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uw Sadjah juister getekend 
hadt. De Soendanees zingt zulke liederen niet, bemint zo niet, gevoelt 
zo niet, en dus ...'

Nee, Minister van Kolonin, nee, gouverneurs-generaal in ruste, niet dt 
hebt gij te bewijzen! Ge hebt te bewijzen dat de bevolking niet 
mishandeld wordt, onverschillig of er sentimentele Sadjahs onder die 
bevolking zijn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van 
lieden die niet beminnen, die geen droefgeestige liedjes zingen, die 
niet sentimenteel zijn?

Bij een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der tekening 
van Sadjah verdedigen, maar op staatkundige bodem geef ik terstond alle 
aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de grote 
vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om 't even 
of men mij houde voor een onbekwame schilder, mits men mij toegeve dat 
de mishandeling van de inlander is: VERREGAAND! Z toch luidt het woord 
op de nota des voorgangers van Havelaar, die door deze getoond werd aan 
de controleur Verbrugge: een nota die voor me ligt.

Maar ik heb andere bewijzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaars 
voorganger kon zich vergist hebben.

Helaas, als hij zich vergiste, werd hij voor die vergissing zeer hard 
gestraft. Hij is vermoord.


Achttiende hoofdstuk

't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zijn Tine in de 
voorgalerij, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis 
uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps 
wendde zij zich naar 't hek, en wees daar met vrij hevige gebaren een 
man terug die even tevoren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zij 
zich verzekerd had dat hij naar buiten was teruggegaan, en keerde daarop 
langs het grasveld naar Havelaars huis terug.

`Ik wil toch eindelijk eens weten wat dit beduidt!' zei Havelaar, en 
toen de begroeting voorbij was, vroeg hij op schertsende toon, om haar 
niet te doen menen dat hij haal een weinig je gezag misgunde, op een erf 
dat vroeger 't hare was:

`Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de mensen die 't erf betreden, 
zo terugzendt? Als die man van zoven nu eens iemand was die kippen te 
koop had, of iets anders wat nodig kon zijn voor de keuken?'

Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pijnlijke trek 
die niet ontsnapte aan Havelaars blik. `Ach,' zei zij, `er is zoveel 
slecht volk!' `Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de mensen zo 
moeilijk maakt, zullen de goeden ook wegblijven. Komaan, mevrouw, vertel 
me toch eens ronduit waarom ge zo streng opzicht houdt over 't erf?'

Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in 
haar vochtig oog. Hij drong iets sterker op verklaring aan ... de weduwe 
berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten huize van het 
districtshoofd te Parang-Koedjang vergiftigd was.

`Hij wilde rechtvaardig zijn, meneer Havelaar', ging de arme vrouw 
voort, `hij wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de 
bevolking zucht. Hij vermaande en dreigde de hoofden, in vergaderingen 
en schriftelijk ... ge moet zijn brieven gevonden hebben in 't archief?

Dit was zo. Havelaar had die brieven gelezen, waarvan afschriften voor 
mij liggen.

`Hij sprak telkens met de resident,' vervolgde de weduwe, `maar altijd 
vergeefs. Want daar 't van algemene bekendheid was dat de knevelarij 
plaats had ten behoeve en onder bescherming van de regent, wie de 
resident niet bij de regering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken 
tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had mijn arme man 
gezegd dat hij, als er geen verbetering kwam vr 't einde des jaars, 
zich rechtstreeks wenden zou tot de gouverneur-generaal. Dat was in 
november. Hij ging kort daarna op een inspectiereis, gebruikte het 
middagmaal ten huize van de demang van Parang-Koedjang, en werd kort 
daarop in deerniswaarde toestand thuis gebracht. Hij riep, op de maag 
wijzende: ``Vuur, vuur!'' en weinige uren later was hij dood, hij die 
altijd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.'

`Hebt ge de dokter van Serang laten roepen?' vroeg Havelaar.

`Ja, maar hij heeft mijn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze 
kort na zijn komst gestorven is. Ik durfde de dokter mijn vermoeden niet 
meedelen, omdat ik wegens mijn toestand voorzag deze plaats niet spoedig 
te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gij 
evenals mijn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heersen, 
en daarom heb ik geen gerust ogenblik. Ik had dit alles voor u willen 
verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde mij dus tot 
het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben 
tot de keuken.'

Nu werd het Tine duidelijk waarom mevrouw Slotering haar eigen 
huishouding was blijven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken 
van de keuken `die toch zo ruim was.'

Havelaar liet de controleur roepen. Intussen richtte hij aan de 
geneesheer te Serang een verzoek om opgave der verschijnselen bij 
Sloterings dood. Het antwoord dat hij op deze vraag bekwam, was niet in 
de geest der vermoedens van de weduwe. Volgens de arts was Slotering 
gestorven aan een `abces in de lever'. Het is me niet gebleken of 
zodanige kwaal zich zo kan openbaren op eenmaal, en de dood veroorzaken 
in weinige uren. Ik geloof hier te moeten achtslaan op de verklaring van 
mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altijd gezond geweest was. 
Doch als men geen waarde hecht aan zodanige verklaring -- omdat de 
opvatting van 't begrip: gezondheid, vooral in de ogen van niet-
geneeskundigen, zeer onderwerpelijk is -- blijft toch de gewichtige 
vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een `abces in de lever' 
zich gister kon te paard zetten met het doel om een bergachtige 
landstreek te inspecteren die in sommige richtingen twintig uren breed 
is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam geneesheer geweest 
zijn, en zich niettemin vergist hebben in 't beoordelen van de 
verschijnselen der ziekte, onvoorbereid als hij was op 't vermoeden van 
misdaad.

Hoe dit zij, ik kan niet bewijzen dat Havelaars voorganger vergiftigd 
was, daar men Havelaar de tijd niet heeft gelaten deze zaak tot 
klaarheid te brengen. Doch wel kan ik bewijzen dat zijn omgeving hem 
voor vergiftigd hield, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zijn 
zucht om onrecht te keer te gaan.

De controleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg 
kortaf:

`Waaraan is meneer Slotering gestorven?

`Dat weet ik niet.'

`Is hij vergiftigd?'

`Dat weet ik niet, maar...'

`Spreek duidelijk, Verbrugge!'

`Maar hij trachtte de misbruiken te keer te gaan, zoals u, meneer 
Havelaar, en ... en ...'

`Welnu? Ga voort?

`Ik ben overtuigd dat hij ... zou vergiftigd geworden zijn als hij 
langer hier was gebleven.'

`Schrijf dat op!'

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. Zijn verklaring ligt voor mij  
`Nog iets. Is 't wr of is 't niet  waar dat er gekneveld wordt in 
Lebak?'

Verbrugge antwoordde niet. `Antwoord, Verbrugge!'

`Ik durf niet.'

`Schrijf 't op, dat je niet durft!'

Verbrugge heeft het opgeschreven: het ligt voor mij.

`Wl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je 
zei me onlangs, toen er sprake was van vergiftiging, dat je de enige 
steun was van je zusters te Batavia, nietwaar? Ligt drin misschien de 
oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altijd halfheid noemde?'

`Ja!'

`Schrijf dat op.'

Verbrugge schreef het op: zijn verklaring ligt voor mij!

`'t Is wl,' zei Havelaar, `nu weet ik genoeg.' En Verbrugge kon gaan. 
Havelaar trad naar buiten en speelde met kleine Max die hij met 
bijzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond 
hij 't kind weg en riep Tine in zijn kamer.

`Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenste dat je met Max 
naar Batavia ging: ik klaag heden de regent aan.'

En ze viel hem om de hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep 
snikkende:

`Nee Max, nee Max, dat doe ik niet ... dat doe ik niet! Wij eten en 
drinken te zamen!'

Had Havelaar ongelijk toen hij beweerde dat zij evenmin recht had op 
neussnuiten als de vrouwen te Arles?

Hij schreef en verzond de brief waarvan ik hier een afschrift geef. 
Nadat ik enigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk 
geschreven werd, geloof ik niet nodig te hebben op kordate 
plichtsvervulling te wijzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de 
zachtmoedigheid die Havelaar bewoog de regent in bescherming te nemen 
tegen al te zware straf. Doch niet zo overbodig zal 't wezen, daarbij 
zijn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over 
de pas gedane ontdekking om niet het stellige zijner aanklacht te 
verzwakken door onzekerheid omtrent een wel belangrijke, maar nog 
onbewezen beschuldiging. Zijn voornemen was, 't lijk van zijn voorganger 
te doen opgraven en wetenschappelijk onderzoeken, zodra de regent zou 
verwijderd zijn en diens aanhang onschadelijk gemaakt. Maar men heeft 
hem hiertoe de gelegenheid niet gelaten.

In de afschriften van officile stukken -- afschriften die overigens 
letterlijk overeenstemmen met het oorspronkelijke -- geloof ik de dwaze 
titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van de 
goede smaak mijner lezers verwacht ik dat zij in deze verandering 
genoegen nemen.

No 88 Geheim	Rangkas-Betoeng, 24 februari  1856

Spoed

Aan de Resident van Bantam,

Sedert ik voor een maand mijn betrekking alhier aanvaardde, heb ik mij 
hoofdzakelijk beziggehouden met het onderzoek naar de wijze waarop de 
inlandse hoofden zich kwijten van hun verplichtingen jegens de bevolking 
op het stuk van herendiensten, poendoetan en dergelijke.

Zeer spoedig ontdekte ik dat de regent op eigen autoriteit, en te zijnen 
behoeve, mensen liet opkomen, vr boven het hem wettig toekomend aantal 
pantjns en kemits.

Ik weifelde tussen de keus om terstond officieel te rapporteren, en de 
zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, die inlandse 
hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten einde het tweeledig doel te 
bereiken om dat misbruik te doen ophouden en tegelijkertijd die oude 
dienaar van het gouvernement niet terstond al te streng te behandelen, 
vooral uit aanmerking van de slechte voorbeelden die, naar ik geloof, 
hem dikwijls gegeven zijn, en in verband met de bijzondere omstandigheid 
dat hij bezoek verwachtte van twee verwanten, de regenten van Bandoeng 
en van Tjiandjoer, althans van de laatste -- die, naar ik meen, reeds 
met groot gevolg op weg is -- en hij dus meer dan anders in de 
verzoeking was -- en met het oog op de benarde staat zijner 
geldmiddelen, als het ware in de noodzakelijkheid -- om door onwettige 
middelen te voorzien in de nodige toebereidselen voor dat bezoek.

Dit alles leidde mij tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was, 
doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.

Ik drong aan op dadelijke staking van elke onwettigheid.

Van die voorlopige proeve om de regent door zachtheid tot zijn plicht te 
brengen, heb ik u ondershands doen kennis dragen. Mij is echter gebleken 
dat hij met brutale onbeschaamdheid alles in de wind slaat, en ik gevoel 
mij krachtens mijn ambtseed verplicht u mee te delen:

dat ik de regent van Lebak, Raden Adipati Karta Nata Nagara, beschuldig 
van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over de arbeid 
zijner onderhorigen, en verdenk van knevelarij, door het vorderen van 
opbrengsten in natura, zonder, of tegen willekeurig vastgestelde, 
onvoldoende, betaling;

dat ik voorts de demang van Parang-Koedjang -- zijn schoonzoon -- 
verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten.

Om beide zaken behoorlijk te kunnen instrueren, neem ik de vrijheid u 
voor te stellen, mij te gelasten:

1. de Regent van Lebak voornoemd, met de meeste spoed naar Serang op te 
zenden, en zorg te dragen dat hij noch voorzijn vertrek, noch gedurende 
de reis in de gelegenheid zij, door omkoping of op andere wijze te 
influenceren op de getuigenissen die ik zal moeten inwinnen;

2. de demang van Parang-Koedjang voorlopig in arrest te nemen;

3. gelijke maatregel toe te passen op zodanige personen van mindere 
rang, als, behorende tot de familie van de regent, geacht kunnen worden 
invloed uit te oefenen op de zuiverheid van het in te stellen onderzoek;

4. dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van de uitslag te 
dienen van omstandig bericht.

Ik neem de vrijheid u voorts in overweging te geven, de komst des 
regents van Tjiandjoer te contramanderen.

Ten slotte heb ik de eer -- ten overvloede voor u, die de Afdeling Lebak 
beter kent dan mij nog mogelijk is -- de verzekering te geven dat uit 
een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer zaak geen 
het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou beducht zijn als 
ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben genformeerd dat de 
geringe man die, naar een getuige mij zeide, poessing is van de vexatie, 
reeds lang naar redding uitziet.

Ik heb de kracht tot de moeilijke plicht die ik door het schrijven van 
deze brief volbreng, gedeeltelijk geput uit de hoop dat het mij vergund 
zal wezen te zijner tijd een en ander bij te brengen ter verschoning van 
de oude regent, met wiens positie, hoezeer door eigen schuld 
veroorzaakt, ik evenwel diep medelijden gevoel.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR

De volgende dag antwoordde hem ... de resident van Bantam. O nee, de 
heer Slijmering, particulier!

Dit antwoord is een kostbare bijdrage tot de kennis van de wijze waarop 
het bestuur in Nederlands-Indi wordt uitgeoefend. De heer Slijmering 
beklaagde zich `dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in de brief 
No. 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven.' Natuurlijk omdat er 
dan meer kans ware geweest op `schipperen `. En voorts: `dat Havelaar 
hem stoorde in zijn drukke bezigheden!'

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb die 
brief voor mij liggen en vertrouw mijn ogen niet. Ik herlees de brief 
van de assistent-resident van Lebak ... ik plaats hm en de resident van 
Bantam, Havelaar en Slijmering naast elkander ...


Die Sjaalman is een gemene schooier! Ge moet weten, lezer, dat Bastiaans 
weer dikwijls niet op 't kantoor komt, omdat hij de jicht heeft. Daar ik 
nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de firma -- 
Last & Co. -- want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik eergister op 
't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelijk goede hand schrijft, en daar 
hij er zo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel zou te krijgen 
zijn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de goedkoopste 
wijze in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus naar de 
Lange Leidsedwarsstraat. De vrouw van de winkel was voor, doch scheen me 
niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelijk had gezegd dat 
ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie, van de Lauriergracht. Er 
is altijd iets stuitends in dat niet herkennen, maar omdat het nu wat 
minder koud is, en ik de vorige keer mijn jas met bont aanhad, schrijf 
ik het daaraan toe, en trek 't mij niet aan ... de belediging, meen ik. 
Ik zei dus nogeens, dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie 
van de Lauriergracht, en verzocht haar te gaan zien of die Sjaalman 
thuis was, omdat ik niet weer zoals onlangs wilde te doen hebben met 
zijn vrouw, die altijd ontevreden is. Maar die uitdraagster weigerde 
naar boven te gaan. `Ze kon niet de hele dag trappen klimmen voor dat 
bedelvolk,' zei zij, `ik moest maar zelf gaan zien.' En daar volgde weer 
een beschrijving van de trappen en portalen, die ik volstrekt niet nodig 
had, want ik herken altijd een plaats waar ik eens geweest ben, omdat ik 
altijd zo op alles acht geef Dit heb ik mij aangewend in de zaken. Ik 
klom dus de trappen op, en klopte aan de bekende deur, die terugweek. Ik 
trad binnen, en daar ik niemand in de kamer vond, zag ik eens rond. Nu, 
vee, te zien was er niet. Er hing een half broekje met geborduurde 
strook over een stoel ... wat hoeven zulke mensen geborduurde broekjes 
te dragen? In een hoek stond een niet zeer zware reiskoffer, die ik in 
gedachte aan het hengsel vatte, en op de schoorsteenmantel lagen enige 
boeken die ik eens inzag. Een wonderlijke verzameling! Een paar delen 
van Byron, Horatius, Bastiat, Branger, en ... raad eens? Een bijbel, 
een complete bijbel, met de apocriefe boeken erin! Dt had ik bij 
Sjaalman niet verwacht. En er scheen in gelezen te zijn ook, want ik 
vond veel aantekeningen op losse stukken papier, die betrekking hadden 
op de Schrift -- hij zegt dat Eva tweemaal ter wereld kwam ... de man is 
gek! -- nu, alles was van dezelfde hand als de stukken in dat verwenste 
pak. Vooral 't boek van Job scheen hij ijverig bestudeerd te hebben, 
want daar gaapten de bladen. ik denk dat hij de hand des Heren begint te 
voelen, en daarom door lectuur in de heilige boeken zich wil verzoenen 
met God. Ik heb er niets tegen. Maar, zo, al wachtende, viel mijn oog op 
een dames-werkdoosje, dat op tafel stond. Zonder erg bezag ik dat. Er 
waren een paar halfafgewerkte kinderkousjes in, en een tal van zotte 
verzen. Ook een brief aan Sjaalmans vrouw, zoals uit het opschrift 
bleek. De brief was geopend, en zag eruit alsof men hem in drift had 
samengeknepen. Nu is mijn vast principe, nooit iets te lezen dat niet 
aan mij gericht is, omdat ik dit niet fatsoenlijk vind. Ik doe het dan 
ook nooit als ik er geen belang bij heb. Maar nu kreeg ik een ingeving 
dat het mijn plicht was, die brief eens in te zien, omdat de inhoud mij 
misschien zou voorlichten omtrent de menslievende bedoeling die me tot 
Sjaalman voerde. Ik dacht eraan, hoe toch de Heer altijd nabij de Zijnen 
is, daar Hij me hier onverwachts in de gelegenheid stelde, iets meer van 
die man te weten te komen, en me dus behoedde voor 't gevaar een weldaad 
te bewijzen aan een onzedelijk persoon. Ik let nauwkeurig op zulke 
vingerwijzigingen van de Heer, en dit heeft me dikwijls veel nut in de 
zaken gedaan. Tot mijn grote verwondering zag ik, dat die vrouw van 
Sjaalman van deftige familie was, althans de brief was getekend door een 
bloedverwant, wiens naam in Nederland aanzienlijk is, en ik was 
inderdaad opgetogen over de schone inhoud van dat schrijven. Het scheen 
iemand te zijn, die ijverig werkt voor de Heer, want hij schreef `dat de 
vrouw van Sjaalman zich moest laten scheiden van zulk een ellendeling, 
die haar armoe liet lijden, die zijn brood niet kon verdienen, die 
bovendien een schurk was, omdat hij schulden had ... dat de schrijver 
van de brief met haar toestand begaan was, hoewel zij zich dat lot had 
op de hals gehaald door eigen schuld, daar ze de Heer had verlaten, en 
Sjaalman aanhing ... dat ze tot de Heer moest terugkeren, en dat dan de 
hele familie misschien de handen zou innslaan, om haar naaiwerk te 
bezorgen. Maar vr alles moest ze scheiden van die Sjaalman, die een 
ware schande was voor de familie.'

Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in die 
brief stond.

Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zo wonderbare wijze was 
gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't 
slachtoffer geworden van mijn goede hart. Ik besloot dus nogmaals om 
Bastiaans maar te houden tot ik een geschikte vervanger vind, want ik 
zet niet gaarne iemand op straat, en we kunnen op 't ogenblik geen 
bediende missen, omdat er zoveel bij ons omgaat.

De lezer zal wel nieuwsgierig zijn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op de 
laatste krans, en of ik de triolet heb gevonden. Ik ben niet op de krans 
geweest. Er zijn wonderlijke dingen voorgevallen: ik ben naar Driebergen 
geweest, met mijn vrouw en Marie. Mijn schoonvader, de oude Last, de 
zoon van de eerste Last -- toen de Meyers er nog in waren, maar die zijn 
er lang uit -- had al zo dikwijls gezegd, dat hij mijn vrouw en Marie 
eens wilde zien. Nu was 't vrij goed weer, en mijn vrees voor de 
liefdesgeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht mij opeens weer 
die uitnodiging in de gedachten. Ik sprak erover met onze boekhouder, 
die een man is van veel ondervinding, en me na rijp beraad in overweging 
gaf, mij op mijn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben 
snel in de uitvoering van mijn besluiten. De volgende dag reeds zag ik 
in, hoe wijs die raad geweest was, want de nacht had mij op het 
denkbeeld gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uit te 
stellen tot vrijdag. Kortom, na rijpelijk alles te hebben overwogen er 
was veel vr, maar ook veel tegen -- zijn we gegaan, zaterdagmiddag, en 
maandagmorgen teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zo uitvoerig verhalen, 
als 't niet in nauw verband stond met mijn boek. Ten eerste hecht ik 
eraan, dat ge zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de 
zotternijen die Stern de laatste zondag zeker weer heeft uitgekraamd. -- 
Wat is dat voor een vertelling, van iemand die wat horen zou als hij 
dood was? Marie sprak er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in 
suiker doen. -- Ten tweede, omdat ik nu opnieuw de zekere overtuiging 
heb opgedaan, dat al die vertellingen over ellende en onrust in de Oost, 
klinkklare leugens zijn. Zo ziet men, hoe 't reizen iemand in de 
gelegenheid stelt, de zaken goed te doorgronden.

Zaterdagavond namelijk, had mijn schoonvader een uitnodiging aangenomen 
bij een heer die vroeger in de Oost resident was, en nu op een groot 
buiten woont. Dr zijn we geweest, en waarlijk, ik kan de lieve 
ontvangst niet genoeg roemen. Hij had zijn rijtuig gezonden om ons af te 
halen, en de koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te 
guur om de buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in de zomer, 
maar in 't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was volop 
van alles wat vermaak geeft: een biljartzaal, een bibliotheekzaal, een 
overdekte ijzeren glasgalerij als broeikas, en de kakatoea zat op een 
kruk van zilver. Ik had nooit zoiets gezien, en maakte terstond de 
opmerking, hoe toch altijd goed gedrag beloond wordt. Die man had 
terdege op zijn zaken gepast, want hij had wel drie ridderorden. Hij 
bezat een heerlijke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. 
Aan 't souper was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden 
rode vesten aan, net als de koetsier.

Daar ik veel belang stel in Indische zaken -- om de koffie -- bracht ik 
drop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had. 
Die resident heeft me gezegd, dat hij 't in de Oost altijd heel goed 
heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen 
over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op 
Sjaalman. Hij kende hem, en wel van een zeer ongunstige zijde. Hij 
verzekerde mij, dat men zeer goed had gedaan die man weg te jagen, want 
hij was een zeer ontevreden persoon, die altijd op alles aanmerking 
maakte, terwijl er bovendien veel viel af te keuren in zijn eigen 
gedrag. Hij schaakte namelijk telkens meisjes, en bracht die dan bij 
zijn eigen vrouw, en hij betaalde zijn schulden niet, wat toch zeer 
onfatsoenlijk is. Daar ik nu uit de brief die ik gelezen had, zo juist 
wist hoe gegrond al die beschuldigingen waren, deed het me groot 
genoegen, te zien dat ik de zaken zo goed beoordeeld had, en was ik zeer 
tevreden met mijzelf. Ik ben hiervoor dan ook bekend bij mijn pilaar ... 
dat ik altijd zo juist oordeel, meen ik.

Die resident en zijn vrouw waren lieve, gulle mensen. Ze verhaalden ons 
veel van hun levenswijze in de Oost. Het moet daar toch wel aangenaam 
wezen. Zij zeiden dat hun buitenplaats bij Driebergen niet half zo groot 
was als hun `erf', zoals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java, en 
dat daartoe wel honderd mensen nodig waren tot onderhoud. Maar en dit is 
wel een bewijs hoe bemind ze waren -- dat deden die mensen geheel om 
niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zij, dat bij hun vertrek 
de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had 
opgebracht, omdat de inlandse hoofden zo graag een aandenken kopen van 
een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan Stern, 
die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hij dit uit Sjaalmans 
pak bewijzen kon. Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman een lasteraar 
is, dat hij meisjes heeft geschaakt -- evenals die jonge Duitser bij 
Busselinck & Waterman -- en dat ik volstrekt geen waarde hecht aan zijn 
oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord hoe de zaken 
stonden, en dus van meneer Sjaalman niets te leren had.

Er waren daar nog meer mensen uit de Oost, onder anderen een heer die 
heel rijk was, en nog altijd veel geld verdiende aan thee, die de 
Javanen voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de regering van 
hem koopt voor hoge prijs, om de werkzaamheid van die Javanen aan te 
moedigen. Ook die heer was zeer boos op al de ontevreden mensen, die 
gedurig spreken en schrijven tegen de regering. Hij kon 't bestuur van 
de kolonin niet genoeg roemen, want hij zei overtuigd te wezen dat er 
veel verloren werd op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een 
ware edelmoedigheid was, bij voortduring een zo hoge prijs te betalen 
voor een artikel dat eigenlijk weinig waarde heeft, en dat hijzelf dan 
ook niet lustte, want hij dronk altijd Chinese thee. Ook zei hij dat de 
gouverneur-generaal die de zogenaamde theecontracten had verlengd, in 
weerwil van de berekening dat er door 't land zoveel verloren wordt op 
die zaken, zulk een bekwaam braaf mens was, en vooral zulk een trouw 
vriend voor wie hem vroeger gekend hadden. Want die gouverneur-generaal 
had zich volstrekt niet gestoord aan de praatjes over 't verlies op de 
thee, en hem, toen er sprake was van de intrekking dier contracten, ik 
geloof in 1846, een grote dienst gedaan door te bepalen dat men maar 
altijd zou voortgaan met het kopen van zijn thee. `Ja,' riep hij uit, 
`het hart bloedt me als ik zulke edele mensen hoor lasteren! Als hij er 
niet geweest was, liep ik nu te voet met vrouw en kinderen.' Toen liet 
hij zijn barouchette voorkomen, en die zag er z keurig uit, en de 
paarden staken z goed in 't vlees, dat ik best begrijpen kan, hoe men 
gloeit van dankbaarheid voor zulk een gouverneur-generaal. Het doet in 
de ziel goed, het oog te vestigen op zo liefelijke aandoeningen, vooral 
wanneer men die vergelijkt met dat verwenste morren en klagen van wezens 
als zo'n Sjaalman.

De volgende dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die 
heer voor wie de Javanen thee maken. 't Zijn beste mensen, en toch 
deftig van belang! Beiden tegelijk vroegen zij met welke trein we 
dachten aan te komen te Amsterdam? Wij begrepen niet wat dit betekenen 
moest, maar later werd het ons duidelijk, want toen we maandagmorgen 
daar aankwamen, waren er aan de station twee bedienden, n met een rood 
vest, en n met een geel vest, die tegelijk ons zeiden met de telegraaf 
last te hebben bekomen, ons af te halen met rijtuig. Mijn vrouw was 
confuus, en ik dacht eraan, wat Busselinck & Waterman zouden gezegd 
hebben, als ze dat gezien hadden ... dat er twee rijtuigen tegelijk voor 
ons waren, meen ik. Maar 't was niet gemakkelijk een keus te doen, want 
ik kon niet besluiten een der partijen te krenken, door 't afwijzen van 
een zo lieve attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb mij uit die 
hoogstmoeilijke omstandigheid alweer gered. Ik heb mijn vrouw en Marie 
in 't rode rijtuig gezet -- in de wagen van 't rooie vest, meen ik -- en 
ik ben in 't gele gaan zitten ... in 't gele rijtuig, meen ik. Wat die 
paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altijd zo vuil is, vloog de 
modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel sprak, daar 
liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met gebukt hoofd, en 
ik zag hoe hij met de mouw van zijn kaal jasje, zijn bleek gelaat 
trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit 
geweest, en mijn vrouw vond het ook.

Negentiende hoofdstuk

In 't particuliere briefje dat de heer Slijmering aan Havelaar zond, 
deelde hij deze mee dat hij in weerwil zijner `drukke bezigheden' de 
volgende dag te Rangkas-Betoeng zou komen om te overleggen wat er moest 
gedaan worden. Havelaar, die maar al te goed wist wat zulke overlegging 
te betekenen had -- zijn voorganger had zo dikwijls `geaboucheerd' met 
de resident van Bantam! -- schreef de volgende brief, die hij de 
resident tegemoet zond opdat deze die zou gelezen hebben voor hij op de 
Lebakse hoofdplaats aankwam. Commentaar op dit stuk is overbodig.

No 9I Geheim	Rangkas-Betoeng,  25 februari 1856,

Spoed	des avonds te 11 ure

Gisterenmiddag te 12 ure had ik de eer tot u af te zenden mijn 
spoedmissive No 88, houdende in substantie:

dat ik na lang onderzoek, en na vergeefs getracht te hebben de 
betrokkene door zachtheid terug te brengen van zijn verkeerdheid, mij 
krachtens mijn ambtseed verplicht gevoelde de regent van Lebak te 
beschuldigen van misbruik van gezag, en dat ik hem verdacht hield van 
knevelarij.

Ik was zo vrij in die brief u voor te stellen dat inlands hoofd naar 
Serang op te roepen, ten einde na zijn vertrek en na neutralisatie van 
de bedervende invloed zijner uitgestrekte familie een onderzoek te doen 
instellen naar de gegrondheid mijner beschuldiging en van mijn 
vermoeden.

Lang, of juister gezegd veel, had ik nagedacht voor ik daartoe besloot. 
Het was u door mijn zorg bekend dat ik getracht heb door vermaningen en 
bedreigingen de oude regent voor ongeluk en schande te bewaren en 
mijzelf voor de diepe grieve, daarvan -- zij 't dan ook alleen de 
onmiddellijk voorafgaande -- oorzaak te zijn.

Doch ik zag aan de andere kant de sedert jaren uitgezogene, diep 
gedrukte bevolking, ik dacht aan de noodzakelijkheid van een voorbeeld 
-- want vele andere vexatin zal ik u te rapporteren hebben, als niet 
tenminste deze zaak door terugwerking daaraan een eind maakt -- en, ik 
herhaal het, na rijp beraad heb ik gedaan wat ik voor plicht hield.

Op dit ogenblik ontvang ik uw vriendelijke en geachte particuliere 
letteren, houdende mededeling dat gij morgen hier zult komen, en tevens 
een wenk dat ik deze zaak liever vooraf particulier had moeten 
behandelen.

Morgen dus zal ik de eer hebben u te zien, en het is juist hierom dat ik 
vrijheid neem u deze tegemoet te zenden, om vr die ontmoeting het 
volgende te constateren.

Alles wat ik omtrent de handelingen van de regent onderzocht, was diep 
geheim. Alleen hij zelf en de patih wisten het, want ik had hem loyaal 
gewaarschuwd. Zelfs de controleur weet nu nog maar ten dele de uitslag 
van mijn onderzoekingen. Deze geheimhouding had een tweeledig doel. 
Eerst, toen ik nog hoopte de regent van zijn weg terug te brengen, was 
het om, ls ik slaagde, hem niet te compromitteren. De patih heeft mij 
namens hem -- het was op de 12de dezer -- expresselijk voor die 
discretie bedankt. Doch later, toen ik begon te wanhopen aan de goede 
uitslag mijner pogingen, of beter, toen de maat mijner verontwaardiging 
door een pas gehoord voorval overliep, toen langer zwijgen 
medeplichtigheid worden zou, toen moest die geheimhouding strekken te 
mijnen behoeve, want ook omtrent mij zelf en de mijnen heb ik plichten 
te vervullen.

Immers na 't schrijven der missive van gister, zou ik onwaardig zijn het 
gouvernement te dienen, indien het daarin voorkomende, ijdel, ongegrond, 
uit de lucht gegrepen was. En zou of zal het mij mogelijk wezen te 
bewijzen dat ik gedaan heb: `wat een goed assistent-resident behoort te 
doen': te bewijzen dat ik niet beneden de betrekking sta die mij gegeven 
is, te bewijzen dat ik niet loszinnig en lichtvaardig zeventien 
moeilijke dienstjaren op 't spel zet, en wat meer zegt, het belang van 
vrouw en kind ... zal 't mij mogelijk zijn dat alles te bewijzen, 
wanneer niet een diep geheim mijn nasporingen verbergt, en de schuldige 
belet zich, zoals men 't noemt, te dekken?

Bij de minste verdenking zendt de regent een expresse naar zijn neef die 
op weg is, en die belang heeft bij zijn maintien. Hij vraagt, ten koste 
van wat ook, geld, deelt het met kwistige hand uit aan ieder die hij in 
de laatste tijd heeft tekort gedaan, en 't gevolg zou wezen -- ik hoop, 
niet te moeten zeggen: zal wezen -- dat ik een lichtvaardig oordeel heb 
geveld, en kortaf: een onbruikbaar ambtenaar ben, om niet erger te 
zeggen.

Om mij tegen deze eventualiteit te verzekeren, dient dit schrijven. Ik 
heb de meeste hoogachting voor u, maar ik ken de geest die men `de geest 
der Oostindische ambtenaren' zou kunnen noemen en ik bezit die geest 
niet!

Uw wenk dat de zaak vooraf beter particulier ware behandeld geworden, 
doet me vrezen voor een abouchement. Wat ik in mijn brief van gisteren 
gezegd heb, is waar. Doch misschien zou het onwaar schijnen, wanneer de 
zaak werd behandeld op een wijze als zou kunnen strekken tot 
openbaarmaking van mijn beschuldiging en van mijn vermoeden, vr de 
regent van hier verwijderd is.

Ik mag u niet ontveinzen dat zelfs uw onverwachte komst, in verband met 
de gister door mij naar Serang gezonden expresse, mij doet vrezen dat de 
schuldige die vroeger niet wilde toegeven aan mijn vermaningen, nu vr 
de tijd zal wakker worden en trachten, zo mogelijk, zich tant soit peu 
te disculperen.

Ik heb de eer mij thans nog letterlijk te gedragen aan mijn missive van 
gister, doch neem de vrijheid daarbij op te merken dat die missive k 
het voorstel inhield: om vr het onderzoek de regent te verwijderen, en 
zijn afhangelingen voorlopig onschadelijk te maken. Ik vermeen niet 
verder verantwoordelijk te zijn voor wat ik avanceerde, dan voorzover 
gij mocht gelieven in te stemmen met mijn voorstel betreffende de wijze 
van onderzoek, dat is: onpartijdig, openlijk, en vooral vrij.

Die vrijheid bestaat niet vr de regent verwijderd is, en naar mijn 
bescheiden mening ligt hierin niets gevaarlijks. Hem kan immers gezegd 
worden dat ik hem beschuldig en verdenk, dat ik gevaar loop, en niet 
hij, wanneer hij onschuldig is. Want ik zelf ben van oordeel dat ik uit 
de dienst behoor ontslagen te worden, als er blijken zal dat ik 
lichtvaardig, of zelfs maar voorbarig heb gehandeld.

Voorbarig! Na jaren, jaren, misbruik!

Voorbarig! Alsof een eerlijk man slapen kon, en leven en genieten, 
zolang zij voor wier welzijn hij geroepen is te waken, zij die in de 
hoogste zin zijn naasten zijn, worden gekneveld en uitgezogen!

Het is waar, ik ben hier kort, doch ik hoop dat de vraag eenmaal wezen 
zal: wat men gedaan heeft, of men het goed gedaan heeft, niet of men het 
in te korte tijd heeft gedaan. Voor mij is elke tijd te lang die 
gekenmerkt wordt door afpersing en onderdrukking, en zwaar weegt mij de 
seconde die door mijn nalatigheid, door mijn plichtsverzuim, door mijn 
`geest van schipperen' in ellende zou doorgebracht zijn.

Ik heb berouw over de dagen die ik heb laten verlopen voor ik u 
officieel rapporteerde, en ik vraag verschoning voor dat verzuim.

Ik neem de vrijheid u te verzoeken mij in de gelegenheid te stellen mijn 
schrijven van gisteren te rechtvaardigen, en mij te vrijwaren voor de 
mislukking mijner pogingen om de Afdeling Lebak te bevrijden van de 
wormen die sedert mensengeheugenis knagen aan haar welvaart.

Het is daarom dat ik opnieuw zo vrij ben, u te verzoeken mijn 
handelingen ten deze -- trouwens alleen bestaande in onderzoek, rapport 
en voorstel -- wel te willen goedkeuren, de regent van Lebak, zonder 
voorafgaande directe of indirecte waarschuwing van hier te verwijderen, 
en voorts te doen instellen een onderzoek naar hetgeen ik meedeelde in 
mijn schrijven van gisteren No 88.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR

Deze bede om de schuldigen niet in bescherming te nemen, ontving de 
resident onderweg. Een uur na zijn komst te Rangkas-Betoeng legde hij 
een kort bezoek bij de regent af, en vroeg hem bij die gelegenheid: wat 
hij kon inbrengen tegen de assistent-resident, en: of hij, Adipati geld 
nodig had. Op de eerste vraag antwoordde de regent: `Niets, dat kan ik 
bezweren!' Op de tweede antwoordde hij toestemmend, waarop de resident 
hem een paar bankbriefjes gaf, die hij -- voor de gelegenheid 
meegebracht! -- uit zijn vestzak haalde. Men begrijpt dat dit geheel 
buiten Havelaar omging, en straks zullen wij te weten komen hoe die 
schandelijke handelwijze hem bekend werd.

Toen de resident Slijmering bij Havelaar afstapte, was hij bleker dan 
gewoonlijk, en zijn woorden stonden verder van elkander dan ooit. Het 
was dan ook geen geringe zaak voor iemand die z uitmuntte in 
`schipperen' en jaarlijkse rust-verslagen, zo op eenmaal brieven te 
ontvangen waarin geen spoor was, noch van 't gebruikelijk officieel 
optimismus, noch van kunstige omwending der zaak, noch van vrees voor 
ontevredenheid van de regering over 't `bemoeilijken' met ongunstige 
berichten. De resident van Bantam was geschrokken, en als men mij de 
onedelheid van 't beeld wil vergeven om der wille van de juistheid, heb 
ik lust hem te vergelijken bij een straatjongen die zich beklaagt over 
verkrachting van voorouderlijke gewoonten, omdat een excentriek 
kameraadje hem zonder voorafgaande scheldwoorden geslagen heeft.

Hij begon met de controleur te vragen waarom deze niet beproefd had 
Havelaar van zijn aanklacht terug te houden. De arme Verbrugge, wie de 
gehele aanklacht onbekend was, betuigde dit, maar vond geen geloof. De 
heer Slijmering kon maar niet begrijpen dat iemand, geheel alleen, op 
eigen verantwoordelijkheid en zonder langgerekte overwegingen of 
`ruggespraken' had kunnen overgaan tot z ongehoorde plichtsvervulling. 
Daar evenwel Verbrugge -- volkomen naar waarheid -- zijn onbekendheid 
met de door Havelaar geschreven brieven staande hield, moest de resident 
na veel uitroepingen van ongelovige verbazing eindelijk wel toegeven, en 
hij ging -- ik weet niet waarom -- tot het voorlezen van die brieven 
over.

Wat Verbrugge bij 't aanhoren daarvan leed, is moeilijk te beschrijven. 
Hij was een eerlijk man, en zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar 
zich op hem had beroepen om de waarheid van de inhoud der brieven te 
staven. Maar ook zonder deze eerlijkheid, hij had in veel schriftelijke 
rapporten niet altijd kunnen vermijden de waarheid te zeggen, ook waar 
die soms gevaarlijk was. Hoe zou 't zijn, als Havelaar daarvan gebruik 
maakte?

Na 't voorlezen van de brieven betuigde de resident dat het hem 
aangenaam wezen zou indien Havelaar die stukken terugnam, om ze te 
kunnen beschouwen als niet geschreven, hetgeen deze met beleefde 
vastheid weigerde. Na vergeefs te hebben getracht hem hiertoe te 
bewegen, zei de resident dat hem niets overbleef dan een onderzoek in te 
stellen naar de gegrondheid van de gedane klachten, en dat hij dus 
Havelaar verzoeken moest de getuigen te doen oproepen die zijn 
beschuldigingen konden staven.

Arme lieden die u gewond hadt aan de doornstruiken in de ravijn, hoe 
angstig zouden uw harten geklopt hebben als ge deze eis hadt kunnen 
horen!

Arme Verbrugge! Gij, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige ex officio, 
getuige uit kracht van ambt en eed! Getuige, die reeds getuigd hdt op 
schrift! Op schrift dat dr lag, op de tafel, onder Havelaars hand ...

Havelaar antwoordde:

`Resident, ik ben assistent-resident van Lebak, ik heb beloofd de 
bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenarij, ik klaag de 
regent aan, en zijn schoonzoon van Parang-Koedjang, ik zal de 
gegrondheid mijner aanklacht bewijzen zodra me daartoe de gelegenheid 
wordt gegeven die ik voorstelde in mijn brieven, ik ben schuldig aan 
laster, als mijn aanklacht vals is!'

Hoe ruim Verbrugge ademde!

En hoe vreemd de resident Havelaars woorden vond!

Het onderhoud duurde lang. Met beleefdheid -- want beleefd en 
welopgevoed ws de heer Slijmering -- trachtte hij Havelaar te bewegen 
van zo verkeerde grondbeginselen af te zien. Maar met even grote 
beleefdheid bleef deze onverzettelijk. Het slot was dat de resident 
moest toegeven, en als bedreiging zei, wat voor Havelaar een zegepraal 
was: dat hij zich dan genoodzaakt vond de bedoelde brieven te brengen 
onder de aandacht van de regering.

De zitting werd opgeheven. De resident bezocht de Adipati -- we zagen 
reeds wat hij daar te verrichten had! -- en gebruikte daarna 't 
middagmaal aan de schrale dis der Havelaars. Terstond daarop keerde hij 
terug naar Serang, met grote spoed: Omdat. Hij. Het. Zo. Bijzonder. 
Druk. Had. De volgende dag ontving Havelaar een brief van de resident 
van Bantam, welks inhoud blijkt uit het antwoord dat ik hier afschrijf:

No 93 Geheim	Rangkas-Betoeng, 28 februari 1856

Ik heb de eer gehad te ontvangen uw spoedmissive van 26 dezer La O, 
geheim, houdende hoofdzakelijk mededeling:

dat gij gronden hadt, niet te treden in de voorstellen, gedaan bij mijn 
ambtsbrieven van 24 en 25 dezer, Nos 88 en gij; dat gij vooraf 
vertrouwelijke mededeling hadt gewenst; dat gij niet goedkeurt mijn 
verrichtingen in die beide brieven omschreven; en ten slotte van enige 
bevelen.

Ik heb thans de eer, gelijk trouwens reeds in de conferentie van 
eergister mondeling geschiedde, nogmaals en ten overvloede te 
verzekeren:

dat ik volkomen eerbiedig de wettigheid van uw gezag, waar het geldt de 
keuze, al of niet te treden in mijn voorstellen; dat de ontvangen 
bevelen met stiptheid en desnoods met zelfverloochening, zullen worden 
nagekomen, als waart gij tegenwoordig bij al wat ik doe en zeg, of 
juister: bij al wat ik niet doe en niet zeg.

Ik weet dat gij op mijn loyauteit ten deze vertrouwt. Doch ik neem de 
vrijheid ten plechtigste te protesteren tegen de minste zweem van 
afkeuring omtrent nige handeling, nig woord, nige zinsnede, door mij 
in deze zaak verricht, gesproken of geschreven.

Ik heb de overtuiging mijn plicht te hebben gedaan, in doel en in wijze 
van uitvoering, geheel mijn plicht, niets dan mijn plicht zonder de 
minste afwijking.

Lang had ik nagedacht voor ik handelde -- dat is: voor ik onderzocht, 
rapporteerde en voorstelde -- en als ik in iets het minste zou gefaald 
hebben ... uit overijling faalde ik niet.

In gelijke omstandigheden zou ik opnieuw -- iets sneller echter -- 
geheel, letterlijk geheel hetzelfde doen en nalaten.

Al ware het zelfs dat een hoger macht dan de uwe iets afkeurde in wat ik 
deed -- behoudens misschien het eigenaardige van mijn stijl die een deel 
uitmaakt van mijzelf, een gebrek waarvoor ik zomin verantwoordelijk ben 
als een stamelaar voor het zijne -- al ware het dat ... doch nee, dit 
kn niet zijn, maar al ware het zo: ik heb mijn plicht gedaan!

Wel doet het mij -- zonder bevreemding evenwel -- leed, dat gij hierover 
anders oordeelt -- en wat mijn persoon aangaat, zou ik terstond berusten 
in wat mij een miskenning toeschijnt -- doch er is een principe in 't 
spel, en ik heb gewetensredenen die eisen dat uitgemaakt worde welke 
mening juist is, die van u of de mijne.

Anders dienen dan ik te Lebak diende, kan ik niet. Wenst dus het 
gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlijk man 
eerbiedig verzoeken mij te ontslaan. Dan moet ik op zesendertigjarige 
leeftijd trachten opnieuw een loopbaan aan te vangen. Dan moet ik, na 
zeventien jaren, na zeventien zware moeilijke dienstjaren, na mijn beste 
levenskrachten te hebben ten offer gebracht aan wat ik voor plicht 
hield, opnieuw aan de maatschappij vragen of ze mij brood wil geven voor 
vrouw en kind, brood in ruil voor mijn denkbeelden, brood wellicht in 
ruil voor arbeid met kruiwagen of spade, als de kracht van mijn arm meer 
waard wordt gekeurd dan de kracht mijner ziel.

Maar ik kan en wil niet geloven dat uw mening door Zijne Excellentie de 
gouverneur-generaal gedeeld wordt, en ik ben dus verplicht, vr ik 
overga tot het bittere uiterste dat ik neerschreef in de vorige alinea, 
u eerbiedig te verzoeken aan het gouvernement voor te stellen:

de resident van Bantam aan te schrijven, alsnog goed te keuren de 
handelingen van de assistent-resident van Lebak, betrekking hebbende op 
diens missives van 24 en 25 dezer, Nos 88 en 91.

Ofwel:

genoemde assistent-resident te roepen ter verantwoording op de door de 
resident van Bantam te formuleren punten van afkeuring.

Ik heb de eer u ten slotte de dankbare verzekering te geven, dat wanneer 
iets me kon terugbrengen van mijn lang doordachte, en bedaard maar vurig 
aangekleefde principes ten deze... waarlijk, het zou geweest zijn de 
heuse innemende wijze waarop gij in de conferentie van eergister die 
principes hebt bestreden.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR


Zonder uitspraak te doen omtrent de gegrondheid van het vermoeden der 
weduwe Slotering, betreffende de oorzaak die haar kinderen tot wezen 
maakte, en alleen aannemende wat bewijsbaar is, dat er in Lebak nauw 
verband was tussen plichtsbetrachting en gif -- al bestond dan ook dit 
verband slechts in mening -- zal toch ieder inzien dat Max en Tine 
kommervolle dagen hadden door te brengen na 't bezoek van de resident. 
Ik geloof niet nodig te hebben de angst te schetsen van een moeder die 
bij 't reiken van spijs aan haar kind, zich gedurig de vraag moet 
voorleggen of ze misschien haar lieveling vermoordt? En wl was het een 
`afgebeden kind', de kleine Max, die zeven jaar was uitgebleven na 't 
huwelijk, als wist de schalk dat het geen voordeel was ter wereld te 
komen als zoon van zulke ouders!

Negenentwintig lange dagen had Havelaar te wachten voor de gouverneur-
generaal hem meedeelde ... doch we zijn nog zover niet.

Kort na de vergeefse pogingen om Havelaar te bewegen tot de intrekking 
zijner brieven, of tot het verraden van de arme lieden die op zijn 
grootmoedigheid vertrouwd hadden, trad eens Verbrugge bij hem binnen. De 
brave man was doodsbleek, en had moeite te spreken.

`Ik ben bij de regent geweest,' zei hij `... dt is infaam ... maar 
verraad me niet.'

Wat? Wt moet ik niet verraden?'

`Geeft ge mij uw woord geen gebruik te maken van wat ik u zeggen zal?' 
`Weer halfheid,' zei Havelaar. `Doch ... goed! Ik geef mijn woord.'

En toen verhaalde Verbrugge, wat de lezer reeds bekend is, dat de 
resident aan de Adipati had gevraagd of hij iets wist in te brengen 
tegen de assistent-resident, en hem tevens geheel onverwachts geld had 
aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van de regent zelf, die hem 
vroeg welke redenen de resident hiertoe konden geleid hebben? Havelaar 
was verontwaardigd, maar... hij had zijn woord gegeven.

De volgende dag kwam Verbrugge terug, en zei dat Duclari hem onder 't 
oog had gebracht hoe onedel het was, Havelaar, die met zulke 
tegenstanders te strijden had, zo geheel alleen te laten, waarop 
Verbrugge deze kwam ontheffen van zijn gegeven woord.

`Goed,' riep Havelaar, `schrijf het op!'

Verbrugge schreef het op. Ook die verklaring ligt voor mij.

De lezer heeft immers reeds lang ingezien waarom ik zo gemakkelijk 
afstand kon doen van alle aanspraken op juridieke echtheid der 
geschiedenis van Sadjah?


Het was zeer treffend op te merken hoe de beschroomde Verbrugge -- vr 
de verwijten van Duclari -- op Havelaars woord durfde bouwen in een zaak 
die zo noopte tot woordbreuk!

En nog iets. Er zijn sedert de gebeurtenissen die ik verhaal, jaren 
verlopen. Havelaar heeft in die tijd veel geleden, hij heeft zijn gezin 
zien lijden -- de geschriften die voor mij liggen, getuigen daarvan! -- 
en 't schijnt dat hij gewacht heeft ... ik geef de volgende aantekening 
van zijn hand:

Ik heb in de nieuwsbladen gelezen dat de heer Slijmering benoemd is tot 
ridder van de Nederlandse Leeuw. Hij schijnt thans resident van 
Djokjakarta te wezen. Ik zou dus nu op de Lebakse zaken kunnen 
terugkomen zonder gevaar voor Verbrugge.


Twintigste hoofdstuk

't Was avond. Tine zat te lezen in de binnengalerij, en Havelaar tekende 
een borduurpatroon. Kleine Max toverde een legprent in elkaar, en maakte 
zich driftig omdat hij niet vinden kon: `Het rooie lijf van die 
mevrouw.'

`Zou 't nu zo goed wezen, Tine?' vroeg Havelaar. `Kijk, ik heb die palm 
wat groter gemaakt ... 't is nu juist the line of beauty van Hogarth, 
nietwaar?'

`Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.'

`Zo? En die andere stroken dan? Max, laat me je broekje eens zien! Ei, 
heb je die strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd hebt, 
Tine!'

`Ik niet. Waar dan?'

`'t Was in Den Haag, toen Max ziek was en we zo geschrokken waren omdat 
de dokter zei dat hij een zo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er 
zoveel zorg vereist werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen. 
Juist in die dagen was je bezig aan die strook.'

Tine stond op, en kuste de kleine.

`Ik hb haar buik, ik hb haar buik!' riep 't kind vrolijk, en de rooie 
mevrouw was compleet.

`Wie hoort daar een tontong slaan?' vroeg de moeder.

`Ik,' zei kleine Max.

`En wat beduidt dat?'

`Bedtijd! Maar... ik heb nog niet gegeten.'

`Eerst krijg je eten, dat spreekt vanzelf.'

En ze stond op, en gaf hem zijn eenvoudig maal dat ze uit een goed 
gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het 
knippen van vele sloten gehoord.

`Wat geef je `m daar?' vroeg Havelaar.

`O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de 
suiker is altijd achter slot geweest.'

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren 
afgebroken.

`Weet je wel,' ging hij voort, `dat wij de rekening van die dokter nog 
niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard!'

`Lieve Max, we leven hier zo spaarzaam, weldra zullen wij alles kunnen 
afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles 
geregeld in weinig tijd.'

`Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt,' zei Havelaar. `Ik 
zou zo heel ongaarne Lebak verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof 
je niet dat we nog meer van onze Max hielden na zijn ziekte? Nu, zo ook 
zal ik dat arme Lebak liefhebben na de genezing van de kanker waaraan 't 
lijdt sedert zoveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me 
schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan de andere 
kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...'

`Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je later 
Lebak helpen als je gouverneur-generaal bent.'

Daar kwamen woeste strepen om Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in 
dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar...

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

`Lieve Max ...' begon ze vriendelijk.

`Vervloekt! Wil je die stumperds z lang laten hongeren? Kan jij leven 
van zand?'

`Lieve Max!'

Maar hij sprong op. Er werd niet meer getekend, die avond. Hij ging 
toornig op en neer in de binnengalerij en eindelijk sprak hij op een 
toon die ruw en hard zou geklonken hebben aan iedere vreemde, doch door 
Tine heel anders werd opgevat:

`Vervloekt die lauwheid, die schandelijke lauwheid! Daar zit ik nu 
sedert een maand te wachten op recht, en intussen wordt er vreselijk 
geleden door dat arme volk. De regent schijnt er op te rekenen dat 
niemand hem aandurft! Zie ...'

Hij ging in zijn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een 
brief die voor me ligt, lezer!

`Zie, in deze brief durft hij me voorstellen doen over de soort van 
arbeid die hij wil laten verrichten door de mensen die hij onwettig 
heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vr gedreven? En 
weet je wie dat zijn? Dat zijn vrouwen met kleine kinderen, met 
zuigelingen, zwangere vrouwen die van Parang-Koedjang zijn gedreven naar 
de hoofdplaats om voor hm te werken! Mannen zijn er niet meer! En ze 
hebben niets te eten, en ze slapen op de weg, en eten zand! Kan jij zand 
eten? Moeten ze zand eten tot ik gouverneur-generaal ben? Vervloekt!'

Tine wist zeer goed op wie Max eigenlijk boos was, als hij zo sprak tot 
haar die hij zo liefhad.

`En,' ging Havelaar voort, `dat loopt alles te mijner verantwoording! 
Als er op dit ogenblik van die arme wezens ronddwalen daarbuiten ... als 
zij 't schijnsel zien van onze lampen, zullen zij zeggen: ``Daar woont 
de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hij rustig bij vrouw en 
kind, en tekent borduurpatroontjes, en wij liggen hier als boshonden op 
de weg te verhongeren met onze kinderen!'' Ja, ik hoor het wel, ik hoor 
het wel, dat roepen om wraak over mijn hoofd! Hier, Max, hier!' En hij 
kuste zijn kind met een wildheid die 't verschrikte.

`Mijn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen 
moed had om recht te doen ... dat er zoveel moeders zijn gestorven door 
mijn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader de 
zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!' En 
hij berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zij bracht daarop kleine 
Max naar zijn bedje -- een stromat -- en toen ze terugkwam, vond ze 
Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoven waren 
binnengetreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de 
regering.

`Ik begrijp zeer goed dat de resident in een moeilijke toestand is,' zei 
Duclari. `Hij kan 't gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw 
voorstellen, want dan zou er teveel aan de dag komen. Ik ben reeds lang 
in 't Bantamse, en weet er veel van, meer nog dan u zelf, meneer 
Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan komt 
men zaken te weten die de inlander zo niet durft zeggen aan de 
ambtenaren. Maar als nu na een openlijk onderzoek dat alles aan de dag 
komt, zal de gouverneur-generaal de resident ter verantwoording roepen, 
en hem afvragen hoe 't komt dat hij in twee jaren niet ontdekt heeft, 
wat u terstond in 't oog is gevallen? Hij moet dus natuurlijk trachten 
zodanig onderzoek te voorkomen ...'

`Ik heb dit ingezien,' antwoordde Havelaar, `en, wakker gemaakt door 
zijn poging om de Adipati te bewegen iets tegen mij in te brengen -- 
hetgeen schijnt aan te tonen dat hij beproeven wil de kwestie te 
verleggen, door bijvoorbeeld mij te beschuldigen van ... ik weet niet 
wat -- heb ik me hiertegen gedekt door afschriften van mijn brieven 
rechtstreeks aan de regering te zenden. In n daarvan komt het verzoek 
voor, ter verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht 
worden voorgegeven dat ik iets misdaan had. Als nu de resident mij 
aantast, kan daarop in gewone billijkheid geen beslissing worden genomen 
zonder dat men mij vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger 
schuldig, en daar ik niets misdaan heb ...'

`Daar komt de post aan!' riep Verbrugge. Ja, 't was de post! De post, 
die de volgende brief meebracht van de gouverneur-generaal van 
Nederlands-Indi aan de gewezen assistent-resident van Lebak Havelaar.

Kabinet	Buitenzorg, 23 maart 1856 

No 54

De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of 
vooronderstelling van kwade praktijken van de hoofden in de Afdeling 
Lebak, en de houding daarbij door u tegenover uw chef, de resident van 
Bantam, aangenomen, hebben in hoge mate mijn ontevredenheid verwekt.

In uw bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg, 
beleid en voorzichtigheid, zozeer vereist in een ambtenaar met 
uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (sic) als begrippen van 
ondergeschiktheid aan uw onmiddellijke superieur.

Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen 
goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (sic) de resident, het 
hoofd van het inlands bestuur te Lebak te maken tot het doelwit van 
bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uw 
beschuldigingen tegen dat hoofd door feiten, veel minder bewijzen te 
staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een 
inlands ambtenaar van de stempel van de regent van Lebak, een 
zestigjarige doch nog ijverige landsdienaar, aan naburige aanzienlijke 
regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wie steeds gunstige 
getuigenissen waren uitgebracht, aan een hem moreel geheel vernietigende 
bejegening te onderwerpen.

Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw 
voorstellen geredelijk gevolg te geven, geweigerd aan het billijk 
verlangen van uw chef te voldoen, om volle opening te geven van 
hetgeen'u omtrent de handelingen van het inlands bestuur te Lebak bekend 
was.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk geloven 
aan ongeschiktheid voor het bekleden ener betrekking bij het binnenlands 
bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der betrekking 
van assistent-resident van Lebak te ontheffen.

Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u 
ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u 
het uitzicht op een wederplaatsing bij het binnenlands bestuur te 
benemen. Ik heb u daarom voorlopig belast met de waarneming der 
betrekking van assistent-resident van Ngawi

Van uw verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen of 
gij bij het binnenlands bestuur zult kunnen geplaatst blijven.

En daaronder stond de naam van de man, op wiens `ijver, bekwaamheid en 
goede trouw' de Koning zei te kunnen staat maken, toen hij diens 
benoeming tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indi ondertekende.

`We gaan van hier, beste Tine,' zei Havelaar gelaten, en hij reikte de 
kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las te zamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de ogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer 
beschaafd mens, berstte in een wilde vloek uit:

`G ... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze zijn 
in ere van hier gegaan, en men schrijft aan u zulk een brief.'

`'t Is niets,' zei Havelaar, `de gouverneur-generaal is een eerlijk man: 
hij moet bedrogen zijn ... hoewel hij zich tegen dat bedrog had kunnen 
hoeden door mij eerst te horen. Hij is verstrikt in 't web van de 
Buitenzorgse ambtenarij. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem 
aantonen hoe hier de zaken staan. Hij zal recht doen, ik ben er zeker 
van!'

`Maar, als ge naar Ngawi gaat ...'

`Juist, ik weet dit! Te Ngawi is de regent verwant aan het Djokjase hof. 
Ik ken Ngawi want ik was twee jaar lang in de Baglen, dat in de buurt 
is. Ik zou te Ngawi hetzelfde moeten doen wat ik hier gedaan heb: dat 
zou nutteloos heen en weer reizen zijn. Bovendien, 't is mij onmogelijk 
dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had! En 
eindelijk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei, 
geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tussen de regering en 
mij teveel personen die belang hebben bij 't loochenen der ellende van 
de bevolking. Er zijn nog meer redenen die mij beletten naar Ngawi te 
gaan. Die plaats was met vacant ... ze is voor mij open gemaakt, kijk!'

En hij toonde in de Javasche Courant die met dezelfde post was 
aangekomen, dat inderdaad bij 'tzelfde besluit der regering waarbij hem 
het bestuur van Ngawi werd opgedragen, de assistent-resident van die 
provincie verplaatst werd naar een andere Afdeling die vacant was.

`Weet ge waarom ik juist naar Ngawi moet, en niet naar die vacante 
Afdeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van Madioen, waaronder Ngawi 
behoort, is de schoonbroer van de vorige resident van Bantam. Ik heb 
gezegd dat de regent vroeger zulke slechte voorbeelden had gehad ...'

`Ah,' riepen Verbrugge en Duclari tegelijk. Ze begrepen waarom Havelaar 
juist naar Ngawi verplaatst werd om op de proef te dienen, of hij zich 
misschien beteren zou!

`En om ng een reden kan ik niet daarheen gaan,' zei hij. `De 
tegenwoordige gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zijn opvolger 
ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt. Om dus nog 
tijdig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik de tegenwoordige 
gouverneur spreken voor zijn vertrek, en als ik nu naar Ngawi ging, zou 
dat onmogelijk wezen. Tine, hoor eens!'

`Lieve Max?'

`Je hebt moed, nietwaar?'

`Max, je weet dat ik moed heb ... als ik bij je ben!'

`Welnu!' Hij stond op, en schreef 't volgend rekest, naar mijn inzien 
een voorbeeld van welsprekendheid.

Rangkas-Betoeng, 29 maart 1856

Aan de Gouverneur-Generaal

van Nederlands-Indi,

Ik had de eer te ontvangen Uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23 
dezer, No 54.

Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te 
verzoeken mij te verlenen een eervol ontslag uit 's lands dienst.

MAX HAVELAAR

Er was te Buitenzorg tot het verlenen van 't gevraagd ontslag niet zo 
lange tijd nodig als er scheen vereist geweest te zijn voor de 
beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een 
maand gevorderd, en 't gevraagde ontslag kwam binnen weinig dagen te 
Lebak aan.

`Goddank,' riep Tine, `dat je eindelijk je zelf kunt zijn!'

Havelaar ontving geen last om 't bestuur zijner Afdeling voorlopig over 
te geven aan Verbrugge, en meende dus zijn opvolger te moeten afwachten. 
Deze bleef lang uit omdat hij uit een geheel andere hoek van Java komen 
moest. Na bijna drie weken wachten schreef de gewezen assistent-resident 
van Lebak, die echter nog altijd als zodanig was opgetreden, de volgende 
brief aan de controleur Verbrugge:

No I53	Rangkas-Betoeng, 15 april 1856

Aan de Controleur van Lebak,

Het is u bewust dat ik bij gouvernementsbesluit van de 4de dezer, No 4, 
op mijn verzoek eervol ben ontslagen uit 's lands dienst.

Misschien ware ik in mijn recht geweest, na de ontvangst van die 
beschikking mijn betrekking van assistent-resident terstond neer te 
leggen, daar het een anomalie schijnt een functie te vervullen zonder 
ambtenaar te wezen.

Ik ontving evenwel geen aanschrijving om mijn betrekking over te geven, 
en gedeeltelijk uit besef van de verplichting mijn post niet te verlaten 
zonder behoorlijk afgelost te zijn, gedeeltelijk uit oorzaken van 
ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van mijn opvolger af, in de 
mening dat die ambtenaar spoedig -- althans deze maand -- zou arriveren. 
Thans verneem ik van u dat mijn vervanger nog niet zo spoedig kan 
verwacht worden -- ge hebt, meen ik, die tijding te Serang gehoord -- en 
tevens dat het de resident verwonderde dat ik, in de zeer bijzondere 
positie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het bestuur aan u te 
mogen overdragen.

Niets kon mij aangenamer zijn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te 
verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan ik 
hier deed ... ik die voor deze wijze van dienen ben gestraft met 
berisping, met een runeuze en deshonorante overplaatsing ... met de 
last om de arme lieden te verraden die op mijn loyauteit vertrouwden -- 
met de keus alzo tussen oneer en broodgebrek! -- dat ik na dit alles met 
moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan mijn plicht, en 
dat de eenvoudigste zaak mij zwaar viel, geplaatst als ik was tussen 
mijn geweten en de principes van 't gouvernement waaraan ik trouw 
schuldig ben zolang ik niet ontheven ben van mijn ambt.

Deze moeilijkheid openbaarde zich vooral bij 't antwoord dat ik geven 
moest aan klagers

Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rancune 
zijner hoofden! Eenmaal had ik -- onvoorzichtig genoeg! -- mijn woord 
ten borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't gouvernement.

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling 
gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met mijn 
zucht voor recht en menselijkheid.

En men ging met klagen voort!

Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 maart, dr 
te zitten als vermeende toevlucht, als machteloze beschermer.

Het was hartverscheurend de klachten aan te horen over mishandeling, 
uitzuiging, armoede, honger... terwijl ik zelf nu met vrouw en kind 
honger en armoede tegemoet ga.

En ook 't gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme 
lieden niet zeggen: `Gaat en lijdt, want het bestuur wil dat gij 
gekneveld wordt!' Ik mocht mijn onmacht niet erkennen, n als ze was 
met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van de gouverneur-
generaal.

Ziehier wat ik antwoordde:

Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik zal de 
Grote Heer spreken over uw ellende. Hij is rechtvaardig, en hij zal u 
bijstaan. Gaat voorlopig rustig naar huis ... verzet u niet ... verhuist 
nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop dat er recht zal 
geschieden!

Z meende ik, beschaamd over de schending mijner toezegging van hulp, 
mijn denkbeelden in overeenstemming te brengen met mijn plicht omtrent 
het bestuur dat mij nog deze maand betaalt, en ik zou aldus tot de komst 
van mijn opvolger zijn voortgegaan, indien niet een bijzonder voorval 
mij heden in de noodzakelijkheid bracht aan die dubbelzinnige verhouding 
een eind te maken.

Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zij 
keerden naar hun woonstede terug. Onderweg ontmoet hen hun dorpshoofd. 
Hij moet ze verboden hebben hun kampong weer te verlaten, en nam ze -- 
naar men mij rapporteert -- hun kleren af, om hen te dwingen thuis te 
blijven. En hunner ontsnapt, vervoegt zich weer bij mij, en verklaart: 
niet naar zijn dorp te durven terugkeren. Wat ik nu die man moet 
antwoorden, weet ik niet!

Ik kan hem niet beschermen ... ik mag hem mijn onmacht niet bekennen ... 
ik wil 't aangeklaagde dorpshoofd niet vervolgen, daar zulks de schijn 
zou meebrengen alsof deze zaak pour le besoin de ma cause door mij was 
opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...

Ik belast u, onder nadere goedkeuring des residents van Bantam, van af 
morgenochtend met het bestuur der Afdeling Lebak.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR

Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van Rangkas-Betoeng. Hij 
weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd hij 't 
afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hij op de eerste 
wisselplaats een talrijke menigte vond, die weggeslopen was uit Rangkas-
Betoeng, om hem daar te begroeten voor het laatst.

Te Serang stapte de familie bij de heer Slijmering af, die haar met de 
gewone Indische gastvrijheid ontving.

's Avonds kwam er veel bezoek bij de resident. Men zei zo betekenisvol 
mogelijk, gekomen te zijn om Havelaar te begroeten, en Max ontving 
menige welsprekende handdruk ...

Maar hij moest naar Batavia om de gouverneur-generaal te spreken ... 
Dr aangekomen, liet hij om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd 
omdat er een fijtzweer was aan de voet van Zijne Excellentie. Havelaar 
wachtte tot die fijtzweer genezen was. Toen liet hij andermaal verzoeken 
gehoord te worden.

Zijne Excellentie `had het zo druk dat zij zelfs aan de directeur-
generaal van financin een audintie had moeten weigeren' en kon dus ook 
Havelaar niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot Zijne Excellentie zou heengeworsteld zijn door die 
drukte. Intussen voelde hij iets als naijver op de personen die aan 
Zijne Excellentie waren toegevoegd in de arbeid. Want hij werkte gaarne 
snel en veel, en gewoonlijk smolten zulke `drukten' weg onder zijn hand. 
Hiervan echter was nu natuurlijk geen sprake. Havelaars arbeid was 
zwaarder dan arbeid: hij wachtte!

Hij wachtte. Eindelijk liet hij opnieuw verzoeken om gehoord te worden. 
Men gaf hem ten antwoord `dat Zijne Excellentie hem niet kon ontvangen, 
wijl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand 
vertrek.'

Max beval zich aan in de gunst van Zijne Excellentie om n half uur 
gehoor, zodra er een kleine ruimte wezen zou tussen twee `drukten'.

Eindelijk vernam hij dat Zijne Excellentie de volgende dag vertrekken 
zou! Dit was hem een donderslag. Nog altijd hield hij zich krampachtig 
vast aan 't geloof dat de aftredende landvoogd eerlijk man, en ... 
bedrogen was. Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om de 
rechtvaardigheid zijner zaak te bewijzen, en dit vierendeel uurs scheen 
men hem niet te willen geven.

Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief die hij aan de 
aftredende gouverneur-generaal schijnt geschreven te hebben op de 
laatste avond voor diens vertrek naar 't moederland. Op de rand staat 
met potlood aangetekend: `Niet juist', waaruit ik opmaak dat sommige 
zinsneden bij 't afschrijven veranderd zijn. Ik doe dit opmerken, om 
niet uit het gemis aan letterlijke overeenstemming van dit stuk, twijfel 
te doen geboren worden aan de echtheid der andere officile stukken die 
ik meedeelde, en die alle door een vreemde hand voor eensluidend 
afschrift zijn getekend. Misschien heeft de man aan wie deze brief 
gericht was, lust de volkomen juiste tekst daarvan publiek te maken. Men 
zou door vergelijking kunnen zien hoever Havelaar is afgeweken van zijn 
minuut. Zakelijk correct was de inhoud aldus:

Batavia, 23 mei 1856

Excellentie! Mijn ambtshalve bij missive van 28 februari gedaan verzoek 
om aangaande de Lebakse zaken te worden gehoord, is zonder gevolg 
gebleven.

Evenzo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan mijn herhaalde 
verzoeken om audintie.

Uwe Excellentie heeft dus een ambtenaar die gunstig bij het gouvernement 
bekend stond -- dit zijn Uwer Excellentie's eigen woorden! -- iemand die 
zeventien jaren het land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen 
niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede 
beoogde en voor eer en plicht alles veil had ... z iemand heeft Uwe 
Excellentie gesteld beneden de misdadiger. Want die hoort men tenminste.

Dat men Uwe Excellentie omtrent mij misleid heeft, begrijp ik. Maar dat 
Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding 
te ontgaan, begrijp ik niet.

Morgen gaat Uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten 
vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben dat ik mijn PLICHT heb 
gedaan, GEHEEL EN AL MIJN PLICHT, met beleid, met bezadigdheid, met 
menslievendheid, met zachtheid en met moed.

De gronden waarop gebaseerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's 
kabinetsmissive van 23 maart, zijn geheel en al verdicht en logenachtig.

Ik kan dit bewijzen, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie mij 
n half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie n half 
uur tijd had kunnen vinden om recht te doen!

Dit is zo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot de bedelstaf 
gebracht ...

Hierover evenwel klaag ik niet.

Maar Uwe Excellentie heeft gesanctioneerd: HET STELSEL VAN MISBRUIK VAN 
GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT, en 
drover klaag ik. Dt schreit ten hemel!

Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dus ontvangen 
Indisch traktement, Excellentie!

Nog nmaal vraag ik om een ogenblik gehoor, zij het deze nacht, zij het 
morgenvroeg! En alweer vraag ik dit niet voor mij, maar voor de zaak die 
ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menselijkheid, die tevens de 
zaak is van welbegrepen politiek.

Als Uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier te 
vertrekken zonder mij te horen, het mijne zal gerust zijn bij de 
overtuiging al het mogelijke te hebben aangewend om de treurige, 
bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen wezen 
van de eigenwillige onkunde waarin de regering wordt gelaten ten 
opzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.

MAX HAVELAAR

Havelaar wachtte die avond. Hij wachtte de ganse nacht.

Hij had gehoopt dat misschien verstoordheid over de toon van zijn brief 
bewerken zou, wat hij vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid 
en geduld. Zijn hoop was ijdel! De gouverneur-generaal vertrok zonder 
Havelaar te hebben gehoord. Er was weer een Excellentie ter ruste gegaan 
in 't moederland!


Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hij zocht ...

Genoeg, mijn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zijt niet 
geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schrijven. Ik heb u in 't leven 
geroepen ... ik liet u komen van Hamburg ... ik leerde u redelijk goed 
Hollands schrijven, in zeer korte tijd ... ik liet u Louise Rosemeyer 
kussen, die in suiker doet ... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!


Die Sjaalman en zijn vrouw...

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlijke femelarij! 
Ik heb u geschapen ... ge zijt opgegroeid tot een monster onder mijn pen 
... ik walg van mijn eigen maaksel: stik in koffie en verdwijn!


Ja, ik, Multatuli, `die veel gedragen heb' neem de pen op. Ik vraag geen 
verschoning voor de vorm van mijn boek. Die vorm kwam mij geschikt voor 
ter bereiking van mijn doel.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzijn geven aan iets dat als heilige 
poesaka zal kunnen bewaard worden door kleine Max en zijn zusje, als hun 
ouders zullen zijn omgekomen van ellende.

Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van mijn hand. En in de 
tweede plaats: ik wil gelezen worden.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die 
verplicht zijn te letten op de tekenen des tijds ... door 
letterkundigen, die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men 
zoveel kwaad spreekt ... door handelaren, die belang hebben bij de 
koffieveilingen... door kameniers, die me huren voor weinige centen ... 
door gouverneurs-generaal in ruste ... door ministers in bezigheid ... 
door de lakeien van die Excellentin ... door bidpredikers, die more 
majorum zullen zeggen dat ik de Almachtige God aantast, waar ik slechts 
opsta tegen 't godje dat zij maakten naar hun beeld ... door duizenden 
en tienduizenden van exemplaren uit het Droogstoppelras, die -- 
voortgaande hun zaakjes op de bekende wijze te behartigen -- 't hardst 
zullen meeschreeuwen over de mooiigheid van m'n geschrijf... door de 
leden der volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in 't 
grote Rijk over zee, dat behoort tot het Rijk van Nederland ...

Ja, ik zal gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zijn. Want het was me niet 
te doen om goed te schrijven ... ik wilde zo schrijven dat het gehoord 
werd. En, evenals iemand die roept: `Houdt de dief!' zich weinig 
bekommert over de stijl zijner gemproviseerde toespraak aan 't publiek, 
is 't ook mij geheel om 't even hoe men de wijze zal beoordelen waarop 
ik mijn `Houdt de dief!' heb uitgeschreeuwd.

`Het boek is bont ... er is geen geleidelijkheid in ... jacht op effect 
... de stijl is slecht ... de schrijver is onbedreven ... geen talent 
... geen methode ...'

Goed, goed, alles goed! Maar... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want wederlegging der HOOFDSTREKKING van mijn werk is onmogelijk!

Hoe luider overigens de afkeuring van mijn boek, hoe liever 't mij wezen 
zal, want des te groter wordt de kans gehoord te worden. En dit wil ik!

Doch gij, die ik stoor in uw `drukten' of in uw `rust', gij ministers en 
gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid mijner 
pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met enige inspanning misschien 
geraken tot een bekwaamheid die ten laatste zelfs de waarheid zou doen 
geloven door 't volk! Dan zou ik aan dat volk een plaats vragen in de 
Vertegenwoordiging, al ware 't alleen om te protesteren tegen 
certificaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten vice 
versa worden uitgereikt, misschien om op 't vreemd denkbeeld te brengen 
dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid ...

Om te protesteren tegen de eindeloze expeditin en heldendaden tegen 
arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong tot 
opstand.

Om te protesteren tegen de schandelijke lafhartigheid van circulaires 
die de eer der natie schandvlekken door 't inroepen van publieke 
liefdadigheid voor de slachtoffers van chronische zeeroof.

't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die 
zeerovers zijn weerbare mannen!

En als men mij die plaats weigerde ... als men mij bij voortduring niet 
geloofde ...

Dan zou ik mijn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de 
vele talen die ik leren kan, om te vragen aan Europa, wat ik vruchteloos 
zou hebben gezocht in Nederland.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen 
als dit: Er ligt een roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de 
Schelde!

En wanneer ook dit niet baatte?

Dan zou ik mijn boek vertalen in 't Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, 
Boeginees, Bataks...

En ik zou klewangwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van de 
arme martelaren wie ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, op wettelijke weg, waar het kan ... op wettige weg van 
geweld, waar het moet.

En dit zou zeer nadelig werken op de Koffieveilingen van de 
Nederlandsche Handel-Maatschappij'!

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige dromer, 
zoals de getrapte Havelaar, die zijn plicht deed met de moed van een 
leeuw, en honger lijdt met het geduld van een marmot in de winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig 
zal wezen ...

God geve dat het niet nodig zij!

Nee, 't zal niet nodig zijn! Want aan U draag ik mijn boek op, Willem de 
Derde, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog en 
Koning ... KEIZER van 't prachtig rijk van INSULINDE dat zich daar 
slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't Uw keizerlijke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met de modder van Slijmeringen en 
Droogstoppels?

En dat daarginds Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden 
MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN UW NAAM?





